6.8.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 232/6
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 22 juni 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud — Tsjechische Republiek) — Marie Landtová/Česká správa socialního zabezpečení
(Zaak C-399/09) (1)
(Vrij verkeer van werknemers - Sociale zekerheid - Tussen twee lidstaten vóór hun toetreding tot Europese Unie gesloten overeenkomst betreffende sociale zekerheid - Voor inaanmerkingneming van vervulde verzekeringstijdvakken bevoegde lidstaat - Ouderdomspensioen - Uitsluitend aan in lidstaat woonachtige onderdanen van deze lidstaat toegekende aanvulling op uitkering)
2011/C 232/09
Procestaal: Tsjechisch
Verwijzende rechter
Nejvyšší správní soud
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Marie Landtová
Verwerende partij: Česká správa socialního zabezpečení
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Nejvyšší správní soud — Uitlegging van artikel 12 EG, de artikelen 3, lid 1, 7, lid 2, sub c, 10 en 46, alsmede van punt 6 van deel A van bijlage III bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2) — Ouderdomspensioen — Bepaling van de lidstaat die bevoegd is om de vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking te nemen — Gevolgen van de gemeenschapsregeling voor een door twee lidstaten vóór hun toetreding tot de Europese Unie gesloten overeenkomst betreffende sociale zekerheid
Dictum
1)
Het bepaalde in deel A, punt 6, van bijlage III bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 629/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, sub c, daarvan, verzet zich niet tegen een nationale regel als die in het hoofdgeding, die voorziet in de betaling van een aanvulling op de ouderdomsuitkering wanneer het uitkeringsbedrag dat wordt toegekend op grond van artikel 20 van de op 29 oktober 1992 tussen de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek gesloten bilaterale overeenkomst houdende maatregelen tot regeling van de situatie na de splitsing van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek op 31 december 1992, lager is dan het bedrag dat zou zijn verkregen indien het ouderdomspensioen volgens het recht van de Tsjechische Republiek was berekend.
2)
Artikel 3, lid 1, juncto artikel 10 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 629/2006, verzet zich tegen een nationale regel als die in het hoofdgeding, op grond waarvan een aanvulling op de ouderdomsuitkering uitsluitend aan op het grondgebied van de Tsjechische Republiek woonachtige Tsjechische onderdanen mag worden betaald, zonder dat dit uit het oogpunt van het recht van de Unie noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat deze aanvulling een persoon die aan deze twee voorwaarden voldoet, moet worden ontnomen.
(1) PB C 24 van 30.1.2010.
Full & Egal Universal Law Academy