3.12.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 355/3
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 oktober 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Paris — Frankrijk) — Pierre Fabre Dermo-Cosmétique SAS/Président de l’Autorité de la concurrence, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi,
(Zaak C-439/09) (1)
(Artikel 101, leden 1 en 3, VWEU - Verordening (EG) nr. 2790/1999 - Artikelen 2 tot en met 4 - Mededinging - Mededingingsbeperkende gedraging - Selectief distributienetwerk - Cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten - Algemeen en absoluut verbod van verkoop via internet - Door leverancier aan zijn erkende distributeurs opgelegd verbod)
2011/C 355/04
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour d’appel de Paris
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pierre Fabre Dermo-Cosmétique SAS
Verwerende partijen: Président de l’Autorité de la concurrence, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi,
In tegenwoordigheid van: Ministère public, Europese Commissie
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour d’appel de Paris — Mededinging — Algemeen en absoluut verbod van internetverkoop van cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten, dat door de leverancier in het kader van een selectief distributienetwerk aan zijn erkende distributeurs wordt opgelegd — Verplichting om dergelijke producten te verkopen in een fysieke ruimte waarin een persoon met een apothekersdiploma aanwezig is — Naar zijn strekking een hardekernbeperking van de mededinging in de zin van artikel 81, lid 1, EG, die niet in aanmerking komt voor een groepsvrijstelling uit hoofde van verordening nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21) — Mogelijkheid om voor een individuele vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG in aanmerking te komen
Dictum
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een contractbepaling die in het kader van een selectief distributiestelsel vereist dat de verkoop van cosmetica en lichaamsverzorgingsproducten plaatsvindt in een fysieke ruimte waarin een gediplomeerde apotheker aanwezig moet zijn, met als gevolg dat het gebruik van het internet voor die verkopen verboden is, de strekking heeft de mededinging te beperken in de zin van die bepaling, indien, na een individueel en concreet onderzoek van de bewoordingen en het oogmerk van deze contractbepaling en de juridische en economische context waarbinnen zij moet worden geplaatst, naar voren komt dat deze contractbepaling, gelet op de eigenschappen van de betrokken producten, niet objectief gerechtvaardigd is.
Artikel 4, sub c, van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, moet aldus worden uitgelegd dat de groepsvrijstelling in artikel 2 van die verordening niet van toepassing is op een selectieve distributieovereenkomst die een bepaling bevat die de facto het gebruik van internet als verkoopmethode voor de contractgoederen verbiedt. Een dergelijke overeenkomst kan daarentegen voor toepassing van de wettelijke uitzondering in artikel 101, lid 3, VWEU in aanmerking komen, mits aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan.
(1) PB C 24 van 30.1.2010
Full & Egal Universal Law Academy