7.2.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 32/17
Hogere voorziening ingesteld op 17 november 2008 door Prana Haus GmbH tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer) van 17 september 2008 in zaak T-226/07, Prana Haus GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-494/08 P)
(2009/C 32/26)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Prana Haus GmbH (vertegenwoordiger: N. Hebeis, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Achtste kamer) van 17 september 2008 in zaak T-226/07 [Prana Haus GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)] vernietigen.
—
het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Het geding heeft betrekking op de vraag of het begrip „PRANAHAUS” als merk kan worden beschermd voor de waren „allerlei bespeelde beeld- en geluidsdragers; drukwerken” en voor „detailhandel […] in producten voor dagelijks gebruik […]”. Het Gerecht van eerste aanleg was van oordeel dat „PRANAHAUS” een aanduiding is die bovengenoemde waren en diensten rechtstreeks en concreet aanduidt.
In hogere voorziening voert rekwirante schending van de absolute weigeringsgrond inzake beschrijvende aanduidingen aan overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk.
Volgens rekwirante heeft het Gerecht het rechtsbegrip „tot aanduiding” in artikel 7, lid 1, sub c, te ruim uitgelegd, in strijd met de bewoordingen van de bepaling en de rechtspraak van het Hof van Justitie. Verder is het onderzoek, of de aanduiding „PRANAHAUS” met bovengenoemde waren of diensten een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft waardoor het relevante publiek hierin „onmiddellijk en zonder verder nadenken” een „aanduiding” van deze waren of diensten ziet in de zin van artikel 7, lid 1, sub c, onjuist verricht. Het Gerecht is daarbij voorbijgegaan aan het feit dat meerdere ingewikkelde denkstappen nodig zijn om in het begrip „PRANAHAUS” ook zelfs maar een verborgen betekenis te zien. In dit verband heeft het Gerecht evenmin rekening gehouden met feiten die relevant waren voor de beslissing, en aldus de feitelijke grondslag verdraaid. Het Gerecht heeft bovendien nagelaten te motiveren in welke mate het begrip „PRANAHAUS” beschrijvend is voor de concrete waren en diensten. Tevens heeft het Gerecht in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie aangenomen dat het noodzakelijk is dat de aanduiding „PRANAHAUS” beschikbaar blijft voor concurrenten.
Full & Egal Universal Law Academy