BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)
4 juni 2009 (*)
„Verzoek om prejudiciële beslissing – Afdoening zonder beantwoording”
In zaak C‑129/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België) bij beslissing van 1 februari 2008, ingekomen bij het Hof op 31 maart 2008, in de procedure
Carlos Cloet,
Jacqueline Cloet
tegen
West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand CVBA (WVI),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: A. Ó Caoimh, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van de artikelen 87 EG en 88 EG.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen C. en J. Cloet enerzijds en de West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand CVBA (WVI) anderzijds over een onteigeningsprocedure.
3 Het hoofdgeding betreft een vordering van C. en J. Cloet primair tot nietigverklaring van het besluit tot onteigening van een landbouwgrond waarvan zij eigenaar waren, en subsidiair tot herziening van de hun toegekende vergoeding.
4 Volgens de verwijzende rechter heeft deze onteigening, die is uitgevoerd krachtens een besluit van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken van 9 juli 2001, tot doel de NV Metafox (hierna: „Metafox”) de nodige gronden voor een investeringsproject ter beschikking te stellen.
5 Bij vonnis van 12 mei 2004 heeft de vrederechter te Tielt de vergoeding voorlopig op 125 994,70 EUR vastgesteld.
6 In deze omstandigheden heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Is te aanzien als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt het financieel voordeel, verstrekt aan [Metafox] door het Vlaamse Gewest/de Vlaamse Gemeenschap langs het kanaal om van het gedecentraliseerd overheidsorgaan, te weten [WVI], in de vorm van de voorkeursprijs voor aankoop van een terrein nijverheidsgrond van 1 ha 82 a 74 ca, en die WVI tot uitvoering heeft gebracht voor een in de akte verkoop 'pro fis co' vermeld bedrag van 294 394,14 euro ten aanzien van de in werkelijkheid betaalde voorkeursprijs van 91 720,60 euro, dit alles mede in de wetenschap dat de kostprijs voor aankoop van dergelijke industrie-nijverheidsgrond in normale omstandigheden en op basis van gemiddelde waarden voor industrie‑ en nijverheidsgrond aldaar 1 007 926,40 euro bedraagt?
2) Bevoordeligt het Vlaamse Gewest/de Vlaamse Gemeenschap langs het kanaal om van [WVI], via een dergelijke maatregel van onteigening en navolgende verkoop aan [Metafox] (in concreto de door [Metafox] te betalen voorkeursprijs ad 91 720,60 euro) de begunstigde onderneming, [Metafox], niet indirect door [Metafox] rechtstreeks een economisch voordeel te verschaffen (t.w. het verschil tussen de betaalde prijs en de in de akte ‚pro fisco’ vermelde verkoopprijs), nu de begunstigde onderneming, de NV Metafox, deze terreinen niet had kunnen verkrijgen onder normale marktvoorwaarden (1 007 926,40 euro), noch tegen de ‚pro fisco’ vastgestelde verkoopsprijs (294 394,14 euro)?
Kan men bijgevolg dergelijke maatregel van [WVI] (in concreto de verkoop van industriegrond tegen de werkelijk betaalde voorkeursprijs) kwalificeren als een financieel voordeel dat strijdig is met art. 87, lid 1 EG?
3) Dient bij toepassing van art. 88, par. 3, EG een dergelijke maatregel en het verstrekte financieel voordeel geboden door het Vlaamse Gewest/de Vlaamse Gemeenschap, aangemeld te worden aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen?”
7 Bij brief van 27 januari 2009 vroeg het Hof de verwijzende rechter krachtens artikel 104, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering om nadere verduidelijking over de gestelde prejudiciële vragen.
8 In haar antwoord van 20 maart 2009 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brugge erop gewezen dat, gelet op de devolutieve kracht van een hoger beroep tegen de verwijzingsbeslissing, het hoofdgeding niet meer voor haar aanhangig was zodat zij de gevraagde verduidelijking niet kon verstrekken.
9 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat waar het gaat om een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hogere voorziening, artikel 234 EG zich er niet tegen verzet dat voor de beslissingen van zodanige instantie om het Hof een prejudicieel verzoek voor te leggen, de normale beroepsmogelijkheden van het nationale recht blijven gelden (arresten van 12 februari 1974, Rheinmühlen-Düsseldorf, 146/73, Jurispr. blz. 139, punt 3, en 16 december 2008, Cartesio, C‑210/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 89).
10 De uitlegging van artikel 234 EG in punt 98 van het reeds aangehaalde arrest Cartesio is evenwel irrelevant in het onderhavige hoofdgeding. In de zaak die tot dat arrest leidde, ging het namelijk om regels van nationaal recht inzake de mogelijkheid van beroep tegen een beslissing tot prejudiciële verwijzing waarbij de zaak volledig bij de verwijzende rechter aanhangig bleef, terwijl alleen tegen de verwijzingsbeslissing beperkt beroep werd ingesteld. In hetzelfde punt 98 oordeelde het Hof dat artikel 234, tweede alinea, EG aldus moet worden uitgelegd dat aan de bij deze verdragsbepaling aan iedere nationale rechter verleende bevoegdheid om een prejudiciële verwijzing naar het Hof te gelasten, geen afbreuk mag worden gedaan door de toepassing van dergelijke regels die de appèlrechter toestaan om de beslissing waarbij een prejudiciële verwijzing naar het Hof wordt gelast, te wijzigen, om deze verwijzing te vernietigen en om de rechter die deze beslissing had genomen, te gelasten de behandeling van de geschorste nationale procedure te hervatten.
11 Aangezien het Hof in casu de onmisbare nadere verduidelijking ter beoordeling van de zaak niet kan verkrijgen daar het geding niet aanhangig is voor de verwijzende rechter, dient daarentegen te worden vastgesteld dat op het verzoek om een prejudiciële beslissing niet behoeft te worden geantwoord (zie in die zin beschikking van 24 maart 2009, Nationale Loterij, C‑525/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 11).
Kosten
12 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Zevende kamer) beschikt:
Op het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑129/08 behoeft niet te worden geantwoord.
Luxemburg, 4 juni 2009.
De griffier
De president van de Zevende kamer
R. Grass
A. Ó Caoimh
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy