7.2.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 32/15
Hogere voorziening ingesteld op 11 november 2008 door Claudia Gualtieri tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 10 september 2008 in zaak T-284/06, Gualtieri/Commissie
(Zaak C-485/08 P)
(2009/C 32/25)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Claudia Gualtieri (vertegenwoordigers: P. Gualtieri en M. Gualtieri, advocaten)
Andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
elk ander verzoek, exceptie en middel afwijzen;
—
de meest opportune beslissingen nemen en vaststellingen doen;
—
de middelen aanvaarden die met betrekking tot de verschillende behandelde vragen zijn uiteengezet alsmede de daarmee verband houdende vorderingen die in deze zaak in elk geval volledig worden herhaald;
—
als rechtsbeginsel formuleren dat de betrekking tussen de gedetacheerde nationale deskundigen (GND) en de Commissie van de Europese Gemeenschappen een ondergeschikte arbeidsverhouding is, welke vergelijkbaar is met die van tijdelijke functionarissen en dat de aan hen betaalde vergoedingen het karakter van een bezoldiging hebben;
—
verklaren dat volgens het gemeenschapsrecht voor gelijkwaardige arbeidsprestaties dezelfde bezoldiging moet worden betaald en dat de betaling aan gehuwde personen van eventuele andere vergoedingen dan aan niet-gehuwde of met een partner samenlevende personen worden betaald, leidt tot discriminatie van het lid van het wettelijk gezin;
—
subsidiair, verklaren dat rekwirante met ingang van de datum van haar feitelijke scheiding of de neerlegging van het echtscheidingsconvenant bij de rechtbank te Brussel recht heeft op alle in artikel 17 van het GND-besluit voorziene vergoedingen;
—
dientengevolge, het bestreden arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 september 2008, dat de volgende dag is betekend, volledig of ten dele vernietigen, en de in eerste aanleg en in de hogere voorziening ingediende verzoeken en vorderingen volledig of ten dele toewijzen dan wel de zaak terugverwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor een beslissing ten gronde;
—
de Commissie van de Europese Gemeenschappen verwijzen in alle kosten van de beide procedures of, subsidiair, in die van de procedure in eerste aanleg.
Middelen en voornaamste argumenten
Om te beginnen blijkt zonder meer uit alle bepalingen die het rechtsstatuut van de GND regelen dat de betrekking van een nationaal deskundige met zijn administratie van oorsprong gedurende de gehele detachering wordt opgeschort en dat de gedetacheerde nationale deskundige gedurende die periode volledig is opgenomen in de organisatie van de Commissie, in het uitsluitende belang waarvan hij zijn werk moet verrichten, met als gevolg dat zijn rechtspositie gelijk (zelfs identiek) is aan die van functionarissen (althans tijdelijke functionarissen) die op hun beurt, wat de arbeidsvoorwaarden en de andere aspecten betreffende de bezoldiging betreft, gelijk zijn aan de ambtenaren.
Om die reden en op grond van de bepalingen van artikel 141, lid 2, EG (volgens hetwelk het begrip beloning eveneens alle overige voordelen in geld of in natura omvat die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt), welk artikel hoger van rang is dan artikel 17 van het GND-besluit, en van het Statuut van de ambtenaren en van de andere personeelsleden van de Europese Unie (artikel 62, lid 3: „[de] bezoldiging omvat een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard”), hebben de aan de GND betaalde vergoedingen, evenals de vergelijkbare vergoedingen waarop de ambtenaren en de andere functionarissen recht hebben, het karakter van een bezoldiging.
Er bestaat dus een algemeen al dan niet gemeenschapsrechtelijk beginsel dat voor gelijke arbeid dezelfde vergoedingen moeten worden betaald, zoals blijkt uit de bepalingen van artikel 14 EVRM, uit richtlijn 2000/43/EG (1) van 29 juni 2000, richtlijn 2000/78/EG (2) van 27 november 2000, de artikelen 3, lid 2, 136, 137, sub i, en 141, lid 1, EG.
De door het Gerecht van eerste aanleg gevolgde uitlegging leidt er echter toe dat twee werknemers die hetzelfde werk verrichten verschillend worden beloond indien de echtgenoot van een van hen op het moment van detachering reeds in Brussel woont, hetgeen een ernstige discriminatie van leden van het wettelijk gezin inhoudt, ondanks de grote bescherming die het gezin in de nationale en internationale wetgeving geniet en de tendens in de wetgeving van de verschillende lidstaten, het Ambtenarenstatuut (artikel 1, leden 1 en 2, sub c, van bijlage VII) en de rechtspraak van het Europese Hof ter bescherming van de rechten van de mens om het feitelijk samenwonen gelijk te stellen met het gezin.
Bovendien had de volledige betaling van de vergoedingen tenminste moeten plaatsvinden vanaf de datum van beëindiging van de samenleving, aangezien in de rechtsvoorschriften geen aanwijzing wordt gevonden voor de zogenoemde noodzaak om te verwijzen naar het moment waarop de betrekking ontstond, zonder rekening te houden met latere wijzigingen in die betrekking.
Wat de exceptie van onwettigheid van artikel 20 van het GND-besluit betreft, stelt rekwirante onder verwijzing naar artikel 241 EG dat de gronden feitelijk en rechtens waarop die exceptie was gebaseerd van meet af aan gedetailleerd en begrijpelijk zijn uiteengezet, zodat de verwerende partij geen bezwaar had gemaakt, en dat duidelijk was dat de verwijzing naar artikel 241 EG in elk geval strekte tot verkrijging van een uitspraak over de betrokken vragen, en dit zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat het beroep te laat is ingesteld.
Voorts ziet rekwirante af van het middel ontleend aan schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen en vraagt zij om herziening van de beslissing over de kosten van het geding, die op grond van de artikelen 87 en 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg volledig hadden moeten worden vergoed. Ook merkt zij op dat het feit dat het Gerecht over het geding ten gronde heeft beslist de erkenning vormt dat het beroep ontvankelijk is, hetgeen in dit stadium niet meer in geding kan worden gebracht.
Zij concludeert derhalve dat het het Hof behaagt, na de rechtsbeginselen te hebben geformuleerd dat de GND en de Commissie gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst die vergelijkbaar is met die van de tijdelijke functionarissen en dat de aan die GND betaalde vergoedingen het karakter van een bezoldiging hebben, te verklaren dat op grond van het gemeenschapsrecht voor gelijke arbeidsprestaties dezelfde bezoldiging moet worden betaald en dat in elk geval de betaling aan gehuwden van eventuele andere vergoedingen dan die welke aan niet-gehuwde of met een partner samenwonende personen worden betaald, leidt tot discriminatie van het lid van het wettelijke gezin, of, subsidiair, dat rekwirante met ingang van de datum van haar feitelijke scheiding of de neerlegging van het echtscheidingsconvenant bij de rechtbank te Brussel volledig recht heeft op de in artikel 17 van het GND-besluit bedoelde vergoedingen.
(1) Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180, blz. 22).
(2) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, p. 16).
Full & Egal Universal Law Academy