CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 15 april 2010 1(1)
Zaak C‑74/09
Bâtiments et Ponts Construction SA e.a.
(verzoek van het Belgische Hof van Cassatie om een prejudiciële beslissing)
„Vrij verkeer van diensten – Overheidsopdrachten voor uitvoering van werken –Criteria voor kwalitatieve selectie – Professionele geschiktheid – Gronden voor uitsluiting – Bewijs dat belastingen en socialezekerheidsbijdragen volgens voorschriften zijn voldaan – Vereiste dat aannemers in land zelf zijn geregistreerd – Toepassing van registratievereiste op buitenlandse inschrijvers – Erkenning van getuigschriften van autoriteiten van land van herkomst – Richtlijn 93/37/EEG”
I – Inleiding
1. De onderhavige prejudiciële procedure betreft, net als de zaak Rüffert(2), de sociale component van de regels betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten. Het gaat om de vraag, met welke middelen de autoriteiten van de lidstaat waarin een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken zal worden geplaatst, mogen controleren of de aannemers die aan de aanbestedingsprocedure deelnemen, hun verplichting tot betaling van de belastingen en de socialezekerheidsbijdragen nakomen.
2. Deze procedure vindt haar oorsprong in de aanbestedingsrechtelijke nasleep van de sanering en de renovatie van het beroemde Berlaymont-gebouw te Brussel, waarin de Europese Commissie haar hoofdkantoor heeft.(3) Aan de aanbestedingsprocedure voor de werken aan het Berlaymont-gebouw had onder andere een joint venture deelgenomen van aannemers die niet alle in België fiscaal waren geregistreerd. Een dergelijke fiscale registratie was echter verplicht volgens het destijds geldende Belgische aanbestedingsrecht en die verplichting was in het onderhavige geval ook opgenomen in de aanbestedingsvoorwaarden. Zij beoogde vooral te garanderen dat de inschrijvers op overheidsopdrachten hun verplichting tot betaling van de belastingen en de socialezekerheidsbijdragen volgens de voorschriften waren nagekomen en zouden nakomen.
3. Aan het Hof wordt verzocht, uit te maken of een dergelijk registratievereiste ook mag worden gesteld aan inschrijvers die hun zetel in een andere lidstaat hebben, dan wel of de aanbestedende diensten genoegen moeten nemen met getuigschriften van de autoriteiten van het land van herkomst dat de belastingen en de socialezekerheidsbijdragen volgens de voorschriften zijn voldaan.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Recht van de Unie
4. De in het onderhavige geval toepasselijke bepalingen van het recht van de Unie zijn neergelegd in de – inmiddels niet meer van kracht zijnde – richtlijn 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken(4), inzonderheid de artikelen 24 tot en met 29 betreffende de criteria voor kwalitatieve selectie (titel IV, hoofdstuk 2, van richtlijn 93/37).
5. Artikel 24 van richtlijn 93/37 luidde als volgt:
„Van deelneming aan een opdracht kan worden uitgesloten iedere aannemer:
[…]
e) die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van de socialeverzekeringsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of van het land van de aanbestedende dienst;
f) die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of van het land van de aanbestedende dienst;
[…]
Indien de aanbestedende dienst van de aannemer het bewijs verlangt dat hij niet in een van de sub a, b, c, e en f genoemde omstandigheden verkeert, aanvaardt deze dienst als voldoende bewijs:
– […]
– voor e en f een door een bevoegde instantie van de betrokken lidstaat afgegeven getuigschrift.
– […]”
6. Artikel 28 van richtlijn 93/37 bepaalde:
„Binnen de grenzen van de artikelen 24 tot en met 27, kan de aanbestedende dienst verlangen dat de aannemer de overgelegde getuigschriften en bescheiden aanvult of nader toelicht.”
7. Artikel 29 van richtlijn 93/37 bevatte de volgende regeling:
„1. De lidstaten waar officiële lijsten van erkende aannemers bestaan, dienen deze lijsten aan te passen aan artikel 24, sub a tot en met d en sub g, en aan de artikelen 25, 26 en 27.
2. De op een officiële lijst ingeschreven aannemers kunnen bij elke aanbesteding een door de bevoegde autoriteit afgegeven bewijs van inschrijving aan de aanbestedende dienst overleggen. Op dit bewijs worden de referenties vermeld op grond waarvan de inschrijving op de lijst mogelijk was, alsmede de classificatie welke deze lijst behelst.
3. De door de bevoegde autoriteiten bevestigde inschrijving op een officiële lijst vormt ten aanzien van de aanbestedende diensten van de andere lidstaten slechts een vermoeden van geschiktheid voor de werken die met de classificatie van de aannemer overeenkomen in de zin van artikel 24, sub a tot en met d en sub g, artikel 25, artikel 26, sub b en c, en artikel 27, sub b en d.
De gegevens welke uit de inschrijving op een officiële lijst kunnen worden afgeleid, kunnen niet ter discussie worden gesteld. Niettemin kan met betrekking tot de betaling van de bijdragen aan de sociale verzekering, van elke ingeschreven aannemer bij elke aanbesteding een aanvullende verklaring worden verlangd.
De voorgaande bepalingen worden door de aanbestedende diensten van de andere lidstaten alleen toegepast op aannemers die zijn gevestigd in het land waar de officiële lijst is opgesteld.
4. Voor de inschrijving van aannemers uit andere lidstaten op een officiële lijst kunnen geen andere bewijzen en verklaringen worden verlangd dan van nationale aannemers en in geen geval andere dan die welke in de artikelen 24 tot en met 27 zijn vermeld.
5. De lidstaten waar officiële lijsten bestaan, delen aan de andere lidstaten het adres van de instantie mede waaraan verzoeken tot inschrijving kunnen worden gericht.”
8. Aangezien de litigieuze aanbestedingsprocedure vóór 31 januari 2006 heeft plaatsgevonden, is richtlijn 2004/18/EG(5) in het onderhavige geval niet ter zake dienend.
9. Verder dient te worden gewezen op de bepalingen betreffende het vrije verkeer van diensten. In dit verband zijn echter, anders dan in de verwijzingsbeslissing en in enkele bij het Hof ingediende opmerkingen is vermeld, niet de artikelen 49 EG en 50 EG van toepassing, maar de artikelen 59 en 60 EG-Verdrag(6). De feiten van het hoofdgeding dateren immers van vóór 1 mei 1999, de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam.(7)
B – Nationaal recht
Het koninklijk besluit van 1977
10. Het relevante Belgische recht is neergelegd in het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten(8). De relevante bepalingen van artikel 15 van dit besluit, dat deel uitmaakt van afdeling 2, „Opmaken van de inschrijving”, luiden als volgt:
„[…]
§ 3 De Belgische inschrijver die personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders, moet, opdat zijn inschrijving als regelmatig kan worden beschouwd, er een attest van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bijvoegen of dit vóór de opening van de inschrijvingen aan het bestuur doen toekomen, waaruit blijkt dat hij voldaan heeft aan de voorschriften inzake bijdragen voor de sociale zekerheid en de bestaanszekerheid. […]
§ 4 De inschrijver van vreemde nationaliteit moet, opdat zijn inschrijving als regelmatig kan worden beschouwd, er bijvoegen of vóór de opening van de inschrijvingen aan het bestuur doen toekomen:
a) een attest uitgereikt door de bevoegde overheid waaruit blijkt dat hij voldaan heeft aan zijn verplichtingen ten aanzien van de betaling van bijdragen voor de sociale zekerheid, overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is […]
[…]
§ 7 De inschrijver moet, opdat zijn inschrijving als regelmatig kan worden beschouwd, als aannemer geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 299 bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en artikel 30 bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.”
Het koninklijk besluit van 1978
11. De nadere bepalingen betreffende de in artikel 15, § 7, van het koninklijk besluit van 1977 voorgeschreven fiscale registratie zijn neergelegd in het koninklijk besluit van 5 oktober 1978(9). Artikel 2, § 1, van de eerste afdeling, „Voorwaarden waaraan moet worden voldaan om als aannemer geregistreerd te kunnen worden”, [van hoofdstuk II] van dit besluit bepaalt onder meer:
„De registratie als aannemer […] wordt slechts verleend aan aannemers die voldoen aan de navolgende voorwaarden:
[…]
2° voor een in artikel 1 bedoelde werkzaamheid ingeschreven zijn in het handelsregister of in het beroepsregister volgens de eisen van de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd;
[…]
7° indien het gaat om een vennootschap, onder (de bestuurders), zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te verbinden, geen personen tellen aan wie het uitoefenen van dergelijke functies verboden is krachtens het in 6° genoemd koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934;
[…]
10° tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie, niet herhaaldelijk of op ernstige wijze in overtreding zijn geweest op het stuk van de fiscale verplichtingen […];
11° op het ogenblik van de aanvraag tot registratie geen achterstallige bedragen verschuldigd zijn als belastingen, als bijdragen te innen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of als bijdragen te innen door of voor rekening van de Fondsen voor bestaanszekerheid; […];
12° voldoende financiële, administratieve en technische middelen hebben om het naleven van fiscale en sociale verplichtingen te waarborgen.”
12. Volgens artikel 8 van het koninklijk besluit van 1978 moet, om als aannemer geregistreerd te worden een aanvraag worden ingediend bij de voorzitter van de registratiecommissie(10) van de provincie waar de voornaamste bedrijfszetel van de aanvrager is gevestigd. Aanvragers die niet in België zijn gevestigd, moeten hun aanvraag indienen bij de commissie van de provincie waar de bouwplaats is gelegen.
13. Artikel 10 van het koninklijk besluit van 1978 bepaalt:
„§ 1 Bij de aanvraag dienen, op straffe van niet-ontvankelijkheid, de navolgende stukken te worden gevoegd:
[…]
3° door iedere aanvrager: een afschrift van de inschrijving in het beroepsregister volgens de eisen van de wetgeving van het land waar hij gevestigd is; […]
[…]
5° door de [buitenlandse] aanvrager: attesten afgeleverd door de bevoegde overheid van de lidstaat waar hij gevestigd is en waaruit blijkt dat hij in die lidstaat geen achterstallige belastingen of sociale bijdragen verschuldigd is.
[…]
§ 2. De in afdeling 4 hierna bedoelde registratiecommissie kan aan de aanvrager vragen dat hij andere stukken voorlegt of gegevens verstrekt waarvan zij meent dat ze nuttig kunnen zijn om te beoordelen of de in artikel 2, § 1, gestelde voorwaarden vervuld zijn.
[…]”
14. De samenstelling van de registratiecommissie wordt in artikel 16 van het koninklijk besluit van 1978 geregeld als volgt:
„§ 1 Iedere registratiecommissie bestaat uit negen leden volgens de hierna vermelde modaliteiten door Ons benoemd:
1° drie leden-ambtenaren worden benoemd respectievelijk op voorstel van:
a) de Minister van Sociale Zaken;
b) de Minister van Financiën;
c) de Minister van Tewerkstelling en Arbeid;
2° drie leden worden op voorstel van de representatieve werkgeversorganisaties uit het bouwbedrijf benoemd;
3° drie leden worden op voorstel van de representatieve werknemersorganisaties uit het bouwbedrijf benoemd.
[…]
§ 2 Iedere commissie wordt voorgezeten door een der in § 1, 1°, a en b, bedoelde ambtenaren, daartoe door Ons benoemd op voorstel van de twee aldaar genoemde ministers. […]”
III – Feiten en hoofdgeding
15. Het Berlaymont-gebouw is tussen 1963 en 1967 opgetrokken op een terrein dat de Belgische Staat in 1960 te Brussel had verworven, en dient sindsdien als hoofdkantoor van de Europese Commissie(11). Van 1992 tot 2004 kon het gebouw echter door de Commissie niet worden gebruikt omdat het diende te worden gerenoveerd en asbestvrij moest worden gemaakt.
16. Voor deze renovatie en sanering werd op 18 september 1990 de naamloze vennootschap naar Belgisch recht Berlaymont 2000 NV(12) opgericht, waaraan naast de Regie der Gebouwen(13), een Belgische publiekrechtelijke rechtpersoon, drie kredietinstellingen participeerden. Een van de taken van Berlaymont 2000 was de opstelling van het bestek, het arbeidsprogramma en de begroting voor de renovatie- en saneringswerken. De vennootschap kreeg een recht van erfpacht op het Berlaymont-terrein.
17. Op 23 december 1994 heeft Berlaymont 2000 de opdracht voor sanering en renovatie van het Berlaymont-gebouw aangekondigd.(14) De waarde van die opdracht was op ongeveer 1,4 miljard BEF(15) geraamd. Voor deze opdracht werd een bijzonder bestek opgesteld en werd een aankondiging van opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.(16) In artikel 1.G van het bijzondere bestek was bepaald: „Voor onder deze opdracht vallende werken moet de aannemer in België geregistreerd zijn.”
18. Op 16 februari 1995 is in het Publicatieblad(17) een rectificatie van gepubliceerd; daarin werd aanvullende informatie verstrekt, onder meer over het vereiste van registratie van de inschrijvers. Met name artikel 1.G van het bijzondere bestek werd als volgt geherformuleerd:
„Voor de onder deze opdracht vallende werken moet de aannemer aantonen dat hij zijn verplichtingen ter zake van sociale zekerheid, belastingen en btw is nagekomen; die bewijs moet uit een ‚registratie’ blijken.
Het verzoek tot registratie moet overeenkomstig het [koninklijk besluit van 1978] worden gedaan.
Voor de regelmatigheid van de inschrijving (op het tijdstip waarop deze wordt ingediend) volstaat het dat bij de inschrijving een afschrift van het verzoek tot registratie wordt gevoegd. Een gunningsbesluit zal niet worden getroffen vóór de bevoegde instantie op het verzoek [tot registratie] heeft beslist.”
Verder werd in de rectificatie bepaald:
„De inschrijver dient in zijn inschrijving op straffe van nietigheid te verklaren dat hij rekening heeft gehouden met rectificatie nr. 1.”
19. Bepaald was dat de inschrijvingen uiterlijk op 16 mei 1995 moesten worden ingediend.
20. De in België geregistreerde onderneming Bâtiments et Ponts Construction SA (BPC) en de Duitse onderneming WIG Industrieinstandhaltung GmbH (WIG), die destijds in België niet was geregistreerd, hebben met het oog op deelneming aan de procedure voor plaatsing van de Berlaymont-opdracht de joint venture BPC-WIG opgericht. De onderneming WIG werkte later onder de firmanaam Thyssenkrupp Industrieservice GmbH; in de loop van de onderhavige prejudiciële procedure voor het Hof heeft de onderneming haar naam vervolgens veranderd in WISAG Produktionsservice GmbH (WISAG).
21. Op 16 maart 1995 heeft de joint venture BPC-WIG ingeschreven op de Berlaymont-opdracht. Bij haar inschrijving heeft zij noch een bevestiging van haar eigen registratie noch een bevestiging van de registratie van de onderneming WIG in België gevoegd. De verzoeken tot registratie in België zijn pas na het verstrijken van de termijn voor inschrijving op de Berlaymont-opdracht ingediend, te weten het verzoek van BPC-WIG op 28 april 1995 en dat van WIG op 3 mei 1995. Pas in juli 1995, na de gunning van de Berlaymont-opdracht, hebben deze registraties plaatsgevonden.(18)
22. Bij de inschrijving van BPC-WIG waren echter een getuigschrift van de Duitse belastingautoriteiten(19) van 4 augustus 1994 en een getuigschrift van de Duitse sociale zekerheid(20) van 3 februari 1995 gevoegd. Daaruit bleek dat de Duitse belastingadministratie geen bezwaar had tegen deelneming van WIG aan een overheidsopdracht; de Duitse socialezekerheidsadministratie bevestigde dat WIG alle socialezekerheidsbijdragen steeds op tijd had betaald.
23. Op 20 juni 2005 heeft de raad van bestuur van Berlaymont 2000 de opdracht aan een concurrerende joint venture gegund. Tegen deze beslissing hebben BPC en WIG bestuurlijk beroep ingesteld bij de Belgische Raad van State(21). Op 10 maart 1999 heeft de Raad van State dit beroep verworpen op grond dat WIG bij de inschrijving geen registratie in België kon aantonen en ook geen verzoek daartoe had ingediend, zodat BPC-WIG van meet af aan niet als opdrachtnemer aanmerking kwam.(22)
24. Naast de bestuursrechtelijke procedure voor de Belgische Raad van State hebben BPC en WIG op 18 juni 1996 bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel(23) een civielrechtelijk beroep tot schadevergoeding wegens uitsluiting van de aanbestedingsprocedure ingesteld. Bij vonnis van 5 november 2002 is dit beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat verzoeksters bij hun deelneming aan de aanbestedingsprocedure het vereiste bewijs van registratie in België niet hadden geleverd, en daardoor geen regelmatige inschrijving hadden gedaan, zodat zij geen procesbelang voor een beroep tot schadevergoeding hadden.
25. Van het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zijn BPC en WIG op 15 april 2005 in hoger beroep gekomen bij het Hof van Beroep te Brussel(24), dat echter bij arrest van 14 maart 2007(25) de in eerste aanleg gegeven beslissing heeft bevestigd. Als grond daarvoor wees het Hof van Beroep erop dat rekwiranten hadden nagelaten, bij hun inschrijving een bewijs van een verzoek tot registratie van WIG en BPC-WIG te voegen. De getuigschriften die de Duitse belastingadministratie en de Duitse socialezekerheidsadministratie voor WIG hadden afgegeven, waren weliswaar om andere redenen eveneens noodzakelijk voor deelneming aan de aanbestedingsprocedure, maar konden de daarnaast vereiste registratie in België niet vervangen. Aangezien rekwiranten daardoor een wezenlijke vormvoorwaarde niet hadden vervuld, was hun inschrijving nietig, wat hun onmiddellijke uitsluiting van de aanbestedingsprocedure rechtvaardigde.
26. Doordat BPC en WIG op 28 september 2007 cassatieberoep hebben ingesteld, is de civielrechtelijke procedure thans aanhangig bij het Belgische Hof van Cassatie(26), de verwijzende rechter.
IV – Het verzoek om een prejudiciële beslissing en procesverloop voor het Hof
27. Bij arrest van 22 januari 2009, ingekomen ter griffie van het Hof op 18 februari 2009, heeft het Belgische Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
1) Is de registratieplicht als voorwaarde om in België een overheidsopdracht toegewezen te kunnen krijgen, zoals die is opgelegd bij artikel 1.G. van het in het onderhavige geval toepasselijke bijzondere bestek, niet in strijd met het beginsel van vrij verkeer binnen de Europese Unie en met artikel 24, tweede alinea, van richtlijn 93/37/EEG […], wanneer zij aldus moet worden uitgelegd dat zij de aanbestedende dienst toestaat de buitenlandse inschrijver-aannemer die niet is geregistreerd maar gelijkwaardige getuigschriften van zijn nationale autoriteiten heeft overgelegd, van de opdracht uit te sluiten?
2) Is het niet in strijd met het beginsel van vrij verkeer binnen de Europese Unie en met artikel 24, tweede alinea, van richtlijn 93/37, dat een Belgische aanbestedende dienst van buitenlandse inschrijvers kan verlangen dat zij de geldigheid van de hun door de belastingadministratie en de socialezekerheidsadministratie van hun staat afgegeven getuigschriften waarin wordt bevestigd dat zij aan hun fiscale en sociale verplichtingen hebben voldaan, door een Belgische instantie, te weten de commissie voor registratie van aannemers, laten onderzoeken?
28. In de procedure voor het Hof van Justitie hebben naast BPC en WIG, rekwiranten in het hoofdgeding, en Berlaymont 2000, verweerster in het hoofdgeding, ook het Koninkrijk België en de Europese Commissie schriftelijke en mondelinge opmerkingen gemaakt(27). Ook de Tsjechische Republiek heeft deelgenomen aan de schriftelijke behandeling.
V – Bespreking
A – Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
29. De Commissie oppert tweeërlei twijfel omtrent de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing en tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof heeft Berlaymont 2000 zich daarbij aangesloten. Enerzijds zou de verwijzingsbeslissing niet de nodige gegevens over de feiten en de in het hoofdgeding toepasselijke bepalingen bevatten en anderzijds zou het Hof van Cassatie niet hebben aangegeven waarom het zich tot het Hof van Justitie heeft gewend.
30. Volgens de rechtspraak moet de nationale rechter, teneinde het Hof in staat te stellen een zinvol antwoord te geven op de hem voorgelegde prejudiciële vragen, het feitelijke en juridische kader uiteenzetten waarin deze vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzetten waarvan hij bij die vragen is uitgegaan.(28) Bovendien is het onontbeerlijk dat de nationale rechter minstens beknopt uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde unierechtelijke voorschriften verzoekt, en dat hij aangeeft welk verband hij ziet tussen deze bepalingen en de in het hoofdgeding toepasselijke nationale regeling.(29) In dit verband zij eraan herinnerd dat de in verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens niet alleen dienen om het Hof in staat te stellen, een bruikbaar antwoord te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie opmerkingen te maken.(30)
31. De verwijzingsbeslissing van het Belgische Hof van Cassatie is zeker geen toonbeeld van een geslaagd verzoek om een prejudiciële beslissing. Zij heeft onvoldoende structuur en bevat geen overzichtelijke en volledige uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen en de redenen waarom de verwijzende rechter van mening is dat zijn vragen relevant zijn voor het geven van een beslissing. In het onderhavige geval lijkt geen rekening te zijn gehouden met de door het Hof van Justitie opgestelde Wenken voor de indiening van prejudiciële verzoeken door de nationale rechters(31).
32. Toch wegen de gebreken van het verwijzingsarrest niet zo zwaar dat zij de niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing tot gevolg zouden hebben.
33. Wat allereerst de feiten en de toepasselijke bepalingen betreft, is het inderdaad zo dat het Hof van Cassatie geen eigen uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding geeft en ook slechts zeer weinig eigen gegevens verstrekt over de nationale en unierechtelijke voorschriften die het relevant acht. Bij lezing van de verwijzingsbeslissing wordt echter duidelijk wat de kern van het hoofdgeding is, en in welk kader de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst. De van beslissend belang zijnde overwegingen staan vooral in de lange alinea waarin het Hof van Cassatie letterlijk citeert uit de rechtsoverwegingen van het voor hem bestreden arrest van het Hof van Beroep; daaruit kunnen bij welwillende lezing de belangrijkste elementen van het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding worden gedistilleerd. De techniek van verwijzing naar het arrest van de lagere rechter vindt haar verklaring wellicht in de specifieke rol van het Hof van Cassatie.
34. Bovendien hebben de partijen in het hoofdgeding in hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen aanvullende toelichtingen verstrekt die het voor het Hof gemakkelijker kunnen maken, de samenhang van de prejudiciële vragen te begrijpen. Uit de opmerkingen van deze partijen blijkt tevens dat de in de verwijzingsbeslissing vervatte gegevens hen in staat hebben gesteld om op nuttige wijze een standpunt in te nemen met betrekking tot deze vragen.(32)
35. Wat vervolgens de relevantie van de prejudiciële vragen voor het geven van een beslissing betreft, is het inderdaad zo dat de verwijzende rechter daarover zelf niets zegt. Toch is ook dit verzuim geen grond om het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens vaste rechtspraak gaat het Hof immers uit van een vermoeden dat de hem door de nationale rechters voorgelegde prejudiciële vragen relevant zijn.(33) Het is slechts in uitzonderingsgevallen van oordeel dat dit vermoeden is weerlegd, namelijk wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van de in die vragen genoemde bepalingen van gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding(34); met andere woorden het ontbreken van relevantie voor het geven van een beslissing moet overduidelijk zijn.
36. In het onderhavige geval kan echter niet worden aangenomen dat de prejudiciële vragen kennelijk irrelevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding. Integendeel, de uitkomst van het hoofdgeding hangt in beslissende mate af van het antwoord dat het Hof op de prejudiciële vragen zal geven. Rekwiranten in het hoofdgeding stellen in cassatie schending van richtlijn 93/37 en van de artikelen 49 EG en 50 EG. Ook uit de in de verwijzingsbeslissing aangehaalde passages uit het arrest van het Hof van Beroep blijkt onmiddellijk dat het gehele nationale geding vooral draait om de uitlegging van die bepalingen van het recht van de Unie.
37. Ten slotte laakt de Commissie het feit dat de verwijzende rechter niets heeft gezegd over de toepasselijkheid van richtlijn 93/37. Bij werken van de omvang van de Berlaymont-opdracht is het mijns inziens echter overduidelijk dat de unierechtelijke bepalingen betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken van toepassing waren. Ook de bij de procedure betrokken partijen zijn het daarover eens.
38. Alles bij elkaar genomen, zijn er mijns inziens geen voldoende gronden om het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ongegrond te verklaren.
B – Bespreking van de inhoud van de prejudiciële vragen
39. De ten tijde van de plaatsing van de Berlaymont-opdracht van kracht zijnde(35) Belgische regeling betreffende de registratie van aannemers dient in twee opzichten aan het recht van de Unie te worden getoetst. In de eerste plaats wordt gevraagd of het met richtlijn 93/37 en het „beginsel van het vrije verkeer” verenigbaar is, om ook voor buitenlandse aannemers een fiscale registratie in het land zelf als voorwaarde voor deelneming aan een aanbestedingsprocedure te stellen. In de tweede plaats moeten worden uiteengezet of de genoemde bepalingen van het recht van de Unie eraan in de weg staan dat een andere instantie dan de aanbestedende dienst wordt belast met het onderzoek van de geldigheid van de uit andere lidstaten afkomstige fiscale getuigschriften en socialezekerheidsgetuigschriften.
40. Op deze twee punten verschillen de bij de procedure betrokken partijen van mening: rekwiranten in het hoofdgeding, de Tsjechische regering en de Commissie zijn van mening dat bepalingen als de hier in het geding zijnde onverenigbaar zijn met het recht van de Unie, terwijl verweerster in het hoofdgeding en de Belgische regering het tegenoverstelde standpunt innemen, met dien verstande dat de Belgische regering alleen opmerkingen heeft gemaakt over de tweede prejudiciële vraag.(36)
1. Verenigbaarheid van een registratievereiste met het recht van de Unie (eerste prejudiciële vraag)
41. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of in het nationale recht en in de aanbestedingsvoorwaarden ook van aannemers uit andere lidstaten als voorwaarde voor deelneming aan een procedure van plaatsing van een overheidsdracht mag worden geëist dat zij zich fiscaal laten registreren. Het Hof wordt verzocht deze vraag te beantwoorden tegen de achtergrond van het „beginsel van het vrije verkeer in de Europese Unie” en van artikel 24, tweede alinea, van richtlijn 93/37.
42. Wat de fundamentele vrijheden op de Europese interne markt betreft, zijn alleen de bepalingen betreffende het vrije verkeer van diensten (artikelen 59 en 60 EG-Verdrag(37)) hier relevant.
43. Opgemerkt zij echter dat wanneer op het niveau van de Unie een volledige harmonisatie tot stand is gebracht voor een bepaalde materie, elke daarop betrekking hebbende nationale maatregel aan de bepalingen van de handeling tot verwezenlijking van die harmonisatie en niet aan die van het primaire recht moet worden getoetst.(38) Richtlijn 93/37 bevat geen volledige unierechtelijke regeling op het gebied van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, maar heeft slechts tot doel, de nationale procedures voor het plaatsen van dergelijke opdrachten te coördineren.(39) Toch bevat met name het hier in het geding zijn artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37 ter zake van de professionele geschiktheid van de aannemers een limitatieve opsomming van de mogelijke gronden voor uitsluiting van een inschrijver van deelneming aan de aanbestedingsprocedure.(40)
44. Met betrekking tot de criteria inzake professionele geschiktheid voorziet richtlijn 93/37 binnen de werkingssfeer ervan dus in een volledige harmonisatie. Bijgevolg dient de eerste prejudiciële vraag alleen te worden besproken tegen de achtergrond van richtlijn 93/37, waarbij de bepalingen van die richtlijn echter dienen te worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de beginselen inzake het vrije verkeer van diensten, die zij ten uitvoer beogen te leggen.(41)
45. Allereerst dient erop te worden gewezen dat de in het koninklijk besluit van 1978 bedoelde fiscale registratie niet mag worden verward met de inschrijving op een officiële lijst van erkende aannemers in de zin artikel 29 van richtlijn 93/37. De partijen bij de procedure zijn het erover eens dat het omstreden registratievereiste niet onder artikel 29 valt. Artikel 29 zou hoe dan ook geen dwingend registratievereiste als het Belgische registratievereiste kunnen rechtvaardigen. Dat artikel heeft uitsluitend tot doel, de deelneming van buitenlandse aannemers aan aanbestedingsprocedures te vergemakkelijken door te voorzien in de erkenning van hun inschrijving op de in hun land van herkomst bijgehouden lijst van de erkende aannemers.(42)
46. De omstandigheid dat een aannemer heeft nagelaten zich in het land zelf fiscaal te laten registreren, valt evenmin onder de in artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37 uitdrukkelijk genoemde gronden voor uitsluiting.(43)
47. Onderzocht dient echter nog te worden of de litigieuze registratieprocedure niet neerkomt op een procedure voor de toepassing van enkele van de in artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37 genoemde uitsluitingscriteria. Het is immers denkbaar dat deze registratie de officiële vaststelling en attestering van de professionele geschiktheid van aannemers in de zin van artikel 24 dient, inzonderheid hun betrouwbaarheid ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen in de lidstaat waar het werk wordt uitgevoerd (Art. 24, eerste alinea, sub e en f).(44) Daarvoor pleiten vooral de bepalingen van artikel 2, § 2, sub 10° en 11°, van het koninklijk besluit van 1978, die betrekking lijken te hebben op het nakomen van de verplichtingen op het gebied van belastingen en sociale zekerheid in België.(45)
48. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is echter niet volkomen duidelijk met betrekking tot het voorwerp en de doelstellingen van de registratieprocedure, en ook de opmerkingen die de partijen bij de procedure voor het Hof hebben gemaakt, geven geen duidelijk beeld daarvan. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen(46), de nodige vaststellingen betreffende het voorwerp en de doelstellingen van de registratieprocedure te doen.
49. Indien een registratieprocedure als die waarin het koninklijk besluit van 1978 voorziet, daadwerkelijk een procedure ter vaststelling en attestering van de betrouwbaarheid van aannemers blijkt te zijn, is zij in beginsel in overeenstemming met de doelstellingen van richtlijn 93/37, waartoe de gelijke behandeling van alle inschrijvers(47) en het creëren van een echte en onvervalste mededinging tussen die inschrijvers behoort.(48)
50. Juist daartoe voorziet artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37 in de mogelijkheid om aannemers van de aanbestedingsprocedure uit te sluiten wanneer zij hun verplichtingen tot betaling van socialezekerheidsbijdragen en belastingen niet zijn nagekomen of de voor deelneming aan aanbestedingsprocedures noodzakelijke professionele kwaliteiten, inzonderheid professionele integriteit, kredietwaardigheid en economische en financiële draagkracht, missen.(49) Dergelijke aannemers dienen van de aanbestedingsprocedures te worden uitgesloten om distorsie van de mededinging te voorkomen. Verhinderd dient te worden dat „zwarte schapen”, die bijvoorbeeld hun socialezekerheidsbijdragen en belastingen niet betalen, uiteindelijk op kosten van de gemeenschap voor lagere bedragen inschrijven dan hun concurrenten en op die manier met oneerlijke methoden overheidsopdrachten in de wacht slepen, die bovendien doorgaans met overheidsmiddelen worden bekostigd.
51. Artikel 24 van richtlijn 93/37 berust echter op de opvatting dat de betrouwbaarheid van de inschrijvers in de aanbestedingsprocedure zelf kan worden onderzocht en dat daartoe geen preventieve controle in een afzonderlijke, aan de aanbestedingsprocedure voorafgaande procedure noodzakelijk is. Daarin komt een algemeen waardebegrip tot uitdrukking, dat inherent is aan het vrije verkeer van diensten: een stelsel van preventieve controle van de aannemers in een procedure van voorafgaande goedkeuring of registratie maakt het verrichten van diensten minder aantrekkelijk en is slechts gerechtvaardigd indien een controle a posteriori te laat zou komen om werkelijk efficiënt te kunnen zijn en het nagestreefde doel te kunnen bereiken.(50)
52. Bijgevolg mag registratie van de aannemers slechts dan als voorwaarde voor toelating tot een aanbestedingsprocedure worden gesteld wanneer deze registratie niet neerkomt op een voorafgaande controle en de deelneming van de betrokken onderneming aan die aanbestedingsprocedure bemoeilijkt noch vertraagt en voor deze aannemers ook geen extra administratieve kosten meebrengt.(51)
53. Of de omstreden registratieprocedure naar Belgisch recht aan deze voorwaarden voldoet, dient de verwijzende rechter uit te maken. Volgens de informatie waarover het Hof beschikt, bracht die procedure in elk geval geen extra administratieve kosten mee en vergde zij slechts de overlegging van documenten die de aannemer in elk geval op grond artikel 24, eerste en tweede alinea, van richtlijn 93/37 paraat moest houden. Bovendien bracht de registratieprocedure in het onderhavige geval geen tijdverlies mee, aangezien voor de inschrijving op de aanbestedingsprocedure voor het Berlaymont-gebouw slechts een verzoek tot registratie moest worden overgelegd en de gunning niet vóór de afloop van de registratieprocedure zou worden verricht (zie artikel 1.G van de gerectificeerde versie van het bijzondere bestek).(52)
54. Bij nadere beschouwing vormt de registratieprocedure in het onderhavige geval dus niet noodzakelijk een aan de aanbestedingsprocedure voorafgaande, preventieve goedkeuringsprocedure. Het onderzoek van de betrouwbaarheid van buitenlandse inschrijvers ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen kan immers zonder extra kosten en tijdverlies parallel met de aanbestedingsprocedure worden verricht. In deze omstandigheden bestaan er geen fundamentele bezwaren met betrekking tot de verenigbaarheid van deze registratieprocedure met artikel 24 van richtlijn 93/37 en met de daaraan ten grondslag liggende waarde die aan het vrije verkeer van diensten wordt toegekend.
55. Deze conclusie wordt niet ontkracht door het arrest Commissie/België(53). Die niet-nakomingsprocedure betrof weliswaar bepalingen van Belgisch recht die eveneens betrekking hadden op de hier aan de orde zijn fiscale registratie van aannemers, doch het Hof heeft in dat arrest niet onderzocht of het registratievereiste an sich verenigbaar was met het recht van de Unie(54), maar heeft alleen de aanzienlijke fiscale nadelen onderzocht die het Belgische recht voor de aannemers en hun opdrachtgevers aan ontbreken van registratie verbond.(55) Dergelijke problemen zijn in het onderhavige geval niet aan de orde.
56. Verder voert de Commissie aan dat de controle van een aannemer in het kader van de registratieprocedure verdergaat dan wat op grond van artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37 is toegestaan. Daarbij doelt zij op artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit 1978, meer bepaald op de bepalingen sub 7° en 12° daarvan.
57. Dit bezwaar overtuigt mij niet. Het bepaalde sub 7° en 12° van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit 1978 is weliswaar niet woordelijk terug te vinden in artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37, doch die twee bepalingen beogen datgene wat ook ten grondslag ligt aan artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37, namelijk de vaststelling van de betrouwbaarheid van de aannemers.
58. Zo mag volgens de eerste bepaling (artikel 2, § 1, sub 7°, van het koninklijk besluit 1978) de registratie worden geweigerd van vennootschappen aan wier leidinggevend personeel het uitoefenen van het koopmansbedrijf is verboden wegens een eerder faillissement of een eerdere strafrechtelijke veroordeling. Deze bepaling heeft hetzelfde doel als artikel 24, eerste alinea, sub a tot en met d, van richtlijn 93/37: gewaarborgd dient te worden dat aan aanbestedingsprocedures alleen aannemers deelnemen wier kredietwaardigheid en professionele integriteit niet op grond van eerdere misstappen in twijfel kan worden getrokken. Daartoe behoort uiteraard ook dat het leidinggevend personeel van een vennootschap de nodige waarborgen van professionele integriteit moet bieden; anders ware het gemakkelijk het criterium van professionele geschiktheid te omzeilen door een vennootschap op te richten.
59. Volgens de tweede bepaling (artikel 2, § 1, sub 12°, van het koninklijk besluit 1978) mag de registratie worden geweigerd van vennootschappen die niet voldoende financiële, administratieve en technische middelen hebben om het naleven van hun fiscale en sociale verplichtingen te waarborgen. Artikel 24, eerste alinea, sub e en f, van richtlijn 93/37 heeft hetzelfde doel. De bepalingen van de richtlijn zien volgens de formulering ervan weliswaar slechts op de vaststelling van nalatigheden ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen in het verleden, doch naar opzet en doel beoogt artikel 24, eerste alinea, sub e en f, van richtlijn 93/37 precies hetzelfde als artikel 2, § 1, sub 12°, van het koninklijk besluit 1978, namelijk een prognose te stellen of kan worden verwacht dat de deelnemer aan een procedure voor de plaatsing van een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken zijn belastingen en socialezekerheidsbijdragen volgens de wettelijke voorschriften zal betalen. Indien die vraag niet bevestigend kan worden beantwoord, valt te vrezen voor de reeds genoemde distorsie van de mededinging in de aanbestedingsprocedure.(56)
60. Ten slotte voeren een aantal bij de onderhavige procedure betrokken partijen(57) aan dat het onderzoek waaraan een aannemer in het kader van de registratieprocedure onderworpen is, verdergaat dan noodzakelijk is en dus in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Belgische autoriteiten zouden genoegen moeten nemen met de getuigschriften van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst van de aannemer, zoals de getuigschriften die WIG in het onderhavige geval heeft overgelegd.
61. Ook dit bezwaar treft geen doel. Artikel 24, eerste alinea, sub e en f, van richtlijn 93/37 staat uitdrukkelijk toe dat de betrouwbaarheid van een aannemer ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen niet alleen met betrekking tot diens land van herkomst wordt onderzocht, maar ook met betrekking tot het land van de aanbestedende dienst, dus van de lidstaat waarin de aannemer wil inschrijven op een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken.
62. Dit berust, zoals de Tsjechische regering heeft beklemtoond, op de overweging dat aannemers in verschillende lidstaten als dienstverrichter werkzaam kunnen zijn. Bijgevolg kan een en dezelfde aannemer in verschillende lidstaten, en niet bijvoorbeeld alleen in zijn land van herkomst, zijn verplichtingen ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen niet zijn nagekomen. Uit de overlegging van getuigschriften van geen bezwaar uit zijn land van herkomst kan dus nog geen sluitende conclusie over zijn betrouwbaarheid ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen worden getrokken. Ter terechtzitting heeft ook de Commissie dit toegegeven.
63. De autoriteiten van het land van de aanbestedende dienst moeten de aannemers dus kunnen onderwerpen aan een afzonderlijk onderzoek naar de nakoming van hun verplichtingen ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen in het land zelf. Bijgevolg staat artikel 24, tweede alinea, tweede streepje, van richtlijn 93/37 – anders dan het eerste streepje – niet alleen het onderzoek van getuigschriften uit het land van herkomst, maar zeer algemeen het onderzoek van de „door een bevoegde instantie van de betrokken lidstaat” afgegeven getuigschriften toe.
64. Derhalve kan worden geconcludeerd:
Het vrije verkeer van diensten en richtlijn 93/37 staan niet eraan in de weg dat in het nationale recht of in de aanbestedingsvoorwaarden van aannemers uit andere lidstaten voor deelneming aan een procedure van plaatsing van een overheidsdracht wordt geëist dat zij zich fiscaal laten registreren, voor zover die registratieprocedure
– de deelneming van die aannemers aan een aanbestedingsprocedure bemoeilijkt noch vertraagt en voor hen ook geen extra administratieve kosten meebrengt, en
– beperkt blijft tot de vaststelling en de attestering van de professionele geschiktheid en betrouwbaarheid van deze aannemers in de zin van artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37.
2. Verenigbaarheid met het recht van de Unie van het onderzoek van buitenlandse bewijzen door een andere instantie dan de aanbestedende dienst (tweede prejudiciële vraag)
65. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of buitenlandse aannemers voor deelneming aan een aanbestedingsprocedure kunnen worden verplicht, de geldigheid van de door de autoriteiten van hun land van herkomst afgegeven getuigschriften dat zij hun belastingen en socialezekerheidsbijdragen volgens de regels hebben voldaan, door een andere instantie dan de aanbestedende dienst – in het onderhavige geval de registratiecommissie – te laten toetsen. Ook deze vraag dient te worden beantwoord tegen de achtergrond van het „beginsel van het vrije verkeer in de Europese Unie” en van artikel 24, tweede alinea, van richtlijn 93/37.
66. Zoals gezegd(58), is voor de beantwoording van deze vraag alleen richtlijn 93/37 relevant, die echter dient te worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de beginselen inzake het vrije verkeer van diensten.
67. Bij nadere beschouwing worden in deze vraag twee problemen aan de orde gesteld, die ik achtereenvolgens zal behandelen. Enerzijds dient te worden nagegaan of het onderzoek van getuigschriften in de zin artikel 24, tweede alinea, van richtlijn 93/37 aan een andere instantie dan de aanbestedende dienst mag worden toevertrouwd (dit wordt behandeld sub a hieronder). Anderzijds dient te worden bepaald, waarop dat onderzoek betrekking mag hebben (dit wordt behandeld sub b hieronder).
a) De mogelijkheid om het onderzoek van getuigschriften aan een andere instantie dan de aanbestedende dienst toe te vertrouwen
68. In de bepalingen van richtlijn 93/37 over de criteria voor de kwalitatieve selectie wordt er zonder meer van uitgegaan dat de aanbestedende dienst zelf onderzoekt of aan deze criteria is voldaan. Zo is in artikel 24, tweede alinea, van de richtlijn sprake van de bewijzen die de aanbestedende dienst van de aannemer kan verlangen, en ook in daaropvolgende bepalingen, bijvoorbeeld in artikel 26, leden 2 en 3, en artikel 27, lid 2, van de richtlijn, komen soortgelijke formuleringen voor. Bovendien wordt in artikel 28 van de richtlijn bepaald dat de aanbestedende dienst kan verlangen dat de aannemer de overgelegde getuigschriften en bescheiden aanvult of nader toelicht.
69. Dit alles sluit echter niet uit dat nationale bepalingen de toetsing aan bepaalde criteria voor de kwalitatieve selectie kunnen opdragen aan een gespecialiseerde instantie op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau, of dat de aanbestedende dienst in een concreet geval uit eigen beweging een dergelijke instantie inschakelt. Dit kan niet alleen nuttig zijn wanneer het gaat om de beoordeling van bijzonder ingewikkelde kwesties betreffende de financiële en economische draagkracht en de technische bekwaamheid van de aannemer voor een bepaalde overheidsopdracht (artikelen 26 en 27 van richtlijn 93/37), maar bijvoorbeeld ook wanneer de aanbestedende diensten door een gecentraliseerd onderzoek van de professionele geschiktheid van aannemers kunnen worden ontlast (artikel 24 van richtlijn 93/37).
70. Instellingen zoals de Belgische registratiecommissies zijn dergelijke gespecialiseerde instanties. Zij onderzoeken centraal de professionele geschiktheid van aannemers die in voorkomend geval aan aanbestedingsprocedures willen deelnemen. Op die manier ontlasten zij de aanbestedende diensten en zorgen zij bovendien voor enige uniformiteit in de beoordeling van de aannemers.
71. Wanneer gespecialiseerde instanties zoals registratiecommissies met het onderzoek van de professionele geschiktheid van aannemers voor deelneming aan aanbestedingsprocedures worden belast, moet echter worden gewaarborgd dat daaruit voor de betrokken aannemers geen nadelen voortvloeien.
– Dit betekent enerzijds dat de deelneming van de aannemers aan een aanbestedingsprocedure bemoeilijkt noch vertraagd mag worden en dat de aannemers daardoor ook geen extra administratieve kosten mogen opkomen.(59)
– Anderzijds moet ook de gespecialiseerde instantie zelf waarborgen dat zij de geschiktheid van de aannemers overeenkomstig de bepalingen van de relevante richtlijnen inzake plaatsing van overheidsopdrachten en de daaraan ten grondslag liggende beginselen van het vrije verkeer van diensten zal onderzoeken.
72. Wat het eerste punt betreft, was in het onderhavige geval weliswaar niet bepaald binnen welke termijn de registratiecommissie op een verzoek tot registratie diende te beslissen, doch in de aanbestedingsvoorwaarden voor het Berlaymont-gebouw was gegarandeerd dat daaruit voor de betrokken aannemers geen nadeel zou voortvloeien. Zoals gezegd, volstond het bewijs van een gewoon verzoek tot registratie voor de geldigheid van de inschrijving, en als aanbestedende dienst had Berlaymont 2000 zich ertoe verbonden de opdracht niet te plaatsen vóór de registratieprocedure was afgesloten (artikel 1.G van de gerectificeerde versie van het bijzondere bestek(60)).
73. Het tweede punt, namelijk de garantie dat de registratiecommissie de unierechtelijke bepalingen in acht neemt, is problematischer.
74. In dit verband heeft de Commissie terecht gewezen op de regels betreffende de samenstelling van de Belgische registratiecommissies. Deze bestaan in meerderheid uit personen die worden benoemd op voorstel van de werkgevers en werknemers uit het bouwbedrijf op het niveau van een Belgische provincie (artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 1978). De registratiecommissie wordt weliswaar voorgezeten door een door de staat benoemd lid (artikel 16, § 2, van dat koninklijk besluit), doch het is niet gegarandeerd dat de door de staat benoemde leden, bijvoorbeeld door de uitoefening van een vetorecht, met het unierecht strijdige beslissingen kunnen verhinderen.
75. Deze samenstelling en arbeidsmethode van de registratiecommissies wekken de schijn van partijdigheid(61), ook al gaat men ervan uit dat elk lid persoonlijk met de beste bedoelingen is bezield. Buitenlandse aannemers die worden geconfronteerd met de eis dat zij hun geschiktheid moeten laten beoordelen en vaststellen door vertegenwoordigers van hun potentiële concurrenten en van de werknemers van die concurrenten, kunnen daardoor ernstig worden afgeschrikt van deelneming aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken in België.
76. Anders dan de Belgische regering stelt, kan deze schijn van partijdigheid niet worden weggewerkt door de enkele omstandigheid dat de beslissingen van de registratiecommissies met redenen moeten worden omkleed en dat daartegen voor de rechter kan worden opgekomen. Wanneer een buitenlandse aannemer zich voor deelneming aan een bepaalde aanbestedingsprocedure moet laten registreren, zoals voor WIG en BPC-WIG het geval was voor deelneming aan de Berlaymont-opdracht, kan van hem niet worden gevergd dat hij deze registratie eerst nog in een langdurige en veel kosten meebrengende procedure voor de rechter afdwingt. Bovendien zal zelfs een arrest van de aangezochte rechter waarbij hij in het gelijk wordt gesteld, in de regel te laat komen om de aannemer de mogelijkheid te bieden aan de aanbestedingsprocedure deel te nemen.
77. Kortom, registratiecommissies met de in het koninklijk besluit van 1978 voorgeschreven samenstelling en arbeidsmethode bieden niet voldoende garantie dat de unierechtelijke voorschriften in acht worden genomen. Dergelijke instanties kunnen bijgevolg niet worden belast met de vaststelling, overeenkomstig artikel 24 van richtlijn 93/37, van de professionele geschiktheid van aannemers uit andere lidstaten voor deelneming aan een aanbestedingsprocedure.
b) Omvang van het onderzoek van getuigschriften uit het land van herkomst
78. Verder dient nog te worden besproken, in welke omvang in het land van herkomst afgegeven fiscale en sociaalrechtelijke getuigschriften van geen bezwaar, zoals die welke WIG in het onderhavige geval heeft voorgelegd, mogen worden onderzocht. De verwijzende rechter heeft het in zijn prejudiciële vraag over een onderzoek van de „geldigheid” van de buitenlandse getuigschriften door de registratiecommissies, zonder echter nader aan te geven wat daarmee wordt bedoeld.
79. De bij de procedure betrokken partijen zijn het niet eens over de juiste omvang van de onderzoeksbevoegdheden van de Belgische registratiecommissies. Waar Berlaymont 2000 ervan uitgaat dat deze bevoegdheden in overeenstemming zijn met richtlijn 93/37, is de Commissie van mening dat zij veel verder gaan dan richtlijn 93/37 toestaat. De Commissie verwijst daarvoor naar artikel 10, § 2, van het koninklijk besluit van 1978, volgens hetwelk de registratiecommissie aan de aanvrager kan vragen dat hij andere stukken voorlegt of gegevens verstrekt waarvan zij meent dat ze nuttig kunnen zijn om te beoordelen of de voorwaarden voor registratie zijn vervuld.
80. In dit verband dient te worden opgemerkt dat de bevoegdheden van een overheidsinstantie die met het onderzoek van de professionele geschiktheid van aannemers voor deelneming aan aanbestedingsprocedures is belast, in overeenstemming met de bepalingen van het unierecht moeten worden uitgelegd en toegepast. Volgens artikel 28 van richtlijn 93/37 kan van een aannemer alleen worden verlangd dat hij „binnen de grenzen van de artikelen 24 tot en met 27” de overgelegde getuigschriften en bescheiden aanvult of nader toelicht. Voor zover het nationale recht de Belgische registratiecommissies zou toestaan, van de aannemers gegevens en bescheiden te verlangen waarin richtlijn 93/37 niet voorziet, mag van deze bevoegdheid geen gebruik worden gemaakt jegens een aannemer uit een andere lidstaat.(62)
81. Volgens artikel 24, tweede alinea, tweede streepje, van richtlijn 93/37 „aanvaardt” de aanbestedende dienst (of de andere instantie die in voorkomend geval met het onderzoek van de professionele geschiktheid is belast) „als voldoende bewijs” van de betrouwbaarheid van een aannemer ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen het door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat afgegeven getuigschrift.
82. Reeds de strikte bewoordingen „aanvaardt […] als voldoende bewijs” wijzen erop dat de overheidsinstanties in de lidstaat waar de aanbestedingsprocedure plaatsvindt, in geval van overlegging van een dergelijk getuigschrift geen beoordelingsmarge meer hebben. Bijgevolg is het de aanbestedende dienst of de andere met het onderzoek belaste instantie niet toegestaan het door de overheidsinstanties van het land van herkomst geattesteerde inhoudelijk op zijn juistheid te toetsten.
83. Dit blijkt ook uit de aan richtlijn 93/37 ten grondslag liggende waardering van het vrije verkeer van diensten, die zoals bekend bij de uitlegging en de toepassing van deze richtlijn in acht moet worden genomen. Het is immers in beginsel in strijd met het vrije verkeer van diensten om een dienstverrichter te onderwerpen aan beperkingen ter bescherming van het algemeen belang, voor zover dit belang reeds wordt beschermd door de regels waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd.(63) Of een aannemer in zijn land van herkomst volgens de regels belastingen en socialezekerheidsbijdragen heeft betaald, is door de overheidsinstanties van het land van herkomst bij de afgifte van het getuigschrift onderzocht; bijgevolg verbiedt het vrije verkeer van diensten, ter verwezenlijking waarvan artikel 24 van richtlijn 93/37 is vastgesteld, dat dit punt – namelijk de fiscale en sociaalrechtelijke betrouwbaarheid in het land van herkomst – door de bevoegde instanties van het land van aanbesteding opnieuw inhoudelijk wordt onderzocht.
84. Kortom, de aanbestedende dienst of de met de vaststelling van de betrouwbaarheid van aannemers belaste instantie mag alleen onderzoeken of een uit het land van herkomst afkomstig getuigschrift van recente datum is, echt is en niet door een kennelijk onbevoegde instantie is afgegeven. Meer dan een dergelijke marginale toetsing mag niet worden verricht, omdat de overheidsinstanties van de lidstaat van aanbesteding niet bevoegd zijn om detailpunten betreffende de bevoegdheid of de procedure voor de afgifte van dergelijke getuigschriften in het land van herkomst van de aannemer te beoordelen.
85. Dit doet uiteraard niets af aan de bevoegdheid van de overheidsinstanties van de lidstaat van aanbesteding om te onderzoeken, of de aannemer in het eigen land – dit wil zeggen in de lidstaat waar de diensten zullen worden verricht – zijn verplichtingen ter zake van de betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen is nagekomen, en een prognose te stellen of hij ook met betrekking tot toekomstige overheidsopdrachten deze verplichtingen kan nakomen.
86. Bijgevolg kan worden geconcludeerd:
Artikel 24, tweede alinea, tweede streepje, van richtlijn 93/37 verbiedt niet dat buitenlandse aannemers voor deelneming aan een aanbestedingsprocedure worden verplicht, de door de autoriteiten van hun land van herkomst afgegeven getuigschriften dat zij hun belastingen en socialezekerheidsbijdragen volgens de regels hebben voldaan, door een andere instantie dan de aanbestedende dienst te laten toetsen, voor zover die instantie
– wat de samenstelling en de arbeidsmethode ervan betreft, voldoende garantie biedt dat de unierechtelijke voorschriften in acht worden genomen, en
– zich in het kader van een summiere toetsing ertoe beperkt, zonder twijfel vast te stellen dat het uit het land van herkomst afkomstige getuigschrift van recente datum is, echt is en niet door een kennelijk onbevoegde instantie is afgegeven.
Voor zover het nationale recht van deze instantie toestaat, van aannemers gegevens en bescheiden te verlangen waarin richtlijn 93/37 niet voorziet, mag van deze bevoegdheid geen gebruik worden gemaakt jegens een aannemer uit een andere lidstaat.
VI – Conclusie
87. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Belgische Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
1) Het vrije verkeer van diensten en richtlijn 93/37/EEG staan niet eraan in de weg dat in het nationale recht of in de aanbestedingsvoorwaarden van aannemers uit andere lidstaten als voorwaarde voor deelneming aan een procedure van plaatsing van een overheidsdracht wordt geëist dat zij zich fiscaal laten registreren, voor zover die registratieprocedure
– de deelneming van die aannemers aan een aanbestedingsprocedure bemoeilijkt noch vertraagt en voor hen ook geen extra administratieve kosten meebrengt, en
– beperkt blijft tot de vaststelling en de attestering van de professionele geschiktheid en betrouwbaarheid van deze aannemers in de zin van artikel 24, eerste alinea, van richtlijn 93/37.
2) Artikel 24, tweede alinea, tweede streepje, van richtlijn 93/37 verbiedt niet dat buitenlandse aannemers voor deelneming aan een aanbestedingsprocedure worden verplicht, de door de autoriteiten van hun land van herkomst afgegeven getuigschriften dat zij hun belastingen en socialezekerheidsbijdragen volgens de regels hebben voldaan, door een andere instantie dan de aanbestedende dienst te laten toetsen, voor zover die instantie
– wat de samenstelling en de arbeidsmethode ervan betreft, voldoende garantie biedt dat de unierechtelijke voorschriften in acht worden genomen, en
– zich in het kader van een summiere toetsing ertoe beperkt, zonder twijfel vast te stellen dat het uit het land van herkomst afkomstige getuigschrift van recente datum is, echt is en niet door een kennelijk onbevoegde instantie is afgegeven.
Voor zover het nationale recht van deze instantie toestaat, van aannemers gegevens en bescheiden te verlangen waarin richtlijn 93/37 niet voorziet, mag van deze bevoegdheid geen gebruik worden gemaakt jegens een aannemer uit een andere lidstaat.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest van 3 april 2008, Rüffert (C‑346/06, Jurispr. blz. I‑1989); in die zaak ging het om de vraag of aannemers die deelnemen aan een procedure van plaatsing van een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken, mogen worden verplicht het loon te betalen dat op de plaats van uitvoering bij collectieve arbeidsovereenkomst is vastgesteld.
3 – De naam „Berlaymont” is afkomstig van een klooster van de augustijnerorde. Vroeger bevond zich op de plaats van het huidige gebouw van de Commissie een ongeveer twee hectare groot park met het nonnenklooster van de „Dames du Berlaymont”.
4 – Richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 199, blz. 5), hierna: richtlijn 93/37.
5 – Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114, met rectificatie in PB L 351, blz. 44).
6 – Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in de versie van het Verdrag van Maastricht.
7 – Thans zijn de bepalingen betreffende het vrije verkeer van diensten neergelegd in de grotendeels gelijkluidende artikelen 56 VWEU en 57 VWEU.
8 – Gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 1977, blz. 9539 (hierna: „koninklijk besluit van 1977”). De relevante bepalingen waren tot 23 februari 1997 van kracht.
9 – Gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 oktober 1978, blz. 11707 (hierna: „koninklijk besluit van 1978”). De relevante versie van dit besluit was tot 1 augustus 1996 van kracht.
10 – Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse vertaling.
11 – Destijds: Commissie van de Europese Gemeenschappen.
12 – Hierna: Berlaymont 2000.
13 – Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse vertaling.
14 – Hierna ook: Berlaymont-opdracht.
15 – Dit komt overeen met ongeveer 34,7 miljoen EUR.
16 – PB 1994, S 247, blz. 107.
17 – PB 1995, S 32, blz. 13.
18 – WIG werd op 24 juli 1995 en BPC-WIG op 28 juli 1995 geregistreerd.
19 – Finanzamt Köln-Mitte.
20 – „Getuigschrift van geen bezwaar”, afgegeven door het AOK-Bundesverband.
21 – Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse vertaling.
22 – Arrest nr. 79.191 van de Zesde kamer van de Belgische Raad van State.
23 – Zaak nr. 1996/7808/A.
24 – Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse vertaling.
25 – Arrest nr. 2007/2058.
26 – Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse vertaling.
27 – De opmerkingen van België hadden uitsluitend betrekking op de tweede vraag.
28 – Arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a. (C‑320/90 – C‑322/90, Jurispr. blz. I‑393, punt 6); 17 februari 2005, Viacom Outdoor (C‑134/03, Jurispr. blz. I‑1167, punt 22); 6 december 2005, ABNA e.a. (C‑453/03, C‑11/04, C‑12/04 en C‑194/04, Jurispr. blz. I‑10423, punt 45), en 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International („Liga Portuguesa”, C‑42/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40).
29 – Beschikking van 7 april 1995, Grau Gomis e.a. (C‑167/94, Jurispr. blz. I‑1023, punt 9), alsmede de arresten ABNA e.a. (aangehaald in voetnoot 28, punt 46) en Liga Portuguesa (aangehaald in voetnoot 28, punt 40).
30 – Arresten van 1 april 1982, Holdijk e.a. (141/81 – 143/81, Jurispr. blz. 1299, punt 6), en 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld (C‑303/05, Jurispr. blz. I‑3633, punt 20), alsmede beschikking van 8 juli 1998, Agostini (C‑9/98, Jurispr. blz. I‑4261, punt 5).
31 – Destijds gold de versie van de wenken die was bekendgemaakt in PB 2005, C 143, blz. 1. De thans geldende versie is bekendgemaakt in PB 2009, C 297, blz. 1. Een bijgewerkte versie van de wenken staat op de website van het Hof van Justitie onder onder de rubriek Hof van Justitie/Procedure.
32 – Zie in die zin arrest van 10 maart 2009, Heinrich (C‑345/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 35), en arrest Liga Portuguesa (aangehaald in voetnoot 28, punten 41 en 42).
33 – Arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf (C‑355/97, Jurispr. blz. I‑4977, punt 22); 22 december 2008, Regie Networks (C‑333/07, Jurispr. blz. I‑10807, punt 46), en 8 september 2009, Budejovicky Budvar (C‑478/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 63).
34 – Arrest van 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering (C‑212/06, Jurispr. blz. I‑1683, punt 29); zie ook de in voetnoot 33 aangehaalde rechtspraak.
35 – Volgens de door de Commissie verstrekte gegevens, die door de Belgische regering ter terechtzitting voor het Hof zijn bevestigd, is het registratievereiste afgeschaft bij het koninklijk besluit van 31 juli 2008 tot wijziging van sommige koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten (Belgisch Staatsblad van 18 augustus 2008, blz. 43572).
36 – Dit kan verband houden met het feit dat een registratievereiste als dat waarover de eerste prejudiciële vraag gaat, inmiddels in België niet meer wordt gesteld (cf. voetnoot 35).
37 – Thans de artikelen 56 VWEU en 57 VWEU.
38 – Arresten van 13 december 2001, DaimlerChrysler (C‑324/99, Jurispr. blz. I‑9897, punt 32); 14 december 2004, Swedish Match (C‑210/03, Jurispr. blz. I‑11893, punt 81), en 1 oktober 2009, HSBC Holdings en Vidacos Nominees (C‑569/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 26).
39 – Arresten van 27 november 2001, Lombardini en Mantovani (C‑285/99 en C‑286/99, Jurispr. blz. I‑9233, punt 33); 12 december 2002, Universale-Bau e.a. (C‑470/99, Jurispr. blz. I‑11617, punt 88), en 16 december 2008, Michaniki (C‑213/07, Jurispr. blz. I‑9999, punt 38).
40 – Arrest Michaniki (aangehaald in voetnoot 39, punt 43); zie in dezelfde zin arresten van 9 februari 2006, La Cascina e.a. (C‑226/04 en C‑228/04, Jurispr. blz. I‑1347, punt 22), en 19 mei 2009, Assitur (C‑538/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 20), telkens met betrekking tot het daarmee inhoudelijk overeenstemmende artikel 29 van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1).
41 – Volgens vaste rechtspraak strekken de unierechtelijke voorschriften inzake overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken onder andere tot verwezenlijking van het vrij verrichten van diensten (cf. arrest van 15 januari 1998, Mannesmann Anlagenbau Austria e.a., C‑44/96, Jurispr. blz. I‑73, punt 43; arrest Michaniki, aangehaald in voetnoot 39, punt 39, en arrest van 9 juni 2009, Commissie/Duitsland, C‑480/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 47); eveneens volgens vaste rechtspraak dienen de bepalingen van het afgeleide recht in overeenstemming met het primaire recht te worden uitgelegd en toegepast (cf. arresten van 13 december 1983, Commissie/Raad, 218/82, Jurispr. blz. 4063, punt 15; 26 juni 2007, Orde van Franstalige en Duitstalige balies e.a., C‑305/05, Jurispr. blz. I‑5305, punt 28, en 19 november 2009, Sturgeon e.a., C‑402/07 en C‑432/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48).
42 – Zie in die zin reeds arrest van 10 februari 1982, Transporoute et travaux („Transporoute“, 76/81, Jurispr. blz. 417, punten 12 en 13), met betrekking tot artikel 28 van richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 185, blz. 5), een van de richtlijnen die aan richtlijn 93/37 zijn voorafgegaan.
43 – Zie reeds arrest Transporoute (aangehaald in voetnoot 42, punt 15) en arrest van 26 september 2000, Commissie/Frankrijk (C‑225/98, Jurispr. blz. I‑7445, punt 87), beide nog met betrekking tot richtlijn 71/305.
44 – In dezelfde zin arrest Transporoute (aangehaald in voetnoot 42, punt 10), waarin het Hof summier onderzoekt of de aldaar aan de orde zijnde vestigingsvergunning de beoordeling van de financiële en economische draagkracht van de onderneming – een volgens richtlijn 71/305 geoorloofd criterium – met het oog op de deelneming van die onderneming aan overheidsopdrachten kan dienen.
45 – Bijzonder duidelijk is in dit verband de tekst van artikel 2, § 1, sub 11°, van het koninklijk besluit van 1978, dat verwijst naar de door de (Belgische) Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te innen bijdragen en naar de bijdragen voor de (Belgische) Fondsen voor bestaansrzekerheid. De nakoming van de verplichtingen ter zake van belastingen en sociale zekerheid in het land van herkomst wordt daarentegen geregeld in artikel 15, § 4, sub a, van het koninklijk besluit van 1977.
46 – Zie, representatief voor vele, arresten van 18 november 1999, Teckal (C‑107/98, Jurispr. blz. I‑8121, punt 33); 3 oktober 2000, Corsten (C‑58/98, Jurispr. blz. I‑7919, punt 24), en 23 april 2009, Angelidaki e.a. (C‑378/07 – C‑380/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48).
47 – Arrest Michaniki (aangehaald in voetnoot 39, punten 44, 45, 47, 55 en 63 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 – Arrest Michaniki (aangehaald in voetnoot 39, punten 39, 53, 60 en 63 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 – Arrest Michaniki (aangehaald in voetnoot 39, punt 41); zie in dezelfde zin arresten Transporoute (aangehaald in voetnoot 42, punt 9) en La Cascina (aangehaald in voetnoot 40, punt 21).
50 – Arrest van 22 januari 2002, Canal Satélite Digital (C‑390/99, Jurispr. blz. I‑607, punt 39).
51 – Zie in die zin arrest Corsten (aangehaald in voetnoot 46, punten 47 en 48) en arrest van 11 december 2003, Schnitzer (C‑215/01, Jurispr. blz. I‑14847, punten 36 en 37), beide met betrekking tot het vereiste van inschrijving in het ambachtsregister van de lidstaat waar de dienst wordt verricht.
52 – Daarin verschilt het onderhavige geval van de zaken Corsten (aangehaald in voetnoot 46) en Schnitzer (aangehaald in voetnoot 51), waarin het vereiste van inschrijving in het Duitse ambachtsregister aanzienlijke vertraging voor het grensoverschrijdend verrichten van diensten meebracht.
53 – Arrest van 9 november 2006, Commissie/België (C‑433/04, Jurispr. blz. I‑10653).
54 – Arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 53, punten 13 en 14).
55 – Bepaald was dat bij ontbreken van registratie enerzijds een bedrag van 15 % van de gefactureerde prijs moest worden ingehouden en anderzijds de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk was voor de belastingschulden van de opdrachtnemer ten belope van 35 % van de prijs van de te verrichten werkzaamheden (arrest Commissie/België, aangehaald in voetnoot 53, punten 30 en 31).
56 – Zie punt 49 van de onderhavige conclusie.
57 – Rekwiranten in het hoofdgeding, de Tsjechische regering en de Commissie.
58 – Zie punten 43 en 44 van de onderhavige conclusie.
59 – Zie mijn bespreking van de eerste prejudiciële vraag, inzonderheid punt 52 van de onderhavige conclusie.
60 – Zie hierboven punt 18 van de onderhavige conclusie.
61 – Over het vereiste van een onpartijdige goedkeuringsprocedure: zie bijvoorbeeld arrest van 13 mei 2003, Müller-Fauré en van Riet (C‑385/99, Jurispr. blz. I‑4509, punt 85); bezwaren tegen de medewerking van potentiële concurrenten aan de administratieve goedkeuring komen bijvoorbeeld tot uiting in de arresten van 1 juli 2008, MOTOE (C‑49/07, Jurispr. blz. I‑4863, punten 51 en 52), en 10 maart 2009, Hartlauer (C‑169/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 69); zie bovendien ook arrest van 19 september 2006, Wilson (C‑506/04, Jurispr. blz. I‑8613, punten 54‑58), over de aanwezigheid van potentiële concurrenten in de disciplinaire en administratieve organen van beroepsorganisaties.
62 – Over de voorrang van het unierecht voor de nationale overheden: zie arresten van 22 juni 1989, Costanzo (103/88, Jurispr. blz. 1839, punten 29‑33), en 12 januari 2010, Petersen (C‑341/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 80).
63 – Arrest van 17 december 1981, Webb (279/80, Jurispr. blz. 3305, punt 17), en arresten Canal Satélite Digital (aangehaald in voetnoot 50, punt 38), en Commissie/België (aangehaald in voetnoot 53, punt 37).
Full & Egal Universal Law Academy