7.3.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 55/30
Beroep ingesteld op 15 december 2008 — RWE en RWE Dea/Commissie
(Zaak T-543/08)
(2009/C 55/56)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: RWE AG (Essen, Duitsland), RWE Dea AG (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: C. Stadler en M. Röhrig, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
nietig verklaren artikel 1 van de beschikking, voor zover daarin wordt vastgesteld dat verzoeksters hebben gehandeld in strijd met artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 EER-Overeenkomst;
—
nietig verklaren artikel 2 van de beschikking, voor zover daarin aan verzoeksters hoofdelijk een geldboete van 37 440 000 EUR wordt opgelegd;
—
subsidiair, de in artikel 2 van de beschikking aan verzoeksters hoofdelijk opgelegde geldboete tot een passend bedrag verlagen;
—
verweerster verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters komen op tegen beschikking C (2008) 5476 def. van de Commissie van 1 oktober 2008 in zaak COMP/39.181 — Kaarsenwas, waarin verweerster heeft vastgesteld dat bepaalde ondernemingen, waaronder verzoeksters, wegens deelneming aan een voortdurende overeenkomst en/of een voortdurende onderling afgestemde feitelijke gedraging in de sector paraffinewas hebben gehandeld in strijd met artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Verzoeksters baseren hun beroep op drie middelen.
In het eerste middel stellen verzoeksters dat verweerster artikel 81, lid 1, EG en artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 (1) heeft geschonden, doordat zij het begrip onderneming in het nadeel van verzoeksters onjuist heeft toegepast. Verweerster heeft verzoeksters aansprakelijk gesteld voor inbreuken begaan door de vroegere DEA Mineralöl AG respectievelijk — na de omvorming van de vennootschap tot een paritaire joint venture met Shell — Shell & Dea Oil GmbH en hun om die reden een geldboete opgelegd, zonder te hebben aangetoond dat er sprake is van een economische eenheid.
Subsidiair voeren verzoeksters in hun tweede middel aan dat verweerster de clementieregeling uit 2002 onjuist heeft toegepast en daardoor het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden, aangezien zij het door Shell voor de handel in paraffinewas door de vroegere DEA Mineralöl AG respectievelijk Shell & Dea Oil GmbH ingediende verzoek om toepassing van de clementieregeling niet tot verzoeksters heeft uitgebreid. Hiermee handelt verweerster in strijd met haar opvatting dat juist deze handel in paraffinewas in de periode 3 september 1992 — 30 juli 2002 tot dezelfde economische eenheid als verzoeksters behoorde. Bij juiste toepassing van de clementieregeling zou verweerster verzoeksters een eventuele geldboete volledig hebben moeten kwijtschelden.
Subsidiair betogen verzoeksters in hun derde middel dat verweerster heeft gehandeld in strijd met wezenlijke beginselen van de berekening van de geldboeten, met name met de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, en daardoor artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden. Verweerster heeft de richtsnoeren inzake de berekening van geldboeten uit 2006 onjuist toegepast, doordat zij de relevante omzet aan de hand van een niet voldoende representatieve referentieperiode heeft bepaald en aldus een basisbedrag heeft vastgesteld dat in geen verhouding staat tot de ernst van de aan verzoeksters verweten inbreuk, en verzoeksters ten opzichte van andere betrokken partijen, inclusief Shell, ongelijk heeft behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve reden bestaat.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy