ARREST VAN HET GERECHT (Kamer voor hogere voorzieningen)
16 september 2009
Zaak T‑271/08 P
Stanislava Boudova e.a.
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Openbare dienst – Ambtenaren – Voormalige hulpfunctionarissen – Aanstelling – Indeling in rang – Vergelijkende onderzoeken bekendgemaakt vóór inwerkingtreding van nieuw Statuut – Herindeling door andere instelling van haar ambtenaren – Weigering tot herindeling – Beginsel van gelijke behandeling – Beroep tot nietigverklaring – Niet voor beroep vatbaar besluit – Bevestigende handeling – Ontbreken van nieuwe en wezenlijke feiten – Ontbreken van verschoonbare dwaling – Niet-ontvankelijkheid”
Betreft: Hogere voorziening, ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 21 april 2008, Boudova e.a./Commissie (F‑78/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van die beschikking.
Beslissing: De hogere voorziening wordt afgewezen. Boudova, Adovica, Kuba, Puciriuss, Strzelecka, Szyprowska, Tibai en Vaituleviciene zullen hun eigen kosten dragen alsmede de kosten die de Commissie in het kader van deze procedure heeft gemaakt.
Samenvatting
1. Ambtenaren – Beroep – Voorafgaande administratieve klacht – Termijnen – Verval van recht – Heropening
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren – Gelijke behandeling – Door instelling zonder juridische verplichting ten gunste van bepaalde groep personen genomen maatregelen
3. Hogere voorziening – Middelen – Ontvankelijkheid – Rechtsvragen
1. Een besluit dat door de adressaat niet binnen de gestelde termijn is bestreden, wordt te diens aanzien definitief. Het bestaan van wezenlijke nieuwe feiten kan evenwel een verzoek om heronderzoek van een definitief geworden eerder besluit rechtvaardigen.
Een ambtenaar die niet binnen de statutaire termijnen tegen zijn aanvankelijke indeling in rang is opgekomen, kan niet rechtsgeldig een verzoek om herindeling indienen op de enkele grond dat hij pas sinds de uitspraak van een arrest van de gemeenschapsrechter in een zaak waarin die ambtenaar geen partij was en waarbij een handeling nietig werd verklaard die hem niet rechtstreeks raakte, de precieze omvang van zijn rechten kende.
A fortiori kan een ambtenaar die niet binnen de statutaire termijnen tegen het besluit tot zijn aanvankelijke indeling in rang is opgekomen, zich ter rechtvaardiging van het indienen van een verzoek om een nieuw onderzoek van zijn indeling niet als nieuw en wezenlijk feit beroepen op de omstandigheid dat hij pas sinds de vaststelling – door een andere instelling dan die waarbij hij is tewerkgesteld – van een besluit dat hem niet rechtstreeks raakte, de precieze omvang van zijn rechten kende.
(cf. punten 38, 47 en 48)
Referentie: Hof 21 februari 1974, Kortner e.a./Raad e.a., 15/73–33/73, 52/73, 53/73, 57/73–109/73, 116/73, 117/73, 123/73, 132/73 en 135/73–137/73, Jurispr. blz. 177, punten 36‑40; Hof 26 september 1985, Valentini/Commissie, 231/84, Jurispr. blz. 327, punt 14; Hof 8 maart 1988, Brown/Hof van Justitie, 125/87, Jurispr. blz. 1619, punt 13; Gerecht 24 maart 1998, Becret-Danieau e.a./Parlement, T‑232/97, JurAmbt. blz. I‑A‑157 en II‑495, punten 43 en 44; Gerecht 24 maart 1998, Meyer e.a./Hof van Justitie, T‑181/97, JurAmbt. blz. I‑A‑151 en II‑481, punten 36 en 37; Gerecht 7 februari 2001, Inpesca/Commissie, T‑186/98, Jurispr. blz. II‑557, punten 40 en 47, en de aangehaalde rechtspraak; Gerecht 13 december 2002, Van Dyck/Commissie, T‑112/02, JurAmbt. blz. I‑A‑317 en II‑1527, punt 63
2. Met het oog op de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling dient een instelling, wanneer zij besluit om de definitief geworden aanvankelijke indeling in rang van een categorie van haar ambtenaren opnieuw te onderzoeken, bij gebreke van objectieve rechtvaardiging van een eventuele ongelijke behandeling, de aanvankelijke indeling van haar andere ambtenaren die zich in een gelijke of vergelijkbare situatie bevinden, op hun verzoek, eveneens opnieuw te onderzoeken. Deze verplichting heeft tot doel de inachtneming te verzekeren van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren van eenzelfde instelling die zich in een gelijke of vergelijkbare situatie bevinden wat de op eigen initiatief van die instelling tot stand gekomen en niet door een statutaire verplichting aan haar opgelegde maatregelen betreft.
Hieruit volgt dat maatregelen die een instelling heeft getroffen zonder een uit het Statuut voortvloeiende juridische verplichting, tegenover een andere instelling niet kunnen worden aangevoerd tot staving van een middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling.
(cf. punten 51‑53)
Referentie: Hof 18 januari 1990, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer, C‑193/87 en C‑194/87, Jurispr. blz. I‑95, punten 26 en 27; Hof 11 januari 2001, Gevaert/Commissie, C‑389/98 P, Jurispr. blz. I‑65, punten 54‑58; Gerecht 28 oktober 2004, Lutz Herrera/Commissie, T‑219/92 en T‑337/02, JurAmbt. blz. I‑A-319 en II‑1407, punt 110
3. Waar het gaat over beroepstermijnen, heeft het begrip verschoonbare dwaling betrekking op uitzonderlijke omstandigheden waarin de betrokken instelling zich met name aldus heeft gedragen, dat dit gedrag alleen of in doorslaggevende mate bij een burger te goeder trouw, die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een persoon met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid. De vraag of de betrokken instelling zich aldus heeft gedragen dat dit gedrag bij een andere partij in het geding tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid, is een rechtsvraag, die derhalve in het kader van een hogere voorziening kan worden opgeworpen.
(cf. punten 71 en 73)
Referentie: Hof 15 mei 2003, Pitsiorlas/Raad en ECB, C‑193/01 P, Jurispr. blz. I‑4837, punten 24‑29; Gerecht 10 juni 2008, Bligny/Commissie, T‑127/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 42‑48
Full & Egal Universal Law Academy