21.6.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 158/18
Beroep ingesteld op 15 april 2008 — E.ON Energie/Commissie
(Zaak T-141/08)
(2008/C 158/30)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: E.ON Energie AG (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Röhling, C. Krohs en F. Dietrich, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
beschikking C(2008) 377 def. van verwerende partij van 30 januari 2008 in zaak COMP/B-1/39.326 — E.ON Energie AG nietig verklaren;
—
subsidiair, de aan verzoekende partij opgelegde geldboete verlagen tot een passend bedrag;
—
verwerende partij verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster komt op tegen beschikking C(2008) 377 def. van de Commissie van 30 januari 2008 in zaak COMP/B-1/39.326 — E.ON Energie AG. Bij deze beschikking legde de Commissie verzoekster een geldboete op, omdat deze een zegel dat door vertegenwoordigers van de Commissie conform artikel 20, lid 2, sub d, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) was aangebracht, heeft verbroken en ten minste uit onachtzaamheid artikel 23, lid 1, sub e van genoemde verordening heeft geschonden.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster negen middelen aan. In de eerste zes middelen probeert verzoekster uit te leggen dat de inbreuk op het recht onvoldoende is aangetoond. Verzoekster stelt met name miskenning dat verweerster de volledige bewijslast draagt, schending van het inquisitiebeginsel, onjuiste veronderstelling dat het zegel volgens de regels was aangebracht, onjuiste veronderstelling dat het zegel er de daaropvolgende dag opvallend uitzag, onjuiste veronderstelling dat de veiligheidsfolie deugdelijk was, alsook het niet in aanmerking nemen van een ander mogelijk verloop van de gebeurtenissen.
Met het zevende middel wordt aangevoerd dat is voorbijgegaan aan het vermoeden van onschuld en dat derhalve wezenlijke procedure- en vormvoorschriften zijn geschonden.
In de achtste plaats voert verzoekster aan dat verweerster ten onrechte heeft gesteld dat zij met opzet in de zin van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 heeft gehandeld.
Ten slotte stelt zij schending van het recht bij de vaststelling van de geldboete. Volgens verzoekster is er sprake van schending van het willekeurverbod alsook van niet voldoen aan het motiveringsvereiste van artikel 253 EG. Verzwarende omstandigheden zijn ten onrechte in aanmerking genomen, terwijl geen rekening is gehouden met verzachtende omstandigheden.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy