27.3.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 80/4
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 4 februari 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin — Duitsland) — Hava Genc/Land Berlin
(Zaak C-14/09) (1)
(Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Artikel 6, lid 1 - Begrip „werknemer” - Verrichten van arbeid in geringe omvang - Voorwaarde voor verlies van verkregen rechten)
2010/C 80/07
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Hava Genc
Verwerende partij: Land Berlin
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgericht Berlin — Uitlegging van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije — Verblijfsrecht van een Turks staatsburger in de gastlidstaat, indien hij aldaar is binnengekomen om een reden die inmiddels is vervallen en hij slechts arbeid van geringe omvang verricht, met een wekelijkse arbeidstijd van 5,5 uur — Minimumeisen waaraan een arbeidsverhouding moet voldoen om te kunnen spreken van „legale arbeid” in de zin van besluit nr. 1/80
Dictum
1)
Iemand in de situatie van verzoekster in het hoofdgeding is een werknemer in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, voor zover de verrichte arbeid reëel en daadwerkelijk is. Het is aan de verwijzende rechter om aan de hand van de feiten na te gaan of dit in de aan hem voorgelegde zaak het geval is.
2)
Een Turkse werknemer in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, kan zich beroepen op het recht van vrij verkeer dat hij ontleent aan de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, ook wanneer het doel waarvoor hij de gastlidstaat is binnengekomen niet meer bestaat. Wanneer een dergelijke werknemer de in artikel 6, lid 1, gestelde voorwaarden vervult, mogen aan zijn recht op verblijf in de gastlidstaat geen nadere voorwaarden worden gesteld, verband houdend met het bestaan van belangen die zijn verblijf kunnen rechtvaardigen of met de aard van de arbeid.
(1) PB C 102 van 1.5.2009.
Full & Egal Universal Law Academy