ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
13 mei 2009 ( *1 )
„Gemeenschapsmerk — Gemeenschapswoordmerk AURELIA — Niet-betaling van vernieuwingstaks — Doorhaling van merk bij verstrijken van geldigheid van inschrijving — Verzoek om herstel in vorige toestand”
In zaak T-136/08,
Aurelia finance SA, gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door M. Elmslie, solicitor, en N. Saunders, barrister,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door D. Botis als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 9 januari 2008 (zaak R 1214/2007-1), betreffende een door verzoekster ingediend verzoek om herstel in de vorige toestand,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: E. Martins Ribeiro, kamerpresident, S. Papasavvas (rapporteur) en N. Wahl, rechters,
griffier: N. Rosner, administrateur,
gezien het op 4 april 2008 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 8 juli 2008 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord,
na de terechtzitting op 21 januari 2009,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 24 augustus 2000 heeft verzoekster, Aurelia finance SA, bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) de inschrijving als gemeenschapsmerk van het woordteken AURELIA verkregen krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd.
2
Op 21 november 2005 heeft het BHIM de vertegenwoordiger van verzoekster ter zake van het betrokken merk eraan herinnerd dat die inschrijving, die geldig was tot 19 juni 2006, kon worden vernieuwd. Daarbij wees het BHIM erop dat het daartoe strekkende verzoek moest worden ingediend en de vernieuwingstaks moest worden betaald vóór 2 juli 2006, maar dat die termijn tegen betaling van een toeslag kon worden verlengd tot 2 januari 2007.
3
Op 22 januari 2007 heeft het BHIM de vertegenwoordiger van verzoekster ervan in kennis gesteld dat de termijn was verstreken en dat het merk in het merkenregister was doorgehaald per 19 juni 2006.
4
Op 5 maart 2007 heeft verzoekster bij het BHIM een verzoek om herstel in de vorige toestand in de zin van artikel 78 van verordening nr. 40/94 ingediend en het BHIM verzocht, de vernieuwingstaks en de taks voor herstel in de vorige toestand van haar rekening-courant af te boeken. Daarbij heeft verzoekster uiteengezet dat zij zich, onder meer voor de vernieuwing van de inschrijving van het betrokken merk, had gewend tot een onderneming die gespecialiseerd is in dienstverlening voor de vernieuwing van merkinschrijvingen (hierna: „gespecialiseerde onderneming”). De gespecialiseerde onderneming heeft een computersysteem opgezet dat is aangesloten op een databank waarin de diverse gegevens betreffende de houders en de merken en octrooien waarvan de inschrijving moet worden vernieuwd, manueel worden ingevoerd. Wanneer de inschrijving van een bepaald merk moet worden vernieuwd, moet het systeem drie waarschuwingsbrieven aan de houder aanmaken waarin deze om zijn instemming wordt gevraagd voordat de inschrijving wordt vernieuwd. Indien een van die brieven niet wordt aangemaakt, moet een veiligheidssysteem in werking treden date en vervangingsbrief print en verzendt. Aangezien in casu een medewerkster van de gespecialiseerde onderneming bepaalde gegevens van verzoekster die nodig zijn voor een goed functioneren van het systeem niet in de databank heeft ingevoerd, heeft verzoekster geen enkele waarschuwing ontvangen. Bovendien is nadien gebleken dat het veiligheidssysteem dat dit soort vergissingen moet opsporen niet in werking is getreden daar het enkel was opgezet voor de vernieuwing van de inschrijving van octrooien en niet voor die van merken.
5
Bij beslissing van 1 juni 2007 heeft de afdeling „Merken en register” van het BHIM het verzoek om herstel in de vorige toestand afgewezen op grond dat de gespecialiseerde onderneming niet de vereiste zorgvuldigheid had betracht.
6
Op 31 juli 2007 heeft verzoekster beroep ingesteld strekkende tot vernietiging van voormelde beslissing en tot toewijzing van het verzoek om herstel in de vorige toestand.
7
Bij beslissing van 9 januari 2008 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de eerste kamer van beroep dit beroep verworpen met de overweging dat artikel 78 van verordening nr. 40/94 niet van toepassing was daar de door verzoekster gekozen dienst voor de vernieuwing van merkinschrijvingen niet de in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid had betracht. Zij was zakelijk weergegeven van oordeel dat de gespecialiseerde onderneming een systeem voor de vernieuwing van merkinschrijvingen had moeten toepassen dat een goed functioneren waarborgde en dankzij een controlemechanisme eventuele vergissingen en anomalieën kon opsporen. Zonder een dergelijk mechanisme was een gebrekkig functioneren zoals in het geval van verzoekster voorzienbaar. Bovendien was geen bewijs overgelegd voor de bewering dat de systeemconfiguratie was getest.
Conclusies van partijen
8
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
de bestreden beslissing te vernietigen;
—
het verzoek om herstel in de vorige toestand voor nieuw onderzoek terug te verwijzen naar het BHIM;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten.
9
Het BHIM concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
10
Verzoekster voert voor haar vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing één middel aan, te weten schending van artikel 78 van verordening nr. 40/94.
11
In de eerste plaats verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij in punt 12 van de bestreden beslissing heeft overwogen dat de inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht in het onderhavige geval moest worden beoordeeld ten aanzien van de dienst voor de vernieuwing van merkinschrijvingen die verzoekster met de vernieuwing van haar merkinschrijving had belast. Volgens verzoekster moet die beoordeling daarentegen op haar, zo niet op haar vertegenwoordiger betrekking hebben. Het is algemeen gebruikelijk dat administratieve taken, zoals de vernieuwing van merkinschrijvingen, worden gedelegeerd aan gespecialiseerde ondernemingen en dat derhalve aan de zorgvuldigheidsplicht moet worden geacht te zijn voldaan wanneer een beroep is gedaan op een gekwalificeerde, ervaren persoon.
12
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 78, lid 1, van verordening nr. 40/94 bepaalt dat „[i]ndien […] de houder van een gemeenschapsmerk […] ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid, niet in staat is geweest tegenover het Bureau een termijn in acht te nemen, […] hij op zijn verzoek in zijn rechten [wordt] hersteld indien de verhindering ingevolge deze verordening rechtstreeks het verlies van een recht of een rechtsmiddel tot gevolg heeft”.
13
Blijkens deze bepaling moet voor herstel in de vorige toestand aan twee voorwaarden zijn voldaan. In de eerste plaats moet de partij hebben gehandeld met alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid, en in de tweede plaats moet de verhindering van de partij rechtstreeks het verlies van een recht of van een rechtsmiddel tot gevolg hebben gehad [beschikking Gerecht van 6 september 2006, Hensotherm/BHIM — Hensel (HENSOTHERM), T-366/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48].
14
Uit dezelfde bepaling volgt voorts dat de zorgvuldigheidsplicht in de eerste plaats op de merkhouder rust. Wanneer de merkhouder administratieve taken delegeert met betrekking tot de vernieuwing van een merkinschrijving, moet hij dan ook erop toezien dat de gekozen persoon de noodzakelijke waarborgen bezit op grond waarvan mag worden verwacht dat hij die taken goed zal uitvoeren.
15
Op grond van de delegatie van bedoelde taken is de gekozen persoon evenzeer als de merkhouder aan die zorgvuldigheidsplicht onderworpen. Aangezien deze persoon handelt namens en voor rekening van de merkhouder, moeten zijn handelingen als handelingen van deze laatste worden beschouwd. Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat moest worden nagegaan of de gespecialiseerde onderneming alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid had betracht.
16
Voor zover verzoekster zich beroept op een verschil in praktijk tussen de nationale rechterlijke instanties en de kamers van beroep ten aanzien van vergissingen van postdiensten en ten aanzien van de uitlegging van artikel 47, lid 1, van verordening nr. 40/94, zij in herinnering gebracht dat het communautaire merkensysteem een autonoom systeem is en dat de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep uitsluitend moet worden beoordeeld op basis van verordening nr. 40/94, zoals uitgelegd door de gemeenschapsrechter, en niet op basis van een vroegere beslissingspraktijk van die kamers [arrest Gerecht van 12 maart 2008, Suez/BHIM (Delivering the essentials of life), T-128/07, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 32].
17
In de tweede plaats verwijt verzoekster de kamer van beroep dat deze ten onrechte heeft geoordeeld dat zij, zo niet haar vertegenwoordiger, had moeten toezien op de door haar gekozen dienst voor vernieuwing van merkinschrijvingen. Volgens verzoekster was het niet haar taak noch die van haar vertegenwoordiger, toezicht te houden op het werk van een in de vernieuwing van merkinschrijvingen gespecialiseerde onderneming.
18
Dienaangaande zij opgemerkt dat de kamer van beroep, anders dan verzoekster beweert, in punt 15 van de bestreden beslissing niet heeft verklaard dat verzoekster, of haar vertegenwoordiger, toezicht had moeten houden op genoemde dienst. Zij heeft alleen geoordeeld dat het systeem dat wordt toegepast door een onderneming die is gespecialiseerd in de vernieuwing van merkinschrijvingen voldoende waarborgen voor een goed functioneren moet bieden, daaronder begrepen een controlemechanisme om iedere potentiële vergissing als gevolg van een slecht beheer van computerbestanden door medewerkers van de dienst of door het computerbestand zelf op te sporen en te corrigeren.
19
In de derde plaats is verzoekster van oordeel dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat met betrekking tot de vernieuwing van merkinschrijvingen dezelfde zo niet een grotere zorgvuldigheid moet worden betracht dan bij merkaanvragen. Naar haar oordeel is die zorgvuldigheid geringer, aangezien bij de vernieuwing van inschrijvingen enkel administratief werk te pas komt waarvoor geen ervaring op het gebied van de uitlegging van het merkenrecht vereist is, terwijl merkaanvragen juridisch werk vereisen en derhalve aan specialisten op dat gebied worden toevertrouwd. Volgens verzoekster moet ook de context van het octrooirecht in de beschouwing worden betrokken, aangezien daar is vastgesteld dat de van specialisten verlangde zorgvuldigheid niet wordt vereist van assistenten, die niet over dezelfde vakkennis beschikken.
20
Dienaangaande moet worden geoordeeld dat de vereiste zorgvuldigheid niet groter of geringer is afhankelijk van de vraag of juridische of administratieve taken moeten worden verricht. Het door verzoekster voorgestelde onderscheid tussen juridisch en administratief werk zou immers meebrengen dat iedere niet-inachtneming van een proceduretermijn als een administratief verzuim zou kunnen worden aangemerkt, waardoor onzorgvuldige aanvragers, zoals het BHIM terecht opmerkt, in alle gevallen aan geringere eisen met betrekking tot de door hen in acht te nemen zorgvuldigheid zouden mogen voldoen. Artikel 78 van verordening nr. 40/94 maakt dit onderscheid hoe dan ook niet, maar verlangt dat alle in de gegeven „omstandigheden” noodzakelijke zorgvuldigheid wordt betracht.
21
Gesteld al dat artikel 78 van verordening nr. 40/94 is uitgewerkt op basis van een onder het octrooirecht vallend model, wijst overigens niets erop dat de twee bepalingen dezelfde uitlegging moeten krijgen, aangezien de belangen die op de twee gebieden aan de orde zijn kunnen verschillen. De juridische context van het octrooirecht is immers anders en de bepalingen op het gebied van octrooien hebben betrekking op andere procedures dan die op het gebied van het merkenrecht.
22
In dit verband moet voorts worden opgemerkt dat de wetgever artikel 78 bis in verordening nr. 40/94 heeft opgenomen. Op grond van lid 1 van dat artikel kunnen partijen in geval van overschrijding van bepaalde termijnen in hun rechten worden hersteld zonder dat zij hoeven aan te tonen dat zij alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid hebben betracht. De omstandigheid dat de wetgever ingevolge lid 2 van hetzelfde artikel de termijnoverschrijding voor vernieuwing van merkinschrijvingen uitdrukkelijk onder de werkingssfeer van artikel 78 van de verordening heeft gehouden, wijst erop, zoals het BHIM terecht opmerkt, dat hij die overschrijding aan de algemene zorgvuldigheidsplicht van lid 1 van dit artikel heeft willen onderwerpen.
23
In de vierde plaats merkt verzoekster op dat artikel 78, leden 6 en 7, van verordening nr. 40/94 strekt ter bescherming van de belangen van derden die in de periode tussen het verlies van het recht op het gemeenschapsmerk en de bekendmaking van het herstel van dit recht, te goeder trouw waren op de markt hebben gebracht of diensten hebben verricht onder een gelijk of overeenstemmend teken. Haars inziens impliceert deze bescherming dat het door artikel 78, lid 1, van verordening nr. 40/94 verlangde niveau van zorgvuldigheid lager is dan het niveau van zorgvuldigheid dat in de bestreden beslissing is toegepast.
24
Dienaangaande zij beklemtoond dat het criterium „alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid” is neergelegd in artikel 78, lid 1, van verordening nr. 40/94, waarin wordt uiteengezet onder welke voorwaarden een verzoek om herstel in de vorige toestand wordt ingewilligd. Artikel 78, leden 6 en 7, van verordening nr. 40/94 is daarentegen slechts van toepassing wanneer het verzoek om herstel in de vorige toestand inderdaad is ingewilligd en strekt ter bescherming van de belangen van derden die te goeder trouw hebben gehandeld. Artikel 78, leden 6 en 7, van verordening nr. 40/94 is bijgevolg geheel irrelevant voor de bepaling van het niveau van zorgvuldigheid dat artikel 78, lid 1, van de verordening vereist.
25
In de vijfde plaats betoogt verzoekster dat de kamer van beroep de aan haar voorgelegde bewijzen onjuist heeft beoordeeld en bijgevolg het verzoek om herstel in de vorige toestand ten onrechte heeft afgewezen. Zij verklaart dat het door de gespecialiseerde onderneming toegepaste systeem strookte met de vereisten van de richtsnoeren van het BHIM, die in punt 6.2.3 de uitdrukking „alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid” aldus uitleggen dat hiermee wordt bedoeld een systeem van interne controle en toezicht op de termijnen, dat in het algemeen de onopzettelijke niet-inachtneming van termijnen uitsluit. Volgens verzoekster betekent de term „in het algemeen” dat uitzonderlijke vergissingen recht geven op herstel in de vorige toestand. In de onderhavige zaak was het slecht functioneren van het systeem rechtstreeks te wijten aan het feit dat een medewerkster van de gespecialiseerde onderneming bij wijze van uitzondering niet de noodzakelijke gegevens had ingevoerd. Voor het overige vereisen noch voormelde richtsnoeren, noch artikel 78 van verordening nr. 40/94 noch de rechtspraak dat een controlemechanisme voor het computersysteem wordt geïnstalleerd zoals dat voor octrooien wordt toegepast, aangezien het computersysteem zelf over het algemeen de inachtneming van de termijnen waarborgt, ook zonder controlemechanisme.
26
Dienaangaande zij opgemerkt dat de woorden „alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid” in artikel 78, lid 1, van verordening nr. 40/94 de invoering vereisen van een systeem van interne controle en toezicht op de termijnen, dat de onopzettelijke niet-inachtneming van termijnen in het algemeen uitsluit, overeenkomstig de richtsnoeren van het BHIM. Bijgevolg kunnen enkel uitzonderlijke gebeurtenissen die derhalve niet op grond van ervaring voorzienbaar zijn recht geven op herstel in de vorige toestand.
27
Daar in de onderhavige zaak de gespecialiseerde onderneming een computersysteem had opgezet om aan het verstrijken van termijnen te herinneren, was het op grond van de in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid in de eerste plaats geboden dat de algemene opzet van dat systeem de inachtneming van de termijnen waarborgde, in de tweede plaats dat met dat systeem iedere voorzienbare vergissing bij de uitvoering van de taken van de medewerkers van de gespecialiseerde onderneming en in het functioneren van het computersysteem kon worden opgespoord en gecorrigeerd, en in de derde plaats dat de medewerkers van de gespecialiseerde onderneming die de noodzakelijke gegevens moesten invoeren en genoemd systeem moesten gebruiken, een passende opleiding hadden genoten, hun verrichtingen verifieerden en werden gesuperviseerd.
28
Gesteld al dat het computersysteem waarmee aan de termijnen moest worden herinnerd in het algemeen waarborgde dat de termijnen in acht werden genomen, heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat menselijke vergissingen bij de invoering van gegevens niet kunnen worden uitgesloten, ook wanneer de medewerkers een passende opleiding hebben genoten en op passende wijze instructies ontvangen en worden gesuperviseerd. Menselijke vergissingen bij de invoering van gegevens kunnen immers niet als uitzonderlijke of onvoorzienbare gebeurtenissen worden beschouwd, zodat het betrokken systeem in een mechanisme voor het opsporen en corrigeren van dergelijke vergissingen had moeten voorzien. Nu een dergelijk mechanisme in casu ontbrak, heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat de in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid niet in acht was genomen.
29
Hieruit volgt dat het verzoek om vernietiging van de bestreden beslissing moet worden afgewezen.
30
In die omstandigheden moet ook het tweede onderdeel van de conclusies van verzoekster, ertoe strekkende dat het Gerecht het verzoek om herstel in de vorige toestand voor een nieuw onderzoek terugverwijst naar het BHIM, en daarmee het beroep in zijn geheel, worden verworpen.
Kosten
31
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het BHIM in de kosten worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Aurelia finance SA wordt verwezen in de kosten.
Martins Ribeiro
Papasavvas
Wahl
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 mei 2009.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy