CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 18 mei 2010 (1)
Zaak C‑87/09
Ingrid Putz
tegen
Medianess Electronics GmbH
[verzoek van het Amtsgericht Schorndorf (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Bescherming van consument – Verkoop van consumptiegoederen – Artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 1999/44/EG – Niet-conforme consumptiegoederen die door consument zijn ingebouwd – Recht op vervanging van niet-conforme goederen – Omvang – Geen aansprakelijkheid van verkoper voor kosten van demontage van gebrekkige goed en inbouw van vervangende goed zonder gebreken”
I – Inleiding
1. Bij beslissing van 25 februari 2009, bij het Hof binnengekomen op 2 maart 2009, heeft het Amtsgericht Schorndorf (Duitsland) het Hof overeenkomstig artikel 234 EG verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (hierna: „richtlijn”).(2)
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen mevrouw Ingrid Putz en Medianess Electronics GmbH (hierna: „Medianess Electronics”) betreffende de aankoop van een vaatwasser die gebrekkig bleek te zijn. Na de verkoopovereenkomst te hebben ontbonden, vordert Putz in dat verband vergoeding van de aankoopprijs in ruil voor teruggave van de gebrekkige vaatwasser.
3. De verwijzende rechter wenst met zijn vragen in wezen te vernemen of ingevolge de bepalingen van artikel 3 van de richtlijn, in een geval waarin een gebrekkig consumptiegoed, zoals in casu een vaatwasser, in overeenstemming wordt gebracht door middel van vervanging, de koper de kosten van demontage van het gebrekkige goed en daarnaast de kosten van inbouw van het nieuwe goed zonder gebreken, voor zijn rekening moet nemen.
4. De vraagstukken in deze zaak overlappen gedeeltelijk met die in zaak C‑65/09(3), waarin ik heden eveneens conclusie neem.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
5. De richtlijn is vastgesteld op grond van artikel 95 EG. In punt 1 van haar considerans wordt eraan herinnerd dat de Europese Gemeenschap volgens artikel 153, leden 1 en 3, EG bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van de maatregelen die zij op grond van artikel 95 EG neemt.
6. In punt 10 van de considerans van de richtlijn wordt verklaard dat „in geval van niet-overeenstemming van de goederen met de overeenkomst, de consument het recht moet hebben om de goederen kosteloos met de overeenkomst in overeenstemming te laten brengen, waarbij hij kan kiezen tussen herstel of vervanging, of, bij gebreke daarvan, recht moet hebben op een prijsvermindering of op ontbinding van de overeenkomst”.
7. Punt 11 van de considerans van de richtlijn luidt als volgt:
„Overwegende dat de consument in eerste instantie van de verkoper kan verlangen dat deze de goederen herstelt of vervangt tenzij deze vormen van genoegdoening onmogelijk of buiten verhouding zijn; dat het al dan niet buiten verhouding zijn van een vorm van genoegdoening objectief moet worden vastgesteld; dat een bepaalde vorm van genoegdoening buiten verhouding is als hij, vergeleken met de andere vorm van genoegdoening onredelijke kosten met zich brengt; dat de kosten van een vorm van genoegdoening onredelijk zijn als zij beduidend hoger liggen dan de kosten van de andere vorm van genoegdoening.”
8. In artikel 3, „Rechten van de consument”, van de richtlijn wordt bepaald:
„1. De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van de goederen.
2. In geval van gebrek aan overeenstemming, heeft de consument het recht dat de goederen kosteloos door herstelling of vervanging in overeenstemming worden gebracht, overeenkomstig lid 3, of dat de prijs op passende wijze wordt verminderd of dat de koopovereenkomst met betrekking tot deze goederen wordt ontbonden, overeenkomstig de leden 5 en 6.
3. In eerste instantie heeft de consument het recht om van de verkoper het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging van de goederen te verlangen behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn.
Een vorm van genoegdoening wordt geacht buiten verhouding te zijn indien zij voor de verkoper kosten meebrengt die, vergeleken met de alternatieve vorm van genoegdoening onredelijk zijn [...].
Herstelling of vervanging moet, rekening houdend met de aard van de goederen en het gebruik van de goederen dat de consument wenste, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument plaatsvinden.
4. De term ‚kosteloos’ in de leden 2 en 3 heeft betrekking op de kosten die gemaakt moeten worden om de goederen in overeenstemming te brengen, met name de kosten van verzending, loon en materiaal.
5. De consument kan een passende prijsvermindering of de ontbinding van de koopovereenkomst verlangen:
– indien hij geen aanspraak kan maken op herstelling of vervanging, of
– indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn tot genoegdoening is overgegaan, of
– indien de verkoper niet zonder ernstige overlast voor de consument tot genoegdoening is overgegaan.
[…]”
9. Artikel 8, „Nationaal recht en minimum aan bescherming”, van de richtlijn luidt als volgt:
„1. De uit deze richtlijn voortvloeiende rechten worden uitgeoefend onverminderd andere rechten die de consument krachtens nationale voorschriften inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid kan doen gelden.
2. De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere voorschriften vaststellen of handhaven voor zover deze met het Verdrag verenigbaar zijn, teneinde de consument een hogere graad van bescherming te verzekeren.”
B – Nationaal recht
10. Als een afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, heeft de koper ingevolge § 437 van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) de volgende rechten:
„Wanneer de zaak een gebrek vertoont, kan de koper, indien de voorwaarden van de hierna volgende bepalingen zijn vervuld en behoudens andersluidende bepaling:
1. correcte nakoming verlangen overeenkomstig § 439;
2. de overeenkomst ontbinden [...], of overeenkomstig § 441 de koopprijs verlagen;
3. schadevergoeding [...] of vergoeding van kosten [...] vorderen.”
11. § 439 BGB, „Correcte nakoming”, waarbij artikel 3 van de richtlijn in Duits recht is omgezet, bepaalt het volgende:
„1. De koper kan naar goeddunken ofwel herstel van het gebrek, ofwel de levering van een zaak zonder gebreken verlangen.
2. De verkoper draagt de kosten die moeten worden gemaakt met het oog op correcte nakoming, in het bijzonder de kosten van vervoer, verzending, arbeid en materiaal.
3. Onverminderd het bepaalde in § 275, leden 2 en 3, heeft de verkoper het recht de door de koper gekozen vorm van correcte nakoming te weigeren indien de kosten daarvan buiten verhouding zouden zijn. Daarbij dient met name rekening te worden gehouden met de waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, met de ernst van het gebrek aan overeenstemming, en met de vraag of de alternatieve vorm van correcte nakoming concreet mogelijk is zonder ernstige overlast voor de koper. In dat geval kan de koper enkel aanspraak maken op de alternatieve vorm van correcte nakoming, zulks onverminderd het recht van de verkoper om ook deze te weigeren indien aan de in de eerste volzin geformuleerde voorwaarden is voldaan.
4. Indien de verkoper bij wijze van correcte nakoming een zaak zonder gebreken levert, kan hij overeenkomstig §§ 346 tot en met 348 van de koper teruggave van de gebrekkige zaken verlangen.”
III – Feiten, procesverloop en prejudiciële vragen
12. Putz heeft als consument via het Internet een nieuwe roestvrijstalen vaatwasser van het type Bomann GSP 627 IX bij Medianess Electronics, de verkoper, besteld voor de prijs van 367 EUR plus 9,52 EUR aan rembourskosten. Overeengekomen werd dat de afwasmachine tot aan de huisdeur geleverd zou worden. Aldus werd het goed op 25 april 2008 door Medianess Electronics afgeleverd en de koopprijs bij levering betaald.
13. Nadat Putz de vaatwasser in haar huis had ingebouwd, bleek van een gebrek waarover zij haar beklag deed bij de verkoper. Een door de verkoper gestuurde monteur stelde vast, dat het hier niet ging om een installatiefout maar dat het gebrek aan de machine zelf lag.
14. Volgens de verwijzende rechter is niet in geschil dat het gebrek niet kan worden verholpen, zodat voor correcte nakoming van de overeenkomst enkel vervanging van het gebrekkige goed in overweging kan worden genomen. Er is ook geen bewijs van schuld van de verkoper.
15. Na vervanging van het gebrekkige goed te zijn overeengekomen, verzocht Putz, bij e-mail van 13 juni 2008, dat Medianess Electronics niet alleen een vaatwasser zonder gebreken zou leveren, maar ook dat zij de gebrekkige machine in haar keuken zou demonteren en de nieuwe inbouwen, hetgeen Medianess Electronics weigerde bij e-mail van 17 juni 2008.
16. Omdat Medianess Electronics niet antwoordde op een later verzoek met diezelfde strekking, zag Putz van de koopovereenkomst af en vorderde zij in het hoofdgeding vergoeding van de verkoopprijs in ruil voor teruggave van de gebrekkige vaatwasser.
17. Volgens de verwijzende rechter mag een koper overeenkomstig de relevante bepalingen van het BGB de overeenkomst ontbinden en vergoeding van de aankoopprijs verlangen indien het geleverde goed gebreken vertoont en de verkoper tevergeefs in gebreke is gesteld, tenzij dit uitzonderlijk niet nodig is, bijvoorbeeld omdat de verkoper oprecht en definitief nakoming van zijn contractuele verplichtingen weigert.
18. De koper zal de verkoper echter enkel rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld indien hij uitsluitend nakoming verlangt van datgene waarop hij recht heeft, bij gebreke waarvan ontbinding van de overeenkomst niet mogelijk is, behoudens enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn.
19. De oplossing van de onderhavige zaak hangt in de ogen van de verwijzende rechter dus af van de vraag of Putz mocht verlangen dat de verkoper de gebrekkige machine zou demonteren (het vraagstuk dat in de tweede prejudiciële vraag aan de orde komt) en de nieuwe machine zou inbouwen (het vraagstuk dat in de eerste prejudiciële vraag aan de orde komt), of verlangen dat de verkoper de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening zou nemen.
20. De verwijzende rechter vestigt er in dat verband de aandacht op dat naar Duits recht, meer bepaald § 439(1) BGB, de verkoper ingeval van nalevering, niet los van zijn aansprakelijkheid gehouden is om het goed zonder gebreken in te bouwen of om de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening te nemen, zelfs wanneer de verkoper vóór ontdekking van het gebrek, het gebrekkige goed deugdelijk heeft ingebouwd en aangesloten in een apart element.
21. De vraag of de verkoper in het kader van een nalevering, los van de schuldvraag gehouden is om in een dergelijke situatie het gebrekkige product te demonteren of de daarmee gepaard gaande kosten van zijn rekening te nemen, is een geschilpunt dat naar Duits recht moet worden opgelost. Anders dan de tot nu toe overheersende opvatting was, lijkt het Bundesgerichtshof nu te overwegen dat een dergelijke vordering van de koper – uitsluitend – op basis van een richtlijnconforme uitlegging van de relevante nationale bepalingen tot de mogelijkheden behoort, reden waarom die rechter die vraag in zaak C‑65/09 naar het Hof van Justitie heeft verwezen.
22. Omdat het Hof misschien niet aan beantwoording van de vraag zal toekomen, omdat het Bundesgerichtshof die afhankelijk heeft gesteld van het antwoord op een andere prejudiciële vraag, heeft het Amtsgericht Schorndorf dit vraagstuk ook in de onderhavige zaak opgeworpen.
23. Tegen die achtergrond heeft het Amtsgericht, als rechter in laatste aanleg in deze zaak, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1. Moeten artikel 3, lid 2, en lid 3, derde alinea, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, in die zin worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de verkoper, ingeval hij een consumptiegoed door vervanging in overeenstemming brengt met de overeenkomst, niet de kosten behoeft te dragen van de inbouw van het nageleverde consumptiegoed in een bepaald element ingeval de consument het consumptiegoed dat niet met de overeenkomst overeenstemde overeenkomstig zijn aard en bestemming had ingebouwd, wanneer inbouw oorspronkelijk niet tot de contractuele verplichtingen behoorde?
2. Moeten artikel 3, lid 2, en lid 3, derde alinea, van de richtlijn in die zin worden uitgelegd dat de verkoper, ingeval hij een consumptiegoed door vervanging in overeenstemming brengt met de overeenkomst, de kosten moet dragen van demontage van het consumptiegoed dat niet met de overeenkomst overeenstemt, uit een zaak waarin de consument het overeenkomstig zijn aard en bestemming had ingebouwd?”
IV – Juridische analyse(4)
A – Inleidende opmerkingen
24. Het juridische probleem waarover het Hof zich in deze zaak moet buigen, is al vanaf de tijd dat Romeinse juristen als Julianus of Ulpianus de rechtsgevolgen van de verkoop van „gebrekkig” vee op de markten van de oude wereld bespraken een klassiek onderwerp van het overeenkomstenrecht of, preciezer gezegd, het recht inzake de koop en verkoop van goederen, namelijk de vraag hoe ver de aansprakelijkheid van de verkoper voor de levering van gebrekkige goederen reikt, dan wel, vanuit het oogpunt van bescherming van de koper, de vraag over welke remedies de koper zou moeten beschikken indien hem een goed is geleverd dat niet aan de koopovereenkomst beantwoordt.
25. Zoals niet alleen uit de opmerkingen van de partijen in de onderhavige procedure blijkt, verschillen de diverse nationale wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied ? in elk geval zoals zij oorspronkelijk, vóór harmonisatie luidden ? aanzienlijk, al leiden zij in de praktijk veelal tot soortgelijke uitkomsten en tot een vergelijkbaar niveau van rechtsbescherming.(5) Die verschillen betreffen niet alleen de bijzonderheden van de gehanteerde rechtsbegrippen, voorwaarden en definities, maar ook meer algemeen de regelingen van de genoegdoening als zodanig, dat wil zeggen wat betreft de vormen van genoegdoening die in geval van niet-nakoming zijn voorzien en wat betreft de onderlinge verhouding en de hiërarchie daartussen, alsook de rol van schade in of in verband met die regelingen en de afbakening tussen contractuele en niet-contractuele vorderingen wegens levering van niet-conforme goederen.
26. Waar het gaat om specifieke problemen in verband met non-conformiteit en de consequenties daarvan, zoals de vraag of de verkoper de kosten van verwijdering van niet-conforme goederen of de inbouw van vervangende goederen zonder gebreken moet dragen, blijken er bovendien, zoals de in deze zaak door het Amtsgericht verstrekte informatie duidelijk maakt, binnen in één en dezelfde rechtsorde nog onduidelijkheden en verschillen van inzicht in de rechtsliteratuur te bestaan ten aanzien van de werkelijke rechten van de koper en hun wettelijke grondslag.
27. Dit gezegd zijnde, wijs ik erop dat dit vraagstuk van de kosten van verwijdering en inbouw op unierechtelijk niveau wordt bezien vanuit de specifieke invalshoek van de door de richtlijn aan de consument geboden bescherming.
28. Het is in dit verband van belang om op te merken dat, zoals in punt 1 van de considerans van de richtlijn wordt verklaard en zoals het Hof in het arrest Quelle terecht heeft beklemtoond, de richtlijn een hoog niveau van consumentenbescherming wil waarborgen.(6)
29. Aan de andere kant mag niet worden vergeten dat de richtlijn een minimumharmonisatiemaatregel is ? niet van alle, maar slechts van bepaalde aspecten van de verkoop van consumptiegoederen. In die zin brengt zij, zoals uit punt 6 van haar considerans blijkt, de nationale wetgevingen betreffende de verkoop van consumptiegoederen nader tot elkaar op het punt van niet-conforme leveringen, zonder daarbij echter afbreuk te doen aan de nationaalrechtelijke beginselen en bepalingen inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.
30. Tegen deze achtergrond en bij gebreke van expliciete bepalingen van de richtlijn dienaangaande, lijkt het niet meer dan legitiem om de vraag op te werpen of de door de richtlijn geregelde aansprakelijkheid van de verkoper jegens de consument voor een „gebrek aan overeenstemming”, ook aansprakelijkheid inhoudt voor kosten als die welke gemoeid zijn met het verwijderen/demonteren van een ondeugdelijk goed, zoals de in geding zijnde vaatwasser, dat na aflevering door de betrokken consument is ingebouwd en voor de inbouwkosten van het vervangende goed zonder gebreken. Dit zou tot gevolg hebben dat de consument in het kader van de genoegdoening in de vorm van „vervanging” dan wel op grond van enige andere bepaling van de richtlijn, van de verkoper kan verlangen dat hij die kosten voor zijn rekening neemt ? kosten die, zoals enkele partijen hebben betoogd, in een aantal nationale rechtsorden althans, eerder als „gevolgschade” dan als een zuivere kwestie van tekortkoming in de nakoming worden beschouwd.
31. Gelet op het doel van de richtlijn, namelijk versterking van de consumentenbescherming, kan een bevestigende beantwoording van deze vraag passend lijken. Zo eenvoudig ligt het echter niet. Net zoals elk ontwikkeld rechtssysteem dat de rechten en plichten van koper en verkoper in geval van een tekortkoming in de nakoming regelt, mag ook de regeling ter zake van genoegdoening van de richtlijn niet zonder meer de consument dan wel de verkoper bevoordelen, maar moet zij juist trachten een rechtvaardig evenwicht tussen hun respectieve belangen tot stand te brengen.(7)
32. Met zijn twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een consumptiegoed, zoals de in geding zijnde vaatwasser, die door de consument deugdelijk is ingebouwd en aangesloten, in overeenstemming wordt gebracht door middel van vervanging, de verkoper de kosten van demontage/verwijdering van het gebrekkige goed en van inbouw/aansluiting van het goed zonder gebreken voor zijn rekening moet nemen als in de betrokken koopovereenkomst voor de verkoper geen verplichting tot inbouw van het aangekochte goed is opgenomen.
B – Belangrijkste argumenten van partijen
33. In deze procedure zijn opmerkingen ingediend door de Oostenrijkse, de Duitse, de Belgische en de Spaanse regering en door de Commissie. De Oostenrijkse en de Duitse regering, alsook de Commissie zijn tevens vertegenwoordigd geweest tijdens de terechtzitting op 25 februari 2010.
34. De Oostenrijkse, de Duitse en de Belgische regering stellen dat in een zaak als de onderhavige, althans wanneer geen inbouw in de overeenkomst is voorzien, de verkoper bij de vervanging van het gebrekkige goed, krachtens artikel 3 van de richtlijn, niet gehouden is de kosten van verwijdering van dat goed of die van inbouw van het nieuwe goed zonder gebreken voor zijn rekening te nemen. Beide vragen dienen dus ontkennend te worden beantwoord.
35. Op grond van in wezen dezelfde argumenten, geven deze regeringen te kennen dat de verkoper krachtens artikel 2, lid 1, van de richtlijn de verkoper ervoor moet instaan dat het afgeleverde aan de koopovereenkomst beantwoordt. In geval van een gebrek aan overeenstemming ? dat bij de aflevering moet worden vastgesteld ? is de verkoper daarom ingevolge artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn verplicht de ondeugdelijke goederen in overeenstemming te brengen, wat in geval van vervanging betekent dat hij goederen moet afleveren die aan de overeenkomst beantwoorden. De verkoper kan echter niet tot meer dan dat worden verplicht, in die zin dat hij, zoals in de onderhavige zaak wordt gesuggereerd, ook ervoor zou moeten zorgen dat het gebrekkige goed wordt gedemonteerd en het nieuwe product zonder gebreken wordt ingebouwd. De zaak zou anders kunnen liggen indien inbouw van het aangekochte goed ook onderdeel is van de contractuele verplichtingen die de verkoper en de koper zijn overeengekomen.
36. De Belgische regering preciseert evenwel dat de verkoper de kosten van het vervoer van de niet-conforme goederen voor zijn rekening moet nemen.
37. De Oostenrijkse en de Duitse regering benadrukken voorts dat het gebruik dat de consument van een afgeleverd goed zal maken, ook als dit in overeenstemming is met zijn aard en gebruiksdoel, voor de verkoper moeilijk is te voorzien, zodat de kosten van verwijdering van een gebrekkig goed of die van inbouw van het nieuwe goed zonder gebreken per geval aanzienlijk kunnen variëren, afhankelijk van de wil van de consument. In elk geval zou schade als gevolg van het gebruik van het betrokken gebrekkige goed, zoals de kosten die ontstaan als gevolg van verwijdering en inbouw, overeenkomstig nationale bepalingen inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid kunnen worden verhaald.
38. Zij menen bovendien dat dergelijke verplichtingen tot verwijdering en inbouw – of om de daarmee gepaard gaande kosten te dragen – noch volgen uit de bewoordingen van artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn, waarin wordt gesproken van vervanging van de ondeugdelijke goederen, noch uit het feit dat die vervanging volgens artikel 3, leden 3 en 4, van de richtlijn „kosteloos” en „zonder ernstige overlast voor de consument” moet geschieden. Deze voorwaarden doelen slechts op de verplichting van de verkoper tot een hernieuwde aflevering van goederen, dit keer zonder gebreken, en kunnen niet aldus worden opgevat, dat de verkoper daarnaast zou worden verplicht de verwijderings‑ of inbouwkosten voor zijn rekening te nemen.
39. De Commissie en de Spaanse regering menen daarentegen dat wanneer de verkoper niet-conforme goederen vervangt, hij ingevolge artikel 3, lid 3, van de richtlijn, ook de kosten van verwijdering van het gebrekkige goed van waaruit het ingebouwd is en de inbouw van het nieuwe goed zonder gebreken moet dragen. Zij stellen dus voor om de vragen bevestigend te beantwoorden.
40. De Commissie betoogt dat het herstel of de vervanging waarop de consument volgens artikel 3, lid 3, van de richtlijn recht heeft, niet anders dan betrekking kan hebben op de niet-conforme goederen in de staat en de omgeving waarin zij verkeren op het moment waarop het gebrek aan overeenstemming aan het licht komt. Dit betekent dat wanneer het niet-conforme goed overeenkomstig zijn aard en gebruiksdoel in een andere zaak is ingebouwd of ergens aan is gekoppeld, het in die staat het voorwerp van herstel of vervanging vormt. De consument moet dus door vervanging in een situatie worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als hem een goed zonder gebreken zou zijn geleverd, wat betekent dat zo nodig de niet-conforme goederen verwijderd en de deugdelijke goederen ingebouwd moeten worden.
41. Deze uitlegging wordt ook bevestigd door het gebruik van het woord „vervanging” in artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn.
42. Zich in wezen aansluitend bij het standpunt van de Commissie, stelt de Spaanse regering dat artikel 3 van de richtlijn en het hoge niveau van consumentenbescherming dat deze beoogt te verlenen, van de verkoper vereisen dat hij de in geding zijnde kosten draagt, die werden veroorzaakt door het feit dat hij een goed heeft afgeleverd dat niet aan de overeenkomst beantwoordde. Anders zou de consument buiten zijn schuld om twee maal kosten moeten dragen en ernstige schade lijden.
43. Tot slot meent de Spaanse regering dat voor die uitlegging steun kan worden gevonden in de verplichting die uit hoofde van artikel 3, leden 3 en 4, van de richtlijn op de verkoper rust om het gebrekkige goed kosteloos en zonder ernstige overlast voor de consument te vervangen.
C – Beoordeling
44. Laat ik vooropstellen dat een letterlijke uitlegging van artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn niet doorslaggevend is voor de vraag, of het recht van de consument op „vervanging” van het niet-conforme goed ook het recht omvat om van de verkoper te verlangen dat deze het goed verwijdert en het vervangende goed zonder gebreken inbouwt, dan wel de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening neemt.
45. Terwijl in sommige taalversies de overeenstemmende begrippen ? zoals het Engelse „replacement” en het Franse „remplacement” ? in beginsel aldus kunnen worden opgevat, dat daarmee ook op het verwijderen van het ondeugdelijke goed en het inbouwen van het vervangende goed zonder gebreken wordt gedoeld, lijken andere versies, waaronder de Duitse ? „Ersatzlieferung” ? en de Slowaakse ? „sa […] nahradí” ? juist voor een wat engere definitie te pleiten doordat wordt gerefereerd aan een vervangende levering of aan de levering van vervangende goederen, en niet aan het gehele proces dat technisch gezien kan resulteren in de vervanging van het ondeugdelijke goed.
46. Een contextuele of systematische uitlegging van artikel 3 van de richtlijn lijkt in mijn ogen echter eerder steun te bieden aan een uitlegging volgens welke de aansprakelijkheid van de verkoper zich niet uitstrekt tot de kosten van verwijdering/demontage van de niet-conforme goederen of nog minder de inbouw van het vervangende goed zonder gebreken, althans in een geval waarin inbouw niet in de betrokken koopovereenkomst was voorzien.
47. Zo geeft artikel 3, lid 2, van de richtlijn een limitatieve opsomming van de vormen van genoegdoening die de consument van de verkoper kan verlangen in geval van een niet-conforme levering, namelijk een recht op herstel, op vervanging, op prijsvermindering of op ontbinding van de overeenkomst.
48. Meer bepaald kan de consument volgens de regeling voor genoegdoening van de richtlijn in eerste instantie via de op nakoming gerichte genoegdoening in de vorm van herstel of vervanging van de verkoper verlangen dat de ondeugdelijke goederen in overeenstemming worden gebracht. Aldus wordt het oorspronkelijke synnalagma ingevolge de koopovereenkomst hersteld, en verkrijgt de consument de nakoming waarvoor hij heeft gecontracteerd. Omdat met deze oplossing het primaire belang van de partijen bij een overeenkomst het beste wordt gediend, geniet zij in de richtlijn de voorkeur boven prijsvermindering of ontbinding van de overeenkomst .(8)
49. Laatstgenoemde, subsidiaire vormen van genoegdoening worden integendeel erdoor gekenmerkt dat van beide kanten water in de wijn wordt gedaan. Het evenwicht tussen de respectieve belangen van de consument en de verkoper, dat door de ondeugdelijke levering van de verkoper is verstoord, wordt dus hersteld door ofwel de verplichtingen van de consument navenant te verminderen ? prijsvermindering ? ofwel beide partijen van hun contractuele verplichtingen te ontslaan door ontbinding van de overeenkomst.
50. Mijns inziens kan hoe dan ook worden vastgesteld dat in beide gevallen de rechten van de consument in beginsel worden ingeperkt door de verplichtingen die met het sluiten van de koopovereenkomst zijn aangegaan.
51. Dit standpunt wordt bevestigd wanneer de ruimere context van artikel 3 van de richtlijn in aanmerking wordt genomen.
52. De in deze bepaling geformuleerde rechten van de consument specificeren ? of zijn het logische gevolg van ? de omvang van de aansprakelijkheid van de verkoper jegens de consument, die volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn moet worden aanvaard voor elk gebrek aan overeenstemming dat bij de aflevering van de goederen bestaat.
53. Deze aansprakelijkheidsdefinitie vorm op haar beurt duidelijk de weerspiegeling van de in artikel 2, lid 1, van de richtlijn omschreven fundamentele verplichting van de verkoper om aan de consument goederen af te leveren die met de koopovereenkomst in overeenstemming zijn.
54. Uit de genoemde bepalingen blijkt dat de in artikel 3 van de richtlijn neergelegde rechten van de consument geworteld zijn in het concept „overeenstemming met de overeenkomst”, zodat de omvang ervan moet worden bepaald aan de hand van de rechten en verplichtingen zoals deze in de oorspronkelijke koopovereenkomst zijn geformuleerd.
55. Anders gezegd: de rechten die artikel 3 van de richtlijn aan de consument toekent, zijn bedoeld om het gebrek aan overeenstemming met hetgeen de consument op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten, namelijk dat hij in het bezit wordt gesteld van goederen zonder gebreken, te verhelpen.
56. Deze aansprakelijkheid van de verkoper voor een ondeugdelijke levering of, meer bepaald, voor de gebreken in de goederen zelf, met het oog waarop de door de richtlijn aan de consument toegekende remedies in het leven zijn geroepen, en waaruit voor de verkoper de verplichting voortvloeit om door kosteloos herstel of kosteloze vervanging (alsnog) de situatie te creëren waarop de consument oorspronkelijk recht had, moet mijns inziens worden onderscheiden van eventuele aansprakelijkheid – waarop in de onderhavige zaak wordt gedoeld – voor (de kosten van) werkzaamheden die in verband met niet-conforme goederen moeten worden uitgevoerd, doch na het in artikel 3, lid 1, van de richtlijn genoemde tijdstip van aflevering en nadat de consument de goederen heeft gebruikt.
57. Bij deze ruimere vorm van aansprakelijkheid zou de verkoper, zoals de Commissie heeft voorgesteld, verplicht zijn de consument in een situatie te brengen waarin deze op een bepaald tijdstip na de aflevering zou hebben verkeerd als de aan hem geleverde goederen geen gebreken hadden vertoond. Voor de onderhavige zaak zou dit betekenen dat de consument in de situatie zou moeten worden gebracht waarin de door hem ingebouwde ondeugdelijke vaatwasser uit het element was gedemonteerd en de nieuwe vaatwasser was ingebouwd. Zoals verscheidene partijen hebben opgemerkt, zou die aansprakelijkheid zich ook uitstrekken tot feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na overgang van het risico op de consument en die dus afhankelijk zijn van diens wil en vooral van het gebruik dat hij van de betrokken goederen maakt.
58. Het is inderdaad denkbaar dat een verkoper ook zou moeten opdraaien voor dergelijke meer indirecte gevolgen van zijn ondeugdelijke levering of voor de daardoor veroorzaakte schade; kennelijk is dit, zij het onder verschillende voorwaarden, in sommige nationale rechtsorden en, bijvoorbeeld, in artikel 45 van het VN-koopverdrag (hierna: „CISG”)(9) ook het geval.
59. Zo heeft de Duitse regering opgemerkt, dat de door de consument gemaakte kosten in verband met de demontage van een ondeugdelijk goed of de inbouwkosten die hij twee maal heeft moeten dragen, namelijk voor het gebrekkige goed en opnieuw voor het vervangende goed zonder gebreken, naar Duits schadevergoedingsrecht kunnen worden verhaald, mits aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het schuldvereiste, is voldaan.
60. Wat de richtlijn betreft, moet in dit verband echter om te beginnen worden opgemerkt dat zij de consument in geval van een gebrek aan overeenstemming geen recht op schadevergoeding toekent, dit in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, artikel 45, lid 1, sub b, CISG of artikel 27 van het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten.(10)
61. In de tweede plaats wijs ik erop dat juist omdat werkzaamheden of kosten als die waarom het in deze zaak gaat, niet slechts het gevolg zijn van een gebrek aan overeenstemming van de goederen, maar ook van een handeling waarvoor de consument zelf verantwoordelijk is – in dit geval inbouw van de vaatwasser – de aansprakelijkheid van de verkoper voor dergelijke kosten in de regel niet kan worden aangenomen zonder daarbij een criterium als causaliteit, voorzienbaarheid of, eventueel, schuld te laten meewegen.
62. Het is duidelijk dat in de richtlijn zelfs niet op een dergelijk filter of instrument wordt gezinspeeld.
63. Misschien zou de voorwaarde „gebruik van de goederen overeenkomstig hun aard en gebruiksdoel” kunnen worden geacht een dergelijke functie te vervullen, zoals de verwijzende rechter, daarin bijgevallen door de Commissie, heeft gesuggereerd. Zoals Putz en de Duitse regering hebben opgemerkt, is dat echter een nogal rekbaar begrip en kan het daarom moeilijk worden gebruikt om de aansprakelijkheid van de verkoper af te bakenen en diens risico calculeerbaar te maken.
64. Terwijl bij zeer specifieke en afgewerkte goederen, zoals een computer of een tafel, het scala aan „normale” gebruiksmogelijkheden doorgaans heel duidelijk en voorzienbaar is, is het een feit dat het aantal „normale” gebruiksmogelijkheden toeneemt naarmate een product eenvoudiger is. Anders gezegd: hoe meer een product wegheeft van een bouwmateriaal of een grondstof, des te talrijker en onbepaalder zijn de doeleinden waarvoor het in overeenstemming met zijn aard kan worden gebruikt. De kosten die gemoeid zijn met het verwijderen van een en hetzelfde product, kunnen dan ook enorm variëren.
65. Gelet op een en ander geloof ik niet dat aan het door artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn aan de consument toegekende recht om van de verkoper te verlangen dat de ondeugdelijke goederen door vervanging in overeenstemming worden gebracht, een uitlegging kan worden gegeven volgens welke de consument van de verkoper kan verlangen dat hij de kosten van demontage van het gebrekkige goed en inbouw van het vervangende goed zonder gebreken voor zijn rekening neemt.
66. Ik ben het ook ermee eens dat aan deze constatering niet wordt afgedaan door het volgens artikel 3, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn geldende vereiste van „kosteloosheid” van het in overeenstemming brengen van de goederen door vervanging door de verkoper. Dit vereiste bepaalt de voorwaarden waaronder de verkoper zijn verplichting jegens de consument om de goederen in overeenstemming te brengen, moet nakomen, namelijk zonder daarvoor kosten in rekening te brengen, maar kan de genoegdoening in de bestaande vorm niet wezenlijk oprekken. Hetzelfde geldt voor het in artikel 3, lid 3, derde alinea, van de richtlijn geformuleerde vereiste van „zonder ernstige overlast”, waarmee wordt aangegeven hoe het in overeenstemming brengen dient plaats te vinden, maar niet wat het concreet inhoudt.
67. In zoverre, ten slotte, verschilt de onderhavige zaak van die waarom het ging in het arrest Quelle, waarin het Hof heeft vastgesteld dat met het vereiste van „kosteloosheid” moet worden uitgesloten dat de verkoper financiële aanspraken geldend maakt in het kader van de nakoming van zijn verplichting om het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft, in overeenstemming te brengen.(11) Op basis van nog andere argumenten concludeerde het Hof dan ook dat de richtlijn in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de verkoper van ondeugdelijke goederen van de consument een vergoeding mag eisen voor het gebruik van die ondeugdelijke goederen tot aan hun vervanging. De onderhavige zaak gaat echter niet over een financiële aanspraak die de verkoper jegens de consument geldend maakt in het kader van de vervanging, maar over de vraag of het recht van de consument om van de verkoper te eisen dat hij de ondeugdelijke goederen in overeenstemming brengt, behalve het recht op kosteloze aflevering van nieuwe goederen zonder gebreken, ook het recht omvat om van hem te verlangen dat hij de kosten van demontage/verwijdering van het ondeugdelijke goed en die van inbouw van het ter vervanging geleverde goed zonder gebreken voor zijn rekening neemt.
68. Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen van het Amtsgericht worden geantwoord, dat de bepalingen van artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat wanneer een consumptiegoed, zoals de in geding zijnde vaatwasser, dat door de consument overeenkomstig zijn aard en bestemming is ingebouwd en aangesloten, in overeenstemming wordt gebracht door middel van vervanging, de verkoper de kosten van demontage/verwijdering van het goed dat niet aan de overeenkomst beantwoordt en van inbouw/aansluiting van het goed zonder gebreken niet voor zijn rekening hoeft te nemen als in de betrokken koopovereenkomst voor de verkoper geen verplichting tot inbouw van het aangekochte goed is opgenomen.
V – Conclusie
69. Ik geef het Hof derhalve in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
De bepalingen van artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer een consumptiegoed, zoals de in geding zijnde vaatwasser, dat door de consument overeenkomstig zijn aard en bestemming is ingebouwd en aangesloten, in overeenstemming wordt gebracht door middel van vervanging, de verkoper de kosten van demontage/verwijdering van het goed dat niet aan de overeenkomst beantwoordt en van inbouw/aansluiting van het goed zonder gebreken niet voor zijn rekening hoeft te nemen als in de betrokken koopovereenkomst voor de verkoper geen verplichting tot inbouw van het aangekochte goed is opgenomen.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB L 171, blz. 12.
3 – Gebr. Weber, aanhangig bij het Hof.
4 – Aangezien de vraagstukken die in de onderhavige zaak rijzen, op het aspect van de installatie van het vervangende conforme goed na, in wezen vergelijkbaar zijn met die welke rijzen naar aanleiding van de tweede prejudiciële vraag in de zaak Weber, aangehaald in voetnoot 3, stemt de beoordeling in de onderhavige conclusie mutatis mutandis overereen met die in de punten 43 tot en met 67 van mijn conclusie in de zaak Weber. Evenzo zal ik voor de volledigheid en de leesbaarheid, in deze conclusie ook de, licht gewijzigde, inleidende opmerkingen uit die conclusie opnemen.
5 – Zie in dit verband ook het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop van en de waarborgen voor consumptiegoederen [COM(95) 520 def. - 96/0161(COD), PB C 307, blz. 8], punt I.A.4 van de toelichting.
6 – Zie arrest van 17 april 2008 (C‑404/06, Jurispr. blz. I‑2685, punten 30 en 36).
7 – Zie voor een verwijzing naar de bescherming die de richtlijn ook aan de financiële belangen van de verkoper toekent, arrest Quelle, aangehaald in voetnoot 5 (punt 42).
8 – Deze hiërarchie volgt duidelijk uit artikel 3, lid 3, van de richtlijn, gelezen in samenhang met punt 11 van de considerans. Zie ook het arrest Quelle, aangehaald in voetnoot 6 (punt 27).
9 – Het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken is op 11 april 1980 aangenomen en op 1 januari 1988 in werking getreden.
10 – COM(2008) 614 def. – COD 2008/0196.
11 – Aangehaald in voetnoot 6 (punt 34).
Full & Egal Universal Law Academy