CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. JÄÄSKINEN
van 22 april 2010 (1)
Zaak C‑98/09
Francesca Sorge
tegen
Poste Italiane SpA
[verzoek van het Tribunale di Trani (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 1999/70/EG – Clausule 8 van raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Verlaging van algemeen niveau van bescherming van werknemers – Eerste of enige arbeidsovereenkomst – Vermeldingen die in arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, gesloten wegens vervanging, moeten worden opgenomen – Gevolgen van onjuiste omzetting van richtlijn – Richtlijnconforme uitlegging”
I – Inleiding
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van clausule 8 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.(2)
2. Dit verzoek is voorgelegd in het kader van een geding tussen F. Sorge en haar werkgever, Poste Italiane SpA (hierna: „Poste Italiane”), over het beding van haar arbeidsovereenkomst volgens hetwelk deze voor een bepaalde tijd was gesloten en waarin noch de naam van de vervangen werknemers, noch de redenen waarom deze niet aanwezig waren, werden vermeld. Volgens de nationale wettelijke regeling van vóór de omzetting van richtlijn 1999/70 hadden deze vermeldingen in een dergelijke arbeidsovereenkomst moeten worden opgenomen. In het kader van het decreto legislativo nr. 368 van 6 september 2001(3) (hierna: „wetsbesluit 368/2001”), dat ratione temporis van toepassing was op de betrokken overeenkomst, bestaat die verplichting daarentegen niet meer.
3. De prejudiciële verwijzing geeft het Hof de gelegenheid de rechtspraak die het in de arresten Mangold en Angelidaki e.a.(4) heeft vastgesteld, te verduidelijken en uit te werken. Het Hof zal moeten beoordelen hoe de hierboven beschreven wijziging van het nationale recht zich verhoudt tot het begrip „[verlaging van] het algemene niveau van bescherming van de werknemers op het door deze overeenkomst bestreken gebied”, in clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst. De verwijzende rechter vraagt het Hof tevens om te verduidelijken wat de gevolgen voor het hoofdgeding zijn van een eventuele onverenigbaarheid van de nationale regeling met de raamovereenkomst.(5)
II – Toepasselijk recht
A – Recht van de Unie(6)
4. Richtlijn 1999/70 is op artikel 139, lid 2, EG(7) gebaseerd en volgens de bewoordingen van artikel 1 ervan gericht „op de uitvoering van de [...] door de algemene brancheoverkoepelende organisaties (EVV, UNICE, CEEP)(8) gesloten raamovereenkomst [...], die in de bijlage is opgenomen”.
5. Uit de punten 3, 6, 7 en 13 tot en met 17 van de considerans van deze richtlijn, alsmede de eerste, de tweede en de derde alinea van de preambule en de punten 3, 5 tot en met 8, en 10 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst volgt dat:
– de verwezenlijking van de interne markt moet leiden tot een verbetering van de levensstandaard en arbeidsvoorwaarden voor de werkenden in de Europese Gemeenschap door middel van onderlinge opwaartse aanpassing van die voorwaarden, betreffende met name andere arbeidsvormen dan arbeid voor onbepaalde tijd, teneinde een beter evenwicht tot stand te brengen tussen flexibiliteit van de arbeidstijd en zekerheid voor de werknemers;
– deze doelstellingen door de lidstaten niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt, zodat het passend wordt geacht een juridisch bindende communautaire maatregel te treffen, die in nauwe samenwerking met de representatieve sociale partners wordt uitgewerkt;
– de partijen bij de raamovereenkomst erkennen dat enerzijds de arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de normale arbeidsverhouding zijn en zullen blijven, aangezien zij bijdragen tot de levenskwaliteit van de betrokken werknemers en de verhoging van hun rendement, maar dat anderzijds de overeenkomsten voor bepaalde tijd in sommige omstandigheden in de behoeften van zowel de werkgever als de werknemer voorzien;
– de raamovereenkomst de algemene beginselen en minimumnormen met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd formuleert door met name een algemeen kader vast te stellen om de gelijke behandeling van werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te waarborgen door hen tegen discriminatie te beschermen, en om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, waarbij voor de vaststelling van de nadere wijze van toepassing van deze algemene beginselen en normen wordt verwezen naar de lidstaten en de sociale partners, teneinde rekening te houden met de specifieke nationale, sectoriële en seizoensituaties;
– de Raad van de Europese Unie aldus heeft gemeend dat de passende handeling voor de uitvoering van deze raamovereenkomst een richtlijn is, aangezien deze de lidstaten verbindt wat het te bereiken resultaat betreft, maar hun tegelijk de bevoegdheid laat om de vorm en de middelen te kiezen;
– richtlijn 1999/70 het aan de lidstaten overlaat om bepaalde in de raamovereenkomst gebruikte termen die niet nauwkeurig zijn gedefinieerd, zelf nader te preciseren overeenkomstig hun nationale recht en/of praktijken, voor zover deze definities niet indruisen tegen de raamovereenkomst, en
– volgens de ondertekenende partijen van de raamovereenkomst het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op basis van objectieve gronden een manier is om misbruik ten koste van de werknemers te voorkomen.
6. Clausule 1 van de raamovereenkomst stelt de dubbele doelstelling ervan vast, door enerzijds te verwijzen naar de toepassing van het „non-discriminatiebeginsel”, dat in clausule 4 wordt geformuleerd, en anderzijds naar de maatregelen ter voorkoming van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd, waarop clausule 5 betrekking heeft.
7. De werkingssfeer van de raamovereenkomst is in clausule 2 als volgt vastgelegd: zij is van toepassing op „werknemers met een contract voor bepaalde tijd”, welk begrip in clausule 3 wordt gedefinieerd, „die werken uit hoofde van een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding, als omschreven bij wet, collectieve overeenkomsten of gebruiken in iedere lidstaat”.
8. Clausule 8 van de raamovereenkomst, „Bepalingen betreffende de uitvoering”, bepaalt:
„1. De lidstaten en/of de sociale partners kunnen bepalingen handhaven of invoeren die gunstiger zijn dan die welke in deze overeenkomst zijn opgenomen.
[…]
3. De uitvoering van de bepalingen van deze overeenkomst vormt geen geldige reden om het algemene niveau van bescherming van de werknemers op het door deze overeenkomst bestreken gebied te verlagen.
[…]
5. Het voorkomen en beslechten van geschillen alsmede de behandeling van klachten over de toepassing van deze overeenkomst geschieden in overeenstemming met de nationale wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten of gebruiken.
[…]”
B – Nationale regeling
1. De ingetrokken regeling
9. Artikel 1, leden 1 tot en met 4, van wet nr. 230 van 18 april 1962 inzake de regeling van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd(9) (hierna: „wet 230/1962”), zoals later gewijzigd, bepaalde:
„De arbeidsovereenkomst wordt geacht een overeenkomst voor onbepaalde tijd te zijn, onverminderd de hierna vermelde uitzonderingen.
Aan de duur van de overeenkomst kan een termijn worden gesteld:
[…]
b) wanneer de indienstneming heeft plaatsgevonden ter vervanging van afwezige werknemers die recht op behoud van hun betrekking hebben, mits in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de naam van de vervangen werknemer en de reden voor zijn vervanging worden vermeld;
[…]
De overeengekomen termijn heeft alleen rechtsgevolg, indien hij blijkt uit een schriftelijk contract.
Een kopie van het schriftelijk contract moet door de werkgever aan de werknemer ter hand worden gesteld.
[…]”
2. De thans geldende regeling
10. Bij artikel 11, lid 1, van wetsbesluit 368/2001 is wet 230/1962 met ingang van 24 oktober 2001 volledig ingetrokken, waarbij wordt gepreciseerd dat de Italiaanse regering heeft gehandeld op grond van de wettelijke machtiging om de voorschriften vast te stellen die nodig zijn ter omzetting van handelingen van gemeenschapsrecht, zoals richtlijn 1999/70, in nationaal recht.(10)
11. Artikel 1, leden 1, 2, en 3, van dit wetsbesluit, in de versie die op het onderhavige geval van toepassing is(11), luidt als volgt:
„1. Aan de duur van een overeenkomst voor loonarbeid kan een termijn worden gesteld om redenen van technische, productieve en organisatorische aard of wegens vervanging van werknemers.
2. De overeengekomen termijn heeft alleen rechtsgevolg, indien hij direct of indirect blijkt uit een schriftelijk contract, waarin de in lid 1 aangegeven redenen specifiek worden vermeld.
3. Een kopie van het schriftelijk contract moet door de werkgever aan de werknemer ter hand worden gesteld binnen vijf werkdagen na aanvang van de werkzaamheden. […]”
III – Hoofdgeding en prejudiciële verwijzing
12. Op 29 september 2004 is Sorge met Poste Italiane een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, waarbij zij werd aangesteld „wegens vervanging, in verband met het specifieke vereiste om te voorzien in de vervanging van het bij de Polo Corrispondenza Puglia Basilicate met bezorging belast personeel, gedurende de periode van 1 oktober 2004 tot 15 januari 2005”.
13. Op 18 februari 2008 heeft Sorge Poste Italiane voor het Tribunale di Trani – Sezione Lavoro (Italië) (hierna: „Tribunale di Trani”) gedagvaard tot vaststelling dat de beperking van de duur van deze arbeidsovereenkomst onrechtmatig was. Ter staving van haar vordering heeft zij aangevoerd dat in de overeenkomst niet de naam van de vervangen werknemers en evenmin de reden voor de vervanging was vermeld, terwijl deze vermeldingen bij indienstneming voor bepaalde tijd wegens vervangingsdoeleinden ook in het kader van wetsbesluit 368/2001 nog verplicht waren.
14. Poste Italiane heeft het bestaan van die verplichting betwist met het argument dat artikel 1, lid 2, sub b, van wet 230/1962 is ingetrokken door artikel 11, lid 1, van wetsbesluit 368/2001, dat ratione temporis van toepassing is en niet was vervangen door een voorschrift met een vergelijkbare inhoud.
15. Bij beschikking van 9 juni 2008 heeft het Tribunale di Trani de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld(12):
„1) Moet clausule 8 van de bij richtlijn 1999/70/EG uitgevoerde raamovereenkomst aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling (als die vervat in de artikelen 1 en 11 van wetsbesluit 368/2001) waarbij, ter omzetting in nationaal recht van richtlijn 1999/70 [...], artikel 1, lid 2, sub b, van wet 230/1962 werd ingetrokken (volgens welke bepaling ‚een termijn’ mocht worden gesteld ‚aan de duur van de arbeidsovereenkomst [...] wanneer de indienstneming’ had ‚plaatsgevonden ter vervanging van afwezige werknemers die recht op behoud van hun betrekking’ hadden, ‚mits in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de naam van de vervangen werknemer en de reden voor zijn vervanging’ werden ‚vermeld’), en vervangen door een bepaling die dergelijke specificaties niet langer verplicht stelt?
2) Zo ja, dient de nationale rechter de met het gemeenschapsrecht strijdige nationale regeling buiten toepassing te laten?”
16. Verzoekster en verweerster in het hoofdgeding, de Italiaanse regering alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben zowel schriftelijke als mondelinge opmerkingen ingediend. De Nederlandse regering heeft alleen schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV – Analyse
A – Inleiding
17. In haar schriftelijke opmerkingen, ingediend op 1 juli 2009(13), benadrukt verzoekster in het hoofdgeding dat het belang van de procedure bijzonder groot is, aangezien enerzijds sprake is van bijna 15 000 rechtszaken tussen Poste Italiane en haar werknemers, en anderzijds zowel de rechter in eerste aanleg, de appelrechter als de hoogste rechter in Italië reeds een standpunt over de in het verzoek om een prejudiciële beslissing bedoelde teksten hebben ingenomen of hiermee doende zijn.
18. Ter rechtvaardiging van zijn verzoek benadrukt de verwijzende rechter ook dat er een aanzienlijk aantal uitspraken van feitenrechters zijn die het betrokken wetsbesluit hebben uitgelegd en wel op een volstrekt uiteenlopende wijze. Behalve de vele uitspraken die Sorge als bijlage bij haar schriftelijke opmerkingen heeft gevoegd, is ter terechtzitting ook verwezen naar verschillende uitspraken die dienaangaande recentelijk door de Corte suprema di cassazione en de Corte costituzionale zijn gewezen.(14) De door de verwijzende rechter verstrekte gegevens en de verschillende elementen die de belanghebbende partijen aan het dossier hebben toegevoegd, geven inderdaad een zeker gevoel van onduidelijkheid ten aanzien van de inhoud van het betrokken nationale recht.
19. In de eerste plaats zal ik ook enkele basisbeginselen in herinnering brengen die als leidraad kunnen dienen bij de uitlegging van de regels die op het vlak van het sociale beleid zijn vastgesteld. Uit de artikelen 136 EG en volgende blijkt dat de lidstaten op dit gebied hun bevoegdheid hebben behouden en dat de in dit kader genomen maatregelen rekening moeten houden met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de Gemeenschap te handhaven.
20. Artikel 139 EG lijkt de collectieve onderhandeling op gemeenschapsniveau te bevorderen en ook het bestaan van een autonome regelgevende bevoegdheid van de sociale partners te erkennen. De op basis van dit artikel vastgestelde raamovereenkomst stelt slechts minimumeisen vast en streeft a priori tegenstrijdige doelstellingen na, die derhalve compromissen noodzakelijk maken, te weten met name het tot stand brengen van een beter evenwicht tussen flexibiliteit van de arbeidstijd voor de ondernemingen en werkzekerheid voor de werknemers(15), maar ook het in aanmerking nemen van de specifieke nationale, sectoriële en seizoensituaties.(16)
21. Deze verschillende overwegingen mogen niet uit het oog worden verloren bij de analyse van de inhoud van de bepalingen die aan de orde zijn bij het prejudiciële verzoek. Ik ben van mening dat de nationale arbeidsrechtelijke voorschriften met een beschermende functie en de bedingen van individuele arbeidsovereenkomsten in geval van twijfel ten gunste van de zwakkere partij, en dus de werknemer, moeten worden uitgelegd, maar dat de bepalingen van collectieve overeenkomsten niettemin op strikte wijze moeten worden opgevat, teneinde geen afbreuk te doen aan de gezamenlijke wil van de contracterende partijen.(17) De in de raamovereenkomst geformuleerde criteria die de toepassing ervan beperken, kunnen dan ook uitsluitend om gegronde redenen worden uitgesloten.
B – Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
22. Poste Italiane heeft om te beginnen betoogd dat de bij verwijzingsbeschikking van 9 juni 2009 voorgelegde vragen niet-ontvankelijk en irrelevant zijn, aangezien het Hof inmiddels in het op 23 april 2009 gewezen arrest Angelidaki e.a.(18) soortgelijke vragen heeft beantwoord, en aldus het Tribunale di Trani de nuttige parameters heeft verstrekt om zelfstandig uitspraak te doen.
23. Volgens mij staat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen buiten kijf. Dat een prejudiciële vraag nieuw is, is immers geenszins een voorwaarde voor de ontvankelijkheid ervan. Niets belet de nationale rechter om het Hof opnieuw een vraag te stellen waarop het eventueel reeds een antwoord heeft gegeven.
24. In dat hypothetische geval heeft het Hof de mogelijkheid om op grond van artikel 104, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij een met redenen omklede beschikking.(19) Duidelijk blijkt uit de formulering van dit artikel, dat het feit dat de in de verwijzingsbeschikking gestelde vragen gelijkenis vertonen met die waarop het Hof later in het voormelde arrest Angelidaki e.a. heeft geantwoord, op zich geen reden voor niet-ontvankelijkheid is. Het Hof heeft deze procedurele bepaling juist toegepast in zaken waar het antwoord op een identieke vraag uit dit arrest naar voren kwam en transponeerbaar was op de vraag die in die zaken was gesteld voordat het arrest werd gewezen.(20)
25. Bovendien is, in het kader van de procedure krachtens artikel 234 EG, volgens vaste rechtspraak de verwijzende rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding dat hem is voorgelegd en de verantwoordelijkheid moet dragen voor zijn beslissing ten gronde, het best in staat om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer deze vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is het Hof in beginsel verplicht uitspraak te doen, mits het echter, ter toetsing van zijn bevoegdheid, een onderzoek instelt naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht.(21)
26. Het Tribunale di Trani lijkt zijn verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel voldoende te hebben gestaafd om het belang ervan aan te tonen, door 1) het feitelijk kader te omschrijven waarbinnen dit verzoek wordt ingediend, 2) de nodige aanwijzingen te geven over het relevante nationale recht, 3) de argumenten van partijen in het hoofdgeding uiteen te zetten, alsook de onzekerheid in de nationale rechtspraak die hem deed twijfelen aan de uitlegging van het recht van de Unie, en 4) uit te leggen in hoeverre een antwoord op de twee gestelde vragen noodzakelijk is voor de beslissing in het hoofdgeding. Zo beantwoordde, op de dag dat het Hof de vragen werden gesteld, het verzoek om uitlegging van het gemeenschapsrecht daadwerkelijk aan een objectieve behoefte, die inherent was aan de oplossing van een voor de verwijzende rechter aanhangig geschil.(22)
27. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de bezwaren van verweerster in het hoofdgeding niet kunnen worden aanvaard en dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
C – De strekking van het zogenoemde „verslechteringsverbod”
28. In zijn beslissing uit de verwijzende rechter twijfel over de verenigbaarheid van wetsbesluit 368/2001 met richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst die in de bijlage bij de richtlijn is opgenomen. Met de eerste vraag wenst deze rechter in het bijzonder te vernemen of de bepalingen vervat in de artikelen 1 en 11 van dit wetsbesluit geen verboden vermindering van het algemene niveau van bescherming van de werknemers in de zin van clausule 8 van deze raamovereenkomst hebben teweeggebracht. Gelet op de uiteenlopende argumenten die in casu zijn aangevoerd, lijkt het mij noodzakelijk om eerst het kader van de te nemen beslissing en dus van deze conclusie af te bakenen. Tevens moet de werkingssfeer van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst worden vastgesteld, waarna de strekking ervan kan worden uitgelegd.
1. De beperking van de reikwijdte van het antwoord tot de reikwijdte van de vraag
29. De formulering van de eerste vraag lijkt te zijn gericht op de uitlegging van alle bepalingen van clausule 8 van de raamovereenkomst. Het Tribunale di Trani heeft echter anderzijds uitdrukkelijk aangegeven dat het om opheldering door het Hof verzocht teneinde vast te stellen of de artikelen 1 en 11 van wetsbesluit 368/2001 in strijd zijn met het in clausule 8, meer bepaald punt 3, van de raamovereenkomst vervatte verbod, dat gewoonlijk wordt aangeduid als „verslechteringsverbod”.
30. Aangezien bepaalde opmerkingen, met name die van Sorge, uitweidingen bevatten met betrekking tot de clausules 4 en 5 van de raamovereenkomst of andere bepalingen van het wetsbesluit dan die welke door het Tribunale di Trani(23) in aanmerking zijn genomen, moet worden gepreciseerd dat de prejudiciële procedure bij het Hof wordt afgebakend door het verzoek om een prejudiciële beslissing en niet door de koers die door partijen eventueel wordt aangegeven.
31. Het is immers vaste rechtspraak dat er voor het Hof geen termen aanwezig zijn om de argumenten te onderzoeken die door partijen in het hoofdgeding of partijen die opmerkingen hebben ingediend, worden aangevoerd en die betrekking hebben op problemen die geen deel uitmaken van de prejudiciële vragen.(24) Bovendien zou het beantwoorden van de in de schriftelijke opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding geformuleerde aanvullende vragen onverenigbaar zijn met de verplichting van het Hof, de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen in staat te stellen opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof, aangezien ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht.(25)
32. Overigens wordt niet betwist dat het hoofdgeding betrekking heeft op het sluiten van één enkele overeenkomst voor bepaalde tijd en niet op een overeenkomst die deel uitmaakt van een reeks van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd. Aangezien alleen deze laatste situatie door clausule 5, punten 1 en 2, van de raamovereenkomst wordt bestreken, is er geen aanleiding voor het uitleggen van deze clausule, en met name van het hierin vervatte begrip van „objectieve redenen” die de vernieuwing van dergelijke overeenkomsten kunnen rechtvaardigen.(26) Zo ook heeft het Hof in het arrest Mangold(27), na te hebben vastgesteld dat de overeenkomst de eerste en enige arbeidsovereenkomst was die tussen de partijen was gesloten, verklaard dat de uitlegging van clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst kennelijk irrelevant was voor de beslechting van het hoofdgeding.
33. De eveneens door Sorge aangevoerde clausule 4 van de raamovereenkomst is evenmin onderwerp van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Niettemin wil ik preciseren dat deze bepalingen betreffende het discriminatieverbod, die een algemene strekking hebben, volgens mij op alle overeenkomsten voor bepaalde tijd van toepassing zijn, dus ook op een eerste of enige overeenkomst voor bepaalde tijd.
2. De werkingssfeer van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst
34. De vaststelling van de materiële werkingssfeer van de raamovereenkomst is van bijzonder belang, omdat volgens clausule 8, punt 3, het in deze bepaling vervatte verbod slechts betrekking heeft op „het door deze overeenkomst bestreken gebied”. De clausules 1 en 2 van deze raamovereenkomst bepalen respectievelijk het doel en de werkingssfeer ervan. Volgens mij strekt de werking van deze bepalingen van algemene aard zich duidelijk uit tot clausule 8. Met andere woorden, het zogenoemde „verslechteringsverbod” heeft dezelfde werkingssfeer als de raamovereenkomst waarin het is opgenomen.
35. Daarentegen moet een onderscheid worden gemaakt tussen de reikwijdte van de bepalingen van bijzondere aard, zoals clausule 5 van de raamovereenkomst die specifiek betrekking heeft op het voorkomen van misbruik in verband met het gebruik van opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd, en de werkingssfeer van de raamovereenkomst in haar geheel en die van clausule 8 in het bijzonder.
36. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zegt de raamovereenkomst niets over de redenen die het sluiten van een eerste overeenkomst voor bepaalde tijd kunnen rechtvaardigen, terwijl daarentegen in geval van vernieuwing van dergelijke overeenkomsten clausule 5, punt 1, sub a, de lidstaten de verplichting oplegt om dienaangaande maatregelen te nemen. Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat de raamovereenkomst de lidstaten niet verplicht, een maatregel vast te stellen volgens welke elke eerste of enige arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, gerechtvaardigd moet zijn om objectieve redenen in de zin van clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst. Dergelijke overeenkomsten vallen niet onder deze bepaling.(28)
37. Het lijkt mij evenwel onjuist hieruit af te leiden, zoals de Italiaanse Republiek doet, dat de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen nationale bepalingen geen betrekking hebben op het door de raamovereenkomst bestreken gebied, op grond van het feit dat de verplichting tot rechtvaardiging van de eerste en enige overeenkomst voor bepaalde tijd door objectieve redenen, en de aard van deze redenen, buiten de raamovereenkomst vallen en de door wetsbesluit 368/2001 ingevoerde wijzigingen derhalve geen door clausule 8, punt 3, van deze overeenkomst verboden verslechtering kunnen zijn.
38. Weliswaar geldt voor situaties zoals die van Sorge, waarin één enkele overeenkomst voor bepaalde tijd aan de orde is, niet de bijzondere bepaling van clausule 5 van de overeenkomst, maar zij kunnen niettemin onder de werkingssfeer van deze raamovereenkomst vallen. Bijgevolg is het niet mogelijk dat nationale bepalingen inzake eerste of enige overeenkomsten voor bepaalde tijd, enkel op grond van de beperkte reikwijdte van clausule 5 ontkomen aan het zogenoemde „verslechteringsverbod”, dat zelf een even algemeen gebied bestrijkt als de raamovereenkomst.
39. Het staat namelijk vast dat het Hof zowel in het arrest Mangold(29) als in het arrest Angelidaki e.a.(30) uitspraak heeft gedaan over het begrip „verslechtering” in de zin van clausule 8 van de raamovereenkomst, wat werknemers betreft die een eerste of enige arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten. Na te hebben overwogen dat deze bepaling, gelet op de door de raamovereenkomst, en met name clausule 8, punt 3, ervan, nagestreefde doelstellingen, niet restrictief mag worden uitgelegd(31) en in herinnering te hebben gebracht dat de clausules 2 en 3 van deze raamovereenkomst niet restrictief zijn geformuleerd(32), heeft het Hof uitdrukkelijk verklaard dat „clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat de in die clausule bedoelde ‚verlaging’ moet worden onderzocht ten aanzien van het in de betrokken lidstaat geldende algemene niveau van bescherming van zowel de werknemers die opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd hebben gesloten, als de werknemers die een eerste of enige arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten”.(33)
3. De uitlegging van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst
40. Clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst wordt gewoonlijk aangeduid als het „verslechteringsverbod”. Ook al beperkt deze clausule de voorwaarden voor de uitoefening van de nationale regelgevende bevoegdheid, zij heeft niet tot doel een lidstaat absoluut te verbieden om het algemene door het nationale recht aan werknemers verstrekte beschermingsniveau te verlagen. Maar als de lidstaat hiertoe overgaat, moet hij de consequenties van deze keuze aanvaarden en niet het aldus op nationaal gebied gevoerde beleid maskeren door zich te verschuilen achter zogenaamde verplichtingen in verband met de omzetting van voorschriften van het recht van de Unie. Het zou juister zijn om deze bepaling als een „transparantieclausule” aan te merken, zoals advocaat-generaal Tizzano in de zaak Mangold(34) heeft voorgesteld, nadat hij had aangetoond dat het geenszins om een „standstillbepaling” ging.
41. Het arrest Angelidaki e.a., in samenhang met het arrest Mangold, geeft duidelijke aanwijzingen voor de beoordeling of de in casu bedoelde wijziging al dan niet verboden is in de zin van deze clausule.
42. Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier bestaat de door de verwijzende rechter aangehaalde en door verzoekster in het hoofdgeding gestelde verlaging erin, dat in wetsbesluit 368/2001 de aanvankelijk in wet 230/1962 vervatte verplichting is vervallen om in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de naam te noemen van de vervangen werknemer, die recht op behoud van zijn betrekking had, alsook de reden voor zijn vervanging.
43. Direct al merk ik op dat volgens mij een dergelijke wijziging op zichzelf beschouwd een verlaging is van het beschermingsniveau van de werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De verplichting om de naam van de vervangen werknemer te noemen, geeft zowel de werknemers als de vakbonden meer mogelijkheden om erop toe te zien dat de voor die overeenkomsten geldende beperkende bepalingen door de werkgever worden nageleefd. Bovendien hebben werkgevers met een groot personeelsbestand, wanneer die verplichting niet bestaat, wellicht meer flexibiliteit met betrekking tot arbeidsovereenkomsten wegens vervanging. Dan is het namelijk niet meer nodig dat de perioden van afwezigheid precies overeenkomen met die waarin met name genoemde werknemers worden vervangen, maar volstaat het dat de nettobalans tussen het aantal werknemers dat afwezig is en het aantal dat wordt vervangen, in evenwicht is. Doordat die verplichting vervalt, kunnen die werkgevers gemakkelijker overeenkomsten voor bepaalde tijd gebruiken om te voorzien in vervanging, terwijl zij anders wellicht over een reserve aan personeelsleden, met een overeenkomst voor onbepaalde tijd, zouden moeten beschikken voor vakantie, ziekteverlof en alle andere ruim voorzienbare redenen voor afwezigheid.
44. Deze aanpak waarin het lot van individuele arbeidsovereenkomsten centraal staat, leent zich echter niet om vast te stellen of er sprake is van een schending van het in de raamovereenkomst vervatte verslechteringsverbod. Zoals het Hof heeft aangegeven(35), moet worden onderzocht in hoeverre de wijzigingen die door de nationale regeling ter omzetting van richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst in nationaal recht zijn aangebracht, kunnen worden geacht enerzijds verband te houden met de „uitvoering” van deze raamovereenkomst en anderzijds betrekking te hebben op het „algemene niveau van bescherming” van de werknemers in de zin van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst.
45. Wat het eerste criterium betreft, heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip verband met de „uitvoering” van de raamovereenkomst zich uitstrekt tot iedere nationale maatregel die beoogt te verzekeren dat het met richtlijn 1999/70 nagestreefde doel wordt bereikt, daaronder begrepen de maatregelen die na de eigenlijke omzetting de reeds vastgestelde nationale regels aanvullen of wijzigen.(36) In casu komt het mij voor dat aan deze eerste voorwaarde kan zijn voldaan(37), gezien de preambule van wetsbesluit 368/2001, die uitdrukkelijk doelt op richtlijn 1999/70, en de eveneens naar deze richtlijn verwijzende wetsbepalingen die de Italiaanse regering de bevoegdheid hebben gegeven om ter zake maatregelen te nemen.(38) De regeling kan echter niet worden geacht in strijd te zijn met clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst, indien de verlaging die zij meebrengt, niet wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de raamovereenkomst ten uitvoer te leggen, maar door de noodzaak een ander doel te bevorderen.(39)
46. Op dit punt acht ik het nuttig onderscheid te maken tussen drie soorten van nationale voorschriften: in de eerste plaats, voorschriften die de omzetting van de richtlijn stricto sensu beogen en zich verplicht naar de eisen van de richtlijn moeten richten; in de tweede plaats, voorschriften die, passend binnen het kader van de omzetting van bepalingen als die van de raamovereenkomst, slechts algemene beginselen en minimumvereisten vaststellen, een drempel die de lidstaten mogen overschrijden, en in de derde plaats, voorschriften die geen enkel verband houden met de inhoud van de richtlijn of de raamovereenkomst. Een en dezelfde wijziging van het nationale recht kan echter deze drie bestemmingen hebben. Ingeval de vergelijking tussen de rechtsregeling van vóór de omzetting en die van erna over het geheel genomen een negatieve uitkomst oplevert, kan dit een kenmerk zijn van een algemene verslechtering in de zin van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst. Indien deze clausule echter als een verplichting tot transparantie wordt opgevat, zou van een lidstaat kunnen worden verlangd dat hij bij invoering van deze of gene wijziging duidelijk verklaart de raamovereenkomst te willen uitvoeren dan wel een ander doel te willen bereiken.
47. Geen van de belanghebbende partijen voert ter zake overtuigende elementen aan. In elk geval staat het, in het kader van het bij artikel 234 EG ingevoerde stelsel van rechterlijke samenwerking, uitsluitend aan de nationale rechter om de bepalingen van het nationale recht uit te leggen.(40) De rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is, meent evenwel dat de „‚reformatio in peius’ van het vervangingsdoel nauw samenhangt met de verplichting om de Italiaanse regeling aan de betrokken richtlijn aan te passen”.(41)
48. Gelet op de elementen in het dossier voor het Hof, kan niet worden uitgesloten dat de omstandigheid dat wetsbesluit 368/2001 niet meer voorziet in de verplichting om de naam van de vervangen werknemer en de reden voor vervanging te noemen, verband houdt met de uitvoering van de raamovereenkomst, maar is het ook mogelijk dat een geheel ander doel dan deze uitvoering tot deze aanpassing heeft geleid. Het staat aan de nationale rechter en niet aan het Hof om na te gaan welke redenen aan de vaststelling van de betrokken nationale bepaling ten grondslag hebben gelegen.(42)
49. De tweede voorwaarde van het arrest Angelidaki e.a., dat de verlaging betrekking moet hebben op het „algemene niveau van bescherming” van de werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, impliceert dat alleen een vermindering die de nationale regeling betreffende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd globaal aantast, onder clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst valt.(43)
50. Op dit punt moet worden bepaald in hoeverre de litigieuze wijzigingen van invloed zijn geweest op het niveau van bescherming van de werknemers die voor bepaalde tijd zijn aangesteld, gelet op het niveau van bescherming dat tevoren in het nationale recht bestond.
51. Vergeleken met het eerdere nationale recht, treft de door artikel 1 van wetsbesluit 368/2001 ingevoerde wijziging niet alle werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar alleen die welke zijn aangesteld ter vervanging van afwezige werknemers die recht op behoud van hun betrekking hebben, aangezien alleen die categorie viel onder artikel 1, lid 2, sub b, van wet 230/1962, waarop de verwijzingsbeschikking betrekking heeft.
52. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof(44) vormt, voor zover de ter vervanging aangestelde werknemers geen significant percentage van de in de betrokken lidstaat voor bepaalde tijd tewerkgestelde werknemers vormen, wat de verwijzende rechter dient na te gaan, de vermindering van de bescherming van deze kleine categorie van werknemers op zichzelf geen globale aantasting van het niveau van bescherming dat de werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de interne rechtsorde genoten.
53. Bovendien stel ik vast dat de nieuwe bepaling enerzijds, door de verwijzing naar precieze redenen van technische, productieve en organisatorische aard of vervanging van werknemers, nog steeds vereist dat de reden van het beroep op een overeenkomst voor bepaalde tijd wordt vermeld, en anderzijds de hieraan verbonden sanctie handhaaft, te weten de nietigheid van de termijn. Gelet op de elementen in het dossier, kan de vraag rijzen of, zoals Poste Italiane stelt, de ingevoerde wijzigingen zozeer gecompenseerd zouden kunnen zijn door andere garanties, dat het door de huidige regeling verstrekte niveau van bescherming vergelijkbaar is met en zelfs gunstiger dan de eerdere regeling, zowel globaal als specifiek, namelijk wat betreft de redenen om een overeenkomst voor bepaalde tijd te sluiten.
54. Zoals het Hof heeft geoordeeld, moet worden vastgesteld dat de wijzigingen die zijn aangebracht door een nationale regeling geen verlaging van het algemene niveau van bescherming van de werknemers lijken te vormen, wanneer zij gecompenseerd kunnen worden door de vaststelling van andere maatregelen, zoals die ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd(45), en aan dit voorbeeld wil ik toevoegen maatregelen, die ertoe strekken discriminatie jegens werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te verbieden.
55. In voornoemde omstandigheden staat het verbod van een verlaging van het algemene niveau van bescherming van de werknemers derhalve niet eraan in de weg dat een werknemer of een categorie werknemers zich na de omzetting van de raamovereenkomst in een minder gunstige positie kan bevinden.
56. Hoe het ook zij, de beoordeling of er sprake is van een verlaging van het algemene niveau van bescherming van werknemers, zoals die door clausule 8 van de raamovereenkomst wordt verboden, en met name de waardering van de concrete invloed van de wijziging van het betrokken nationale recht, is een taak van de nationale rechter, die er als enige voldoende van op de hoogte is hoe de voor overeenkomsten voor bepaalde tijd geldende regeling zich in het nationale recht heeft ontwikkeld.
57. De wijzigingen die zijn aangebracht door een nationale regeling die, zoals die in het hoofdgeding, bedoeld is om richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst in nationaal recht om te zetten, vormen dus mijns inziens geen verlaging van het algemene niveau van bescherming van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de zin van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst, wanneer zij, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, betrekking hebben op een kleine categorie van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of gecompenseerd kunnen worden door de vaststelling van andere maatregelen ter bescherming van werknemers met dergelijke overeenkomsten.
D – De uit de uitlegging van het zogenoemde „verslechteringsverbod” te trekken gevolgen
58. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij krachtens het recht van de Unie gehouden is om een met dat recht strijdige nationale regeling, zoals die in het hoofdgeding, buiten toepassing te laten. In wezen wenst hij te vernemen of hij, ingeval de artikelen 1 en 11 van wetsbesluit 368/2001 in strijd zijn met clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst, in plaats hiervan de bepalingen die hiervóór van kracht waren, te weten artikel 1, lid 2, sub b, van wet 230/1962, zou moeten toepassen.
59. Vastgesteld dient te worden dat het Hof reeds in het arrest Angelidaki e.a. een antwoord op een soortgelijke vraag heeft gegeven, en dat andere nuttige elementen om daarop te antwoorden, voortvloeien uit de arresten Adeneler e.a. en Impact, alsook uit de beschikking Vassilakis e.a.(46), zoals reeds is opgemerkt in de tegelijkertijd gewezen beschikking in de zaak Koukou.(47)
60. Het Hof heeft om te beginnen in herinnering gebracht dat zijn vaste rechtspraak met betrekking tot de verticale rechtstreekse werking van richtlijnen(48) ook geldt voor overeenkomsten, zoals de raamovereenkomst, waarover de sociale partners op gemeenschapsniveau hebben onderhandeld en die overeenkomstig artikel 139, leden 1 en 2, EG ten uitvoer zijn gelegd door een richtlijn van de Raad, waarvan zij dan een integrerend deel uitmaken.(49)
61. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat particulieren, gelet op het doel van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst en de beperkte reikwijdte van die clausule, ook gezien haar formulering, aan het hierin vervatte verbod geen enkel recht kunnen ontlenen waarvan de inhoud zo duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is dat het voor de nationale rechter kan worden ingeroepen.(50)
62. Zoals ik reeds heb opgemerkt, impliceert een eventueel door een werknemer ervaren verlaging van het niveau van bescherming niet noodzakelijkerwijs een verlaging van het algemene niveau van bescherming in de zin van clausule 8 van de raamovereenkomst. Met andere woorden, het is niet uitgesloten dat de situatie van een enkeling minder gunstig blijkt te zijn dan onder de oude rechtsregeling, zonder dat het nieuwe nationale voorschrift daarom in strijd is met de raamovereenkomst.
63. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat bedoelde clausule dus niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking(51), die in dat geval vertikaal zou zijn geweest(52), terwijl het in het onderhavige geval erom zou kunnen gaan, daaraan horizontale rechtstreekse werking toe te kennen, hetgeen het Hof altijd heeft afgewezen.(53)
64. Gepreciseerd dient te worden dat de hoedanigheid van Poste Italiane als private of publieke entiteit tussen partijen zeer omstreden is, terwijl het dossier niet voldoende elementen bevat om mij hierover duidelijk stelling te laten innemen. Overigens lijkt het mij niet nodig om over die hoedanigheid helderheid te verschaffen, nu immers ook een verticale rechtstreekse werking expliciet aan clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst is ontzegd.
65. Het Hof heeft vervolgens aangegeven dat het „[i]n deze context […] aan de nationale rechter [staat] de bepalingen van het nationale recht zoveel mogelijk aldus [uit te leggen] dat zij conform het door de raamovereenkomst nagestreefde doel kunnen worden toegepast”(54), en in het bijzonder zoveel mogelijk een uitlegging te geven die in overeenstemming is met clausule 8, punt 3, van deze raamovereenkomst.(55)
66. De concrete consequenties van deze rechtspraak zijn door partijen op verschillende wijze geanalyseerd. Sorge heeft hieruit afgeleid dat de verwijzende rechter de bepalingen van wet 230/1962 in de plaats moet stellen van de bepalingen van wetsbesluit 368/2001, die, met name gelet op de beslissingen van de Corte costituzionale en de Corte suprema di cassazione, geacht worden in strijd te zijn met de raamovereenkomst. Volgens Poste Italiane, die daarentegen van mening is dat deze beslissingen meer ertoe neigen dat de betwiste bepalingen in overeenstemming zijn met clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst, kan het Tribunale di Trani in geen geval deze bepalingen buiten toepassing laten. De Italiaanse Republiek, die zich slechts subsidiair over deze vraag heeft uitgesproken, heeft aangegeven dat de verwijzende rechter over verschillende middelen beschikt om aan wetsbesluit 368/2001 een uitlegging te geven die het mogelijk maakt het door de raamovereenkomst nagestreefde niveau van bescherming te bereiken. Volgens de Nederlandse regering zou de richtlijnconforme uitlegging de nationale rechter er niet toe mogen brengen de betrokken bepalingen buiten toepassing te laten, aangezien dat erop neer zou komen dat het verslechteringsverbod rechtstreekse werking zou hebben, hetgeen is afgewezen. De Commissie heeft haar standpunt ter zake niet gepreciseerd.
67. Het arrest Angelidaki e.a. geeft de verwijzende rechter aanwijzingen zowel over de rechtsgrondslag (punten 197 en 198) als over de grenzen van de verplichting tot richtlijnconforme uitlegging (punten 200‑202), en wel naar analogie, wat clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst betreft. In het bijzonder wordt eraan herinnerd dat de nationale rechterlijke instanties, zoals alle organen van de lidstaten, alles moeten doen wat binnen hun bevoegdheid valt, om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het door de richtlijn nagestreefde doel.(56) De vervulling van deze taak kan de verwijzende rechter er echter niet toe brengen, zijn prerogatieven te overschrijden en met name over te gaan tot een uitlegging contra legem van het nationale recht, aangezien alleen de wetgever bevoegd is dit te wijzigen.
68. Mij lijkt het noodzakelijk hieraan toe te voegen dat, mijns inziens, de verplichting tot richtlijnconforme uitlegging geenszins ertoe zou kunnen leiden dat nationale regels die zowel ratione materiae als ratione temporis uitdrukkelijk niet rechtsgeldig en relevant zijn, toepasselijk worden. Het is de toepasselijke nationale bepaling die moet worden uitgelegd conform richtlijn 1999/70 en de raamovereenkomst, alsmede het recht van de Unie in het algemeen. Terwijl de voorrang van het recht van de Unie ertoe kan leiden dat een nationale bepaling buiten toepassing wordt gelaten, kan dat recht een bepaling van een lidstaat geen formele geldigheid verstrekken of in concreto toepassing verlenen binnen de rechtsorde van die lidstaat. Ik benadruk het feit dat het recht van de Unie niet bij machte is een nationale bepaling te „doen herleven”, die niet meer van kracht is en die, bij gebreke van specifieke bepalingen op dit punt, ratione temporis niet op een geschil van toepassing is, zoals het geval is met de ingetrokken bepalingen van wet 230/1962.
69. Ik preciseer dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de aldus geformuleerde eis en die welke verband houdt met het feit dat de verplichting tot richtlijnconforme uitlegging betrekking moet hebben op alle relevante bepalingen van nationaal recht, ongeacht of deze dateren van eerdere of latere datum dan de betrokken richtlijn.(57) Bovendien breng ik in herinnering dat, zoals het Hof heeft geoordeeld, wanneer het nationale recht het door de toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden in bepaalde omstandigheden mogelijk maakt om een bepaling van de nationale rechtsorde aldus uit te leggen dat een conflict met een andere bepaling van nationaal recht wordt vermeden of om met dit doel de strekking van die bepaling te beperken door haar slechts toe te passen voor zover zij met die andere bepaling verenigbaar is, de rechter verplicht is dezelfde methoden te gebruiken om het door de richtlijn beoogde resultaat te bereiken.(58)
70. Tevens moet worden benadrukt dat de aldus opgevatte verplichting tot richtlijnconforme uitlegging niet erop neerkomt dat de facto de rechtstreekse werking, vertikaal of zelfs horizontaal, van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst wordt erkend, zoals de Nederlandse regering vreest. Volgens mij mogen enerzijds de rechtstreekse werking die een dergelijke bepaling als zodanig jegens particulieren zou kunnen hebben, en anderzijds de invloed ervan op zowel de wetgevende als de rechtsprekende werkzaamheden(59) van de lidstaten, niet met elkaar worden verward.
71. Bijgevolg zal op de tweede prejudiciële vraag enerzijds worden geantwoord, dat een particulier geen beroep kan doen op de rechtstreekse toepassing van clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst om te bereiken dat de bepalingen van artikel 1 van wetsbesluit 368/2001 buiten toepassing worden gelaten ten gunste van de ingetrokken bepalingen van artikel 1, lid 2, sub b, van wet 230/1962; maar anderzijds dat, ingeval de betwiste bepalingen door de verwijzende rechter geacht worden in strijd te zijn met het recht van de Unie, deze aan de bepalingen van het toepasselijke nationale recht een uitlegging moet geven die het mogelijk maakt, zowel de bewoordingen als de doelstelling van deze clausule zoveel mogelijk na te leven, zonder zijn bevoegdheden te overschrijden.
V – Conclusie
72. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Tribunale di Trani (Italië) als volgt te beantwoorden:
„1) Clausule 8, punt 3, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling als die vervat in de artikelen 1 en 11 van wetsbesluit nr. 368 van 6 september 2001, die, anders dan een eerder voorschrift van nationaal recht, zoals artikel 1, lid 2, sub b, van wet nr. 230 van 18 april 1962 inzake de regeling van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, niet meer voorziet in een verplichting voor de werkgever om in de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ter vervanging van afwezige werknemers die recht op behoud van hun betrekking hebben, zowel de naam van de vervangen werknemer als de reden voor zijn vervanging te vermelden, wanneer deze wijzigingen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, betrekking hebben op een kleine categorie van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of gecompenseerd worden door de vaststelling van andere maatregelen ter bescherming van werknemers met een overeenkomst voor bepaalde tijd.
2) Clausule 8, punt 3, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, voldoet niet aan de voorwaarden om rechtstreekse werking te hebben. Ingeval een wijziging van de nationale regelgeving, zoals die ingevoerd door artikel 1 van wetsbesluit nr. 368 van 6 september 2001, in strijd blijkt te zijn met die clausule, moet de verwijzende rechter de relevante bepalingen van het nationale recht niet buiten toepassing laten, maar dient hij aan die bepalingen zoveel mogelijk een uitlegging te geven die met het recht van de Unie, en in het bijzonder met het doel van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in overeenstemming is.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 175, blz. 43.
3 – Wetsbesluit tot uitvoering van richtlijn 1999/70 (GURI nr. 235 van 9 oktober 2001, blz. 4).
4 – Arresten van 22 november 2005, Mangold (C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981), en 23 april 2009, Angelidaki e.a. (C‑378/07–C 380/07, Jurispr. blz. I‑00000).
5 – Deze rechter heeft het Hof recentelijk om een prejudiciële beslissing verzocht in het kader van een geding betreffende Poste Italiane dat ook ging over wetsbesluit 368/2001 en clausule 8 van de raamovereenkomst: zie de zaak Vino (C‑20/10, nog aanhangig bij het Hof).
6 – Aangezien het in het hoofdgeding om de uitlegging van een wetsbesluit van 6 september 2001 gaat, zal worden verwezen naar de bepalingen van het EG-Verdrag volgens de nummering die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
7 – Artikel 139, lid 2, EG bepaalt dat de sociale partners gezamenlijk kunnen vragen dat de tenuitvoerlegging van de op communautair niveau gesloten overeenkomsten door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie geschiedt.
8 – Te weten: het Europees Verbond van Vakverenigingen, de Unie van Industrie‑ en Werkgeversfederaties der Europese Gemeenschap (sinds 1997 genaamd BusinessEurope) en het Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven.
9 – GURI nr. 125 van 17 mei 1962, blz. 2010.
10 – Volgens zijn preambule is wetsbesluit nr. 368/2001 vastgesteld ter uitvoering van machtigingswet nr. 422 van 29 december 2000, en in het bijzonder artikel 1 en bijlage B, die betrekking heeft op richtlijn 1999/70 (GURI nr. 16 van 20 januari 2001, blz. 5).
11 – De litigieuze overeenkomst is gesloten vóór de inwerkingtreding van wet nr. 247 van 24 december 2007 (GURI nr. 301 van 29 december 2007, blz. 3), die aan het begin van artikel 1 van wetsbesluit 368/2001 een lid heeft ingelast luidende: „de arbeidsovereenkomst wordt in beginsel geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan”.
12 – Bij beschikking van 21 april 2008 had het Tribunale di Trani reeds een vraag naar de grondwettigheid van de artikelen 1 en 11 van wetsbesluit 368/2001 opgeworpen, waarover de Corte costituzionale (constitutioneel Hof) bij beslissing nr. 214 van 8 juli 2009 uitspraak heeft gedaan.
13 – Benadrukt dient te worden dat, in tegenstelling tot de verwijzingsbeschikking, alle door partijen ingediende opmerkingen van na het reeds aangehaalde arrest Angelidaki e.a. dateren.
14 – De vertegenwoordiger van Poste Italiane heeft het Hof na de terechtzitting uitspraak nr. 214 van de Corte costituzionale van 8 juli 2009 overgelegd, alsmede drie arresten van de Corte suprema di cassazione, Sezione Lavoro (arrest van 26 november 2009 en 14 januari 2010, nr. R.G.N. 22536/2008; arrest van 26 november 2009 en 14 januari 2010, nrs. R.G.N. 21956/2008 en 22465/2008, en arrest van 10 december 2009 en 27 januari 2010, nrs. R.G.N. 20577/2006).
15 – Twee doelstellingen gecombineerd in het neologisme „flexizekerheid”, dat met name wordt gebruikt in de stukken van de Commissie zoals de mededeling van 27 juni 2007, COM(2007) 359 def.
16 – Zie dienaangaande de preambule en de algemene overwegingen van de raamovereenkomst.
17 – Het bestaan van Europese collectieve overeenkomsten als instrumenten met bindende rechtskracht, en derhalve het bestaan van een Europees collectief arbeidsrecht, berust namelijk op het vertrouwen van de sociale partners in het feit dat die overeenkomsten overeenkomstig de onderhandelde compromissen worden uitgelegd en toegepast.
18 – Reeds aangehaald arrest (met name de punten 126 en 208‑212).
19 – „Wanneer een prejudiciële vraag identiek is met een vraag waarover het Hof zich reeds heeft uitgesproken, of wanneer het antwoord op een dergelijke vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, kan het Hof op ieder moment, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, beslissen bij een met redenen omklede beschikking waarin naar het eerdere arrest of de betrokken rechtspraak wordt verwezen.”
20 – Zie beschikkingen van 24 april 2009, Koukou (C‑519/08), en 23 november 2009, Lagoudakis (C‑162/08–C‑164/08).
21 – Zie met name reeds aangehaald arrest Mangold (punten 34 e.v.) en arrest van 4 juli 2006, Adeneler e.a. (C‑212/04, Jurispr. blz. I‑6057, punten 39 e.v.).
22 – Zie reeds aangehaald arrest Mangold (punt 38).
23 – Sorge verwijst niet alleen naar artikel 1, leden 1, 2, en 4, van wetsbesluit 368/2001, maar ook naar de artikelen 2, lid 1 bis, 4, 4 bis en 5, leden 3 en 4 bis, van dit besluit.
24 – In het kader van de prejudiciële procedure staat het uitsluitend aan de nationale rechter om de relevantie van die argumenten te beoordelen en om zich in voorkomend geval nogmaals tot het Hof te wenden, indien hij meent aanvullende gegevens over de uitlegging van het gemeenschapsrecht nodig te hebben voor het wijzen van zijn vonnis. Zie met name arresten van 3 oktober 1985, CBEM (311/84, Jurispr. blz. 3261, punten 9 e.v.), en 24 maart 1992, Syndesmos Melon tis Eleftheras Evangelikis Ekklisias e.a. (C‑381/89, Jurispr. blz. I‑2111, punten 18 e.v.).
25 – Zie met name arresten van 20 maart 1997, Phytheron International, (C‑352/95, Jurispr. blz. I‑1729, punt 14), en 17 september 1998, Kainuun Liikenne en Pohjolan Liikenne (C‑412/96, Jurispr. blz. I‑5141, punt 24).
26 – Zie over dit begrip met name reeds aangehaald arrest Adeneler e.a. (punten 66 e.v.) en beschikking van 12 juni 2008, Vassilakis e.a. (C‑364/07, punten 88 e.v.).
27 – Reeds aangehaald arrest (punten 40‑43).
28 – Zie reeds aangehaalde arresten Mangold (punten 41‑43), en Angelidaki e.a. (punt 90).
29 – Reeds aangehaald arrest (punten 44 e.v.). In die zaak had het hoofdgeding betrekking op één enkele overeenkomst voor bepaalde tijd (punt 20 van het arrest).
30 – Reeds aangehaald arrest (punten 108 e.v.). In een van de drie gevoegde zaken, namelijk zaak C‑378/07, ging het hoofdgeding over een reeks van enkele overeenkomsten voor bepaalde tijd (punt 32 van het arrest).
31 – Gepreciseerd moet worden dat de context waarbinnen wordt uitgelegd, hier anders is dan die welke ik in punt 21 van deze conclusie heb geanalyseerd. Hoewel het door clausule 8, punt 3, bestreken gebied niet strikter moet worden opgevat dan het gebied bestreken door de raamovereenkomst, mogen, gezien de formulering van de clausules 1, 2, en 3, de in de raamovereenkomst gebruikte bewoordingen, mijns inziens, niet extensief worden opgevat.
32 – Reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punten 111‑116). Zie met betrekking tot de ruime werkingssfeer van de raamovereenkomst, ook arresten van 7 september 2006, Marrosu en Sardino (C‑53/04, Jurispr. blz. I‑7213, punten 40 e.v.); 7 september 2006, Vassallo (C‑180/04, Jurispr. blz. I‑7251, punt 32), en 13 september 2007, Del Cerro Alonso (C‑307/05, Jurispr. blz. I‑7109, punten 24 e.v.).
33 – Reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 121).
34 – Punt 62 van de conclusie in zaak C‑144/04.
35 – Reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 130).
36 – Reeds aangehaald arrest Mangold (punt 51).
37 – De Italiaanse Republiek betoogt weliswaar dat de artikelen 1 en 11 van dit wetsbesluit niet onder de raamovereenkomst vallen, maar de hiervoor aangevoerde argumenten overtuigen mij niet om de hierboven uiteengezette redenen.
38 – Zie voetnoot 10 van deze conclusie.
39 – Reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 133).
40 – Zie met name reeds aangehaalde beschikking Vassilakis e.a. (punt 134), alsook reeds aangehaald arrest Marrosu en Sardino (punt 54), en arrest van 7 mei 2009, Rijkeboer (C‑553/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 30).
41 – Punt III van het verzoek om een prejudiciële beslissing, waarbij wordt gepreciseerd dat de Latijnse uitdrukking „reformatio in peius” in de originele tekst cursief is.
42 – Zie in deze zin reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 138).
43 – Reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 140).
44 – Reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 142).
45 – Zie reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 146).
46 – Reeds aangehaald arrest Adeneler e.a. (punten 108‑124); arrest van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punten 69‑80), en reeds aangehaalde beschikking Vassilakis e.a. (punten 56‑72).
47 – Reeds aangehaalde beschikking (punten 125 e.v.).
48 – Zie reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punten 193 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 – Zie reeds aangehaald arrest Impact (punt 58), dat de rechtstreekse werking van clausule 5, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeid voor bepaalde tijd uitsluit, maar deze wel erkent voor clausule 4, punt 1, van die overeenkomst.
50 – Zie reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punten 208‑211). Advocaat-generaal Kokott had ook geconcludeerd dat clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst zich niet voor een rechtstreekse toepassing leende, wegens „het gebruik van onbepaalde rechtsbegrippen” en vooral wegens het feit dat „deze bepaling geenszins strekt tot toekenning van juridisch afdwingbare rechten aan individuele personen ter verdediging van hun belangen als werknemer” (punten 125‑127 van de in deze zaak genomen conclusie).
51 – Reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punten 208‑211).
52 – De verschillende hoofdgedingen deden zich voor tussen werknemers en territoriale overheden die hen tewerkstelden.
53 – Volgens vaste rechtspraak kan een richtlijn niet tegenover een particulier worden ingeroepen, terwijl dat wel kan tegenover de staat, onverschillig de hoedanigheid waarin deze handelt, als werkgever of als overheid. Zie met name arresten van 26 februari 1986, Marshall (152/84, Jurispr. blz. 723, punten 48 en 49); 14 juli 1994, Faccini Dori (C‑91/92, Jurispr. blz. I‑3325, punten 24 en 25); 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punt 109); 19 april 2007, Farrell (C‑356/05, Jurispr. blz. I‑3067, punt 40), en 19 januari 2010, Kücükdeveci (C‑555/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 46).
54 – Aangezien de raamovereenkomst, die een bestanddeel is van richtlijn 1999/70, hetzelfde rechtskarakter heeft als die richtlijn, moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 249, derde alinea, EG, de doelstelling van deze overeenkomst volledig naleven.
55 – Punten 212 en 213 van het reeds aangehaalde arrest Angelidaki e.a., en punten 122‑128 van de conclusie van advocaat-generaal Kokott in deze zaak.
56 – Het reeds aangehaalde arrest Kücükdeveci heeft recentelijk deze beginselen in herinnering gebracht (zie punt 48).
57 – Zie reeds aangehaald arrest Angelidaki e.a. (punt 197). Volgens mij kan deze overweging slechts van toepassing zijn op bepalingen die daadwerkelijk een normatieve waarde hebben binnen de interne rechtsorde, en niet op ingetrokken bepalingen die feitelijk alleen nog maar bestaan als historisch element van het nationale recht.
58 – Zie reeds aangehaald arrest Pfeiffer e.a. (punt 116).
59 – Op dit punt wil ik benadrukken dat de raamovereenkomst niet alleen het onderwerp kan zijn van geschillen betreffende particulieren, maar ook van geschillen betreffende sociale partners op sectorieel of ook nationaal vlak, en dat het beginsel van uitlegging van wettelijke bepalingen en collectieve overeenkomsten overeenkomstig clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst mij op dat niveau meer relevant lijkt dan wanneer het gaat om de beoordeling van de geldigheid van bedingen van individuele arbeidsovereenkomsten.
Full & Egal Universal Law Academy