21.2.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 44/26
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht Innsbruck (Oostenrijk) op 12 oktober 2008 — Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols/Land Tirol
(Zaak C-486/08)
(2009/C 44/44)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesgericht Innsbruck
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols
Verwerende partij: Land Tirol
Prejudiciële vragen
1)
Is het verenigbaar met clausule 4, punt 1, van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid van 6 juni 1997, die bij richtlijn 97/81/EG (1) van de Raad van 15 december 1997 inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9) is uitgevoerd, dat werknemers/werkneemsters die in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot een territoriaal lichaam of een openbaar bedrijf en die minder dan 12 uur per week (30 % van de normale arbeidstijd) werken, ten achter worden gesteld bij vergelijkbare voltijdwerkers wat betreft bezoldiging, inschaling, inaanmerkingneming van voorafgaande diensttijd, recht op vakantie, bijzondere betalingen, overwerktoeslagen etc.?
2)
Moet het in clausule 4, punt 2, van deze kaderovereenkomst neergelegde „pro rata temporis”-beginsel in die zin worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke bepaling als § 55, lid 5, [Landes-Vertragsbedienstetengesetz], op grond waarvan bij wijziging van de omvang van de tewerkstelling van een werknemer, de omvang van de nog niet genoten vakantie naar evenredigheid moet worden aangepast aan de nieuwe arbeidstijd, wat tot gevolg heeft dat voor een werknemer die de omvang van zijn tewerkstelling terugbrengt van voltijds naar deeltijds, de aanspraak op vakantie die hij had opgebouwd in de tijd dat hij voltijds werkte, wordt gereduceerd, respectievelijk dat hij deze vakantie slechts met een lager vakantiegeld kan genieten?
3)
Is een nationale bepaling als § 1, lid [2], sub m, [Landes-Vertragsbedienstetengesetz], op grond waarvan werknemers/werkneemsters die voor een bepaalde tijd van maximaal zes maanden, dan wel slechts incidenteel tewerk worden gesteld, wat betreft bezoldiging, inschaling, inaanmerkingneming van voorafgaande diensttijd, recht op vakantie, bijzondere betalingen, overwerktoeslagen etc., ten achter worden gesteld bij vergelijkbare werknemers met een vaste aanstelling, in strijd met clausule 4 van de raamovereenkomst van de Europese sociale partners, die bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad (2) van 28 juni 1999 inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is uitgevoerd?
4)
Doet zich een geval voor van indirecte discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 14, lid 1, sub c, van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement de Raad (3) van 5 juli 2006 inzake gelijke behandeling, wanneer voor arbeidscontractanten die voor de wettelijk toegelaten duur van twee jaar een onbezoldigd ouderschapsverlof (Elternkarenz) opnemen, de wettelijke aanspraak op vakantie die in het aan de geboorte voorafgaande jaar is opgebouwd, na afloop van het ouderverlof reeds is vervallen, en de overgrote meerderheid (97 %) van de betrokken werknemers vrouw is?
(1) PB L 14, blz. 9.
(2) PB L 175, blz. 43.
(3) PB L 204, blz. 23.
Full & Egal Universal Law Academy