Zaak C‑166/08
Strafzaak
tegen
Guido Weber
(verzoek van het Amtsgericht Büdingen om een prejudiciële beslissing)
„ Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Richtlijn 89/397/EEG – Officiële controle op levensmiddelen – Recht van betrokkenen om tegenexpertise te laten uitvoeren – Begrip betrokkene”
Samenvatting van de beschikking
Harmonisatie van wetgevingen – Officiële controle op levensmiddelen – Richtlijn 89/397
(Richtlijn 89/397 van de Raad, art. 7, lid 1, tweede alinea)
Artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397 inzake de officiële controle op levensmiddelen moet aldus worden uitgelegd, dat als een „betrokkene” in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd een vennootschap die een levensmiddel heeft ingevoerd en vervolgens in de handel heeft gebracht en waarvan de directeur, op basis van de analyse van in een detailhandel genomen monsters van dat levensmiddel, strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de staat en de etikettering daarvan of daarvoor geldboeten kan oplopen.
(cf. punt 34 en dictum)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Zevende kamer)
19 mei 2009 (*)
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor de procesvoering – Richtlijn 89/397/EEG – Officiële controle op levensmiddelen – Recht van betrokkenen om tegenexpertise te laten uitvoeren – Begrip betrokkene”
In zaak C‑166/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Amtsgericht Büdingen (Duitsland) bij beslissing van 10 april 2008, ingekomen bij het Hof op 18 april 2008, in de strafzaak tegen
Guido Weber,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: A. Ó Caoimh, kamerpresident, U. Lõhmus (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Grass,
gelet op het besluit van het Hof om uitspraak te doen bij een met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 104, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397/EEG van de Raad van 14 juni 1989 inzake de officiële controle op levensmiddelen (PB L 186, blz. 23).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen G. Weber, directeur van Routhier Weber GmbH (hierna: „Routhier Weber”), die ervan wordt beschuldigd een levensmiddel onder een misleidende benaming in de handel te hebben gebracht.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
De officiële controle op levensmiddelen
3 De officiële controle op levensmiddelen was tot 31 december 2005 geregeld door richtlijn 89/397.
4 De dertiende overweging van de considerans van deze richtlijn luidt:
„Overwegende dat het weliswaar niet dienstig is de bedrijven het recht te verlenen zich tegen de controles te verzetten, maar dat niettemin hun legitieme rechten en met name het recht op geheimhouding van productiegegevens en het recht van beroep moeten worden gevrijwaard.”
5 Artikel 4 van genoemde richtlijn bepaalt:
„1. De controle wordt uitgevoerd:
a) op gezette tijden;
b) wanneer niet-naleving van de regels wordt vermoed.
2. De controle wordt uitgevoerd in evenredigheid met het beoogde doel.
3. De controle strekt zich uit tot alle stadia van productie, fabricage, invoer in de Gemeenschap, behandeling, opslag, vervoer, distributie en handel.
[...]”
6 Artikel 5 van richtlijn 89/397 luidt:
„De controle bestaat, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6 tot en met 9 en naar gelang van het voorgenomen onderzoek, uit een of meer van de onderstaande verrichtingen:
1. inspectie,
2. monsterneming en analyse,
[...]”
7 Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt:
„1. De inspectie heeft betrekking op:
[...]
d) de eindproducten;
[...]
h) de etikettering en de aanbiedingsvorm van de levensmiddelen;
[...]”
8 Artikel 7 van genoemde richtlijn luidt als volgt:
„1. Van de in artikel 6, lid 1, sub b tot en met f, bedoelde producten mogen voor analyse monsters worden genomen.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de betrokkenen eventueel een tegenexpertise kunnen laten uitvoeren.
2. De analyses worden uitgevoerd door officiële laboratoria.
De lidstaten mogen voor het verrichten van deze analyses ook andere laboratoria erkennen.”
9 Artikel 10 van dezelfde richtlijn bepaalt:
„Wanneer de met de controle belaste functionarissen op onregelmatigheden stuiten of er vermoedens van hebben, nemen zij de noodzakelijke maatregelen.”
10 Artikel 12 van richtlijn 89/397 luidt:
„1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de aan de controle onderworpen natuurlijke en rechtspersonen het recht te verlenen beroep in te stellen tegen de maatregelen die de bevoegde instantie met het oog op de uitoefening van de controle heeft genomen.
[...]”
De benaming van oorsprong „feta”
11 In het gemeenschapsrecht is de benaming „feta” beschermd als oorsprongsbenaming. Bij verordening (EG) nr. 1829/2002 van de Commissie van 14 oktober 2002 tot wijziging van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1107/96 van de Commissie wat de benaming „feta” betreft (PB L 277, blz. 10), is zij ingeschreven in het register bedoeld in artikel 6, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 208, blz. 1).
12 Artikel 4 van verordening nr. 2081/92 bepaalt:
„1. Om voor een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) of een beschermde geografische aanduiding (BGA) in aanmerking te komen, moet een product in overeenstemming zijn met een productdossier.
2. Het productdossier omvat ten minste:
[...]
b) de beschrijving van het landbouwproduct of het levensmiddel, inclusief in voorkomend geval de grondstoffen en de belangrijkste fysische, chemische, microbiologische en/of organoleptische kenmerken van het product of het levensmiddel;
[...]”
Nationale regeling
13 Het Lebensmittel‑, Bedarfsgegenstände- und Futtermittelgesetzbuch (wetboek levensmiddelen, consumptiegoederen en voedermiddelen), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „LFGB”), bepaalt in § 11, getiteld „Voorschriften inzake bescherming tegen misleiding”:
„(1) Het is verboden levensmiddelen onder misleidende benaming of met misleidende vermeldingen of opmaak beroepsmatig in de handel te brengen, of met misleidende presentaties of andere verklaringen voor levensmiddelen in het algemeen of in afzonderlijke gevallen reclame te maken. Van misleiding is met name sprake wanneer
1. ter zake van een levensmiddel benamingen, vermeldingen, opmaak, presentaties of andere verklaringen over eigenschappen en met name over aard, kwaliteit, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, oorsprong, herkomst of wijze van productie of winning worden gebruikt, die zich lenen voor het opwekken van onjuiste voorstellingen;
[...]”
14 § 43 LFGB, getiteld „Monsterneming”, luidt:
„(1) De met de controle belaste personen en, wanneer er gevaar dreigt, de politieambtenaren zijn bevoegd tegen afgifte van een ontvangstbewijs met het oog op analyse monsters naar hun keuze te verlangen of te nemen. Voor zover in wetsbesluiten na deze wet niets anders is bepaald, moet een deel van het monster of, indien het monster niet dan wel niet zonder gevaar voor het doel van de analyse in delen van gelijke aard kan worden gedeeld, een tweede gelijkaardig stuk – voor zover beschikbaar – uit hetzelfde lot en van dezelfde producent als het eerste monster, worden achtergelaten. De producent kan afstand doen van zijn recht om een monster te houden.
(2) Achtergelaten monsters moeten ambtshalve worden afgesloten of verzegeld. Op deze monsters moet de datum van monsterneming worden aangebracht, alsmede de datum waarna zij niet langer als afgesloten of verzegeld gelden.
(3) Diegene bij wie het monster is achtergelaten en die niet de producent is, moet het monster vakkundig opslaan en bewaren. Op verzoek van de producent moet hij het monster op kosten en op risico van de producent aan een door deze aangewezen, overeenkomstig de levensmiddelenrechtelijke bepalingen erkende particuliere deskundige afgeven, om het te laten analyseren.
[...]”
15 De §§ 59 en 60 LFGB voorzien in strafsancties en administratieve boetes. § 59 LFGB bepaalt:
„(1) Met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of met een geldboete wordt bestraft degene die
[...]
7. in strijd met § 11, lid 1, eerste zin, een levensmiddel onder misleidende benaming of met een misleidende vermelding of opmaak in de handel brengt, of met een misleidende presentatie of verklaring daarvoor reclame maakt, [...]
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
16 Op 2 november 2005 heeft het Amt für Veterinärwesen und Lebensmittelüberwachung (dienst veterinaire aangelegenheden en levensmiddelencontrole) te Vechta (Duitsland), een levensmiddelmonster genomen in een detailhandel die onder zijn territoriale bevoegdheid viel. De verpakking van het product droeg de benaming „Fresca d’Oro, Feta – original griechischer Schafskäse – aus Schaf- und Ziegenmilch in Salzlake gereift” (Fresca d’Oro, Feta – originele Griekse schapenkaas – uit schapen‑ en geitenmelk in pekel gerijpt).
17 Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde product was uit Griekenland in Duitsland ingevoerd door Routhier Weber. Het heeft vervolgens de betrokken detailhandel bereikt via twee tussenhandelaars, „ZHG Offenburg” en „Zentrale Gronau” genaamd.
18 Krachtens artikel 1 van het Griekse ministerieel besluit nr. 313025 van 11 januari 1994 tot erkenning van de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) van fetakaas, wordt de benaming „feta” als beschermde oorsprongsbenaming erkend voor de witte gepekelde kaas die traditioneel in Griekenland, met name in de in lid 2 van dat artikel bedoelde gebieden, wordt bereid uit schapenmelk of uit een combinatie van schapen‑ en geitenmelk.
19 Het van het Niedersächsische Landesamt für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit (Nedersaksische deelstaatdienst voor consumentenbescherming en voedselveiligheid) afhangende Lebensmittelinstitut Braunschweig (levensmiddeleninstituut Brunswijk), dat het in het hoofdgeding bedoelde monster heeft onderzocht, kwam tot de vaststelling dat het een gehalte aan koemelk van 21 % (+/- 2 %) vertoonde. De aantoonbaarheidsgrens ligt op 3 %. Bijgevolg heeft het de voormelde benaming gekwalificeerd als „misleidend” in de zin van § 11, lid 1, punt 1, LFGB en heeft het een klacht ingediend.
20 Bij het nemen van het betrokken monster is in de koelkamer van de detailhandel waar de monsterneming was verricht, een tweede monster achtergelaten. Noch de producent van het betrokken product, noch ZHG Offenburg is van de monsterneming en het in bewaring geven van een tweede monster in kennis gesteld.
21 De vennootschap Routhier Weber, die niet op de etikettering van het betrokken product is vermeld, werd evenmin van het nemen van het monster of het bestaan van een tweede monster op de hoogte gebracht. Van de analyse van het monster kreeg zij eerst kennis op 21 maart 2006, dus bijna drie maanden na het verstrijken van de houdbaarheidsdatum van bedoeld product. Een tegenexpertise was derhalve niet meer mogelijk.
22 Op 22 december 2006 heeft de Staatsanwaltschaft Gießen (Openbaar Ministerie te Gießen) Weber, de directeur van Routhier Weber, ervan beschuldigd in strijd met § 11, lid 1, eerste zin, LFGB een levensmiddel onder een misleidende benaming in de handel te hebben gebracht, en heeft zij de inleiding van een strafprocedure gevorderd.
23 In het kader van deze procedure vraagt de verwijzende rechter zich af of de verdachte, die het in het hoofdgeding aan de orde zijnde product in de handel heeft gebracht, kan worden beschouwd als een betrokkene in de zin van artikel 7 van richtlijn 89/397, hetgeen hem bij een bevestigend antwoord het recht zou geven, om analyse van het tweede monster te verzoeken teneinde een tegenexpertise te kunnen laten uitvoeren.
24 Daarop heeft het Amtsgericht Büdingen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet het begrip ‚betrokkenen’ in artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397[…] aldus worden uitgelegd dat daarmee niet enkel de producent wordt bedoeld, maar ook een persoon die het levensmiddel in de handel brengt, voor zover deze voor de staat en de etikettering van het levensmiddel strafrechtelijk of door het opleggen van geldboetes door de bevoegde autoriteiten aansprakelijk kan worden gesteld?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
25 Krachtens artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, op ieder moment, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, beslissen bij een met redenen omklede beschikking waarin naar de betrokken rechtspraak wordt verwezen.
26 Deze bepaling moet in de onderhavige zaak worden toegepast.
27 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397 aldus moet worden uitgelegd, dat als een „betrokkene” in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd een vennootschap die een levensmiddel heeft ingevoerd en vervolgens in de handel heeft gebracht en waarvan de directeur, op grond van de analyse van monsters van dat levensmiddel die in een detailhandel zijn genomen, voor de staat en de etikettering daarvan strafrechtelijk of door het opleggen van geldboetes aansprakelijk kan worden gesteld.
28 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat uit de bewoordingen zelf van deze bepaling voortvloeit dat elke lidstaat verplicht is de betrokken onderneming het recht op een tegenexpertise te verlenen (arrest van 10 april 2003, Steffensen, C‑276/01, Jurispr. blz. I‑3735, punt 42).
29 In casu blijkt uit de punten 21 en 22 van de onderhavige beschikking enerzijds dat de vennootschap Routhier Weber van het nemen van het monster en het bestaan van het tweede monster niet op de hoogte werd gebracht, en anderzijds dat de directeur van die vennootschap als gevolg van deze controlemaatregelen ervan werd beschuldigd een levensmiddel onder een misleidende benaming in de handel te hebben gebracht.
30 Het Hof heeft echter reeds geoordeeld dat een tegenexpertise bedoeld is om de legitieme rechten van de ondernemingen te vrijwaren, met name hun recht van beroep tegen de maatregelen die voor de uitoefening van de controle zijn genomen (arrest Steffensen, reeds aangehaald, punt 48).
31 Hieruit volgt dat in een situatie zoals die van het hoofdgeding, waar tegen een persoon, als directeur van een vennootschap die een levensmiddel invoert, een strafprocedure is ingeleid op grond van de resultaten van de analyses van bij een detailhandelaar genomen monsters van dat levensmiddel, bedoelde vennootschap moet worden beschouwd als een „betrokkene” in de zin van artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397 (zie naar analogie arrest Steffensen, reeds aangehaald, punt 49).
32 Weliswaar gaat het, anders dan in de zaak die tot voornoemd arrest Steffensen heeft geleid, in het hoofdgeding om een strafprocedure en niet om een administratieve procedure, en is er sprake niet van een „beroep” bij een rechterlijke instantie, maar om het rechtstreeks adiëren van de rechter na een door het Openbaar Ministerie geformuleerde beschuldiging. Ook al lijkt artikel 10 van richtlijn 89/397 in de eerste plaats maatregelen van administratieve aard op het oog te hebben, toch blijkt uit voornoemd arrest dat de lidstaten in het kader van deze richtlijn handelen wanneer zij door middel van repressieve maatregelen de levensmiddelenwetgeving doen naleven, zoals de Commissie betoogt. Aan de rechten van de verdediging, belichaamd door artikel 7, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn, komt een zeer bijzonder belang toe in het kader van een strafprocedure.
33 Verder mag de omstandigheid dat in het hoofdgeding de importeur niet voorkomt op de etikettering van het betrokken product, niet in de weg staan aan de uitoefening van het recht op een tegenexpertise. Uit de bewoordingen van artikel 4, lid 3, van richtlijn 89/397 en de opsomming daarin van de verschillende stadia waarin de controle wordt uitgevoerd, blijkt immers dat de administratieve en/of repressieve actie betrekking kan hebben op een veel groter aantal personen dan die welke overeenkomstig de communautaire levensmiddelenwetgeving op de etikettering worden vermeld.
34 Gelet op het voorgaande dient op de vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397 aldus moet worden uitgelegd, dat als een „betrokkene” in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd een vennootschap die een levensmiddel heeft ingevoerd en vervolgens in de handel heeft gebracht en waarvan de directeur, op grond van de analyse van monsters van dat levensmiddel die in een detailhandel zijn genomen, voor de staat en de etikettering daarvan strafrechtelijk of door het opleggen van geldboetes aansprakelijk kan worden gesteld.
Kosten
35 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 89/397/EEG van de Raad van 14 juni 1989 inzake de officiële controle op levensmiddelen, moet aldus worden uitgelegd, dat als een „betrokkene” in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd een vennootschap die een levensmiddel heeft ingevoerd en vervolgens in de handel heeft gebracht en waarvan de directeur, op grond van de analyse van monsters van dat levensmiddel die in een detailhandel zijn genomen, voor de staat en de etikettering daarvan strafrechtelijk of door het opleggen van geldboetes aansprakelijk kan worden gesteld.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy