28.8.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 234/15
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 29 juni 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Strafzaak tegen E, F
(Zaak C-550/09) (1)
(Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met oog op strijd tegen terrorisme - Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB - Verordening (EG) nr. 2580/2001 - Artikelen 2 en 3 - Plaatsing van organisatie op lijst van bij terroristische daden betrokken personen, groepen en entiteiten - Overmaking aan organisatie door haar leden van opbrengsten van geldinzamelingsacties en verkoop van publicaties)
2010/C 234/22
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in de strafzaak
E, F
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Düsseldorf — Uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB L 344, blz. 70) — Inroeping, voor de nationale rechter, van de ongeldigheid van een besluit van de Raad waarbij een organisatie op de lijst van artikel 2, lid 3, van voormelde verordening is geplaatst, welk besluit niet door de betrokken organisatie is bestreden — Werkingssfeer van de bepalingen van de verordening die de terbeschikkingstelling van financiële middelen aan een op deze lijst geplaatste organisatie verbieden — Overdracht van financiële middelen binnen de organisatie door personen die daarvan deel uitmaken
Dictum
1)
De plaatsing van de Devrimci Halk Kurtulus Partisi-Cephesi (DHKP-C) op de lijst bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, is ongeldig en kan, bijgevolg, niet bijdragen aan de grondslag voor een strafrechtelijke veroordeling wegens een beweerdelijke schending van die verordening met betrekking tot de periode vóór 29 juni 2007.
2)
Artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 2580/2001 moet aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de overmaking aan een op de lijst bedoeld in artikel 2, lid 3, van die verordening geplaatste rechtspersoon, groep of entiteit, door een lid van die rechtspersoon, groep of entiteit, van tegoeden en andere financiële of economische middelen die zijn ingezameld bij of verkregen van externe personen.
(1) PB C 148 van 05.06.2010.
Full & Egal Universal Law Academy