31.3.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/2
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 februari 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Flachglas Torgau GmbH/Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-204/09) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Verdrag van Aarhus - Richtlijn 2003/4/EG - Toegang tot milieu-informatie - Organen of instellingen die in wetgevende hoedanigheid optreden - Vertrouwelijk karakter van handelingen van overheidsinstanties - Vereiste dat vertrouwelijkheid bij wet is voorzien)
2012/C 98/03
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Flachglas Torgau GmbH
Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesverwaltungsgericht — Uitlegging van artikel 2, punt 2, tweede volzin, en van artikel 4, lid 2, eerste volzin, sub a, van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41, blz. 26) — Nationale regeling waarbij hoogste federale autoriteiten worden vrijgesteld van informatieplicht voor zover zij wetgevend optreden en waarbij in het algemeen wordt bepaald dat verzoek om informatie moet worden geweigerd voor zover openbaarmaking van informatie afbreuk doet aan vertrouwelijke karakter van handelingen — Grenzen aan bevoegdheid van lidstaten om in wetgevende hoedanigheid optredende organen uit te sluiten van begrip „overheidsinstantie” in zin van richtlijn 2003/4/EG — Voorwaarden voor toepassing van afwijking in verband met vertrouwelijke karakter van handelingen
Dictum
1)
Artikel 2, punt 2, tweede alinea, eerste volzin, van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat van de mogelijkheid die deze bepaling de lidstaten biedt om „instellingen of organen die optreden in een […] wetgevende hoedanigheid” niet als overheidsinstanties aan te merken, ook gebruik kan worden gemaakt voor ministeries voor zover deze een rol spelen in de wetgevingsprocedure, onder meer door wetsontwerpen of adviezen over te leggen, en dat voor gebruikmaking van deze mogelijkheid niet is vereist dat de voorwaarden van artikel 2, punt 2, tweede alinea, tweede volzin, van deze richtlijn vervuld zijn.
2)
Artikel 2, punt 2, tweede alinea, eerste volzin, van richtlijn 2003/4 moet aldus worden uitgelegd dat van de mogelijkheid die deze bepaling de lidstaten biedt om instellingen of organen die in een wetgevende hoedanigheid optreden, niet als overheidsinstanties aan te merken, geen gebruik meer kan worden gemaakt wanneer de betrokken wetgevingsprocedure is beëindigd.
3)
Artikel 4, lid 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 2003/4 moet aldus worden uitgelegd dat de daarin neergelegde voorwaarde dat de vertrouwelijkheid van handelingen van overheidsinstanties bij wet is voorzien, als vervuld kan worden beschouwd indien het nationale recht van de betrokken lidstaat een bepaling bevat die in het algemeen preciseert dat het vertrouwelijke karakter van handelingen van overheidsinstanties een reden vormt om toegang te weigeren tot milieu-informatie waarover deze instanties beschikken, voor zover het nationale recht het begrip „handeling” duidelijk definieert, hetgeen de nationale rechter dient te verifiëren.
(1) PB C 193 van 15.08.2009.
Full & Egal Universal Law Academy