21.2.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 44/30
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Monomeles Protodikeio Athinon (Griekenland) op 27 november 2008 — Archontia Koukou/Elliniko Dimosio
(Zaak C-519/08)
(2009/C 44/50)
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Monomeles Protodikeio Athinon
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Archontia Koukou
Verwerende partij: Elliniko Dimosio
Prejudiciële vragen
1)
Kan clausule 5 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die de bijlage vormt van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 (PB L 175, blz. 43), aldus worden uitgelegd dat als objectieve reden voor het aangaan van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd kan worden aangemerkt het feit dat deze overeenkomsten zijn gesloten met een beroep op een wettelijke bepaling die voorziet in de afsluiting van arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd, ongeacht of deze in werkelijkheid tegemoet komen aan permanente en blijvende behoeften van de werkgever?
2)
Is de toevoeging aan maatregelen die zijn ingevoerd ter uitvoering van clausule 5 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, van criteria voor de constatering van misbruik (zoals een maximum voor de duur van overeenkomsten en het aantal vernieuwingen ervan waarbinnen aanstelling is toegestaan ook zonder het bestaan van een objectieve reden ter rechtvaardiging van de afsluiting of vernieuwing van arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd) een ontoelaatbare verlaging, als bedoeld in clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst, van het algemene beschermingsniveau zoals dat vóór richtlijn 1999/70/EG bestond, gelet op het feit dat volgens het geldende recht vóór richtlijn 1999/70/EG het al dan niet bestaan van een objectieve reden voor aanstelling door middel van een arbeidsovereenkomst of -verhouding voor bepaalde tijd, het enige criterium was voor de constatering van misbruik?
3)
Is de vaststelling van onbepaalde en niet-limitatieve lijsten van uitzonderingen, zoals opgenomen in de kernbepalingen van presidentieel besluit nr. 164/2004, op de grenzen die in beginsel zijn gesteld aan de sluiting van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd, een effectieve maatregel ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van dergelijke arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen, in de zin van clausule 5 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd?
4)
Kunnen maatregelen ter voorkoming van en bescherming tegen misbruik, zoals de hier in geding zijnde bepalingen van artikel 7 van presidentieel besluit nr. 164/2004, worden beschouwd als effectieve maatregelen in de zin van clausule 5 van de raamovereenkomst, wanneer deze:
a)
als middel ter voorkoming van misbruik en ter bescherming van de werknemers, de werkgever verplichten tot betaling van loon en van een „ontslagvergoeding” wanneer deze ten onrechte opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is aangegaan, gelet op het feit dat i) de verplichting tot betaling van loon en van een „ontslagvergoeding” door het Griekse recht verbonden wordt aan elke arbeidsovereenkomst en niet speciaal gericht is op de voorkoming van misbruik in de zin van de raamovereenkomst, ii) met name de verplichting tot betaling van een vergoeding bij de ontbinding van arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd voortvloeit uit clausule 4 van de raamovereenkomst met betrekking tot het verbod om werknemers in tijdelijke dienst minder gunstig te behandelen dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst;
b)
voorzien in sancties tegen de bevoegde organen van de werkgever als middel ter voorkoming van misbruik, terwijl dezelfde of vergelijkbare sancties die in het verleden in de openbare sector waren vastgesteld, ineffectief zijn gebleken ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van arbeidsovereenkomsten of -verhoudingen voor bepaalde tijd?
5)
Zijn als effectieve maatregelen en een juiste omzetting van richtlijn 1999/70/EG in de Griekse rechtsorde te beschouwen maatregelen als die van artikel 11 van presidentieel besluit nr. 164/2004, die in werking zijn getreden op 19 juli 2004, dat wil zeggen te laat ten opzichte van de in de richtlijn gestelde termijn, en waaraan slechts gedeeltelijke terugwerkende kracht (drie maanden) is toegekend, zodat zij slechts van toepassing zijn op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en -verhoudingen voor bepaalde tijd die van kracht waren tot na 19 april 2004, en niet op opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en -verhoudingen voor bepaalde tijd die gesloten bleven worden in de periode vanaf het verstrijken van de uitvoeringstermijn van richtlijn 1999/70 tot 19 april 2004?
6)
Indien de met artikel 11 van presidentieel besluit nr. 164/2004 ter uitvoering van clausule 5 van de raamovereenkomst vastgestelde maatregelen niet als effectief worden beschouwd, is het gerecht dan, gelet op zijn verplichting tot uitlegging conform het gemeenschapsrecht, gehouden het Griekse recht geldend vóór de inwerkingtreding van dat besluit (zoals artikel 8, lid 3, van wet nr. 2112/1920), op basis waarvan bescherming van verzoekster tegen misbruik gerealiseerd kan worden op een wijze die zonder enige twijfel de gevolgen van de schending van het gemeenschapsrecht ongedaan kan maken, conform richtlijn 1999/70 toe te passen?
7)
Indien de met presidentieel besluit nr. 164/2004 vastgestelde maatregelen niet als effectief worden beschouwd en het vóór de inwerkingtreding van dat besluit geldende recht (artikel 8, lid 3, van wet nr. 2112/1920) dient te worden toegepast, is dan, gelet op de verplichting tot uitlegging conform het gemeenschapsrecht, met dit gemeenschapsrecht verenigbaar een uitlegging van regels van hoger nationaal recht (artikel 103, lid 8, van de grondwet) in die zin dat zij een absoluut verbod behelzen tot omzetting van overeenkomsten voor bepaalde in overeenkomsten voor onbepaalde tijd, zelfs wanneer blijkt dat deze overeenkomsten in werkelijkheid ten onrechte zijn gebaseerd op wettelijke voorschriften die bedoeld zijn voor buitengewone en in het algemeen tijdelijke behoeften, omdat ermee werd voorzien in permanente en blijvende behoeften van een tot de openbare sector behorende werkgever (aldus beslissingen 19/2007 en 20/2007 van de Areios Pagos in volledige samenstelling), terwijl ook een uitlegging denkbaar is in die zin dat dit verbod beperkt moet blijven tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die werkelijk zijn aangegaan om het hoofd te bieden aan tijdelijke, onvoorziene, dringende of buitengewone behoeften en niet om te voorzien in permanente en blijvende behoeften (zoals beslissing 18/2006 van de Areios Pagos in volledige samenstelling)?
8)
Is het verenigbaar met het gemeenschapsrecht dat na de inwerkingtreding van presidentieel besluit nr. 164/2004 geschillen in verband met arbeid in tijdelijke dienst en clausule 5 van de raamovereenkomst zijn onderworpen aan de exclusieve rechtsmacht van de administratieve rechter, nu dat voor de rechtzoekende werknemer in tijdelijke dienst de toegang tot de rechter bemoeilijkt, gelet op het feit dat vóór de vaststelling van genoemd besluit alle geschillen in verband met arbeid in tijdelijke dienst onderworpen waren aan de rechtsmacht van de burgerlijke rechter, en wel volgens de bijzondere procedure voor arbeidsrechtelijke geschillen, die eenvoudiger, goedkoper voor de rechtzoekende, in de regel sneller en minder streng is ten aanzien van vormvereisten?
Full & Egal Universal Law Academy