ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
8 juli 2010 ( *1 )
In zaak T-12/08 P-RENV-RX,
betreffende hogere voorziening, ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 19 oktober 2007, M/EMEA (F-23/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van die beschikking,
M, voormalig tijdelijk functionaris van het Europees Geneesmiddelenbureau, wonende te Browbourne (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten,
rekwirant,
andere partij bij de procedure:
Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), vertegenwoordigd door V. Salvatore en N. Rampal Olmedo als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
wijst HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen),
samengesteld als volgt: M. Jaeger (rapporteur), president, J. Azizi, N. J. Forwood, O. Czúcz en I. Pelikánová, rechters,
griffier: E. Coulon,
het navolgende
Arrest
1
De onderhavige procedure volgt op het arrest van het Hof van 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA (C-197/09 RX-II, Jurispr. blz. I-12033), waarbij het Hof heeft vastgesteld dat het arrest van het Gerecht van 6 mei 2009, M/EMEA (T-12/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „heroverwogen arrest”), houdende hogere voorziening van de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 19 oktober 2007, M/EMEA (F-23/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden beschikking”), de eenheid en samenhang van het gemeenschapsrecht aantastte, de punten 3 en 5 van het dictum van het heroverwogen arrest heeft vernietigd en de zaak naar het Gerecht heeft verwezen.
Feiten en procesverloop in eerste aanleg
2
Blijkens het heroverwogen arrest, punt 1 supra, heeft M, die in oktober 1996 als tijdelijk functionaris in dienst was getreden van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA, tot 8 december 2009 EMEA genaamd), in maart 2005 een arbeidsongeval gehad, waarna hij met ziekteverlof is gegaan. Het EMA besloot zijn overeenkomst niet te verlengen en deze eindigde dan ook op 15 oktober 2006.
3
Op 17 februari 2006 had M verzocht om instelling van een invaliditeitscommissie, hetgeen het EMA bij brief van 31 maart 2006 weigerde. Zijn klacht van 3 juli 2006 tegen deze weigering werd bij besluit van 25 oktober 2006 afgewezen.
4
Intussen had M op 8 augustus 2006 een nieuw verzoek tot instelling van een invaliditeitscommissie ingediend en daarbij een medisch rapport van dokter W gevoegd.
5
Bij brief van 21 november 2006 verzocht M het EMA, te preciseren of het besluit van 25 oktober 2006 houdende bevestiging van het besluit om geen invaliditeitscommissie in te stellen, een afwijzing van het verzoek van 8 augustus 2006 vormde.
6
Bij brief van 29 november 2006 liet het EMA M weten dat het in zijn besluit van 25 oktober 2006 wel degelijk had geoordeeld dat het verzoek van 8 augustus 2006 niet als een nieuw verzoek in de zin artikel 59, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen kon worden aangemerkt en bijgevolg moest worden afgewezen om de in dat besluit uiteengezette redenen.
7
Bij brief van 25 januari 2007 diende M een klacht in waarbij hij verzocht om intrekking van het besluit van 25 oktober 2006 voor zover bij dat besluit zijn verzoek van 8 augustus 2006 was afgewezen. De dag nadien verzocht hij het EMA om vergoeding van zijn materiële en immateriële schade.
8
Bij brief van 31 januari 2007 wees het EMA deze klacht en dit verzoek af.
9
Op 7 februari 2007 stelde M bij het Gerecht voor ambtenarenzaken beroep in, ingeschreven onder nummer F-13/07, tot nietigverklaring van het besluit van 31 maart 2006 waarbij het EMA zijn verzoek tot instelling van een invaliditeitscommissie had afgewezen, en voor zover nodig van het besluit van 25 oktober 2006.
10
Vervolgens stelde M op 19 maart 2007 bij het Gerecht voor ambtenarenzaken nog een beroep in, ingeschreven onder nummer F-23/07, waarmee hij enerzijds nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006 vorderde, en anderzijds veroordeling van het EMA tot betaling van 100000 EUR als schadevergoeding voor dienstfouten.
11
Het eerste beroep werd door het Gerecht voor ambtenarenzaken verworpen bij beschikking van 20 april 2007, L/EMEA (F-13/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid, op grond dat de voorafgaande klacht te laat was ingediend.
12
In het kader van het tweede beroep wierp het EMA bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid op krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat krachtens artikel 3, lid 4, van besluit 2004/752/EG, Euratom van de Raad van 2 november 2004 tot instelling van een Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (PB L 333, blz. 7) mutatis mutandis van toepassing was op het Gerecht voor ambtenarenzaken tot de inwerkingtreding van het Reglement voor de procesvoering van dit laatste, op 1 november 2007.
13
Bij de bestreden beschikking verklaarde het Gerecht voor ambtenarenzaken overeenkomstig dit artikel 114, zonder mondelinge behandeling en zonder voeging van de exceptie van niet-ontvankelijkheid bij de zaak ten gronde, het beroep niet-ontvankelijk.
14
Het Gerecht voor ambtenarenzaken achtte de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006, voor zover het EMA daarbij het verzoek van M van 8 augustus 2006 had afgewezen, niet-ontvankelijk omdat dat besluit slechts de bevestiging was van het in de brief van het EMA van 31 maart 2006 besloten liggende besluit en de vordering tegen dat besluit reeds niet-ontvankelijk was verklaard bij de beschikking L/EMEA, punt 11 supra.
15
De vorderingen tot schadevergoeding werden ook niet-ontvankelijk verklaard, met name wegens de nauwe band met de eerder onderzochte vordering tot nietigverklaring.
Hogere voorziening bij het Gerecht
16
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 januari 2008, kwam M krachtens artikel 9 van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie in hogere voorziening tegen de bestreden beschikking.
17
Daarbij verzocht M het Gerecht niet alleen om deze beschikking te vernietigen, maar ook om over de grond van de zaak te beslissen. Het EMA concludeerde tot afwijzing van de hogere voorziening als kennelijk ongegrond, waarbij het zijn betoog beperkte tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep van M.
18
Na toewijzing van het verzoek van M om tijdens de mondelinge behandeling van de zaak te worden gehoord, vernietigde het Gerecht bij het heroverwogen arrest, punt 1 supra, de bestreden beschikking op grond dat deze op een onjuiste rechtsopvatting berustte voor zover het Gerecht voor ambtenarenzaken de door M geformuleerde vorderingen tot nietigverklaring en schadevergoeding niet-ontvankelijk had verklaard.
19
Van oordeel dat de zaak in staat van wijzen was in de zin van artikel 13, lid 1, van bijlage I bij het Statuut van het Hof, deed het Gerecht vervolgens uitspraak over de zaak. Het achtte de vordering tot nietigverklaring ontvankelijk en gegrond en verklaarde het besluit van 25 oktober 2006 nietig. Het achtte ook de vorderingen tot schadevergoeding van M ontvankelijk en veroordeelde het EMA tot betaling van 3000 EUR ter vergoeding van de door M geleden immateriële schade.
20
Dienaangaande merkte het Gerecht in punt 100 van het heroverwogen arrest op dat M in zijn verzoekschrift bij het Gerecht voor ambtenarenzaken had gesteld dat het EMA door de handhaving van zijn weigering de invaliditeitsprocedure in te leiden, hem ongerust en onzeker had gemaakt. In punt 104 van het arrest oordeelde het Gerecht dat M in casu immateriële schade had geleden die niet volledig kon worden opgeheven door de nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006.
Heroverweging door het Hof
21
Na het voorstel van de eerste advocaat-generaal om het heroverwogen arrest, punt 1 supra, te heroverwegen, besliste de Speciale kamer bedoeld in artikel 123 ter van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij beslissing van 24 juni 2009 (C-197/09 RX, Jurispr. blz. I-12033) dat tot heroverweging diende te worden overgegaan. Blijkens punt 2 van het dictum van de beslissing van 24 juni 2009 had de heroverweging tot doel, vast te stellen of het heroverwogen arrest, punt 1 supra, de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantastte doordat het Gerecht als rechter in hogere voorziening het begrip „zaak in staat van wijzen” in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof en artikel 13, lid 1, van bijlage I bij dat Statuut aldus had uitgelegd dat het hem is toegestaan een zaak aan zich te houden en uitspraak te doen over de grond van de zaak, ook al had de hogere voorziening waarvan het kennis diende te nemen, alleen betrekking op de behandeling in eerste aanleg van een exceptie van niet-ontvankelijkheid en al was over het aspect van de zaak dat het aan zich houdt, voor hem noch voor het Gerecht voor ambtenarenzaken als rechter in eerste aanleg een debat op tegenspraak gevoerd.
22
In het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, merkte het Hof allereerst op dat blijkens zijn beslissing van 24 juni 2009 de heroverweging alleen betrekking had op de veroordeling van het EMA tot betaling van 3000 EUR aan verzoeker ter vergoeding van de gestelde immateriële schade, terwijl de nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006 en de verwerping van het beroep voor het overige niet aan de orde waren in de heroverwegingsprocedure (arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, punt 26).
23
Vervolgens wees het Hof er met betrekking tot het begrip „zaak in staat van wijzen” op dat een zaak in beginsel niet in staat van wijzen is wat de grond van het bij de rechter in eerste aanleg ingestelde beroep betreft, wanneer deze rechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard door een exceptie van niet-ontvankelijkheid te aanvaarden zonder deze bij de zaak ten gronde te voegen (arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, punt 29). Het Hof merkte verder op dat dit alleen anders kon zijn in bijzondere omstandigheden, die zich in het onderhavige geval echter niet voordeden (arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, punten 30-33).
24
Het Hof stelde in de punten 34 tot en met 37 van het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, dan ook vast dat het Gerecht het begrip „zaak in staat van wijzen” in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dit Statuut onjuist had uitgelegd en laatstgenoemde bepaling had geschonden door te oordelen dat de zaak in casu in staat van wijzen was wat de vorderingen tot vergoeding van de door M gestelde immateriële schade betrof.
25
Voorts stelde het Hof vast dat het Gerecht door zich uit te spreken over de schadevergoedingsvorderingen van M zonder het EMA in de gelegenheid te hebben gesteld daarover opmerkingen te maken, het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht had genomen (arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, punten 38-59).
26
Na te hebben geoordeeld dat de in het heroverwogen arrest geconstateerde fouten de eenheid en de samenhang van het gemeenschapsrecht aantastten, vernietigde het Hof dit arrest voor zover het Gerecht in de punten 3 en 5 van het dictum het EMA had veroordeeld tot betaling van een vergoeding van 3000 EUR aan M en tot betaling van de kosten van de procedures voor het Gerecht voor ambtenarenzaken en voor het Gerecht.
27
Aangezien de aantasting van de eenheid en de samenhang van het gemeenschapsrecht in casu voortvloeide uit een onjuiste uitlegging van het begrip „zaak in staat van wijzen” en uit de niet-inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, was het Hof van oordeel dat het de zaak niet zelf kon afdoen krachtens artikel 62 ter, eerste alinea, laatste volzin, van het Statuut van het Hof.
28
Bijgevolg heeft het Hof zich enkel uitgesproken over de kosten van de heroverwegingsprocedure en heeft het de zaak wat de vorderingen tot vergoeding van de door M geleden immateriële schade betrof, naar het Gerecht verwezen teneinde het EMA de gelegenheid te geven zijn argumenten over de gegrondheid van deze vorderingen aan te voeren (arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, punt 71).
De zaak zoals na heroverweging verwezen
Procesverloop
29
Bij brief van 22 december 2009 heeft de griffie van het Gerecht overeenkomstig artikel 121 quater, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering partijen verzocht om binnen een maand na de betekening van het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, hun schriftelijke opmerkingen te maken over de conclusies die uit dat arrest dienden te worden getrokken voor de beslechting van het geding.
30
Het EMA heeft zijn opmerkingen ter griffie van het Gerecht neergelegd op 21 januari 2010.
31
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 januari 2010, heeft M het Gerecht verzocht hem voor de onderhavige procedure kosteloze rechtsbijstand te verlenen krachtens artikel 95 van het Reglement voor de procesvoering.
32
Bij beschikking van 11 maart 2010 heeft het Gerecht (Kamer voor hogere voorzieningen) M kosteloze rechtsbijstand verleend.
33
M heeft zijn opmerkingen over het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, neergelegd op 25 maart 2010.
In rechte
34
Zoals blijkt uit punt 2 van het dictum van het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, en uit punt 26 van dat arrest, zijn alleen de punten 3 en 5 van het dictum van het heroverwogen arrest, punt 1 supra, te weten de veroordeling van het EMA tot betaling van 3000 EUR aan M ter vergoeding van zijn immateriële schade, respectievelijk de verwijzing in de kosten, vernietigd, terwijl de andere punten van het dictum van het heroverwogen arrest, waarbij de bestreden beschikking en het besluit van het EMA van 25 oktober 2006 voor zover daarbij het verzoek van M van 8 augustus 2006 was afgewezen, nietig zijn verklaard en het beroep voor het overige is verworpen, in kracht van gewijsde zijn gegaan.
35
In de opmerkingen van 21 januari en 25 maart 2010, die door partijen in het kader van de onderhavige procedure zijn ingediend krachtens artikel 121 quater, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, hebben M en het EMA zich in het bijzonder uitgelaten over de vraag of in de omstandigheden van deze zaak kon worden geoordeeld dat de door M gestelde immateriële schade kon worden losgekoppeld van de onwettigheid die tot nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006 had geleid, en dus moest worden vergoed.
36
Het Gerecht merkt op dat, gesteld al dat de indiening van opmerkingen door M en het EMA na heroverweging voldoende zou zijn om de door het Hof in het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, geconstateerde niet-inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor te ondervangen, het Hof in genoemd arrest tevens heeft vastgesteld dat het heroverwogen arrest, punt 1 supra, gebrekkig was doordat het Gerecht het begrip „zaak in staat van wijzen” onjuist had uitgelegd.
37
Wat betreft de vraag of de onderhavige zaak in staat van wijzen door het Gerecht is, blijkt uit punt 30 van het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, dat de rechter in hogere voorziening in bepaalde omstandigheden over een beroep ten gronde kan beslissen hoewel de procedure in eerste aanleg beperkt was tot een exceptie van niet-ontvankelijkheid die door de rechter in eerste aanleg is aanvaard. Dat kan het geval zijn wanneer de vernietiging van het bestreden arrest of de bestreden beschikking noodzakelijkerwijs leidt tot een bepaalde oplossing met betrekking tot de grond van het betrokken beroep, of wanneer het onderzoek ten gronde van het beroep tot nietigverklaring berust op argumenten die partijen in het kader van de hogere voorziening als gevolg van een redenering van de rechter in eerste aanleg hebben aangevoerd.
38
Zoals echter uit de punten 32 tot en met 34, 36 en 37 van het arrest Heroverweging M/EMEA, punt 1 supra, blijkt, is in casu geen sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden, zodat de zaak niet in staat van wijzen is in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dit Statuut. Het Gerecht kan dan ook niet anders dan de zaak verwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken voor uitspraak over de vorderingen tot vergoeding van de door M gestelde immateriële schade, nadat het EMA zijn argumenten over de gegrondheid van deze vorderingen heeft aangevoerd.
HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
verklaart:
1)
De zaak wordt verwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie voor uitspraak over de vorderingen tot vergoeding van de door M gestelde immateriële schade.
2)
De beslissing over de kosten wordt aangehouden.
Jaeger
Azizi
Forwood
Czúcz
Pelikánová
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 juli 2010.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy