29.10.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 319/3
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 15 september 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bezirksgericht Linz — Oostenrijk) — Strafzaak tegen Jochen Dickinger, Franz Ömer
(Zaak C-347/09) (1)
(Vrij verrichten van diensten - Vrijheid van vestiging - Nationale regeling die voorziet in monopolie voor exploitatie van casinospelen via internet - Voorwaarden voor toelaatbaarheid - Expansionistisch handelsbeleid - In andere lidstaten uitgeoefende controle op kansspelaanbieders - Verlenen van monopolie aan privaatrechtelijke onderneming - Verkrijgen van monopolie enkel mogelijk voor kapitaalvennootschappen met maatschappelijke zetel op nationaal grondgebied - Verbod voor monopolist om buiten lidstaat van vestiging filiaal te openen)
2011/C 319/04
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bezirksgericht Linz
Partijen in de strafzaak
Jochen Dickinger, Franz Ömer
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bezirksgericht Linz — Uitlegging van de artikelen 43 EG en 49 EG — Nationale regeling die, onder dreiging met strafsancties, de exploitatie van kansspelen verbiedt wanneer de bevoegde autoriteit geen concessie heeft verleend, maar de mogelijkheid tot verkrijging van een dergelijke concessie, met een duur van maximaal 15 jaar, voorbehoudt aan kapitaalvennootschappen die zijn gevestigd op het nationale grondgebied en die geen dochtervennootschappen in het buitenland hebben
Dictum
1)
Het Unierecht, en in het bijzonder artikel 49 EG, verzet zich ertegen dat een inbreuk op een monopolie voor de exploitatie van kansspelen, zoals het monopolie voor de exploitatie van onlinekansspelen waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorziet, strafrechtelijk wordt bestraft indien een dergelijke regeling met dit recht in strijd is.
2)
Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op onlinekansspelen die in de lidstaat van ontvangst door een in een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer worden aangeboden, hoewel deze marktdeelnemer:
—
in de lidstaat van ontvangst bepaalde informatica-infrastructuur, zoals een server, heeft geïnstalleerd, en
—
een beroep doet op ondersteunende informaticadiensten van een in de lidstaat van ontvangst gevestigde dienstverrichter, teneinde voor eveneens in deze lidstaat gevestigde consumenten diensten te verrichten.
3)
Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat:
a)
een lidstaat die in de kansspelsector een bijzonder hoog niveau van consumentenbescherming wil garanderen, op goede gronden van mening kan zijn dat alleen de verlening van een monopolie aan een enkele organisatie die onder nauw overheidstoezicht staat, een doeltreffend middel is om de aan deze sector verbonden criminaliteit te beheersen, aansporing tot geldverkwisting door gokken te voorkomen en gokverslaving afdoende te bestrijden;
b)
een nationale regeling die op het gebied van kansspelen een monopolie instelt, op grond waarvan de monopolist een expansionistisch beleid kan voeren, slechts coherent is met de doelstelling de criminaliteit te bestrijden en de gelegenheden tot gokken te beperken indien:
—
zij is gesteund op de vaststelling dat de aan kansspelen verbonden criminele en frauduleuze activiteiten en de gokverslaving in de betrokken lidstaat een probleem vormen, dat door een uitbreiding van de legale en gereglementeerde activiteiten kan worden opgelost, en
—
zij enkel gematigde reclame toestaat, die strikt beperkt is tot hetgeen nodig is om de consument in de richting van gecontroleerde kansspelcircuits te leiden;
c)
het feit dat de ene lidstaat voor een ander beschermingsstelsel heeft gekozen dan een andere lidstaat, geen invloed kan hebben op de beoordeling van de noodzaak en de evenredigheid van de ter zake getroffen regelingen. Deze dienen immers enkel te worden getoetst aan de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat nagestreefde doelstellingen en aan het niveau van bescherming dat zij willen waarborgen.
(1) PB C 282 van 21.11.2009.
Full & Egal Universal Law Academy