29.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 319/2
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 september 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Ministre du budget, des comptes publics et de la fonction publique/Accor SA
(Zaak C-310/09) (1)
(Vrij verkeer van kapitaal - Fiscale behandeling van dividend - Nationale regeling die belastingkrediet toekent voor dividend dat door ingezeten dochterondernemingen van moedermaatschappij is uitgekeerd - Weigering van belastingkrediet voor door niet-ingezeten dochterondernemingen uitgekeerd dividend - Dooruitdeling van dividend door moedermaatschappij aan haar aandeelhouders - Verrekening van belastingkrediet met door moedermaatschappij bij dooruitdeling verschuldigde voorheffing - Weigering van teruggaaf van door moedermaatschappij betaalde voorheffing - Ongerechtvaardigde verrijking - Met betrekking tot belasting van niet-ingezeten dochterondernemingen verlangd bewijs)
2011/C 319/03
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d'État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ministre du budget, des comptes publics et de la fonction publique
Verwerende partij: Société Accor
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Conseil d’État (Frankrijk) — Uitlegging van de artikelen 43 en 56 EG-Verdrag — Nationale regeling volgens welke dividenden die afkomstig zijn van in de lidstaat van vestiging van de moedervennootschap gevestigde dochterondernemingen en dividenden die afkomstig zijn van in andere lidstaten gevestigde dochterondernemingen verschillend worden belast — Mogelijkheid om het belastingkrediet dat bij een dividenduitkering wordt toegekend te verrekenen met de voorheffing die de moedervennootschap verschuldigd is bij uitkering aan haar eigen aandeelhouders van dividenden die afkomstig zijn van een in Frankrijk gevestigde dochteronderneming, maar niet bij uitkering van dividenden die afkomstig zijn van een dochteronderneming die is gevestigd in een andere lidstaat van de Gemeenschap — Weigering tot restitutie van de door de moedervennootschap betaalde voorheffing op grond van ongerechtvaardigde verrijking of wegens ontbreken van schade voor deze vennootschap — Voorwaarde voor restitutie van door de moedervennootschap betaalde bedragen dat bewijzen worden overgelegd met betrekking tot de belasting die haar dochterondernemingen hebben betaald in een andere lidstaat dan die waarin de moedervennootschap haar maatschappelijke zetel heeft — Naleving van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid
Dictum
1)
De artikelen 49 VWEU en 63 VWEU staan in de weg aan wettelijke bepalingen van een lidstaat ter voorkoming van de economische dubbele belasting van dividend zoals aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan een moedermaatschappij de voorheffing die zij moet betalen wanneer zij van haar dochterondernemingen ontvangen dividend dooruitdeelt aan haar eigen aandeelhouders, mag verrekenen met het belastingkrediet dat aan de uitkering van dat dividend is verbonden indien het dividend van een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming betreft, maar die deze mogelijkheid niet bieden wanneer dat dividend afkomstig is van een dochteronderneming die is gevestigd in een andere lidstaat, daar volgens die wettelijke bepalingen in dat laatste geval geen belastingkrediet wordt toegekend ter zake van de uitkering van dat dividend door die dochteronderneming
2)
Wanneer een nationale belastingregeling zoals die in het hoofdgeding aan de orde is op zich niet leidt tot afwenteling op een derde van door de betalingsplichtige onverschuldigd afgedragen belasting, verzet het recht van de Unie zich ertegen dat een lidstaat teruggaaf van de door de moedermaatschappij betaalde bedragen weigert, hetzij op grond dat die teruggaaf zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking van die vennootschap, hetzij op grond dat het door de moedermaatschappij betaalde bedrag voor haar geen boekhoudkundige of fiscale last vormt, maar in mindering komt op het totale bedrag dat aan haar aandeelhouders kan worden dooruitgedeeld.
3)
Het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel staan er niet aan in de weg dat aan teruggaaf aan een moedermaatschappij van bedragen waardoor moet worden gewaarborgd dat op door die vennootschap dooruitgedeeld dividend dat wordt uitgekeerd door in Frankrijk gevestigde dochterondernemingen van die moedermaatschappij en dividend dat afkomstig is van dochterondernemingen die in andere lidstaten zijn gevestigd, dezelfde belastingregeling wordt toegepast, de voorwaarde is gekoppeld dat de belastingplichtige voor elke dividendbetaling de gegevens overlegt die hij als enige in bezit heeft, met name inzake het daadwerkelijk toegepaste belastingtarief en het belastingbedrag dat daadwerkelijk is betaald over de winst die zijn in andere lidstaten gevestigde dochterondernemingen hebben behaald, terwijl voor in Frankrijk gevestigde dochterondernemingen dat bewijs, dat de overheid bekend is, niet vereist is. De overlegging van die gegevens mag echter slechts worden verlangd onder het voorbehoud dat het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk is, het bewijs te leveren van de door in andere lidstaten gevestigde dochterondernemingen betaalde belasting, gelet op onder meer de wettelijke bepalingen van die lidstaten op het gebied van de vermijding van dubbele belasting en de registratie van af te dragen vennootschapsbelasting alsmede de bewaring van administratieve bescheiden. De verwijzende rechterlijke instantie dient na te gaan of aan die voorwaarden in het hoofdgeding is voldaan.
(1) PB C 233 van 26.9.2009.
Full & Egal Universal Law Academy