21.5.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 152/3
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 29 maart 2011 — Anheuser-Busch, Inc./Budějovický Budvar, národní podnik, Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-96/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikel 8, lid 4 - Aanvraag voor woord- en beeldmerk BUD - Oppositie - Aanduiding van geografische herkomst „bud” - Bescherming krachtens Overeenkomst van Lissabon en bilaterale verdragen tussen twee lidstaten - Gebruik in het economisch verkeer - Teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis)
2011/C 152/04
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Anheuser-Busch, Inc. (vertegenwoordigers: V. von Bomhard en B. Goebel, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Budějovický Budvar, národní podnik, (vertegenwoordigers: F. Fajgenbaum, T. Lachacinski, C. Petsch en S. Sculy-Logotheti, avocats), Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 16 december 2008 in de gevoegde zaken T-225/06, T-255/06, T-257/06 en T-309/06, Budějovický Budvar/BHIM en Anheuser-Busch, houdende vernietiging van de beslissingen R 234/2005-2, R 241/2005-2, R 802/2004-2 en R 305/2005-2 van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) tot verwerping van de beroepen tegen de beslissingen van de oppositieafdeling waarbij de oppositie van Budějovický Budvar, národní podnik, tegen de aanvraag tot inschrijving van het woordmerk „BUD” voor waren van de klassen 32 en 33 is afgewezen — Schending van art. 8, lid 4, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94
Dictum
1)
Het arrest van Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 16 december 2008, Budějovický Budvar/BHIM — Anheuser-Busch (BUD) (T-225/06, T-255/06, T-257/06 en T-309/06), wordt vernietigd voor zover het Gerecht daarbij, betreffende de uitlegging van artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 422/2004 van de Raad van 19 februari 2004, ten onrechte heeft geoordeeld, ten eerste, dat de betekenis van het betrokken teken, die niet louter plaatselijk mag zijn, uitsluitend dient te worden beoordeeld op basis van de omvang van het grondgebied van bescherming van dit teken, zonder rekening te houden met het gebruik ervan op dit grondgebied, ten tweede, dat het voor de beoordeling van het gebruik van dit teken relevante grondgebied niet noodzakelijkerwijs het grondgebied van bescherming ervan is, en ten derde, dat het gebruik van dat teken niet noodzakelijkerwijs hoeft te hebben plaatsgevonden vóór de datum van de indiening van de gemeenschapsmerkaanvraag.
2)
De hogere voorziening wordt voor het overige verworpen.
3)
De gevoegde zaken T-225/06, T-255/06, T-257/06 en T-309/06 worden terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.
4)
De beslissing over de kosten wordt aangehouden.
(1) PB C 113 van 16.05.2009.
Full & Egal Universal Law Academy