CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 18 maart 2010 (1)
Zaak C‑54/09 P
Helleense Republiek
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Steun aan herstructurering en omschakeling van wijngaarden – Verordening (EG) nr. 1227/2000 – Termijn voor toezending van staten door lidstaten aan Commissie – Vaststelling van definitieve financiële toewijzingen voor bepaald aantal hectaren door Commissie – Beschikking 2006/669/EG”
I – Inleiding
1. Deze hogere voorziening biedt mij de gelegenheid om in te gaan op een probleem inzake de termijnen die gelden in de context van de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden.
2. Aan de procedure ligt een geschil tussen de Helleense Republiek (hierna: „rekwirante”) en de Europese Commissie (hierna: „Commissie”) over de betekenis van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 ten grondslag. Daarbij rijst in wezen de vraag, of de Commissie verplicht was om in haar beschikking over de financiële toewijzingen voor het begrotingsjaar 2006 rekening te houden met gegevens die de Helleense Republiek pas na het verstrijken van de in dat voorschrift gestelde termijn heeft meegedeeld.
3. Bij arrest van 11 december 2008 (hierna: „bestreden arrest”)(2) heeft het Gerecht van eerste aanleg (thans: „Gerecht”) het beroep ongegrond verklaard dat de Helleense Republiek had ingesteld tot nietigverklaring of wijziging van beschikking 2006/669/EG(3) tot vaststelling van definitieve financiële toewijzingen voor een bepaald aantal hectaren aan de lidstaten, op grond dat de Commissie in die beschikking geen rekening had gehouden met de na het verstrijken van de termijn door de Helleense Republiek meegedeelde gegevens.
4. Met de op 6 februari 2009 door haar bij het Hof van Justitie ingestelde hogere voorziening vordert de Helleense Republiek de vernietiging van het bestreden arrest en maakt zij opnieuw haar oorspronkelijke vorderingen geldend.
II – Toepasselijke bepalingen
5. Het Gerecht heeft de juridische context in de punten 1 tot en met 5 van het bestreden arrest weergegeven als volgt:
„1 De regeling inzake de herstructurering en omschakeling van wijngaarden is te vinden in verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 179, blz. 1), en verordening (EG) nr. 1227/2000 van de Commissie van 31 mei 2000 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 1493/1999 met betrekking tot het productiepotentieel (PB L 143, blz. 1), zoals gewijzigd.
2 Artikel 14 van verordening nr. 1493/1999 bepaalt:
‚1. De Commissie kent de lidstaten jaarlijks een eerste toewijzing to[e] aan de hand van objectieve criteria waarbij met specifieke situaties en behoeften en met de in het licht van het doel van de regeling te leveren inspanningen rekening wordt gehouden.
2. De eerste toewijzing wordt aangepast aan de werkelijke uitgaven en aan de hand van door de lidstaten ingediende herziene uitgavenramingen, waarbij met het doel van de regeling en met de beschikbare middelen rekening wordt gehouden.
[...]’
3 Artikel 16 van verordening nr. 1227/2000 is onder meer gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1841/2003 van de Commissie van 17 oktober 2003 houdende wijziging van verordening nr. 1227/2000 (PB L 268, blz. 58). Zo luidt het in de versie die voor het begrotingsjaar 2006 gold:
‚1. Uiterlijk op 10 juli van elk jaar zenden de lidstaten de Commissie met betrekking tot de herstructurerings‑ en omschakelingsregeling:
a) een staat van de werkelijke uitgaven op 30 juni van het lopende begrotingsjaar, alsmede de totale betrokken oppervlakte;
b) een staat van de betaalde uitgaven op 30 juni van het lopende begrotingsjaar, alsmede de totale betrokken oppervlakte;
[...]
2. Onverminderd de algemene voorschriften inzake begrotingsdiscipline, past de Commissie een tijdelijke en forfaitaire verlaging toe op de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven, wanneer de gegevens die de lidstaten de Commissie op grond van lid 1 moeten meedelen, onvolledig zijn of niet tijdig werden verstrekt.’
4 Artikel 17 van verordening nr. 1227/2000 is onder meer gewijzigd bij verordening (EG) nr. 315/2003 van de Commissie van 19 februari 2003 (PB L 46, blz. 9), en bij verordening (EG) nr. 1203/2003 van de Commissie van 4 juli 2003 (PB L 168, blz. 9). Zo luidt het in de versie die voor het begrotingsjaar 2006 gold:
‚1. Voor elke lidstaat worden de voor een begrotingsjaar gedeclareerde werkelijke uitgaven slechts gefinancierd tot de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a en b, meegedeelde bedragen, voor zover deze in totaal de financiële toewijzing aan de lidstaat zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999, niet overschrijden.
[...]
3. Aanvragen van de lidstaten overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] c, worden in aanmerking genomen naar rato van het bedrag dat beschikbaar blijft nadat alle overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a, gemelde bedragen en de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] b, gedeclareerde bedragen voor alle lidstaten zijn afgetrokken van het totaal van de financiële toewijzingen aan de lidstaten zoals bedoeld in artikel 14 van verordening [...] nr. 1493/1999. De Commissie deelt de lidstaten zo spoedig mogelijk na 30 juni mee in hoeverre hun aanvragen ingewilligd kunnen worden.
4. Ongeacht het bepaalde in de leden 1 en 2, geldt het volgende: wanneer de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a, gemelde totale oppervlakte kleiner is dan het aantal hectares dat aangeven is in de in artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999 bedoelde financiële toewijzing aan de lidstaat voor het betrokken begrotingsjaar, dan worden de voor dat begrotingsjaar gedeclareerde uitgaven slechts gefinancierd tot een maximum dat berekend wordt door de aangegeven totale oppervlakte te vermenigvuldigen met de gemiddelde steun per hectare die resulteert uit de verhouding tussen het aan de lidstaat op grond van artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999 toegekende bedrag en het geplande aantal hectares.
Dit bedrag mag in geen geval hoger zijn dan de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a, gedeclareerde uitgaven.
Voor de toepassing van dit lid geldt voor de gemelde totale oppervlakte een tolerantie van 5 % ten opzichte van die welke is vermeld in de financiële toewijzing voor het betrokken begrotingsjaar.
De bedragen die krachtens het bepaalde in dit lid niet worden gefinancierd, zijn niet beschikbaar voor de toepassing van het bepaalde in lid 3.
[...]
8. Verwijzingen naar een begrotingsjaar gelden als verwijzingen naar betalingen die de lidstaten van 16 oktober tot en met 15 oktober van het daaropvolgende jaar daadwerkelijk hebben verricht.
[...]’
5 Artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103), bepaalt:
‚De Commissie neemt een besluit over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan.
De uitgaven in oktober worden gerekend tot de maand oktober indien zij zijn gedaan in de periode van 1 tot en met 15 oktober, en tot de maand november indien zij zijn gedaan in de periode van 16 tot en met 31 oktober. De voorschotten worden aan de lidstaat uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan.’
[...]”
III – Feiten en litigieuze beschikking
6. In de punten 6 tot en met 14 van zijn arrest heeft het Gerecht de feiten van de zaak en de litigieuze beschikking als volgt weergegeven:
„6 Voor het begrotingsjaar 2006 (16 oktober 2005 – 15 oktober 2006) is de indicatieve verdeling van de middelen die krachtens verordening nr. 1493/1999 worden toegewezen voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden vastgelegd in beschikking 2005/716/EG van de Commissie van 10 oktober 2005 tot vaststelling, voor het wijnoogstjaar 2005/2006, van de indicatieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening nr. 1493/1999 (PB L 271, blz. 45). In de bijlage bij die beschikking is de indicatieve financiële toewijzing aan de Helleense Republiek vastgesteld op 8 574 504 EUR voor een oppervlakte van 1 249 ha.
7 Op 10 juli 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 1493/1999 en artikel 16 van verordening nr. 1227/2000 een staat van de uitgaven in verband met de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland in het begrotingsjaar 2006 gezonden, teneinde financiële toewijzingen te verkrijgen. Volgens deze mededeling bedroegen die uitgaven in totaal 6 829 204,46 EUR voor een oppervlakte van 788,002 ha.
8 Op 22 september 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie een brief gezonden om deze ervan op de hoogte te brengen dat er een tikfout was gemaakt en dat de in aanmerking te nemen oppervlakte 1 102,271 ha bedroeg. Zij hebben gepreciseerd dat deze oppervlakte overeenstemde met de totale oppervlakte die was opgegeven in de bij de brief van 10 juli 2006 gevoegde tabel die de op 30 juni 2006 werkelijk gedane uitgaven voor de herstructurering en de omschakeling van wijngaarden in Griekenland weergaf, namelijk 1 085,391 ha, en met de totale oppervlakte die was opgegeven in de bij de brief van 10 juli 2006 gevoegde tabel die de op 30 juni 2006 betaalde uitgaven voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland weergaf, namelijk 16,88 ha. Zij hebben ook in herinnering gebracht dat de totale uitgaven 6 829 204,46 EUR bedroegen.
9 Op 26 september 2006 hebben de Griekse autoriteiten tijdens de 890e bijeenkomst van het Comité van beheer voor wijn de Commissie opnieuw verzocht om de rechtgezette gegevens in aanmerking te nemen. De Commissie heeft het verzoek van de Griekse autoriteiten mondeling afgewezen met het betoog dat de gecorrigeerde gegevens te laat waren ingediend.
10 Op 4 oktober 2006 heeft de Commissie beschikking 2006/669/EG tot vaststelling, voor het begrotingsjaar 2006, van de definitieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening nr. 1493/1999 (PB L 275, blz. 62) (hierna: ‚bestreden beschikking’) vastgesteld. Op dezelfde dag heeft een vertegenwoordiger van de Commissie vertegenwoordigers van de Griekse autoriteiten ontmoet aan wie hij heeft uiteengezet dat het, gelet op de termijnen, onmogelijk was om gevolg te geven aan hun verzoek om de op 22 september 2006 meegedeelde rechtgezette gegevens in aanmerking te nemen.
11 Op 16 oktober 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie een brief gezonden met het verzoek om de bijlage bij de bestreden beschikking te wijzigen. De Commissie heeft dit verzoek niet ingewilligd.
12 In de bestreden beschikking heeft de Commissie voor de Helleense Republiek rekening gehouden met de door de Griekse autoriteiten op 10 juli 2006 meegedeelde gegevens.
13 In punt 6 van de considerans van de bestreden beschikking is vermeld dat de Commissie de Helleense Republiek krachtens artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000 een boete van 1 129 015 EUR heeft opgelegd.
14 In de bijlage bij de bestreden beschikking is de definitieve financiële toewijzing aan de Helleense Republiek voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland vastgesteld op 5 700 190 EUR voor een oppervlakte van 788 ha.”
IV – Procesverloop in eerste aanleg en vorderingen in hogere voorziening
7. Bij verzoekschrift, op 30 november 2006 ingekomen ter griffie van het Gerecht, heeft de Helleense Republiek bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de litigieuze beschikking 2006/669/EG. Zij voerde ter ondersteuning van haar beroep vijf middelen aan. Volgens het eerste middel was de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bepaalde termijn slechts indicatief en moest er derhalve ook rekening worden gehouden met gegevens die na afloop van die termijn waren verstrekt. Het tweede middel betrof schending van het beginsel van loyale samenwerking, het derde middel schending van de beginselen van goede trouw en behoorlijk bestuur, het vierde middel had betrekking op schending van het evenredigheidsbeginsel en het vijfde middel was ontleend aan schending van het beginsel van nuttige werking.
8. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht op 11 december 2008 de litigieuze beschikking bevestigd. Dienovereenkomstig heeft het het beroep van de Helleense Republiek verworpen en haar verwezen in de kosten.
9. Tegen dat arrest heeft Griekenland de onderhavige hogere voorziening ingesteld, waarbij zij concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;
– het bestreden arrest te vernietigen;
– de vorderingen uit het verzoekschrift toe te wijzen, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en van de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg.
10. De Commissie op haar beurt concludeert dat het het Hof behage,
– de hogere voorziening niet-ontvankelijk en ongegrond te verklaren, en
– de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
11. De hogere voorziening is voor het Hof schriftelijk behandeld. Geen van de partijen heeft verzocht om een mondelinge behandeling.
V – Juridische beoordeling
A – Ontvankelijkheid van de hogere voorziening
12. De Commissie is van mening dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is, aangezien rekwirante slechts de argumenten herhaalt die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd.
13. Daarmee gaat de Commissie evenwel volledig voorbij aan de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende de ontvankelijkheid van hogere voorzieningen.
14. Het is inderdaad vaste rechtspraak dat een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen, niet voldoet aan de motiveringseisen die voortvloeien uit artikel 51 van het Statuut van het Hof van Justitie en uit artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.(4) Een dergelijke hogere voorziening is immers in feite niets anders dan een vordering tot heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, hetgeen overeenkomstig artikel 49 van het Statuut van het Hof van Justitie niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort.(5)
15. Daarvan moet evenwel worden onderscheiden een hogere voorziening die het arrest van het Gerecht en de daarin vervatte juridische beoordeling uitdrukkelijk en kritisch behandelt, en daarbij teruggrijpt op argumenten die reeds tegen de litigieuze beschikking zelf waren aangevoerd.
16. Wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening uiteraard opnieuw worden behandeld.(6) Het is juist de kerntaak van het Hof van Justitie als rechter in hogere voorziening, om die uitleggingsvragen definitief op te helderen.
17. De onderhavige hogere voorziening is precies gericht tegen het standpunt van het Gerecht aangaande een aantal rechtspunten die hem in eerste aanleg waren voorgelegd. De hogere voorziening geeft nauwkeurig aan tegen welke aspecten van het bestreden arrest wordt opgekomen en op welke middelen en argumenten zij is gebaseerd.
18. De hogere voorziening is bijgevolg ontvankelijk.
B – Gegrondheid van de hogere voorziening
19. De Helleense Republiek onderbouwt haar hogere voorziening met drie middelen. Om te beginnen berust de uitspraak van het Gerecht op een onjuiste opvatting van de artikelen 16, leden 1 en 2, en 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000. Voorts heeft het Gerecht in zijn arrest geen acht geslagen op het belang van een aantal algemene rechtsbeginselen. Ten slotte is het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
1. Eerste middel
20. De Helleense Republiek is van mening dat de termijn die overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 op 10 juli van elk jaar verstrijkt, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, slechts indicatief is. Volgens rekwirante had de Commissie bijgevolg in de bestreden beschikking rekening moeten houden met de na het verstrijken van de termijn meegedeelde gegevens. In navolging van de rechtsopvatting van de Commissie is het Gerecht daarentegen van oordeel dat er sprake is van een dwingende termijn. Dit betwist de Helleense Republiek met haar eerste middel.
21. Zowel de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 alsook de systematische plaats ervan en teleologische overwegingen betreffende de strekking en het doel van de vaststelling van de termijn in haar regelgevingskader beschouwd, bevestigen evenwel in feite de opvatting van het Gerecht. Bij de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 is er sprake van een dwingende vervaltermijn.
a) Bewoordingen
22. Ik sluit mij aan bij het standpunt van het Gerecht, dat de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 erop wijzen dat de daarin vastgestelde termijn dwingend is.
23. In bijna alle taalversies van artikel 16, lid 1, heet het dat de lidstaten de Commissie „uiterlijk op” 10 juli van elk jaar de in deze bepaling bedoelde gegevens toezenden. Dit wijst erop dat er bij deze termijn sprake is van een dwingende termijn in de zin van een vervaltermijn, te meer daar de uitdrukkelijke vermelding dat het om een „vervaltermijn” gaat niet noodzakelijk is om aan te nemen dat er sprake is van een vervaltermijn.(7) Indien een handeling uiterlijk op 10 juli van een jaar dient te worden gesteld, dan is zij de dag daarna reeds te laat en daardoor in beginsel niet meer mogelijk.
24. Voor zover in drie taalversies (namelijk de Griekse, de Portugese en de Roemeense versie) is bepaald dat de lidstaten de Commissie de gegevens „tot” 10 juli van elk jaar meedelen, geven die taalversies daardoor aan artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 geen andere betekenis dan de overige taalversies.
b) Systematische uitlegging
25. De Griekse regering voert aan dat uit een systematische benadering van die bepaling blijkt dat de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 zuiver indicatief is. Uit de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 vastgestelde regeling volgt derhalve, dat de Commissie in het kader van de definitieve financiële toewijzing ook rekening dient te houden met mededelingen die zij na het verstrijken van de termijn van artikel 16, lid 1, heeft ontvangen.
26. Volgens artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 „past de Commissie een tijdelijke en forfaitaire verlaging toe op de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven, wanneer de gegevens die de lidstaten de Commissie op grond van lid 1 moeten meedelen, onvolledig zijn of niet tijdig werden verstrekt.”
27. De Helleense Republiek neemt als uitgangspunt van haar argumentatie de bewoordingen van lid 2, dat als sanctie voor een onvolledige of te late mededeling voorziet in een tijdelijke verlaging van de middelen. Daaruit moet volgens haar noodzakelijkerwijs worden afgeleid dat een sanctie nadien weer moet worden opgeheven wanneer de mededeling na het verstrijken van de termijn wordt vervolledigd of voor het eerst wordt gedaan. Ten slotte kan slechts van een voorlopige sanctie worden gesproken wanneer deze later door een – te late – mededeling als bedoeld in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 weer kan komen te vervallen.
28. In een tweede stap redeneert de Helleense Republiek via een a fortiori redenering. Volgens haar heeft de Commissie namelijk tijdens de procedure voor het Gerecht erop gewezen dat artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 volgens de bewoordingen ervan slechts voorziet in een regeling voor het geval dat helemaal geen of slechts onvolledige gegevens werden meegedeeld, maar niet voor het onderhavige geval van een op het eerste gezicht volledige, maar onjuiste mededeling.
29. Volgens de Helleense Republiek is het derhalve ook in het onderhavige geval van een tijdige maar onjuiste mededeling op grond van artikel 16, lid 2, mogelijk om (rechtgezette) aanvullende gegevens mee te delen. Een staat die zijn mededelingsplicht uit hoofde van artikel 16, lid 1, met inachtneming van de daarin vermelde termijn is nagekomen en die daarbij slechts een fout heeft gemaakt, mag immers uiteindelijk niet nadeliger worden behandeld dan een staat die van meet af aan geen acht heeft geslagen op de termijn van artikel 16, lid 1. Beide staten beschikken integendeel op grond van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 over de mogelijkheid om aanvullende gegevens mee te delen, waarmee de Commissie vervolgens rekening dient te houden in het kader van de definitieve financiële toewijzing.
30. Dit centrale betoog van de Helleense Republiek in haar eerste middel kan evenwel uiteindelijk niet worden aanvaard.
31. Op het eerste gezicht komt het betoog van de Helleense Republiek erg overtuigend over. Indien een wettelijke regeling voorziet in een „tijdelijke” sanctie op de niet-inachtneming van een termijn, laat dit vermoeden dat impliciet de mogelijkheid bestaat om de verzuimde handeling alsnog te stellen. Wanneer de handeling achteraf niet meer zou kunnen worden gesteld en in aanmerking worden genomen bij de vast te stellen beschikking, dan zou het wel bijzonder moeilijk worden om nog van een louter tijdelijke sanctie te spreken.
32. Bij een nader onderzoek van de bewoordingen van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 blijkt evenwel, dat uit de daarin bedoelde „tijdelijke verlaging” geenszins de conclusie kan worden getrokken, dat de Commissie in het kader van de aan de orde zijnde bestreden beschikking rekening had moeten houden met de later gedane mededeling van de Helleense Republiek.
33. Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 voorziet immers voor het geval van een niet tijdige of onvolledige kennisgeving overeenkomstig lid 1 in de toepassing van een „tijdelijke en forfaitaire verlaging [...] op de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven”.
34. Daarmee verwijst artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 naar de procedure die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is vastgesteld voor de uitbetaling van financiële middelen aan de lidstaten. Volgens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1258/1999 stelt de Commissie namelijk de financiële middelen ter dekking van de uitgaven ter beschikking van de lidstaten via voorschotten op de voorziening voor uitgaven in een referentieperiode.
35. Volgens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1258/1999 neemt de Commissie een besluit over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan, waarbij de voorschotten uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan, worden uitbetaald.
36. Wanneer een lidstaat dus binnen de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 de in die bepaling bedoelde gegevens niet of slechts onvolledig meedeelt, resulteert dit overeenkomstig artikel 16, lid 2, van deze verordening in een tijdelijke verlaging van de voorschotten die hem overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 1258/1999 zijn toegekend op basis van de door de betrokken lidstaat meegedeelde geboekte maandelijkse uitgaven. Dit is een permanent pressiemiddel om de lidstaat aan te sporen tot inachtneming van de mededelingsplicht van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000. Komt de lidstaat zijn kennisgevingsplicht na, dan komt de tijdelijke korting naderhand te vervallen.
37. Uitsluitend deze sanctie, te weten de verlaging van de voorschotten die maandelijks worden betaald op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan, is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 tijdelijk, wat betekent dat zij bij een later gedane mededeling komt te vervallen.
38. In de litigieuze beschikking heeft de Commissie evenwel helemaal geen verlaging toegepast op de aan de Helleense Republiek te betalen voorschotten op afrekening van landbouwuitgaven. Daarin gaat het niet om een verlaging in de zin van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000.
39. De litigieuze beschikking regelt integendeel iets helemaal anders.
40. In de litigieuze beschikking heeft de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 de definitieve financiële toewijzing aan de lidstaten voor een bepaald aantal hectaren vastgesteld voor het begrotingsjaar 2006. Op deze definitieve toewijzing wordt helemaal geen „tijdelijke verlaging” overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 toegepast, zodat uit het tijdelijke karakter van de daarin vastgestelde verlaging geen conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de vraag, of in het kader van de definitieve financiële toewijzing rekening moet worden gehouden met mededelingen die na het verstrijken van de termijn van artikel 16, lid 1, zijn ontvangen. De Helleense Republiek baseert haar betoog dus op een onjuist referentiepunt.
41. Het is duidelijk dat artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 niet voorziet in een tijdelijke verlaging van de definitieve financiële toewijzingen op grond van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999. Die bepaling voorziet integendeel in forfaitaire verlagingen in een heel andere context: bij de aan de Helleense Republiek te betalen voorschotten op afrekening van landbouwuitgaven. Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid, of te late mededelingen nog in aanmerking moeten worden genomen in het kader van de definitieve financiële toewijzing.
42. Wanneer men geen acht meer slaat op deze onjuiste opvatting van de Griekse regering, wordt de uitlegging die in eerste instantie uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1 is afgeleid, volgens welke de daarin gestelde termijn dwingend is, tevens bevestigd door de regelingscontext van de voorschriften van hoofdstuk IV van verordening nr. 1227/2000.
43. In dat verband dient om te beginnen te worden herinnerd aan de regelingscontext van artikel 16 van verordening nr. 1227/2000. Dit is een uitvoeringsbepaling van verordening nr. 1493/1999, en met name van artikel 14 van die verordening. Die bepaling regelt, in het kader van de begrotingsplanning van de Gemeenschap inzake de herstructurering en omschakeling van wijngaarden, de financiële toewijzingen aan de lidstaten.
44. Volgens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 kent de Commissie de lidstaten jaarlijks vóór het begin van een begrotingsjaar een eerste toewijzing toe aan de hand van objectieve criteria waarbij met specifieke situaties en behoeften en met de in het licht van het doel van de regeling te leveren inspanningen rekening wordt gehouden. Voor het aan de orde zijnde begrotingsjaar heeft de Commissie dit bij beschikking 2005/716/EG van 10 oktober 2005 gedaan.
45. Op grond van artikel 14, lid 2 wordt de eerste toewijzing dan in een tweede fase aangepast aan de werkelijke uitgaven en aan de hand van door de lidstaten ingediende herziene uitgavenramingen, waarbij met het doel van de regeling en met de beschikbare middelen rekening wordt gehouden. Voor het aan de orde zijnde begrotingsjaar 2006 werd dit bij de litigieuze beschikking gedaan.
46. De in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gedetailleerd geregelde mededelingsplicht heeft tot doel te helpen bij de voorbereiding van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 vastgestelde definitieve financiële toewijzing.
47. De op grond van artikel 16, lid 1, sub a en b, vereiste mededeling van de werkelijke uitgaven en van de tijdens het lopende begrotingsjaar betaalde uitgaven, en de eventuele aanvragen uit hoofde van artikel 16, lid 1, sub c, om, bovenop de financiële toewijzing zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999, uitgaven van het lopende jaar te vergoeden, vormen de grondslag voor de vaststelling van de definitieve financiële toewijzing door de Commissie.
48. Die toewijzing kan – wat dadelijk nog aan de hand van teleologische overwegingen verder zal worden aangetoond – in geen geval voor afzonderlijke lidstaten op een louter tijdelijke basis gebeuren.
49. Uit artikel 17, lid 3, van verordening nr. 1227/2000 volgt immers, dat een financiële toewijzing aan een lidstaat die het hem voorlopig op grond van artikel 14, lid 1, toegewezen bedrag overschrijdt, slechts mogelijk is wanneer na aftrek van alle werkelijke uitgaven van de lidstaten in het begrotingsjaar van de totale overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 toegewezen bedragen, nog middelen beschikbaar zijn. De definitieve financiële toewijzing hangt dus af van de concrete omvang van de toewijzing aan de andere lidstaten, zodat achteraf geen afzonderlijke wijzigingen meer mogelijk zijn.
50. Anders dan de Helleense Republiek meent, wordt het dwingende karakter van de in artikel 16, lid 1, van die verordening gestelde termijn evenmin op losse schroeven worden gezet door artikel 17, lid 1, ervan.
51. Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 neemt immers uitdrukkelijk de binnen de termijn van artikel 16, lid 1, verstrekte gegevens als grondslag voor de definitieve financiële toewijzing door de Commissie. In de bewoordingen van die bepaling zijn daarentegen geen aanwijzingen te vinden voor de bewering van de Helleense Republiek, dat ingevolge artikel 17, lid 1, moet worden uitgegaan van de werkelijke uitgaven, en dat bijgevolg rekening moet worden gehouden met rechtzettingen na het verstrijken van de termijn.
52. Bij wijze van voorlopige conclusie moet derhalve worden vastgesteld dat een systematische uitlegging van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 de letterlijke uitlegging bevestigt, volgens welke de in deze bepaling gestelde termijn dwingend is.
c) Teleologische uitlegging
53. De bovenstaande overwegingen worden tevens bevestigd door een teleologische uitlegging van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, volgens welke de strekking en het doel van de artikelen 16 en 17 slechts doeltreffend kunnen worden gewaarborgd indien de in eerstgenoemde bepaling gestelde termijn dwingend is.
54. De omzetting van een overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 aanvankelijk indicatieve financiële toewijzing in een definitieve financiële toewijzing als bedoeld in artikel 14, lid 2, van die verordening is slechts zinvol indien de gevolgen van die aanpassing van de middelen nog in het lopende, haast afgesloten begrotingsjaar kunnen intreden.
55. Voor de nuttige werking van dat voorschrift is vereist dat de beslissing tot vaststelling van de definitieve financiële toewijzing aan de lidstaten voor een begrotingsjaar vóór het einde ervan, op 15 oktober, wordt genomen, zodat de lidstaten de laatste bedragen voor de overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gemelde uitgaven vóór het einde van het lopende begrotingsjaar kunnen betalen en de Commissie hun deze vóór het einde van het begrotingsjaar kan terugbetalen uit de daarvoor beschikbare begrotingslijnen. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1258/1999 bepaalt immers dat uitgaven in oktober slechts tot de maand oktober worden gerekend indien zij zijn gedaan in de periode van 1 tot en met 15 oktober, terwijl latere uitgaven tot de maand november worden gerekend.
56. De voorbereiding van de definitieve financiële toewijzing als bedoeld in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 vereist evenwel dat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bedoelde gegevens van alle lidstaten beschikbaar zijn, waarna deze worden verwerkt in een complexe procedure tot definitieve financiële toewijzing.
57. In deze context waarborgt uitsluitend een dwingende en daardoor doeltreffende opvatting van de termijnregeling van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, dat de uit hoofde van artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 toegekende indicatieve financiële toewijzingen aan de hand van de reële gegevens van de Commissie tijdig kunnen worden aangepast. Zou het de lidstaten vrij staan na 10 juli alsnog voor het eerst gegevens mee te delen, of de reeds meegedeelde gegevens aan te vullen of recht te zetten, en dit met werking voor de definitieve financiële toewijzing, dan zou de Commissie de financiële middelen onmogelijk nog tijdig definitief kunnen toewijzen vóór het einde van het begrotingsjaar.
58. Ook een teleologische uitlegging leidt dus tot de conclusie dat de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 als dwingend moet worden aangemerkt, zodat in beginsel geen rekening hoeft te worden gehouden met te laat meegedeelde gegevens bij de definitieve financiële toewijzing als bedoeld in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999.
2. Tweede middel
59. Met het tweede middel voert de Helleense Republiek aan dat het Gerecht is voorbijgegaan aan een aantal communautaire rechtsbeginselen. De Commissie heeft immers, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, inbreuk gemaakt op de verplichting tot loyale samenwerking, op de beginselen van goede trouw en behoorlijk bestuur, en op het beginsel van gelijke behandeling, doordat zij geen rekening heeft gehouden met de corrigerende gegevens die de Helleense Republiek na het verstrijken van de termijn heeft meegedeeld.
60. Het Gerecht heeft terecht gesteld dat de Commissie geen inbreuk heeft gemaakt op voormelde rechtsbeginselen. Evenmin is er sprake van schending van die beginselen door het Gerecht. De Helleense Republiek kan zich derhalve niet met succes op het tweede middel baseren tot staving van haar hogere voorziening.
61. Met betrekking tot de verplichting tot loyale samenwerking zij erop gewezen dat dit beginsel op grond van artikel 10 EG de verhouding tussen de lidstaten en de instellingen geldt. Het brengt voor de lidstaten de verplichting met zich alle dienstige maatregelen te nemen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te waarborgen, en verlangt dat de gemeenschapsinstellingen en de lidstaten over en weer loyaal samenwerken.(8)
62. De Griekse regering stelt dat voormelde beginselen enerzijds zijn geschonden omdat de fout in de tijdige mededeling evident was en de Commissie dus terstond daarop had moeten wijzen, waardoor een snelle verbetering mogelijk zou zijn geweest. Het aanzienlijke verschil tussen het gemelde aantal hectaren en het aantal hectaren waarvan de Commissie was uitgegaan in beschikking 2005/716/EG van 10 oktober 2005 over de indicatieve financiële toewijzingen(9) had de Commissie ertoe moeten aanzetten om vragen te stellen.
63. Dat kan mij evenwel niet overtuigen. De binnen de termijn meegedeelde gegevens bevatten geen evidente fout die de Commissie meteen had moeten opvallen. Het loutere feit dat de meegedeelde gegevens verschillen van de gegevens waarvan was uitgegaan bij de indicatieve financiële toewijzing overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999, betekent niet automatisch dat er sprake is van een fout in de mededeling. Uiteindelijk is de beoordeling of een fout evident is, een feitelijke vraag, waartegen niet kan worden opgekomen in het kader van een hogere voorziening. Dienaangaande heeft de Helleense Republiek geen onjuiste opvatting van bewijsmiddelen aangevoerd.
64. Uit de aard van een indicatieve financiële toewijzing volgt reeds, dat de daarin vastgestelde uitgaven misschien niet daadwerkelijk nodig zullen zijn. Alleen al om die reden geven verschillen in beginsel geen aanleiding om aan de juistheid van de mededeling te twijfelen. In het onderhavige geval vindt die algemene overweging bovendien bevestiging in artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000, waarin een sanctie wordt gesteld op de mededeling van een totale oppervlakte die kleiner is dan het aantal hectares waarvan is uitgegaan in het kader van de indicatieve financiële toewijzing. Dat voorschrift gaat expliciet uit van de mogelijkheid dat de door een lidstaat meegedeelde gegevens sterk afwijken van de aanvankelijk aangenomen gegevens.
65. De Commissie had dus geen reden om onmiddellijk na de ontvangst, binnen de gestelde termijn, van de mededeling aan te nemen dat de meegedeelde gegevens een fout bevatten, en om rekwirante daarop te wijzen.
66. De Griekse regering meent voorts dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op de hierboven vermelde beginselen, doordat zij geen rekening heeft gehouden met rechtgezette gegevens die meer dan twee maanden na het verstrijken van de termijn zijn meegedeeld, hoewel dit volgens de Griekse regering in de resterende drie weken vóór de uiterste datum voor de vaststelling van de litigieuze beschikking nog daadwerkelijk mogelijk was geweest.
67. Dienaangaande is het Hof van Justitie echter gebonden aan de feitelijke vaststellingen van het Gerecht in het bestreden arrest. Ook in dat verband heeft de Helleense Republiek niet aangevoerd dat er sprake was van een onjuiste opvatting van bewijsmiddelen.
68. In zijn opmerkingen in de punten 32 en 59 van het bestreden arrest stelde het Gerecht uitdrukkelijk vast, dat de Commissie de gecorrigeerde gegevens onmogelijk nog in aanmerking had kunnen nemen bij de vaststelling van de litigieuze beschikking. Wanneer echter, enerzijds, het tijdstip voor de vaststelling van een beschikking – zoals hierboven is aangetoond – niet naar goeddunken kan worden uitgesteld, en anderzijds de tijd die nog overblijft tot de geplande, reeds op een gevorderd tijdstip vastgestelde beschikkingsdatum, niet volstaat om nog rekening te houden met na het verstrijken van de termijn meegedeelde gegevens, levert het niet in aanmerking nemen van die gegevens geen schending op van de verplichting van loyale samenwerking.
69. Het is overigens duidelijk dat een complexe procedure, waarvoor de verordeninggever heeft bepaald dat de mededeling uiterlijk op 10 juli moet zijn gedaan, en de Commissie aldus een periode van ongeveer drie maanden heeft gegeven, niet in een paar dagen ten einde kan worden gebracht. Dit geldt des te meer daar de beschikking over de definitieve financiële toewijzing slechts voor alle lidstaten tegelijkertijd kan worden vastgesteld wegens de ingevolge artikel 17, lid 3, van verordening nr. 1227/2000 bestaande onderlinge afhankelijkheid.
70. Ten slotte is het Gerecht in het bestreden arrest evenmin voorbijgegaan aan de draagwijdte van het gelijkheidsbeginsel.
71. Het algemene gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.(10)
72. Het gelijkheidsbeginsel verlangt dus niet, dat met gegevens die meer dan twee maanden na het verstrijken van de termijn worden meegedeeld op dezelfde wijze rekening wordt gehouden als met gegevens die slechts enkele dagen te laat worden meegedeeld. In het kader van een procedure waarin de Commissie haar beschikking binnen een termijn van circa drie maanden moet vaststellen, zijn een mededeling een paar dagen na afloop van de termijn en een mededeling meer dan twee maanden na het verstrijken van de termijn, geen vergelijkbare situaties meer.
3. Derde middel
73. Met het derde middel voert de Helleense Republiek aan, dat het bestreden arrest innerlijke tegenstrijdigheden bevat en daarom niet in stand kan blijven. De opmerkingen van het Gerecht in de punten 25, 26 en 43 van het bestreden arrest, waarin de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 als dwingend wordt aangemerkt, zijn in tegenspraak met punt 59 van het besteden arrest, waarin wordt vastgesteld dat niet volledig is uitgesloten dat rekening wordt gehouden met kort na de termijn ontvangen mededelingen.
74. De vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig dan wel ontoereikend is, is een rechtsvraag die als zodanig in het kader van een hogere voorziening kan worden opgeworpen.(11)
75. Ook het derde middel kan mij evenwel niet overtuigen, aangezien de juridische beoordeling in het bestreden arrest, anders dan rekwirante meent, niet tegenstrijdig is. Waar het Gerecht namelijk, niettegenstaande de vaststelling dat de aan de orde zijnde termijn dwingend is, verklaart dat het niet „volledig uitgesloten is” dat rekening wordt gehouden met te late mededelingen, stelt het tegelijkertijd dat een dergelijke uitzondering slechts bij een korte overschrijding van de termijn mogelijk is, maar niet bij een zo lange overschrijding als in het onderhavige geval.
76. Het Gerecht zet in het bestreden arrest uitvoerig uiteen waarom juist teleologische overwegingen erop wijzen dat de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 dwingend is. De Commissie moet immers nog over voldoende tijd beschikken voor haar beschikking over de definitieve financiële toewijzing, die voor het einde van het begrotingsjaar op 15 oktober moet worden vastgesteld.
77. Met de overweging dat rekening kan worden gehouden met gegevens die kort na het verstrijken van de termijn werden meegedeeld, voor zover dit niet in de weg staat aan de tijdige vaststelling van de beschikking, trekt het Gerecht consequent zijn redenering verder. Daarin valt geen logische breuk te onderkennen.
4. Samenvatting
78. Aangezien geen van de door de Helleense Republiek aangevoerde middelen kan worden aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
VI – Kosten
79. Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 69, lid 2, eerste zin, juncto artikel 118 van dat Reglement wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd.
80. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
VII – Conclusie
81. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, uitspraak te doen als volgt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest van 11 december 2008, Griekenland / Commissie (T‑339/06, Jurispr. blz. II‑3525).
3 – Beschikking 2006/669/EG van 4 oktober 2006 tot vaststelling, voor het begrotingsjaar 2006, van de definitieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad, PB L 275, blz. 62 (hierna: „litigieuze beschikking”).
4 – Arresten van 16 mei 2002, ARAP e.a./Commissie (C‑321/99 P, Jurispr. blz. I‑4287, punt 48); 22 januari 2004, Mattila/Raad en Commissie (C‑353/01 P, Jurispr. blz. I‑1073, punt 27), en 29 april 2004, Commissie/CAS Succhi di Frutta (C‑496/99 P, Jurispr. blz. I‑3801, punt 50).
5 – Beschikking van 25 maart 1998, FFSA e.a./Commissie (C‑174/97 P, Jurispr. blz. I‑1303, punt 24).
6 – Arrest van 13 juli 2000, Salzgitter/Commissie (C‑210/98 P, Jurispr. blz. I‑5843, punt 43).
7 – Het Gerecht verwees dienaangaande naar de arresten van 30 november 1972, Wasaknäcke Knäckebrotfabrik (32/72, Jurispr. blz. 1181, punt 2), en 13 december 1972, Walzenmühle Magstadt (52/72, Jurispr. blz. 1267, punt 2).
8 – Zie beschikking van 13 juli 1990, IMM, Zwartveld e.a. (C‑2/88, Jurispr. blz. I‑3365, punt 17) en arresten van 26 november 2002, First en Franex (C‑275/00, Jurispr. blz. I‑10943, punt 49), en 16 oktober 2003, Ierland / Commissie (C‑339/00, Jurispr. blz. I‑11757, punt 71).
9 – Beschikking 2005/716/EG van de Commissie van 10 oktober 2005 tot vaststelling, voor het wijnoogstjaar 2005/2006, van de indicatieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad (PB L 271, blz. 45).
10 – Zie onder meer arrest van 11 juli 2006, Egenberger (C‑313/04, Jurispr. blz. I‑6331, punt 33 met verdere verwijzingen).
11 – Zie in die zin arrest van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie (C‑403/04 P en C‑405/04 P, Jurispr. blz. I‑729, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Full & Egal Universal Law Academy