18.12.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 346/16
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 21 oktober 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof — België) — Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen I. B.
(Zaak C-306/09) (1)
(Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Europees aanhoudingsbevel en procedures van overlevering tussen lidstaten - Artikel 4 - Gronden tot facultatieve weigering van tenuitvoerlegging - Artikel 4, punt 6 - Aanhoudingsbevel ter fine van tenuitvoerlegging van straf - Artikel 5 - Door uitvaardigende lidstaat te verstrekken garanties - Artikel 5, punt 1 - Veroordeling bij verstek - Artikel 5, punt 3 - Aanhoudingsbevel ter fine van strafvervolging - Overlevering afhankelijk van voorwaarde dat gezochte persoon naar uitvoerende lidstaat wordt teruggezonden - Cumulatieve toepassing van punten 1 en 3 van artikel 5 - Verenigbaarheid)
2010/C 346/27
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Grondwettelijk Hof
Partij in het hoofdgeding
I. B.
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Grondwettelijk Hof (België) — Uitlegging van de artikelen 4, punt 6, en 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1), alsmede van artikel 6, lid 2, EU — Gronden tot mogelijke niet-tenuitvoerlegging van Europees aanhoudingsbevel en door uitvaardigende lidstaat te verstrekken garanties — Mogelijkheid, voor uitvoerende lidstaat, om overlevering van de persoon die op zijn grondgebied verblijft, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat deze persoon, na in de uitvaardigende lidstaat te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat — Bijzonder geval van persoon die in de uitvaardigende lidstaat reeds is veroordeeld, doch bij een bij verstek gewezen beslissing waartegen hij nog over een rechtsmiddel beschikt — Mogelijke invloed op de door de rechterlijke autoriteiten van de uitvoerende lidstaat te nemen beslissing van een gevaar voor afbreuk aan de fundamentele rechten van de betrokkene, en inzonderheid aan het recht op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven
Dictum
De artikelen 4, punt 6, en 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer de betrokken uitvoerende lidstaat artikel 5, punten 1 en 3, van dit kaderbesluit heeft omgezet in nationaal recht, de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek opgelegde straf in de zin van artikel 5, punt 1, afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene, die de nationaliteit van de uitvoerende lidstaat heeft of aldaar verblijft, naar deze lidstaat wordt teruggezonden om in voorkomend geval aldaar de straf te ondergaan die na een nieuwe berechting in zijn aanwezigheid tegen hem zou worden uitgesproken in de uitvaardigende lidstaat.
(1) PB C 233 van 26.9.2009, blz. 11.
Full & Egal Universal Law Academy