12.4.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 92/31
Beroep ingesteld op 23 januari 2008 — Quantum/BHIM — Quantum Corporation (Quantum CORPORATION)
(Zaak T-31/08)
(2008/C 92/65)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Quantum Corp. (San Jose, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J. Barry, Sollicitor)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Quantum Corporation Ltd (Lefkosia, Cyprus)
Conclusies
—
de beslissing van de eerste kamer van beroep van 17 oktober 2007 in zaak R 1271/2006-1 te vernietigen;
—
het beroep in zaak R 1271/2006-1 gegrond te verklaren;
—
de onder nummer B 936 288 ingeschreven oppositie toe te wijzen en de procedure voort te zetten;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten die Quantum in de onderhavige procedure en in de beroepsprocedure voor het BHIM zijn opgekomen.
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Quantum Corporation Limited
Betrokken gemeenschapsmerk: communautair beeldmerk bestaande uit het teken „Q” en de woordelementen „QUANTUM CORPORATION” voor waren en diensten van de klassen 35, 36 en 42 — aanvraag nr. 3 773 355
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster
Oppositiemerk of -teken: nationale en communautaire woordmerken „QUANTUM” voor waren en diensten van klasse 9 en communautair beeldmerk „Q” voor waren en diensten van de klassen 9 en 42
Beslissing van de oppositieafdeling: niet-ontvankelijkverklaring van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: Verzoekster stelt dat de bestreden beslissing op onjuiste feiten is gebaseerd aangezien geen rekening is gehouden met het bestaan en de aard van de Richtsnoeren betreffende de oppositieprocedure. Bovendien wordt in de bestreden beslissing afbreuk gedaan aan verzoeksters gewettigde vertrouwen dat de praktijk die in de Richtsnoeren betreffende de oppositieprocedure is uiteengezet, feitelijk correct is, aangezien ook andere mogelijke opposanten op deze Richtsnoeren hebben kunnen vertrouwen. Voorts voert verzoekster aan dat bij haar het gewettigde vertrouwen was ontstaan dat de Richtsnoeren zouden worden gevolgd en dat zij een „standaardbrief 208” zou ontvangen, met het verzoek een vertaling van haar akte in te dienen om aan de vormvereisten te voldoen. Ten slotte betoogt verzoekster dat het BHIM krachtens artikel 114 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad aansprakelijk moet worden geacht voor de gevolgen van niet-nakoming van zijn verplichting om nauwkeurige en geactualiseerde richtsnoeren uit te vaardigen.
Full & Egal Universal Law Academy