STANDPUNTBEPALING VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 6 augustus 2008 1(1)
Zaak C‑296/08 PPU
Ignacio Pedro Santesteban Goicoechea
[verzoek van de Chambre de l’Instruction de la Cour d’appel de Montpellier (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Europees aanhoudingsbevel – Verzoek om uitlevering – Recht van lidstaat om in betrekkingen met andere lidstaat andere procedures te gebruiken dan die voorzien in kaderbesluit 2002/584/JBZ – Gevolgen van nalaten kennisgeving, door lidstaat die aanhoudingsbevel uitvaardigt, van de bestaande overeenkomsten of regelingen die hij wil blijven toepassen – Mogelijkheid, voor lidstaat die aanhoudingsbevel uitvoert, een overeenkomst toe te passen die vóór 1 januari 2004 is gesloten, maar pas na die datum in die staat in werking is getreden”
I – Inleiding
1. Naar aanleiding van een uitleveringsverzoek van de Spaanse autoriteiten van 2 juni 2008 op basis van de Overeenkomst van 27 september 1996(2) is Santesteban Goicoechea(3) in Frankrijk in uitleveringsdetentie geplaatst.(4)
2. Volgens de door de verwijzende rechter verschafte inlichtingen is Santesteban Goicoechea lid van de terroristische organisatie Euskadi Ta Askatasunma/Tierra Vasca y Libertad/Pays basque et liberté (hierna: „ETA”). De hem verweten feiten zijn in februari en maart 1992 op Spaans grondgebied gepleegd. Zij zijn gekwalificeerd als het voorradig hebben van oorlogswapens, het illegaal bezit van springstoffen, wederrechtelijk gebruik van een aan een ander toebehorend motorvoertuig, vervalsing van kentekenplaten en lidmaatschap van een terroristische organisatie.(5)
3. De Chambre de l’Instruction de la Cour d’appel de Montpellier (kamer van onderzoek van het hof van beroep te Montpellier, Frankrijk; hierna: „verwijzende rechter”), die moet beslissen op het uitleveringsverzoek, twijfelt over de toepasselijkheid van de Overeenkomst van 1996. Hij is van mening dat de toepassing van genoemde overeenkomst door de Franse Republiek in strijd zou kunnen zijn met het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(6) (hierna: „kaderbesluit”). In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten om de procedure te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen over de uitlegging van het kaderbesluit voor te leggen:
„1) Heeft de omstandigheid dat een lidstaat, in casu [het Koninkrijk Spanje], heeft nagelaten krachtens artikel 31, lid 2, van [het kaderbesluit] kennis te geven van zijn bedoeling om bilaterale of multilaterale overeenkomsten te blijven toepassen, gelet op de in artikel 31 van dit kaderbesluit gebruikte uitdrukking ‚in de plaats komen’ tot gevolg dat die lidstaat in zijn betrekkingen met een andere lidstaat, in casu [de Franse Republiek], die een verklaring krachtens artikel 32 van het kaderbesluit heeft afgelegd, geen gebruik kan maken van andere procedures dan die van het Europees aanhoudingsbevel?
2) Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord:
Kan de uitvoerende staat op basis van het voorbehoud dat hij heeft gemaakt, [de] [O]vereenkomst [van 1996] toepassing laten vinden[,] die dateert van [...] vóór 1 januari 2004, maar die in die uitvoerende staat na deze – in artikel 32 van het kaderbesluit bedoelde – datum 1 januari 2004 in werking is getreden?”
4. Aangezien de Franse autoriteiten Santesteban Goicoechea thans enkel in detentie houden wegens het door de Spaanse autoriteiten ingediende uitleveringsverzoek, heeft de verwijzende rechter verzocht, en de Derde kamer van het Hof heeft aldus beslist, om de onderhavige zaak te behandelen volgens de spoedprocedure voor prejudiciële verwijzingen (artikel 104 ter van het Reglement voor de procesvoering).
II – Ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing
5. De ontvankelijkheid van de onderhavige prejudiciële verwijzing moet in het licht van de artikelen 234 EG en 35 EU worden beoordeeld. Er moeten daarbij twee zaken worden onderscheiden. Enerzijds de vraag of de verwijzende rechter een „rechterlijke instantie” is in de zin van de vaste rechtspraak van het Hof inzake prejudiciële verwijzingen(7), en anderzijds de vraag of deze rechter in casu een rechterlijke en geen bestuurlijke bevoegdheid uitoefent(8).
6. Aangaande het eerste punt bestaat er geen twijfel over dat de kamer van onderzoek van een Frans hof van beroep waaraan een uitleveringsverzoek is voorgelegd, kan worden beschouwd als „rechterlijke instantie” in de zin van de bepalingen van de Verdragen betreffende de prejudiciële procedure. Zoals de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen ter zake heeft uiteengezet, is genoemde kamer immers een bij wet ingesteld permanent orgaan, dat is samengesteld uit leden van de zittende magistratuur van wie de onafhankelijkheid en de onafzetbaarheid zijn gewaarborgd, zijn functies uitoefent in het kader van een dwingend voorgeschreven procedure op tegenspraak en dat rechtsregels toepast.
7. Omtrent het tweede punt zou men zich zeker kunnen afvragen of de uitleveringsprocedure waarin de kamer van onderzoek van het hof van beroep uitspraak doet, werkelijk een rechterlijke procedure is. De Franse Conseil d’État heeft vroeger immers geoordeeld dat het hierbij gaat om een bestuurlijke en niet om een rechterlijke functie in de zin van het Franse recht.(9) Een dergelijke beoordeling naar nationaal recht kan echter niet vooruitlopen op het antwoord op de vraag of de verwijzende rechter een rechterlijke bevoegdheid uitoefent als bedoeld in het gemeenschapsrecht.
8. De Franse regering benadrukt terecht dat het zeker een geschil is waarover de verwijzende rechter in het onderhavige geval moet oordelen. Dat geschil plaatst het Openbaar Ministerie tegenover de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht. Het litigieuze karakter van de procedure is in de onderhavige zaak bijzonder duidelijk, gelet op het feit dat betrokkene niet heeft ingestemd met zijn uitlevering en de rechtmatigheid daarvan heeft bestreden.
9. Zeker, de kamer van onderzoek van het hof van beroep beslist niet geheel alleen over de uitlevering; een bestuursautoriteit zal immers uiteindelijk de uitlevering bevelen. Niettemin behoort het tot de bevoegdheden van de kamer van onderzoek van het hof van beroep om volstrekt onafhankelijk en in het kader van een procedure op tegenspraak de rechtmatigheid van de gevraagde uitlevering te beoordelen. Wanneer het advies van deze rechter over de uitlevering ongunstig is, kan de betrokken persoon niet worden uitgeleverd en wordt deze ambtshalve in vrijheid gesteld.
10. Meer algemeen mag niet uit het oog worden verloren dat de verschillende nationale uitleveringsprocedures, overigens met inbegrip van de procedures die zijn ingevoerd in verband met de omzetting van het kaderbesluit, doorgaans op de een of andere manier voorzien in de betrokkenheid van een bestuursautoriteit(10), net als de in casu in Frankrijk toepasselijke procedure. Een zeer strikte uitlegging van de criteria betreffende de ontvankelijkheid van prejudiciële verwijzingen zou in dergelijke gevallen de toegang tot het Hof kunnen afsluiten en bijgevolg de uniforme uitlegging van het kaderbesluit in gevaar brengen.
11. Ten slotte zou de bevoegdheid van het Hof om de vragen te beantwoorden, gelet op de aard van het kaderbesluit, in twijfel kunnen worden getrokken. Krachtens artikel 34, lid 2, sub b, EU heeft het kaderbesluit geen rechtstreekse werking. Er kan dus geen beroep op worden gedaan om de toepassing van nationale regels betreffende uitlevering te verhinderen. Bijgevolg zou men zich kunnen afvragen wat in casu het nut is van een antwoord van het Hof.
12. Nochtans mag niet worden vergeten dat het vermoeden van relevantie dat op prejudiciële vragen van nationale rechterlijke instanties rust, slechts in uitzonderingsgevallen kan worden opgeheven. Dat is het geval wanneer de gevraagde uitlegging van de in de verzoeken genoemde bepalingen van het recht van de Europese Unie klaarblijkelijk geen verband houdt met de realiteit of het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van louter hypothetische aard is of wanneer het Hof niet over de nodige feitelijke of juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de hem gestelde vragen te kunnen geven. Behoudens deze uitzonderingen is het Hof in beginsel verplicht om te antwoorden op prejudiciële vragen betreffende de uitlegging van de in artikel 35, lid 1, EU bedoelde handelingen.(11) Het nut van het antwoord van het Hof, met name voor een conforme uitlegging van het Franse recht, is niet op voorhand klaarblijkelijk uitgesloten.
13. Op grond van bovenstaande redenen moet de onderhavige prejudiciële verwijzing ontvankelijk worden verklaard.
III – Bespreking van de prejudiciële vragen
A – Inleidende opmerkingen
14. De twijfels van de verwijzende rechter wat de toepasselijkheid van de Overeenkomst van 1996 betreft, zijn in wezen gebaseerd op de volgende overwegingen:
– in de eerste plaats bepaalt het kaderbesluit dat het de Overeenkomst van 1996 vervangt (zie artikel 31, lid 1, sub d, van het kaderbesluit), en het Koninkrijk Spanje heeft de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen niet meegedeeld dat het deze wenst te blijven toepassen (artikel 31, lid 2, vierde alinea, van het kaderbesluit),
– in de tweede plaats heeft de Franse Republiek overeenkomstig artikel 32 van het kaderbesluit verklaard, verzoeken betreffende feiten gepleegd vóór 1 november 1993 te blijven behandelen overeenkomstig de vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling en niet volgens de aanhoudingsbevelregeling. De Overeenkomst van 1996 was in Frankrijk echter pas toepasselijk vanaf 1 juli 2005.
15. In deze omstandigheden zou er een „lacune” in de toepasselijke uitleveringsregeling tussen de Franse Republiek en het Koninkrijk Spanje kunnen zijn wat betreft feiten die, zoals in het hoofdgeding, zijn gepleegd vóór 1 november 1993. Beide prejudiciële vragen beogen te verduidelijken of een dergelijke lacune bestaat of niet.
B – Eerste prejudiciële vraag
16. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 31, lid 1, van het kaderbesluit de behandeling van een uitleveringsverzoek volgens de bepalingen van een internationale overeenkomst verbiedt wanneer de verzoekende lidstaat heeft nagelaten kennis te geven van zijn bedoeling om genoemde internationale overeenkomst te blijven toepassen in de zin van artikel 31, lid 2, vierde alinea, van het kaderbesluit, terwijl de uitvoerende lidstaat van zijn kant de toepassing van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgesloten met een verklaring in de zin van artikel 32 van het kaderbesluit.
17. Ik moet om te beginnen benadrukken dat na 1 januari 2004 ontvangen uitleveringsverzoeken in principe onder de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel vallen.(12) Dat is de algemene, in artikel 32, tweede zin, van het kaderbesluit vastgestelde regel. Hieruit volgt dat een uitleveringsverzoek zoals het Koninkrijk Spanje op 2 juni 2008 heeft ingediend, in principe volgens de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel zou moeten worden behandeld.(13)
18. Bovengenoemde algemene regel kent echter uitzonderingen, die zijn voorzien in de artikelen 31, leden 2 en 3, en 32 van het kaderbesluit. De lidstaten zijn met name vrij om de toepassing van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel uit te sluiten bij uitleveringsverzoeken met betrekking tot feiten gepleegd vóór een door hen te bepalen datum (artikel 32, derde tot en met zesde zin, van het kaderbesluit). Aldus heeft de Franse Republiek verklaard dat zij uitleveringsverzoeken betreffende feiten gepleegd vóór 1 november 1993 zal blijven behandelen volgens de vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling. Aangezien de aan Santesteban Goicoechea verweten feiten in 1992 zijn gepleegd, zal het onderhavige uitleveringsverzoek van het Koninkrijk Spanje door de Franse Republiek moeten worden behandeld volgens de vóór 1 januari 2004 toepasselijke regeling en niet volgens de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel.
19. Ik moet echter nog onderzoeken of voor de toepassing van de oude regeling, behalve de verklaring van de uitvoerende lidstaat (de Franse Republiek) in de zin van artikel 32 van het kaderbesluit, eveneens een kennisgeving van de zijde van de verzoekende lidstaat (het Koninkrijk Spanje) krachtens artikel 31, lid 2, vierde alinea, van het kaderbesluit noodzakelijk is.
20. Volgens de door de verwijzende rechter verschafte inlichtingen ontbreekt een mededeling van het Koninkrijk Spanje, dat het reeds bestaande overeenkomsten zoals de Overeenkomst van 1996 waarop het het onderhavige uitleveringsverzoek heeft gebaseerd, of ook de Overeenkomst van 13 december 1957(14) wil blijven toepassen.
21. Op het eerste gezicht zou men uit deze ontbrekende kennisgeving door het Koninkrijk Spanje kunnen afleiden dat de Overeenkomst van 1996 – net als overigens de Overeenkomst van 1957 – is vervangen door het kaderbesluit (zie artikel 31, lid 1, daarvan) en dat zij derhalve in het onderhavige geval niet kan worden toegepast. Een dergelijk resultaat zou ik echter niet in overeenstemming achten met de algemene opzet van het kaderbesluit en met de doelstellingen ervan.
22. Om te beginnen is het stelsel van kennisgeving dat is voorzien in artikel 31, lid 2, van het kaderbesluit niet bedoeld om te worden toegepast op rechtsinstrumenten zoals de Overeenkomst van 1996. Zoals de Commissie benadrukt, maken de uitdrukkelijk in artikel 31, lid 1, genoemde multilaterale rechtsinstrumenten, daaronder begrepen de Overeenkomst van 1996, immers deel uit van het acquis van de Europese Unie(15), en het bestaan ervan is zeker bekend in de lidstaten. De Franse Republiek voegt daar terecht aan toe dat artikel 31, lid 2, van het kaderbesluit in feite enkel betrekking heeft op uitleveringsprocedures die ambitieuzer zijn dan de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel en die deze kunnen aanvullen en verbeteren, zoals bijvoorbeeld het bestaande stelsel van uitlevering tussen de landen van de Noordse samenwerking.(16)
23. Gesteld dat de Overeenkomst van 1996 al het voorwerp kan zijn van een kennisgeving als bedoeld in artikel 31, lid 2, van het kaderbesluit, zou het ontbreken van een dergelijke kennisgeving niet kunnen worden beschouwd als een belemmering om in het onderhavige geval de genoemde overeenkomst daadwerkelijk toe te passen. In afwijking van de verklaringen van artikel 32 van het kaderbesluit worden de kennisgevingen van artikel 31, lid 2, vierde en vijfde alinea, van het kaderbesluit immers niet bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en aan de andere lidstaten. Hieruit kan worden afgeleid dat deze kennisgevingen moeten worden beschouwd als louter declaratoire handelingen die geen conditio sine qua non vormen voor de toepassing van bestaande of nieuwe overeenkomsten.
24. Bovendien moet artikel 31 van het kaderbesluit worden uitgelegd in het licht van de belangrijkste doelstelling van het kaderbesluit, namelijk een bijdrage leveren aan het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, hetgeen impliceert dat de uitleveringsprocedures worden verbeterd en versneld.(17) De vervanging van bepaalde bestaande overeenkomsten, zoals voorzien in artikel 31, lid 1, van het kaderbesluit, dient derhalve eveneens de verbetering en versnelling van de uitleveringsprocedures en heeft zeker niet tot doel om ze af te remmen of moeilijker te maken.(18) Het lijkt mij ondenkbaar dat artikel 31, lid 1, van het kaderbesluit het stelsel van uitlevering zoals dat bij de inwerkingtreding van het kaderbesluit bestond tussen twee lidstaten, wilde verslechteren.
25. Hieruit volgt dat in de bilaterale betrekkingen tussen twee lidstaten de bestaande overeenkomsten, zoals de Overeenkomst van 1996 en de Overeenkomst van 1957, alleen kunnen worden geacht te zijn vervangen door het kaderbesluit wanneer dit daadwerkelijk tussen deze lidstaten wordt toegepast. Zolang een van beide lidstaten, in casu de Franse Republiek, het kaderbesluit niet toepast op bepaalde uitleveringsverzoeken, kunnen deze verzoeken worden ingediend en behandeld met toepassing van bestaande overeenkomsten, onder voorbehoud van artikel 32 van het kaderbesluit.
26. Op grond van de hierboven uiteengezette redenen moet de eerste prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord.
C – Tweede prejudiciële vraag
27. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een lidstaat die een verklaring als bedoeld in artikel 32 van het kaderbesluit heeft afgelegd, uitleveringsverzoeken mag behandelen met toepassing van een vóór 1 januari 2004 ondertekende overeenkomst, die echter pas na deze datum in genoemde lidstaat toepasselijk is geworden. Uit de context van het prejudiciële verzoek alsook uit de opmerkingen van partijen blijkt dat deze vraag doelt op de Overeenkomst van 1996 waarop het Koninkrijk Spanje in het onderhavige geval zijn uitleveringsverzoek van 2 juni 2008 heeft gebaseerd.
28. De Overeenkomst van 1996 is vóór 1 januari 2004 – het in artikel 32 van het kaderbesluit bepaalde tijdstip – ondertekend, maar pas vanaf 1 juli 2005 toepasselijk voor de Franse Republiek(19), en alleen voor uitleveringsverzoeken die na deze datum zijn ontvangen.(20) De vraag doet zich derhalve voor of de Overeenkomst van 1996 kan worden beschouwd als deel van de „vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling” in de betrekkingen tussen het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek.
29. Op het eerste gezicht lijkt een ontkennend antwoord op deze vraag voor de hand te liggen, omdat de Overeenkomst van 1996 in Frankrijk niet toepasselijk was op 1 januari 2004, de datum genoemd in artikel 32 van het kaderbesluit. Dan zou dus de Overeenkomst van 1957 en niet die van 1996 in het onderhavige geval moeten worden toegepast.
30. Een dergelijk antwoord zou echter onvoldoende rekening houden met de algemene opzet en de doelstellingen van het kaderbesluit. Zoals ik hierboven heb uiteengezet(21), is de belangrijkste doelstelling van het kaderbesluit het leveren van een bijdrage aan het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, hetgeen impliceert dat de uitleveringsprocedures worden verbeterd en versneld.(22)
31. Door te voorzien in een mogelijkheid om van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel af te wijken, sluit artikel 32 van het kaderbesluit niet uit dat de lidstaten de tussen hen toepasselijke uitleveringsprocedures verder ontwikkelen in de zin van een geleidelijke verbetering en versnelling. Het enkele feit dat een lidstaat door middel van een verklaring in de zin van artikel 32 van het kaderbesluit bepaalde uitleveringsverzoeken uitsluit van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel, verplicht deze lidstaat nog niet om zijn nationaal recht te „bevriezen” naar de staat waarin het vóór 1 januari 2004 op dergelijke verzoeken toepasselijk was. Men kan niet stellen dat de betrokken lidstaat slechts de keuze heeft tussen de status quo op 1 januari 2004 en de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel. Gelet op het doel van het kaderbesluit verzet niets zich ertegen dat de lidstaat zijn uitleveringsprocedure voor de onder zijn artikel 32-verklaring vallende oude zaken stap voor stap aanpast.
32. Een lidstaat is integendeel vrij om zijn procedures voor uitleveringsverzoeken die hij niet vanaf het begin aan de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel heeft willen onderwerpen, geleidelijk te verbeteren. Daartoe kan hij met name een internationale overeenkomst zoals de Overeenkomst van 1996, die reeds vóór 1 januari 2004 was gesloten maar nog moest worden geratificeerd en toepasselijk moest worden, van kracht laten worden.(23) Een dergelijke verbetering van de toepasselijke procedures is volkomen in overeenstemming met de algemene opzet en de doelstelling van het kaderbesluit.(24)
33. Op zijn minst moet artikel 32 van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een latere verbetering van een in de uitvoerende lidstaat vóór 1 januari 2004 toepasselijk stelsel van uitlevering.
34. Het is juist een dergelijk bestaand stelsel van uitlevering dat op 1 juli 2005 is verbeterd door het voor de Franse Republiek toepasselijk worden van de Overeenkomst van 1996. De Overeenkomst van 1996 strekt immers tot aanvulling van de bepalingen van de Overeenkomst van 1957 en vergemakkelijking van de toepassing ervan (zie artikel 1, lid 1, eerste gedachtestreepje, van de Overeenkomst van 1996 en de voorlaatste overweging van de considerans daarvan).(25) In dezelfde zin voorzag de Overeenkomst van 1957 eveneens reeds in artikel 28 in de mogelijkheid voor de verdragsluitende partijen om tussen elkaar bilaterale of multilaterale overeenkomsten te sluiten om de bepalingen ervan aan te vullen of de toepassing van de erin opgenomen principes te vergemakkelijken.
35. Dat de Overeenkomst van 1996 een bestaand stelsel van uitlevering in de zin van artikel 32 van het kaderbesluit aanvult en verbetert, wordt onder andere bevestigd door het kaderbesluit zelf, dat deze overeenkomst noemt als één van de internationale rechtsinstrumenten die deel uitmaken van het acquis van de Europese unie.(26)
36. Op grond van de hierboven uiteengezette redenen moet de tweede prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord.
D – Algemene beginselen
37. In zijn bij het Hof ingediende opmerkingen stelt Santesteban Goicoechea dat toepassing van de Overeenkomst van 1996 in het onderhavige geval in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen en met de grondrechten.
38. Volgens artikel 6 EU is de Europese Unie gegrondvest op de beginselen van de rechtsstaat en eerbiedigt zij de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM(27) en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Hieruit volgt dat de lidstaten bij de uitvoering van het recht van de Unie zijn onderworpen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met de verdragen en met de algemene rechtsbeginselen(28) [zie eveneens artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afgekondigd te Nice op 7 december 2000 (PB C 364, blz. 1)].
39. Men zou dus kunnen stellen dat de lidstaten geen beroep kunnen doen op artikel 32 van het kaderbesluit om een stelsel van uitlevering toe te passen dat niet in overeenstemming is met de grondrechten.(29) Toch is het niet noodzakelijk dat het Hof zich over deze vraag uitspreekt in deze prejudiciële spoedprocedure. Om te beginnen maakt de vraag geen deel uit van het prejudiciële verzoek. Bovendien lijken de algemene beginselen niet geschonden, zoals ik hieronder zal aantonen.
40. Het EVRM kent op zichzelf inderdaad geen recht op niet-uitlevering(30) en bevat noch bepalingen betreffende de voorwaarden waaronder uitlevering is toegestaan, noch betreffende de toe te passen procedure.(31) Bovendien heeft de uitleveringsprocedure geen betrekking op de burgerlijke rechten en verplichtingen van de klager of op de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging in de zin van artikel 6 EVRM.(32)
41. Ik moet echter nog onderzoeken of de algemene rechtsbeginselen van de Europese Unie zich ertegen verzetten dat de Franse Republiek het door het Koninkrijk Spanje gedane uitleveringsverzoek behandelt met toepassing van de Overeenkomst van 1996. Santesteban Goicoechea verwijst met name naar het legaliteitsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht van strengere strafrechtelijke bepalingen alsook naar het rechtszekerheidsbeginsel.
Het beginsel van legaliteit van de straf
42. Het beginsel van legaliteit van het strafbaar feit en de straf (nullum crimen, nulla poena sine lege) behoort tot de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Het is eveneens neergelegd in verschillende internationale verdragen, met name in artikel 7, lid 1, EVRM(33) alsook meer recent in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
43. Dat beginsel zou in het gedrang kunnen komen wanneer een lidstaat niettegenstaande de bewoordingen van artikel 32 van het kaderbesluit, dat verwijst naar een „vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling”, regels wenst toe te passen die pas na die datum toepasselijk zijn geworden.
44. Het beginsel nullum crimen, nulla poena sine lege impliceert dat de wet een duidelijke omschrijving van het strafbaar gestelde en de daarop gestelde straf moet bevatten.(34) Het hangt nauw samen met het verbod van terugwerkende kracht van de strafbepaling en de straf (nullum crimen, nulla poena sine lege praevia), volgens hetwelk de wetgever niet met terugwerkende kracht een strafbaar feit of straf mag invoeren of een straf mag verhogen.
45. Het beginsel nullum crimen, nulla poena sine lege (praevia) is alleen toepasselijk op het materiële recht, dat wil zeggen de vraag of een feit al dan niet kan worden gestraft. Het geldt echter niet voor de procedurele aspecten van het strafrecht.(35) Op een persoon kunnen derhalve, zonder dat het beginsel nullum crimen, nulla poena sine lege (praevia) wordt geschonden, procedurele bepalingen worden toegepast die zijn ingevoerd of gewijzigd na de datum van de hem ten laste gelegde feiten. Dat is met name het geval met bepalingen die de uitlevering van personen tussen staten beheersen(36), omdat zij een louter procedureel karakter hebben.
46. Hieruit volgt dat Santesteban Goicoechea niet met succes een beroep kan doen op het beginsel nullum crimen, nulla poena sine lege (praevia) teneinde te voorkomen dat de Overeenkomst van 1996 op het door het Koninkrijk Spanje ingediende uitleveringsverzoek wordt toegepast.
Rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel non bis in idem
47. In het onderhavige geval zijn beide beginselen aangevoerd omdat de situatie van Santesteban Goicoechea „definitief beslecht” zou zijn door de afwijzing van een eerder uitleveringsverzoek van het Koninkrijk Spanje van 11 oktober 2000.(37) Men zou zich derhalve kunnen afvragen of het onderhavige uitleveringsverzoek van 2 juni 2008 in conflict komt met het rechtszekerheidsbeginsel of met het beginsel non bis in idem.
48. Deze vraag hoort echter bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek als zodanig en niet bij het daaraan voorafgaande onderzoek naar de regels die op een dergelijke beoordeling toepasselijk zijn. De onderhavige prejudiciële verwijzing heeft alleen betrekking op de vraag welk stelsel van uitlevering in casu toepasselijk is. De nationale rechter zal dus bij zijn beoordeling van het verzoek moet nagaan of – en waarborgen dat – de grondrechten, met inbegrip van het rechtszekerheidsbeginsel en de „non bis in idem”-regel, worden geëerbiedigd. Het Hof kan wat dat betreft enige aanwijzingen geven.
49. Het rechtszekerheidsbeginsel, waar het gezag van gewijsde integrerend deel van uitmaakt, behoort volgens vaste rechtspraak tot de algemene rechtsbeginselen die het Hof toepast.(38) Het gezag van gewijsde geldt alleen voor de feitelijke en rechtsvragen die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht.(39)
50. In casu heeft de eerdere beslissing zeker een uitleveringsverzoek betreffende dezelfde persoon en dezelfde feiten beslecht. De bevoegde rechter heeft echter niet krachtens de Overeenkomst van 1996, die op dat moment niet toepasselijk was, over genoemd verzoek geoordeeld. Het gezag van gewijsde van een op dat moment uitgesproken ongunstig advies kan derhalve niet in de weg staan aan het feit dat het onderhavige uitleveringsverzoek, betreffende dezelfde persoon en dezelfde feiten, wordt beslecht op basis van een nieuwe rechtsgrondslag, namelijk de Overeenkomst van 1996.(40)
51. Laten wij wat dat betreft niet vergeten dat de afwijzing van het uitleveringsverzoek van 11 oktober 2000 was gebaseerd op de grond dat de aan Santesteban Goicoechea ten laste gelegde feiten naar Frans recht waren verjaard. Juist op dat punt is het recht gewijzigd, want de Overeenkomst van 1996 laat een beroep op nationale verjaring door de uitvoerende lidstaat niet meer toe.(41)
52. Het beginsel non bis in idem, dat is neergelegd in artikel 4 van protocol nr. 7 van het EVRM en in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, op de naleving waarvan wordt toegezien door de rechter.(42)
53. De toepassing van het beginsel non bis in idem is afhankelijk van de drievoudige voorwaarde dat de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed hetzelfde zijn. Dit beginsel verbiedt dus om dezelfde persoon voor hetzelfde onrechtmatig gedrag meer dan één keer te bestraffen (en te berechten(43)) ter bescherming van hetzelfde rechtsgoed.(44)
54. Volgens de gegevens waarover het Hof beschikt, is Santesteban Goicoechea niet meerdere keren berecht voor dezelfde feiten, en is het niet de bedoeling van de bevoegde autoriteiten om hem meerdere keren voor dezelfde feiten te bestraffen.(45) De Spaanse autoriteiten hebben eenvoudig meerdere keren getracht hem door de Franse Republiek uitgeleverd te krijgen en altijd in het kader van dezelfde strafrechtelijke vervolging.
55. De uitlevering als zodanig is geen straf en loopt volstrekt niet vooruit op de vraag of de verzoekende lidstaat rechtens aan deze persoon een straf kan opleggen en deze straf ten uitvoer kan leggen.
56. Bijgevolg is het beginsel non bis in idem niet toepasselijk op uitleveringsprocedures zelf. Het kan er derhalve niet aan in de weg staan dat opnieuw een uitleveringsverzoek betreffende Santesteban Goicoechea wordt ingediend door het Koninkrijk Spanje en wordt behandeld door de Franse Republiek.
IV – Conclusie
57. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging op de vragen van de Cour d’appel de Montpellier te antwoorden:
1) Wanneer de uitvoerende lidstaat de toepassing van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgesloten met een verklaring in de zin van artikel 32 van het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, verzet artikel 31 van dat kaderbesluit zich er niet tegen dat een uitleveringsverzoek wordt behandeld volgens de regels van een internationale overeenkomst, ook niet wanneer de verzoekende lidstaat heeft nagelaten conform artikel 31, lid 2, vierde alinea, van genoemd kaderbesluit kennis te geven van zijn voornemen om de genoemde internationale overeenkomst toe te passen.
2) Een lidstaat die een verklaring als bedoeld in artikel 32 van kaderbesluit 2002/584 heeft afgelegd om bepaalde uitleveringsverzoeken uit te sluiten van de toepassing van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel, kan de genoemde verzoeken als uitvoerende lidstaat behandelen met toepassing van een internationale overeenkomst die vóór 1 januari 2004 is ondertekend ter aanvulling van een bestaand stelsel van uitlevering, ook al is deze overeenkomst pas na 1 januari 2004 in genoemde lidstaat toepasselijk geworden.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (PB C 313, blz. 12), ook wel „Overeenkomst van Dublin” genoemd (hierna: „Overeenkomst van 1996”).
3 – Ofwel, volgens de door betrokkene zelf ingediende memorie, Inaki Santesteban Goikoetxea.
4 – Vóór het onderhavige uitleveringsverzoek hebben de Spaanse autoriteiten reeds tweemaal gepoogd om Santesteban Goicoechea te arresteren, evenwel zonder succes: een op 11 oktober 2000 bij de Franse autoriteiten ingediend uitleveringsverzoek is door de Cour d’appel de Versailles (Frankrijk) afgewezen (arrest van 19 juni 2001) op grond dat de aan betrokkene ten laste gelegde feiten naar Frans recht waren verjaard; ook een op 31 maart 2004 uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel heeft niet geleid tot de uitlevering van Santesteban Goicoechea aan Spanje.
5 – Ik merk op dat Santesteban Goicoechea in Frankrijk een gevangenisstraf heeft uitgezeten voor andere misdrijven dan die waarvoor thans door de Spaanse autoriteiten om zijn uitlevering wordt verzocht; dat blijkt uit de schriftelijke antwoorden van de Franse regering op vragen van het Hof in de onderhavige prejudiciële procedure.
6 – Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 (PB L 190, blz. 1).
7 – Zie, ex multis, arrest van 17 september 1997, Dorsch Consult (C‑54/96, Jurispr. blz. I‑4961, punt 23), en beschikking van 14 mei 2008, Pilato (C‑109/07, Jurispr. blz. I‑3503, punt 22).
8 – Zie beschikking van 18 juni 1980, Borker (138/80, Jurispr. blz. 1975, punt 4), alsook arresten van 30 juni 2005, Längst (C‑165/03, Jurispr. blz. I‑5637, punt 25), en 27 april 2006, Standesamt Stadt Niebüll (C‑96/04, Jurispr. blz. I‑3561, punt 13).
9 – Arrest van de Franse Conseil d’État van 7 juli 1978, Croissant.
10 – Zie wat het Duitse recht betreft bijvoorbeeld de beschrijving in het arrest van 17 juli 2008, Kozlowski (C‑66/08, Jurispr. blz. I‑0000, punten 14 en 15). In deze laatste zaak heeft het Hof het rechterlijk karakter van de procedure voor de Duitse verwijzende rechter niet in twijfel getrokken.
11 – Arrest van 16 juni 2005, Pupino (C‑105/03, Jurispr. blz. I‑5285, punt 30).
12 – Het kaderbesluit is dus bedoeld om te worden toegepast op uitleveringsverzoeken betrekking hebbend op feiten die zijn gepleegd vóór de inwerkingtreding ervan.
13 – Al in 2004 is een Europees aanhoudingsbevel tegen Santesteban Goicoechea uitgevaardigd.
14 – Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, getekend te Parijs, gesloten in het kader van de Raad van Europa (hierna: „Overeenkomst van 1957”).
15 – Zie punt 4 van de considerans van het kaderbesluit.
16 – Volgens de gegevens van de Franse regering hebben alleen het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden kennisgevingen gedaan krachtens artikel 31, lid 2, van het kaderbesluit.
17 – Zie in deze zin punten 1 en 5 van de considerans van het kaderbesluit.
18 – Vanuit hetzelfde gezichtspunt wordt de voortgezette toepassing van bestaande overeenkomsten, net als het sluiten van nieuwe overeenkomsten tussen lidstaten, geacht de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken (zie artikel 31, lid 2, eerste en tweede alinea, van het kaderbesluit).
19 – De Overeenkomst van 1996 is nog niet door alle lidstaten geratificeerd en is bijgevolg nog niet formeel in werking getreden (zie artikel 18, lid 2, ervan). Sedert 1 juli 2005 is de Overeenkomst van 1996 echter toepasselijk tussen de Franse Republiek en het Koninkrijk Spanje, omdat deze twee lidstaten de overeenkomst hebben geratificeerd en verklaringen krachtens artikel 18, lid 4, van genoemde overeenkomst hebben afgelegd.
20 – Artikel 18, lid 5, van de Overeenkomst van 1996.
21 – Zie de bespreking van de eerste prejudiciële vraag, met name punt 24 van de onderhavige standpuntbepaling.
22 – Zie in deze zin punten 1 en 5 van de considerans van het kaderbesluit.
23 – Zie artikel 18 van de Overeenkomst van 1996.
24 – Zelfs wat de uitleveringsverzoeken betreft die binnen de werkingssfeer van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel vallen, staat artikel 31, lid 2, van het kaderbesluit de lidstaten toe verder te gaan en bilaterale of multilaterale overeenkomsten – bestaande of nieuwe – toe te passen die bijdragen aan een grotere vereenvoudiging of vergemakkelijking van de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Een dergelijke verbetering moet te meer mogelijk zijn voor uitleveringsverzoeken die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel.
25 – Van de verbeteringen die de Overeenkomst van 1996 in het stelsel van 1957 heeft gebracht, wil ik met name de volgende noemen: in de eerste plaats kan de uitlevering niet worden geweigerd op grond van het feit dat het recht tot strafvervolging of de straf volgens de wet van de aangezochte lidstaat verjaard is (artikel 8, lid 1, van de Overeenkomst van 1996). In de tweede plaats kan geen strafbaar feit door de aangezochte lidstaat worden beschouwd als een politiek delict (artikel 5 van de Overeenkomst van 1996, „depolitisering” van delicten); bijgevolg kan een uitlevering niet meer worden geweigerd op grond van het feit dat het een „politiek” delict betreft.
26 – Punt 4 van de considerans van het kaderbesluit.
27 – Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”).
28 – Arrest van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld (C‑303/05, Jurispr. blz. I‑3633, punt 45).
29 – Zie in deze zin arrest van 27 juni 2006, Parlement/Raad (C‑540/03, Jurispr. blz. I‑5769, punten 70 en 71).
30 – Arrest EHRM van 7 juli 1989, Soering/Verenigd Koninkrijk, série A, nr. 161, § 85.
31 – Beschikking EHRM van 31 augustus 1999, Di Giovine/Portugal (verzoek nr. 39912/98).
32 – Zie arresten EHRM van 4 februari 2005, Mamatkoulov en Askarov/Turkije (verzoeken nrs. 46827/99 en 46951/99, Recueil des arrêts et décisions 2005‑I, § 82), 21 november 2000, RAF/Spanje (verzoek nr. 53652/00, Recueils des arrêts et décisions 2000-XI), 8 januari 2004, Sardinas Albo/Italië (verzoek nr. 56271/00, Recueils des arrêts et décisions 2004-I), en beschikking van 23 november 2006, Zaratin/Italië (verzoek nr. 33104/06).
33 – Zie arrest Advocaten voor de Wereld (reeds aangehaald, voetnoot 28, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak) alsook arrest van 22 mei 2008, Evonik Degussa/Commissie en Raad (C‑266/06 P, punt 38).
34 – Zie reeds aangehaalde arresten Advocaten voor de Wereld (voetnoot 28, punt 50) en Evonik Degussa/Commissie en Raad (voetnoot 33, punt 39).
35 – Zie in deze zin arrest van 16 juni 2005, Pupino (aangehaald in voetnoot 11, punt 46, juncto punten 44 en 45). Zie bovendien beschikking van het Bundesverfassungsgericht (Duitsland) van 26 februari 1969, zaak 2 BvL 15, 23/68 (gepubliceerd in het Neue Juristische Wochenschrift 1969, blz. 1059, 1061, alsook in de Jurisprudentie van beslissingen van het Duitse Constitutionele Hof, BVerfGE deel 25, blz. 269, 286 e.v.).
36 – Beschikkingen ECRM van 6 juli 1976, X/Nederland (verzoek nr. 7512/76, D. R. 6, blz. 184), 6 maart 1991, Polley/België (verzoek nr. 12192/86), en 18 januari 1996, Bakhtiar/Zwitserland (verzoek nr. 27292/95).
37 – Ik herinner eraan dat over genoemd uitleveringsverzoek door de Cour d’appel de Versailles ongunstig is geadviseerd (arrest van 19 juni 2001) op grond dat de aan betrokkene ten laste gelegde feiten naar Frans recht waren verjaard.
38 – Arrest van 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, Jurispr. blz. I‑411, punt 37).
39 – Arrest van 12 juni 2008, Commissie/Portugal (C‑462/05, Jurispr. blz. I‑4183, punt 23).
40 – Zie eveneens arresten van de Cour de Cassation, Chambre Criminelle, van 15 februari 2006, nummer 05-86.095 (zaak Zurutuza Sarasola); 12 mei 1987, Bull. Crim. 1987, nummer 194 (zaak Dario Fantig), en 9 juli 1987, Bull. Crim. 1987, nummer 229 (zaak Imaz-Martiarena).
41 – Artikel 8, lid 1, van de Overeenkomst van 1996.
42 – Arrest van 29 juni 2006, SGL Carbon/Commissie (C‑308/04 P, Jurispr. blz. I‑5977, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 – Artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
44 – Arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 338).
45 – Anders: arrest van 28 september 2006, Gasparini e.a. (C‑467/04, Jurispr. blz. I‑9199).
Full & Egal Universal Law Academy