11.9.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 246/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 15 juli 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie — België) — Bâtiments et Ponts Construction SA, WISAG Produktionsservice GmbH, voorheen ThyssenKrupp Industrieservice GmbH/Berlaymont 2000 SA
(Zaak C-74/09) (1)
(Overheidsopdrachten voor uitvoering van werken - Richtlijn 93/37/EEG - Artikel 24 - Uitsluitingsgronden - Verplichtingen ter zake van betaling van socialezekerheidsbijdragen en belastingen - Op straffe van uitsluiting vereiste registratie van inschrijvers - „Registratiecommissie” en haar bevoegdheden - Onderzoek van geldigheid van getuigschriften die zijn afgegeven door bevoegde autoriteiten van lidstaat van vestiging van buitenlandse inschrijvers)
2010/C 246/09
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Bâtiments et Ponts Construction SA, WISAG Produktionsservice GmbH, voorheen ThyssenKrupp Industrieservice GmbH
Verwerende partij: Berlaymont 2000 SA
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Cassatie (België) — Uitlegging van artikel 24, tweede alinea, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 199, blz. 54), en van de artikelen 49 EG en 50 EG — Plaatsing van overheidsopdrachten — Nationale regeling op grond waarvan een aanbestedende dienst enerzijds een inschrijver kan uitsluiten omdat hij niet geregistreerd is in die staat, zelfs indien die inschrijver gelijkwaardige attesten heeft overgelegd die door de autoriteiten van een andere lidstaat zijn afgegeven, en anderzijds die attesten aan een geldigheidstoetsing kan onderwerpen — Verenigbaarheid van deze regeling met de genoemde bepalingen van het gemeenschapsrecht
Dictum
1.
Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling waarbij de in een andere lidstaat gevestigde aannemer om een opdracht in de lidstaat van de aanbestedende dienst toegewezen te kunnen krijgen aldaar geregistreerd moet zijn als niet vallende onder de uitsluitingsgronden die zijn opgesomd in artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, op voorwaarde dat een dergelijke verplichting de deelneming van de aannemer aan de betrokken overheidsopdracht belemmert noch vertraagt, en evenmin buitensporige administratieve lasten meebrengt, en dat zij uitsluitend ertoe strekt na te gaan of betrokkene professioneel geschikt is in de zin van deze bepaling.
2.
Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan het onderzoek van de aan een aannemer van een andere lidstaat door de fiscale en sociale autoriteiten van die lidstaat afgegeven getuigschriften, aan een andere instantie dan de aanbestedende dienst wordt opgedragen wanneer:
—
die instantie grotendeels bestaat uit personen die worden benoemd door de werkgevers- en werknemersorganisaties uit het bouwbedrijf in de provincie waar de betrokken overheidsopdracht wordt uitgevoerd, en
—
die bevoegdheid zich uitstrekt tot een inhoudelijke toetsing van de geldigheid van deze getuigschriften.
(1) PB C 102 van 1.5.2009.
Full & Egal Universal Law Academy