7.3.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 55/10
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 17 december 2008 — Portakabin Limited en Portakabin BV tegen Primakabin BV
(Zaak C-558/08)
(2009/C 55/17)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeksters: Portakabin Limited en Portakabin BV
Verweerster: Primakabin BV
Prejudiciële vragen
1.
a.
Indien een ondernemer die handelt in bepaalde waren of diensten (hierna: „adverteerder”) gebruik maakt van de mogelijkheid om bij de exploitant van een internetzoekmachine een adword [Bij het adverteren via internet kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om tegen betaling bij zoekprogramma's als Google zogeheten adwords op te geven. Wordt in de zoekmachine zo'n adword ingetikt, dan verschijnt een verwijzing naar de website van de adverteerder ofwel in de lijst met gevonden pagina's, ofwel als advertentie rechts op de resultatenpagina onder het kopje „Gesponsorde koppelingen”.] op te geven dat gelijk is aan een door een ander (hierna: „merkhouder”) voor soortgelijke waren of diensten ingeschreven merk, welk opgegeven zoekwoord — zonder dat dit zichtbaar is voor de gebruiker van de zoekmachine — tot gevolg heeft dat deze internetgebruiker die dat woord intikt, op de resultatenlijst van de zoekmachine-exploitant een verwijzing aantreft naar de website van de adverteerder, levert dit dan gebruik op, door die adverteerder, van het ingeschreven merk in de zin van artikel 5 lid 1, aanhef en onder a, van richtlijn 89/104/EEG (1)?
b.
Maakt het daarbij verschil of de verwijzing wordt vermeld
—
in de gewone lijst met gevonden pagina's, of
—
in een als zodanig aangegeven advertentiegedeelte?
c.
Maakt het daarbij verschil
—
of de adverteerder reeds in de verwijzende mededeling op de webpagina van de exploitant van de zoekmachine daadwerkelijk producten of diensten aanbiedt die gelijk zijn aan de waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, dan wel
—
of de adverteerder op een eigen webpagina, waarnaar door de internetgebruiker (uit vraag l.a. via de verwijzing op de pagina van de zoekmachine-exploitant kan worden „doorgeklikt” („hyperlinking”), daadwerkelijk producten of diensten aanbiedt die gelijk zijn aan de waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven?
2.
Indien en voor zover het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, kan het bepaalde in artikel 6 van de richtlijn, met name het bepaalde in lid 1, onder b en c, van dat artikel, dan meebrengen dat de houder van het merk niet het in vraag 1 bedoelde gebruik kan verbieden, en zo ja, onder welke omstandigheden?
3.
Voor zover vraag 1 bevestigend beantwoord wordt, is dan artikel 7 van de richtlijn toepasselijk, voor zover een aanbod van de adverteerder als in vraag 1 bedoeld, betrekking heeft op waren die onder het in vraag 1 bedoelde merk door de merkhouder of met zijn toestemming in de gemeenschap in de handel zijn gebracht?
4.
Gelden de op de voorgaande vragen gegeven antwoorden ook voor door de adverteerder opgegeven zoekwoorden als in vraag 1 bedoeld, waarin het merk bewust met kleine verschrijvingen is weergegeven, waardoor de zoekmogelijkheden voor het publiek dat van internet gebruik maakt, doeltreffender worden, aangenomen dat op de website van de adverteerder het merk correct wordt weergegeven?
5.
Indien en voor zover het antwoord op de hiervoor gestelde vragen meebrengt dat van gebruik van het merk in de zin van artikel 5, lid 1, van de richtlijn geen sprake is, kunnen de lidstaten dan, ter zake van het gebruik van adwords als in deze zaak aan de orde, op de voet van artikel 5, lid 5, van de richtlijn, overeenkomstig in die staten geldende bepalingen betreffende bescherming tegen het. gebruik van een teken anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, zonder meer bescherming verlenen tegen gebruik, zonder geldige reden, van dat teken, waardoor naar het oordeel van de rechterlijke instanties in die lidstaten ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk, of gelden daarbij voor de nationale rechters communautairrechtelijke grenzen, samenhangend met de antwoorden op de voorgaande vragen?
(1) Eerste richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy