7.5.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 139/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 maart 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Charles Defossez/Christian Wiart, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Sotimon SARL, Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening — Fonds sluiting ondernemingen, Centre de gestion et d’études de l’Association pour la gestion du régime de garantie des créances des salariés de Lille (CGEA)
(Zaak C-477/09) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Richtlijnen 80/987/EEG en 2002/74/EG - Insolventie van werkgever - Bescherming van werknemers - Honorering van onvervulde aanspraken van werknemers - Vaststelling van bevoegd waarborgfonds - Gunstiger waarborg krachtens nationaal recht - Mogelijkheid om daar beroep op te doen)
2011/C 139/09
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Charles Defossez
Verwerende partijen: Christian Wiart, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Sotimon SARL, Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening — Fonds sluiting ondernemingen, Centre de gestion et d’études de l’Association pour la gestion du régime de garantie des créances des salariés de Lille (CGEA)
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — Cour de cassation (Frankrijk) — Uitlegging van artikel 8 bis van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG (PB L 270, blz. 10), juncto artikel 9 van deze richtlijn — Bepaling van het waarborgfonds dat bevoegd is om onvervulde aanspraken van werknemers te honoreren — Waarborgfonds van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemers gewoonlijk hun arbeid verrichten — Mogelijkheid voor werknemers om een beroep te doen op de gunstiger waarborg van het fonds waarbij hun werknemer overeenkomstig het nationale recht is verzekerd en premies afdraagt
Dictum
Artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, in de versie van deze richtlijn die van vóór de wijziging bij richtlijn 2002/74/EG dateert, moet aldus worden uitgelegd dat voor de honorering van de onvervulde aanspraken van een werknemer die zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht in een andere lidstaat dan die waar zijn werkgever, die vóór 8 oktober 2005 insolvent is verklaard, zijn zetel heeft, de in dit artikel bepaalde verplichtingen, wanneer die werkgever niet in die andere lidstaat gevestigd is en zijn verplichting om in de financiering van het waarborgfonds bij te dragen vervult in de lidstaat waar hij zijn zetel heeft, rusten op dat fonds.
Richtlijn 80/987 verzet zich er niet tegen dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat een werknemer overeenkomstig het recht van die lidstaat een beroep kan doen op de loonwaarborg van het nationale fonds, als aanvulling op of ter vervanging van de waarborg die wordt geboden door het fonds dat ingevolge deze richtlijn bevoegd is, op voorwaarde echter dat die waarborg de werknemer een betere bescherming biedt.
(1) PB C 37 van 13.02.2010.
Full & Egal Universal Law Academy