19.2.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 55/7
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 december 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Verenigd Koninkrijk)— Repertoire Culinaire Ltd/The Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs
(Zaak C-163/09) (1)
(Richtlijn 92/83/EEG - Harmonisatie van structuur van accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken - Artikel 20, eerste streepje, en artikel 27, lid 1, sub e en f - Kookwijn, kookport en kookcognac)
2011/C 55/10
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
First-tier Tribunal (Tax Chamber)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Repertoire Culinaire Ltd
Verwerende partij: The Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — VAT and Duties Tribunal, Londen — Uitlegging van de artikelen 20 en 27, lid 1, sub e en f, van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB L 316, blz. 21) — Accijnsvrijstelling — Kookwijn, kookport en kookcognac die peper en zout bevatten
Dictum
1)
Artikel 20, eerste streepje, van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, moet aldus worden uitgelegd dat ook kookwijn en kookport onder de in deze bepaling gegeven definitie van „ethylalcohol” vallen.
2)
In een situatie zoals die in het hoofdgeding valt de vrijstelling van kookwijn, kookport en kookcognac van de geharmoniseerde accijns onder artikel 27, lid 1, sub f, van richtlijn 92/83.
3)
Wanneer producten zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kookwijn, kookport en kookcognac, die zijn aangemerkt als producten die niet zijn onderworpen aan accijns of als producten die zijn vrijgesteld van accijns op grond van richtlijn 92/83 en tot verbruik zijn uitgeslagen in de lidstaat waar zij zijn geproduceerd, zijn bestemd om in een andere lidstaat in de handel te worden gebracht, moet laatstgenoemde lidstaat deze producten op zijn grondgebied op dezelfde wijze behandelen, tenzij hij over concrete, objectieve en controleerbare aanwijzingen beschikt dat de eerste lidstaat de bepalingen van deze richtlijn onjuist heeft toegepast of dat het overeenkomstig artikel 27, lid 1, van deze richtlijn gerechtvaardigd is om maatregelen te nemen ter voorkoming van eventuele fraude, ontduiking of misbruik die zich op het gebied van de vrijstellingen kan voordoen en ter waarborging van de juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen.
4)
Artikel 27, lid 1, sub f, van richtlijn 92/83 moet aldus worden uitgelegd dat de toekenning van de in deze bepaling neergelegde vrijstelling slechts afhankelijk mag worden gesteld van voorwaarden zoals die in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, namelijk een beperking van de personen die een verzoek tot teruggaaf mogen indienen, een termijn van vier maanden om een dergelijk verzoek in te dienen en de bepaling van een minimumbedrag voor de teruggaaf, indien uit concrete, objectieve en controleerbare aanwijzingen blijkt dat deze voorwaarden noodzakelijk zijn voor een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling en om fraude, ontduiking of misbruik te bestrijden. Het staat aan de verwijzende rechter om vast te stellen of dit voor de in die regeling neergelegde voorwaarden het geval is.
(1) PB C 180 van 1.8.2009.
Full & Egal Universal Law Academy