CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. JÄÄSKINEN
van 23 september 2010 (1)
Zaak C‑194/09 P
Alcoa Trasformazioni Srl
„Hogere voorziening – Regelingen inzake preferent elektriciteitstarief voor bepaalde energie-intensieve bedrijfstakken in Italië – Geen overheidssteun – Verlenging van regelingen door Italiaanse autoriteiten – Beschikking tot inleiding van procedure van artikel 88, lid 2, EG”
1. Met haar hogere voorziening vordert Alcoa Trasformazioni Srl (hierna: „Alcoa”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 25 maart 2009, Alcoa Trasformazioni/Commissie (T‑332/06; hierna: „bestreden arrest”)(2) en gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2006/C 214/03 van de Commissie tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, EG betreffende steunmaatregel C 36/06 (ex NN 38/06) – Preferent elektriciteitstarief voor energie-intensieve bedrijfstakken in Italië(3) (hierna: „bestreden beschikking”), voor zover deze beschikking de elektriciteitstarieven betreft die van toepassing zijn op de aluminiumfabrieken van Alcoa.
2. Bijzonder in deze zaak is dat het door Alcoa ingestelde beroep betrekking heeft op een beschikking van de Commissie tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure ten aanzien van een maatregel waarbij een aan Alcoa toegekende faciliteit werd verlengd. Deze faciliteit bestond in een preferent tarief dat door de Commissie in 1995 was aangemerkt als niet zijnde een steunmaatregel. Het beroep heeft dus niet betrekking op een eindbeschikking gegeven op grond van artikel 88, lid 2, EG.
3. In deze context dient het Hof onder meer de rechtsgevolgen te onderzoeken van een beschikking van de Commissie waarbij deze een maatregel heeft aangemerkt als niet zijnde staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG, alsmede de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel.
I – Rechtskader
4. Artikel 1 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1), die op 16 april 1999 in werking is getreden, bevat de volgende relevante definities:
„a) ‚steun’: elke maatregel die aan alle in artikel [87], lid 1, [EG] vervatte criteria voldoet;
b) ‚bestaande steun’:
i) [...] alle steun die voor de inwerkingtreding van het Verdrag in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn;
ii) goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de Commissie of de Raad zijn goedgekeurd;
[...]
v) steun die als bestaande steun wordt beschouwd, omdat kan worden vastgesteld dat hij op het moment van inwerkingtreding geen steun vormde, maar vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, zonder dat de betrokken lidstaat er wijzigingen in heeft aangebracht; maatregelen die vanwege de liberalisering van een activiteit door het Gemeenschapsrecht steun zijn geworden, worden na de voor de liberalisering voorgeschreven datum niet als bestaande steun beschouwd;
c) ‚nieuwe steun’: alle steun, dat wil zeggen alle steunregelingen of individuele steun die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun;
[...]
f) ‚onrechtmatige steun’: nieuwe steun die in strijd met artikel [88], lid 3, [EG] tot uitvoering wordt gebracht;
[...]”
5. Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 659/1999 „wordt elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld”. In artikel 3 van deze verordening wordt bepaald dat nieuwe steun niet mag worden uitgevoerd „alvorens de Commissie een beschikking tot goedkeuring van die steun heeft gegeven of wordt geacht die te hebben gegeven”.
6. Artikel 4, lid 4, van de genoemde verordening bepaalt:
„Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, geeft zij een beschikking welke ertoe strekt de procedure overeenkomstig artikel [88], lid 2, [EG] in te leiden (‚beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure’).”
7. Artikel 6, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„De beschikking om de formele onderzoeksprocedure in te leiden behelst een samenvatting van de relevante feiten en rechtspunten, een eerste beoordeling van de Commissie omtrent de steunverlenende aard van de voorgestelde maatregel, alsook de redenen waarom getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt. In de beschikking worden de betrokken lidstaat en de andere belanghebbenden uitgenodigd om hun opmerkingen mede te delen binnen een vastgestelde termijn die normalerwijs niet langer dan een maand mag zijn. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.”
8. Wat betreft niet-aangemelde steunmaatregelen wordt in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 659/1999 bepaald: „Indien de Commissie, uit welke bron ook, over informatie beschikt met betrekking tot beweerdelijk onrechtmatige steun, onderwerpt zij die informatie onverwijld aan een onderzoek.” Artikel 13, lid 1, van deze verordening bepaalt dat dit onderzoek in voorkomend geval kan resulteren in een beschikking tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure.
9. De procedure betreffende bestaande steunregelingen is vastgesteld in de artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 659/1999. Artikel 18 van deze verordening bepaalt: „Indien de Commissie [...] tot de gevolgtrekking komt dat de bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, geeft zij een aanbeveling waarbij de betrokken lidstaat dienstige maatregelen worden voorgesteld.” Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen niet aanvaardt, kan de Commissie op grond van artikel 19, lid 2, van dezelfde verordening overgaan tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure.
II – Feiten, procedure en bestreden arrest
10. Alcoa, een vennootschap naar Italiaans recht, is eigenaar van twee fabrieken die primair aluminium produceren. Deze zijn gevestigd in Portovesme (Sardinië) en in Fusina (Veneto) en zijn aan rekwirante verkocht door Alumix SpA in het kader van de privatisering van laatstgenoemde.
11. In de aan de Italiaanse Republiek betekende beschikking 96/C 288/04 die op 1 oktober 1996 is gepubliceerd(4) (hierna: „Alumix-beschikking”) heeft de Commissie onder meer geconcludeerd dat het preferente elektriciteitstarief dat ENEL in rekening bracht aan de door Alcoa gekochte fabrieken, geen staatsteun vormde in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Dit preferente tarief was in 1992 vastgesteld bij besluit nr. 13 van 24 juli 1992 van de Comitato interministeriale dei prezzi (interministerieel comité voor de prijzen). Volgens artikel 2 van het wetsdecreet van 19 december 1995(5) (hierna: „wetsdecreet van 1995”) was het genoemde tarief geldig tot en met 31 december 2005. In dit verband heeft de Commissie onder meer overwogen dat „door voor de productie van primair aluminium [in de door rekwirante gekochte fabrieken] een tarief in rekening te brengen dat haar variabele kosten dekt en een bijdrage levert in haar vaste kosten, ENEL zich gedraagt [als een marktdeelnemer die onder normale marktvoorwaarden handelt], aangezien zij door het hanteren van deze tarieven elektriciteit kan leveren aan haar grootste industriële afnemers in regio’s waarin wat de elektriciteitsproductie betreft een grote overcapaciteit bestaat”.
12. Uit het dossier blijkt dat de overheidsinstantie Cassa Conguaglio per il settore elettrico (Egalisatiefonds voor de elektriciteitssector; hierna: „Egalisatiefonds”) is belast met het beheer van het preferente tarief bij besluit nr. 148/04 van de Autorità per l’energia elettrica e il gas (gas- en elektriciteitsautoriteit; hierna: „Autoriteit”) van 9 augustus 2004. Op grond hiervan betaalde het Egalisatiefonds door middel van een aan alle elektriciteitsverbruikers in Italië opgelegde parafiscale heffing, aan Alcoa rechtstreeks het verschil terug tussen het door ENEL in rekening gebrachte tarief en het preferente tarief dat bij het wetsdecreet van 1995 was vastgesteld.
13. In 2005 werd wetsdecreet nr. 35 van 14 maart 2005, omgezet in wet nr. 80 van 14 mei 2005 (gewoon supplement bij GURI nr. 91 van 14 mei 2005; hierna: „wetsdecreet van 2005”), vastgesteld door de Italiaanse autoriteiten. Ingevolge artikel 11, lid 11, van dit wetsdecreet werd het preferente tarief voor de twee fabrieken van Alcoa verlengd tot en met 31 december 2010.
14. In een besluit van de op elektriciteitsgebied bevoegde autoriteit (besluit nr. 217/05 van 13 oktober 2005, genomen krachtens artikel 11, leden 11 en 13, van het wetsdecreet van 2005) zijn nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 11, lid 11, vastgesteld. Volgens deze bepalingen bleef het tarief van 2004 van toepassing in 2005 en mocht het aan de fabrieken van Alcoa toegekende tarief ten hoogste 4 % per jaar verhoogd worden ingeval de jaarlijkse referentieprijzen op de energiebeurzen van Frankfurt am Main en van Amsterdam stegen.
15. In het licht van deze informatie heeft de Commissie de bestreden beschikking gegeven tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, EG inzake nieuwe steunmaatregelen.
16. Bij verzoekschrift van 29 november 2006 heeft Alcoa beroep ingesteld bij het Gerecht strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. Alcoa voerde ten eerste aan dat het voor haar fabrieken geldende tarief ten onrechte door de Commissie in de bestreden beschikking als staatsteun was aangemerkt, daar dit tarief een markttarief was en haar fabrieken geen voordeel verschafte. Ten tweede verweet zij de Commissie het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel te hebben geschonden, omdat genoemde beschikking in tegenspraak was met de Alumix-beschikking. Ten derde voerde zij, subsidiair, aan dat de Commissie de maatregel ten onrechte had onderzocht volgens de procedure voor nieuwe steunmaatregelen en niet volgens de procedure voor bestaande steunmaatregelen.
17. Bij arrest van 25 maart 2009 heeft het Gerecht het beroep verworpen.
III – De hogere voorziening
18. Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Alcoa twee middelen aan, onderverdeeld in meerdere afzonderlijke grieven.
19. Met het eerste middel verwijt Alcoa het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie een procedure kon inleiden zonder eerst na te gaan of de conclusies van de Alumix-beschikking niet meer golden. Het Gerecht zou namelijk ten eerste zijn controle van de bestreden beschikking hebben beperkt tot een kennelijke fout; ten tweede zou het niet de rechtspraak en de fundamentele beginselen van het recht van de Europese Unie hebben toegepast, volgens welke de Commissie rekening dient te houden met haar eerdere beschikkingen in dezelfde zaak; ten derde zou het op basis van onvoldoende informatie hebben geoordeeld dat de Commissie de formele onderzoeksprocedure kon inleiden; ten vierde zou het ten onrechte hebben geoordeeld dat de Alumix-beschikking slechts voor beperkte tijd geldig was; ten vijfde zou het hebben verzuimd vast te stellen dat de Commissie in de bestreden beschikking de beginselen van behoorlijk bestuur en van het recht om te worden gehoord heeft geschonden, en ten zesde zou het ten onrechte de bestreden beschikking als voldoende met redenen omkleed hebben beschouwd.
20. Het tweede middel klaagt over een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht doordat het in het onderhavige geval de onderzoeksprocedure voor nieuwe steunmaatregelen toepasselijk heeft geacht. Ter ondersteuning van dit middel stelt Alcoa ten eerste dat het Gerecht zich heeft gebaseerd op rechtspraak over de verlenging in de tijd van verenigbare steun; ten tweede dat het de Alumix-beschikking heeft uitgelegd als een tijdelijke maatregel; ten derde dat het zich ten onrechte heeft gebaseerd op technische wijzigingen aangebracht in 1999 en 2004, en ten vierde dat het geen rekening heeft gehouden met de noodzaak om bij de inleiding van een formele procedure de rechtszekerheid en het gewettigde vertrouwen te beschermen.
21. Alcoa concludeert derhalve tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de op 19 juli 2006 aan de Italiaanse Republiek betekende beschikking 2006/C 214/03 van de Commissie, voor zover deze beschikking de elektriciteitstarieven betreft voor de aluminiumfabrieken van Alcoa. Subsidiair verzoekt zij het Hof de zaak te verwijzen naar het Gerecht voor hernieuwde beoordeling in overeenstemming met het arrest van het Hof. Alcoa vordert tot slot om de Commissie te verwijzen in de kosten, met veroordeling tot terugbetaling van de haar als kosten in verband met de procedure in eerste aanleg betaalde bedragen.
22. De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirante in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in eerste aanleg.
IV – Inleiding
23. Ik merk om te beginnen op dat het in de onderhavige procedure gaat om de voorwaarden waaronder een maatregel die volgens de Commissie geen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG oplevert, beschouwd kan worden als een afzonderlijke maatregel wanneer de nationale autoriteiten bepaalde wijzingen in die maatregel aanbrengen en besluiten de looptijd ervan te verlengen.
24. Ik stel vast dat het fundamentele verschil tussen het standpunt van Alcoa en dat van de Commissie is gelegen in het feit dat het voor Alcoa gaat om een verlenging van een maatregel die al door de Commissie is getoetst, terwijl het voor de Commissie gaat om een afzonderlijke maatregel die derhalve alleen getoetst kan worden als een nieuwe steunmaatregel.
25. In dit verband wil ik er nu alvast op wijzen dat de redenering van het Gerecht is gebaseerd op een vaststelling in punt 132 van het bestreden arrest, namelijk dat de betrokken maatregel niet als bestaande steun kan worden beschouwd, niet alleen omdat deze een andere periode betreft dan de periode die in de Alumix-beschikking is onderzocht, maar ook omdat de maatregel niet langer bestaat uit de toepassing door ENEL van het bij het wetsdecreet van 1995 vastgestelde tarief, dat een markttarief was, maar uit de toekenning van een vergoeding door het Egalisatiefonds ter compensatie van het verschil tussen het door ENEL in rekening gebrachte tarief en het tarief vastgesteld bij het wetsdecreet van 1995, dat is verlengd bij het wetsdecreet van 2005. Volgens het Gerecht gaat het dus om een afzonderlijke maatregel.
V – Algemene opmerkingen over de maatregelen die geen staatssteun vormen, en over een eventuele wijziging van de kwalificatie daarvan
26. Het voortdurende onderzoek naar en het toezicht op staatssteun door de Commissie zijn vastgelegd en geregeld in artikel 88 EG. Krachtens artikel 88, lid 1, EG, is de Commissie gehouden voortdurend onderzoek te doen naar bestaande steunregelingen in de lidstaten. Voor nieuwe steunmaatregelen die lidstaten voornemens zijn in te voeren, voorziet het Verdrag in een eerstefaseonderzoek. Geen enkele steunmaatregel kan geacht worden volgens de regels te zijn ingevoerd zonder eerst aan dit onderzoek te zijn onderworpen. Krachtens artikel 88, lid 3, eerste volzin, EG dient de Commissie op de hoogte te worden gebracht van ieder voornemen tot verlening of wijziging van steun voordat dit ten uitvoer wordt gebracht.
27. Er dient dus onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds het eerstefaseonderzoek van artikel 88, lid 3, EG, dat er slechts toe dient de Commissie in staat te stellen zich een eerste oordeel te vormen over de gehele of gedeeltelijke verenigbaarheid van de betrokken steun, en anderzijds de in artikel 88, lid 2, EG bedoelde formele onderzoeksprocedure. Deze tweede procedure maakt een diepgaand onderzoek van de overheidsmaatregelen mogelijk en heeft een tweeledig doel: enerzijds het beschermen van de rechten van potentieel belanghebbende derden, anderzijds het scheppen van de mogelijkheid voor de Commissie om zich volledig te informeren over alle omstandigheden van de zaak voordat zij een beslissing neemt.(6)
28. In de zaak België en Forum 187/Commissie was het Hof al in de gelegenheid om zich uit te spreken over de gevolgen van een beschikking waarin de Commissie terugkomt van haar beoordeling in een eerdere beschikking dat een maatregel geen staatssteun vormt.(7)
29. Bovendien heeft advocaat-generaal Léger er in zijn conclusie in die zaak op gewezen dat de beschikking waarbij de Commissie vaststelt dat een maatregel geen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG is, geen rechtssituatie schept die de instellingen vaak kunnen wijzigen in de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid, zoals dit wel het geval kan zijn op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, waarvan het doel een voortdurende aanpassing aan de wijzigingen van de economische toestand juist vereist.(8)
30. Volgens advocaat-generaal Léger volgt hieruit dat wanneer een nationale maatregel conform artikel 88, lid 3, EG bij de Commissie is aangemeld en de Commissie een beschikking heeft gegeven volgens welke deze maatregel geen steun vormt in de zin van artikel 87, lid 1, EG, zowel de staat die deze maatregel heeft vastgesteld als de begunstigden van de maatregel na het verstrijken van de termijn waarbinnen beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld, de zekerheid hebben dat deze regeling niet strijdig is met de communautaire steunregels. De betrokkenen mogen er dus op vertrouwen dat een dergelijke beschikking in beginsel slechts wordt herzien indien zich een ontwikkeling op de gemeenschappelijke markt voordoet(9).
31. Ik kan deze redenering onderschrijven, maar merk tegelijkertijd op dat door de belangrijke verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak België en Forum 187/Commissie het onderzoek van de onderhavige zaak niet tot deze vaststelling beperkt kan blijven.
32. In de zaak België en Forum 187/Commissie is vastgesteld dat de maatregel na de aanmelding geen wezenlijke wijziging had ondergaan.(10) In de onderhavige hogere voorziening is echter de hoofdvraag juist wat de gevolgen zijn van het wijzigen van een maatregel die eerder als niet onder artikel 87, lid 1, EG vallend is beschouwd.
33. In dit verband kunnen nuttige lessen uit de hierna volgende rechtspraak worden getrokken.
34. Enerzijds heeft het Hof met betrekking tot de aangemelde maatregelen geoordeeld dat het uitvoeringsverbod van artikel 93, lid 3, laatste zin, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 3, laatste zin, EG) van toepassing is op de voorgenomen steunregeling in haar geheel en in haar door de nationale autoriteiten vastgestelde definitieve vorm. Indien het aanvankelijk aangemelde ontwerp tussentijds wijzigingen heeft ondergaan waarvan de Commissie niet in kennis is gesteld, is het verbod van toepassing op het gewijzigde ontwerp, tenzij de betrokken wijziging in werkelijkheid een afzonderlijke steunmaatregel vormt, die op zichzelf zou moeten worden beoordeeld en dus geen invloed kan hebben op het oordeel dat de Commissie reeds over het oorspronkelijke ontwerp heeft gegeven; in dit laatste geval geldt het verbod enkel voor de met die wijziging tot stand gebrachte steunmaatregel.(11)
35. Anderzijds volgt volgens het Hof zowel uit de inhoud als uit de doelstellingen van artikel 93 EG-Verdrag (thans artikel 88 EG), dat maatregelen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen als nieuwe steunmaatregelen beschouwd moeten worden waarvoor de aanmeldingsplicht van laatstgenoemde bepaling geldt, met dien verstande dat de wijzigingen betrekking kunnen hebben op bestaande steunmaatregelen of op de bij de Commissie aangemelde oorspronkelijke ontwerpen.(12)
36. Bovendien heeft het Gerecht in zijn rechtspraak getracht om de aard van de wijziging van een bestaande steunmaatregel af te bakenen.(13) Ik meen echter dat de aard van een verlenging of van een wijziging, alsmede de gevolgen die daaruit voortvloeien per geval bekeken moeten worden, hetgeen mijns inziens de vaststelling van algemene regels of criteria betreffende de aard van de veranderingen uitsluit.
37. Het komt mij voor dat een maatregel waarvan de Commissie reeds heeft vastgesteld dat deze geen steunmaatregel is, onder artikel 87, lid 1, EG kan vallen in met name de volgende gevallen.
38. Ten eerste op grond van het begrip „ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt” vermeld in artikel 1, sub b‑v, van verordening nr. 659/1999, waarin wordt bepaald dat een maatregel die geen steun vormde op het moment van inwerkingtreding, desalniettemin als bestaande steun moet worden beschouwd wanneer deze „vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt”. De maatregel wordt vanaf dat moment bestaande steun.
39. Ten tweede in het geval dat de Commissie van haar beoordeling van de maatregel terugkomt, in het bijzonder op grond van een striktere toepassing van de verdragsregels inzake staatsteun. De maatregel kan dan zijn onderworpen aan de procedure voor bestaande steunmaatregelen.(14)
40. Tot slot, wanneer de lidstaat de maatregel zodanig wijzigt dat deze de in artikel 87, lid 1, EG genoemde kenmerken heeft en een andere maatregel wordt dan de eerder getoetste maatregel. De maatregel wordt zo een nieuwe steunmaatregel.
41. Naar mijn mening is dat laatste het geval in de onderhavige zaak.
42. Het is waar dat indien de Commissie een maatregel niet als staatssteun heeft aangemerkt, een simpele verlenging van deze maatregel niet kan leiden tot een ander oordeel van de Commissie. Het spreekt immers vanzelf dat een maatregel die in essentie dezelfde blijft en dus nog steeds niet de kenmerken van staatssteun vertoont, valt onder de garanties die de Commissie in haar beschikking over de maatregel heeft gegeven ten aanzien van de verenigbaarheid van de maatregel met het recht van de Unie.
43. Wordt een regeling of maatregel eenvoudigweg verlengd, lijkt het juist om artikel 1, sub b-v, en de artikelen 17 tot en met 19 van verordening 659/1999 mutatis mutandis toe te passen in geval van een ontwikkeling van de markt.
44. Echter, wanneer een maatregel wordt verlengd nadat de Commissie heeft beslist dat de maatregel geen steunmaatregel is, en daarbij substantieel wordt gewijzigd, is er sprake van een wezenlijke wijziging van de maatregel, die kan leiden tot herziening van de kwalificatie van de maatregel. De maatregel kan dan namelijk veranderen in een maatregel die mogelijk wel valt onder artikel 87, lid 1, EG. Een dergelijke maatregel kan niet anders dan een afzonderlijke maatregel vormen ten opzichte van de voorgaande.
45. Op de Commissie rust dan de verplichting om een dwarsanalyse te maken van de aard van de wijzigingen. Indien de maatregel niet als staatssteun was aangemerkt, dient de Commissie, voordat zij een eerstefaseonderzoek start, door middel van een voldoende diepgaand onderzoek na te gaan of er sprake is van een verlenging zonder wijziging of van een wezenlijke wijziging.
46. Deze eis hangt naar mijn mening samen met de bescherming van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid.
47. Zoals advocaat-generaal Léger heeft onderstreept, hangt het antwoord op de vraag of een nationale maatregel wel of niet onder artikel 87, lid 1, EG valt niet af van een discretionaire beoordeling. Het feit dat de Commissie een grote beoordelingsvrijheid heeft om te bepalen of een nationale maatregel onder deze bepaling valt wanneer het onderzoek naar de in deze bepaling gestelde voorwaarden ingewikkelde economische beoordelingen inhoudt, betekent niet dat de Commissie haar oordeel over het bestaan van een steunmaatregel te allen tijde op discretionaire basis kan wijzigen.(15)
48. De wijziging van een maatregel kan meerdere niveaus betreffen.
49. Doet zich een wijziging voor met betrekking tot de overheidsinstantie die de maatregel vaststelt, dat wil zeggen de instantie die aan de oorsprong stond van een bepaalde maatregel die niet als steun is aangemerkt, dan kan deze verandering puur formeel zijn. Normaliter zal dan ook het economisch effect van een dergelijke verandering doorslaggevend zijn om te kunnen constateren of er sprake is van een wezenlijke wijziging van de maatregel.
50. Een wijziging kan tevens van inhoudelijke aard zijn, bijvoorbeeld wanneer deze de wijze van uitvoering van de maatregel betreft, te weten de wijze waarop de middelen voor de financiering van de maatregel worden gekanaliseerd.
51. In het onderhavige geval ben ik van mening dat het niet om een puur formele wijziging gaat. De dubbele wijziging, enerzijds van de persoon waarvan het veronderstelde voordeel uitgaat – te weten een overheidsinstantie in plaats van een staatsbedrijf met een historisch monopolie – en anderzijds van de wijze van financiering van dat voordeel – in plaats van een preferent tarief een parafiscale heffing die voor alle elektriciteitsverbruikers geldt – kan meebrengen dat deze wijziging als wezenlijk wordt aangemerkt. Die wijziging kan tot de conclusie leiden dat de maatregel een afzonderlijke maatregel is, en kan de beslissing van de Commissie om over te gaan tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure rechtvaardigen.
52. Bovendien zou het feit dat de juridische kwalificatie van een maatregel is getoetst, de bevoegde autoriteit er niet van mogen weerhouden om de maatregel opnieuw te toetsen wanneer er bij haar op grond van nieuwe relevante informatie twijfel rijst over de verenigbaarheid ervan met de toepasselijke regels. Wanneer een maatregel die is beoordeeld als niet zijnde een steunmaatregel, zodanig gewijzigd kan worden dat deze een andere maatregel wordt, dient het voor de Commissie mogelijk te zijn om in een dergelijk geval de genoemde procedure in te leiden.
53. Na afloop van het eerstefaseonderzoek van een overheidsmaatregel heeft de Commissie drie keuzemogelijkheden: of zij beslist dat de maatregel geen steunmaatregel is, of zij beslist dat deze maatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt ook al is het een steunmaatregel, of zij besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure.(16)
54. Wat het aan Alcoa toegekende preferente tarief betreft, blijkt uit het dossier dat de Commissie de bestreden beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft gegeven nadat bij haar twijfel was gerezen tijdens het eerstefaseonderzoek. De definitieve beschikking waarbij werd vastgesteld dat het stelsel van prijssubsidies ten gunste van Alcoa onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, dateert van 19 november 2009.(17)
VI – De eerste grief van het tweede middel
55. Aangezien naar mijn mening in deze grief punten aan bod komen die wezenlijk zijn voor de beslissing van het onderhavige geschil, wil ik deze als eerste behandelen.
A – Standpunt van partijen
56. Alcoa verwijt het Gerecht, zijn oordeel dat een verlenging van een steunmaatregel in de tijd reeds voldoende is om van die maatregel een nieuwe steunmaatregel te maken, te hebben gebaseerd op het arrest Diputación Foral de Álava e.a.(18) Het genoemde arrest betrof echter de verlenging van een steunmaatregel die was aangemerkt als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt, terwijl het in dit geval gaat om een maatregel die door de Commissie niet als steun is aangemerkt. Volgens Alcoa heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met relevante juridische verschillen tussen de vaststelling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel en de vaststelling dat er geen sprake van steun is.
57. Wanneer wordt geconcludeerd dat een maatregel geen steunmaatregel is, kan deze volgens Alcoa door gewijzigde marktomstandigheden wel een steunmaatregel worden, maar de verlenging van de maatregel als zodanig kan een dergelijk gevolg niet met zich brengen. In dat geval is artikel 1, sub b‑v, van verordening nr. 659/1999 van toepassing, krachtens welke de maatregel moet worden behandeld als een bestaande steunmaatregel in plaats van als een nieuwe steunmaatregel.
58. De Commissie benadrukt dat de bestreden beschikking niet uitsluitend is gebaseerd op de verlenging van de maatregel, maar ook op de wijziging van de maatregel in een theoretisch tarief. Deze wijziging van de maatregel is voldoende reden om artikel 11, lid 11, van het wetsdecreet van 2005 voorlopig als een nieuwe steunmaatregel aan te merken.
B – Beoordeling
59. Met deze fundamentele grief verwijt Alcoa het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn oordeel dat de procedure voor nieuwe steunmaatregelen in casu van toepassing is, te hebben gegrond op rechtspraak die volgens Alcoa niet toepasbaar is op maatregelen die geen staatssteun vormen.
60. In dit verband merk ik op dat het Gerecht in punt 128 van het bestreden arrest, als reactie op het argument van Alcoa dat de Commissie de betrokken maatregel had moeten beoordelen in het kader van de procedure voor bestaande steunmaatregelen en niet in dat voor nieuwe steunmaatregelen omdat de maatregel geen wezenlijke wijziging inhield ten opzichte van de maatregel waarop de Alumix-beschikking betrekking heeft, op correcte wijze heeft gewezen op de rechtspraak inzake wijzigingen van bestaande steunmaatregelen. Ook heeft het Gerecht verwezen naar de rechtspraak inzake verlenging van steunmaatregelen die al worden uitgevoerd.
61. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 129 van het arrest deze rechtspraak toegepast op het onderhavige geval en geconcludeerd dat verlenging of wijziging van een maatregel die geen staatssteun vormt, dient te leiden tot toepassing van de procedure die geldt voor nieuwe steunmaatregelen.
62. Ter ondersteuning van deze conclusie heeft het Gerecht in de punten 130 en 131 de aard van de opgetreden wijzigingen nauwkeurig onderzocht. In punt 134 heeft het Gerecht ook de door Alcoa aangevoerde argumenten, volgens welke er in het onderhavige geval sprake zou zijn van niet-wezenlijke wijzigingen, verworpen.
63. Ik constateer in dit verband dat uit punt 129 van het bestreden arrest duidelijk blijkt dat na een verlenging van een maatregel waarvan de Commissie heeft geoordeeld dat deze geen steunmaatregel is, de Commissie alleen bevoegd is om de procedure voor nieuwe steunmaatregelen toe te passen.
64. Deze principiële vaststelling volgt echter niet rechtstreeks uit de door het Gerecht in het voorgaande punt van zijn arrest aangehaalde rechtspraak, die de wijziging van een bestaande steunmaatregel betreft. Bovendien lijkt deze vaststelling in tegenspraak met de bovenstaande overwegingen aangaande de gevolgen van de beschikking waarbij de Commissie oordeelt dat de maatregel niet onder artikel 87, lid 1, EG valt.
65. Een dergelijke principiële vaststelling gaat tevens in tegen de overwegingen die volgen uit het vertrouwensbeginsel: buiten het geval van een wezenlijke wijziging van de maatregel of, eerder uitzonderlijk, van nieuwe relevante informatie die niet voorhanden was op het moment van de besluitvorming van de Commissie, mogen de begunstigden en marktdeelnemers immers vertrouwen op de beoordeling van de Commissie in de eerder gegeven beschikking, voor zover artikel 1, sub b‑v, van verordening nr. 659/1999 inzake de gevolgen van de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt op een maatregel die staatssteun is geworden, niet mutatis mutandis van toepassing is.
66. Het oordeel van het Gerecht in punt 129 van het bestreden arrest berust in mijn ogen dus op een onjuiste rechtsopvatting. Ik ben evenwel van mening dat deze niet van zodanige aard is dat zij moet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.
67. In werkelijkheid is het oordeel van het Gerecht dat de procedure voor nieuwe steunmaatregelen van toepassing is, niet gebaseerd op deze vaststelling. Zoals blijkt uit punt 130 van het bestreden arrest, berust de redenering van het Gerecht niet op de verlenging van de betrokken maatregel, maar op het feit dat het hier gaat om een andere maatregel dan de Commissie eerder had getoetst in de Alumix-beschikking.
68. Zoals blijkt uit de punten 131 en 132 van het bestreden arrest is het Gerecht van mening dat de maatregel die in de bestreden beschikking wordt getoetst, een andere periode beslaat en bovendien gebaseerd is op een ander mechanisme voor het tariefbeheer.
69. Uit de punten 130 tot en met 133 volgt dat het Gerecht onderzoek heeft verricht naar alle omstandigheden op basis waarvan de Commissie de bestreden beschikking heeft gegeven. Deze beoordeling van het Gerecht met betrekking tot de vraag of de wijzigingen van de maatregel wezenlijk waren en konden leiden tot de conclusie dat het om een afzonderlijke maatregel ging, is dus van feitelijke aard.
70. De hogere voorziening tegen een in eerste aanleg gegeven beslissing is beperkt tot rechtsvragen, overeenkomstig het algemene beginsel neergelegd in artikel 58 van het Statuut van het Hof. Behalve in het geval van een onjuiste opvatting van de feiten en het bewijs kan het Hof de beoordeling van de feiten door het Gerecht niet toetsen.(19)
71. Aangezien het Gerecht geen onjuiste opvatting van de feiten kan worden verweten, dient deze grief ongegrond te worden verklaard voor zover daarmee het oordeel van het Gerecht dat de in de bestreden beschikking getoetste maatregel een andere maatregel is dan de eerder door de Commissie in de Alumix-beschikking getoetste maatregel, ter discussie wordt gesteld.
72. Er dient tevens op gewezen te worden dat wanneer het Gerecht feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, het Hof krachtens artikel 225 EG bevoegd is tot toetsing van de juridische kwalificatie van die feiten door het Gerecht, alsmede van de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden.(20)
73. Gezien de hierboven vermelde feitelijke vaststellingen kon het Gerecht in punt 132 van het bestreden arrest, ter rechtvaardiging van de toepassing van de procedure voor nieuwe steunmaatregelen op de maatregel in kwestie, die het als afzonderlijke steunmaatregel beschouwde, oordelen dat de maatregel een andere periode betrof en de invoering van een nieuw mechanisme voor tariefbeheer inhield, welk oordeel in hogere voorziening niet kan worden getoetst.
74. Ook al is derhalve de eerste grief van het tweede middel gegrond voor zover het de klacht van een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht betreft doordat het in de motivering van het bestreden arrest de principiële vaststelling poneert dat de Commissie een verlengde maatregel uitsluitend kan toetsen in het kader van de procedure die van toepassing is op nieuwe steunmaatregelen, kan deze grief niet tot vernietiging van het bestreden arrest leiden.
VII – Het eerste middel
A – De eerste grief van het eerste middel
1. Standpunt van partijen
75. De eerste grief van het eerste middel komt met een rechtsklacht op tegen het oordeel van het Gerecht dat het eerste middel van Alcoa voorlopige kwesties betrof, waarvan de toetsing door het Gerecht beperkt diende te blijven tot kennelijke fouten.
76. Alcoa stelt dat er een verschil bestaat tussen enerzijds de inleiding van een formele procedure ten aanzien van maatregelen waarvoor specifiek is vastgesteld dat ze geen steunmaatregel vormen, en anderzijds de inleiding van een procedure ten aanzien van maatregelen waarvoor een dergelijke vaststelling ontbreekt. Om te voorkomen dat de eerdere conclusie van de Commissie dat er geen sprake is van een steunmaatregel haar relevantie verliest, behoort zij in haar eerstefaseonderzoek vóór de inleiding van een formele procedure op zijn minst te bepalen of er reden is om aan te nemen dat de overwegingen waarop zij haar eerdere conclusie baseerde, achterhaald zijn, en behoort zij dit toe te lichten in haar beschikking tot inleiding van het onderzoek.
77. De Commissie brengt hier tegenin dat het Gerecht volgens haar de adequate toetsingsmaatstaf heeft toegepast, te weten die welke van toepassing is op een voorlopige beschikking.(21)
2. Beoordeling
78. Door ervan uit te gaan dat het probleem van de omvang van de toetsing van inleidingsbeschikkingen in het geding is, zou het Gerecht volgens Alcoa een andere richting hebben gegeven aan haar grief en deze hebben beperkt.
79. In dit verband wil ik opmerken dat een algemeen bestuursrechtelijk beginsel, erkend in de rechtssystemen van verschillende lidstaten, pleit voor beperking van de mogelijkheden om met een beroep tot nietigverklaring handelingen aan te vechten die slechts van voorbereidende aard zijn.(22) Ik merk op dat alleen tegen voorbereidende handelingen die zelf rechtsgevolgen hebben een aparte rechtsvordering kan worden ingesteld. Beschikkingen tot inleiding van een eerstefaseonderzoek kunnen inderdaad specifieke en significante rechtsgevolgen hebben voor de betrokken partijen en behoren dus te kunnen worden aangevochten. Wil het noodzakelijke verschil tussen het eerste onderzoek en het uitgebreide onderzoek als bepaald in artikel 88 EG, echter zijn nuttig effect blijven behouden, dan is het niet mogelijk om aan het eerste even zware juridische eisen te stellen als aan het tweede.
80. Vanwege het voorlopige karakter van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, die onder andere een eerste evaluatie door de Commissie omvat met betrekking tot de vraag of de voorgestelde maatregel kenmerken van een steunmaatregel vertoont, dient de rechtmatigheidstoetsing door de gemeenschapsrechter beperkt te blijven, aangezien de betrokken partijen pas op grond van de eindbeschikking – gebaseerd op informatie die vergaard is in de onderzoeksfase – alle relevante aspecten kunnen bespreken en ter discussie kunnen stellen.
81. Het Gerecht heeft in de punten 60 en 61 van het bestreden arrest derhalve met recht geoordeeld dat zijn toetsing van de rechtmatigheid van een beschikking tot inleiding van een formeel onderzoek beperkt dient te blijven.
82. De eerste grief van het eerste middel is derhalve ongegrond.
83. Resteert de kwestie van de stappen die de Commissie had moeten ondernemen alvorens de formele inleidingsbeschikking te geven. Deze vraag zal ik samen met de tweede grief van het eerste middel behandelen.
B – De tweede grief van het eerste middel
1. Standpunt van partijen
84. Met deze grief stelt Alcoa dat het Gerecht ten onrechte niet de rechtspraak heeft toegepast, volgens welke de Commissie rekening moet houden met haar eerdere beschikkingen in dezelfde zaak.(23) Het arrest is onjuist voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie niet gehouden was om na te gaan of de criteria, op grond waarvan zij in de Alumix-beschikking had geconcludeerd dat er geen sprake was van een voordeel, nog geldig waren.
85. De Commissie brengt hier tegenin dat Alcoa ten onrechte geen onderscheid maakt als zij spreekt van „de maatregel”. De Commissie benadrukt bovendien het verschil met de feitelijke omstandigheden waarop de Alumix-beschikking berustte. In het kader van die beschikking leverde ENEL zelf de elektriciteit aan Alcoa tegen het overeengekomen tarief. De bestreden beschikking is echter gebaseerd op het feit dat de staat aan Alcoa een gedeelte van de aan ENEL betaalde prijs vergoedt. Het aangehaalde arrest Italgrani II is volgens de Commissie dus niet van toepassing en het Gerecht heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de argumenten van Alcoa, dat het tarief waarvan zij profiteerde een marktprijs was, niet ter zake deden.
2. Beoordeling
86. Allereerst wijs ik erop dat het Hof in het arrest Italgrani I(24) heeft vastgesteld dat indien er een algemene steunregeling bestaat, de Commissie bij haar beoordeling van een individuele steunmaatregel die onder die algemene regeling valt, rekening dient te houden met haar eerdere beschikking over deze regeling. Het Hof heeft daar in het arrest Italgrani II(25) aan toegevoegd dat als de Commissie op ieder willekeurig moment haar beschikkingen kon herzien, dit tot voortdurende onzekerheid zou leiden, waardoor het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zouden kunnen worden aangetast.
87. Het is waar dat de arresten Italgrani I en Italgrani II onderstrepen dat de Commissie moet nagaan of de vaststellingen die in een eerdere beschikking zijn gedaan, nog gelden voordat zij een formele onderzoeksprocedure inleidt. De genoemde arresten betreffen echter gevallen van bestaande steun en behandelen de verhouding tussen een reeds goedgekeurde steunregeling en een individuele steunmaatregel die krachtens die steunregeling is genomen. Individuele steunmaatregelen zijn dus simpele uitvoeringsmaatregelen van de algemene steunregeling. Dit lijkt hier niet het geval te zijn, aangezien het om een maatregel gaat die door het Gerecht is aangemerkt als een afzonderlijke maatregel.
88. Hoewel dus de Commissie gehouden is haar eerdere beschikking in aanmerking te nemen bij het onderzoek van een wijziging van bestaande steun, mag dit niet de omvang van haar beoordeling beperken bij haar onderzoek naar niet-aangemelde maatregelen die het resultaat zijn van een wezenlijke wijziging van een maatregel die eerder niet was aangemerkt als een steunmaatregel. Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 659/1999 dient in een dergelijk geval toepassing te vinden.
89. Wat de voorwaarden voor het geven van een formele beschikking betreft, merk ik verder op dat volgens vaste rechtspraak de procedure van artikel 88, lid 2, EG onontbeerlijk is wanneer de Commissie op ernstige moeilijkheden stuit bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt. De Commissie kan zich dus slechts tot het eerstefaseonderzoek van artikel 88, lid 3, EG beperken en zich in positieve zin uitspreken over een aangemelde overheidsmaatregel, indien zij bij dit eerste onderzoek tot de conclusie komt dat deze maatregel geen steun in de zin van artikel 87, lid 1, EG inhoudt, of dat hij wel steun inhoudt, doch verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Is de Commissie na dit eerste onderzoek echter tot de tegenovergestelde conclusie gekomen, of heeft zij geen oplossing gevonden voor alle bij de beoordeling van de betrokken maatregel gerezen moeilijkheden, dan is zij verplicht alle nodige informatie in te winnen en daartoe de procedure van artikel 88, lid 2, EG inleiden.(26)
90. Uit de rechtspraak blijkt dus duidelijk dat de Commissie met betrekking tot het inleiden van de formele onderzoeksprocedure geen enkele beoordelingsmarge heeft, wanneer zij na het eerste onderzoek nog altijd ernstige twijfels heeft over de aard van de betrokken maatregel of de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt.
91. Dezelfde beginselen moeten gelden wanneer de Commissie nog twijfelt of de onderzochte maatregel steun oplevert in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Men kan de Commissie dus niet verwijten dat zij deze procedure inleidt, zelfs wanneer zij in de daartoe gegeven beschikking haar twijfel uit over de vraag of de onderzochte maatregel een steunmaatregel is in de zin van artikel 87, lid 1, EG.
92. Ten slotte, wat betreft de redenering van het Gerecht, blijkt uit punt 70 van het bestreden arrest dat het Gerecht het argument van Alcoa dat de Commissie had moeten nagaan of de criteria nog geldig waren op basis waarvan zij in de Alumix-beschikking concludeerde dat er geen sprake was van een voordeel, heeft aangemerkt als niet ter zake doend, dit onder verwijzing naar de ingewikkelde beoordelingen die de Commissie moet maken in het kader van de formele onderzoeksprocedure.
93. Gezien het voorlopige karakter van de bestreden beschikking, die de twijfel van de Commissie vertaalt en niet is gebaseerd op een diepgaand onderzoek van de betrokken maatregel, lijkt een dergelijk antwoord mij rechtens juist.
94. Ik stel dan ook voor om deze grief ongegrond te verklaren.
C – De derde grief van het eerste middel
1. Standpunt van partijen
95. Alcoa voert aan dat het Gerecht voor zijn oordeel dat de Commissie bevoegd was tot het inleiden van een formele onderzoeksprocedure met betrekking tot de aan Alcoa toegekende tarieven, slechts twee omstandigheden heeft aangevoerd, te weten, in de eerste plaats, de vaststelling dat de middelen waarmee de tariefverlaging werd gefinancierd overheidsmiddelen waren, en, in de tweede plaats, het feit dat Alcoa zich liet terugbetalen via het mechanisme van het Egalisatiefonds, hetgeen leidde tot een verlaging van het algemeen toepasselijke elektriciteitstarief.
96. Volgens Alcoa zijn deze twee omstandigheden onvoldoende reden voor de Commissie om de procedure in te leiden, aangezien deze ook al bestonden ten tijde van de Alumix-beschikking.
97. De Commissie meent dat Alcoa in deze grief slechts andere argumenten herhaalt. Zij stelt dat het argument van Alcoa betreffende de normale marktvoorwaarden door het Gerecht is verworpen en dat deze verwerping niet is betwist in hogere voorziening.
2. Beoordeling
98. Ik merk op dat de overwegingen van het Gerecht die in het kader van de onderhavige grief worden betwist, de beoordeling betreffen van een eventuele kennelijke fout van de Commissie.
99. Gelet op het antwoord op de eerste grief van het eerste middel ben ik van mening dat deze grief ongegrond is.
D – De vierde grief van het eerste middel en de tweede grief van het tweede middel
100. Aangezien de vierde grief van het eerste middel grotendeels samenvalt met de tweede grief van het tweede middel, zal ik ze gezamenlijk behandelen.
1. Standpunt van partijen
101. Volgens Alcoa heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de beoordeling van de Commissie in de Alumix-beschikking slechts gold voor een bepaalde periode.
102. Volgens Alcoa heeft het Gerecht in het bestreden arrest geoordeeld dat de Alumix-beschikking slechts gold voor een bepaalde periode. Volgens haar wordt in deze beschikking echter niet uitdrukkelijk vermeld dat zij een beperkte geldigheidsduur zou hebben. In tegenstelling tot wat in het bestreden arrest wordt gesteld, kan uit het feit dat het wetsdecreet van 1995 voor beperkte tijd geldig was, niet logischerwijs worden afgeleid dat de Alumix-beschikking zelf ook onderworpen is aan een dergelijke beperking.
103. Alcoa merkt op dat de drie punten waarop de Commissie haar Alumix-beschikking had gebaseerd, te weten i) het tarief zelf, ii) de omstandigheden op de elektriciteitsmarkt in de regio’s Sardinië en Veneto, gekenmerkt door overcapaciteit, en iii) het feit dat Alcoa die als klant een van de grootste verbruikers in Italië is, niet zijn veranderd. Zolang de Commissie niet had aangegeven dat volgens haar deze omstandigheden waren veranderd, hadden de Italiaanse Republiek en Alcoa bovendien alle reden om aan te nemen dat zij het tarief mochten handhaven.
104. De Commissie brengt hier tegenin dat wanneer de marktomstandigheden niet zijn veranderd, niet valt in te zien waarom ENEL niet gewoon het tarief uit de Alumix-beschikking kon blijven toepassen en waarom de kosten van het aan Alcoa verleende tarief als „onere” zijn aangemerkt in de Italiaanse wetgeving. De in de Alumix-beschikking gemaakte analyse van de voordelen was gebaseerd op het uitgangspunt dat er sprake was van een marktdeelnemer in een markteconomie, en Alcoa heeft op geen enkel moment geprobeerd uit te leggen in welk opzicht de betalingen door het Egalisatiefonds voldeden aan dit uitgangspunt.
105. De Commissie wijst er ook op dat een beschikking als de Alumix-beschikking nooit tot stand komt in een rechtsvacuüm. Het wetsdecreet van 1995 is aan de Alumix-beschikking voorafgegaan, en niet wordt betwist dat het elektriciteitstarief bij dit decreet voor tien jaar was vastgesteld.
2. Beoordeling
106. Ik merk allereerst op dat het Gerecht er in punt 106 van het bestreden arrest terecht op heeft gewezen dat het in de beschikking vervatte oordeel van de Commissie dat het tarief dat ENEL van 1996 tot 2005 aan de fabrieken in rekening bracht, geen staatssteun vormde, berustte op de marktomstandigheden zoals de Commissie die voor de betreffende periode kon overzien.
107. In punt 132 van het bestreden arrest benadrukt het Gerecht eveneens dat de in de bestreden beschikking bedoelde maatregel een andere periode betrof dan die van de Alumix-beschikking, hetgeen Alcoa niet betwist in hogere voorziening.
108. Mijns inziens is deze vaststelling op zich al voldoende als antwoord op de grief van Alcoa dat het Gerecht ten onrechte zou hebben geconstateerd dat de Alumix-beschikking voor een beperkte duur gold. Het lijkt erop dat Alcoa het bestreden arrest op dit punt verkeerd heeft gelezen.
109. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 105 en 107 van het bestreden arrest in werkelijkheid niet onderzocht of de Alumix-beschikking voor beperkte tijd gold, maar heeft het, in het kader van het onderzoek naar een eventuele schending van het vertrouwensbeginsel, de relevante passages uit de bestreden beschikking geciteerd, die aangeven dat de Commissie zich op deze vaststelling heeft gebaseerd.
110. Aangezien de citaten uit de bestreden beschikking juist zijn, kan er geen sprake zijn van een onjuiste opvatting van een bestreden handeling of rechtsmiddel door het Gerecht.(27)
111. Tot slot is het Hof weliswaar bevoegd te controleren hoe het Gerecht een rechtshandeling als de beschikking van de Commissie leest en uitlegt voor zover het een eventuele juridische onjuistheid betreft. In het onderhavige geval wordt het Gerecht echter niet verweten de punten 44 en 47 van de bestreden beschikking onjuist te hebben gelezen, en dit kan ook niet worden vastgesteld.
112. Ik merk op dat de draagwijdte in de tijd van de Alumix-beschikking zich beperkt tot de punten die getoetst zijn toen de Commissie deze beschikking gaf. Wat betreft de conclusie dat de preferente tarieven geen steunmaatregelen waren, denk ik niet dat de Commissie de draagwijdte in de tijd nauwkeuriger had moeten vaststellen; had zij dit wel gedaan, dan had zij daaraan de nodige voorwaarden moeten toevoegen die volgen uit het algemene rechtsbeginsel rebus sic stantibus(28), aangezien een wezenlijke verandering in de omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de oordeelsvorming van de Commissie, een nieuwe kwalificatie van de status van de maatregel kon vereisen.
113. Na lezing van de Alumix-beschikking en het bestreden arrest ben ik van mening, gelet op de argumenten die enerzijds betrekking hebben op het verband met de nationale wetgeving, die duidelijk was beperkt in de tijd, en anderzijds op het zelfstandige karakter van de bij wetsdecreet 2005 vastgestelde maatregel, dat een verstandige en voorzichtige marktdeelnemer niet kon verwachten dat de maatregel waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, zou vallen onder de Alumix-beschikking. De beweringen van Alcoa dat het mechanisme voor tariefbeheer is ingevoerd in de periode van 1999 tot 2004, kunnen niets afdoen aan deze conclusie.(29)
114. Dientengevolge stel ik voor om de vierde grief van het eerste middel en de tweede grief van het tweede middel ongegrond te verklaren.
E – De vijfde grief van het eerste middel
1. Standpunt van partijen
115. Alcoa betoogt dat aan de bestreden beschikking procedurefouten kleven doordat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur en het recht om gehoord te worden tijdens de totstandkomingsprocedure van de bestreden beschikking heeft geschonden. Dit had door het Gerecht in aanmerking genomen moeten worden. Zo zou de Italiaanse Republiek in het eerstefaseonderzoek niet de mogelijkheid hebben gehad opmerkingen in te dienen over de kwalificatie van de maatregel als nieuwe steun.
116. De Commissie brengt hier tegenin dat deze grief niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat Alcoa de grief niet heeft aangevoerd in haar bij het Gerecht ingestelde beroep. De grief zou sowieso niet gegrond zijn. In het verzoekschrift in hogere voorziening zou Alcoa hebben toegegeven dat de Italiaanse Republiek de mogelijkheid heeft gehad om opmerkingen in te dienen over de kwalificatie als steun. Bovendien zou de Italiaanse Republiek gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheid, zoals is aangegeven in punt 40 van het bestreden arrest.
2. Beoordeling
117. In hogere voorziening is het Hof in beginsel slechts bevoegd te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn behandeld.(30) In beginsel kan een partij een middel dat niet is ingeroepen in de procedure voor het Gerecht, niet voor de eerste keer aanvoeren in de procedure voor het Hof, want dan zou het Hof de mogelijkheid hebben om de rechtmatigheid van de beslissing van het Gerecht te toetsen in het licht van een middel waarvan laatstgenoemde geen kennis heeft gehad.
118. Na lezing van het bestreden arrest kan echter niet op goede gronden worden gesteld dat het Gerecht dit probleem heeft onderzocht naar aanleiding van een door Alcoa aangevoerd argument.
119. In met name de punten 39 en 40 van het bestreden arrest heeft het Gerecht weliswaar onderdelen van het standpunt van de Italiaanse Republiek onderzocht, maar het heeft dat gedaan vanuit het oogpunt van de ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg.
120. Ik stel dan ook voor om de vijfde grief van het eerste middel kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.
F – De zesde grief van het eerste middel
1. Standpunt van partijen
121. Gezien de onomkeerbare gevolgen van de inleiding van een formele onderzoeksprocedure voert Alcoa aan dat het Gerecht de omvang van de motiveringsplicht van de Commissie heeft miskend. Deze plicht behoort in verhouding te staan tot de ernst van de gevolgen van de inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, EG.
122. Het Gerecht zou aldus ten onrechte hebben verklaard dat het niet nodig was om het verschil tussen de Alumix-beschikking en de bestreden beschikking te motiveren. Gezien de ontstane onzekerheid was de Commissie op zijn minst gehouden uit te leggen in welk opzicht de twee beschikkingen zich van elkaar onderscheidden, om het voor belanghebbenden mogelijk te maken te weten wat de grondslag en de reikwijdte zijn van de gevolgen van de bestreden beschikking.
123. De Commissie brengt hier tegenin dat het Gerecht, door te concluderen dat de bestreden beschikking voldoende met redenen was omkleed, in het bestreden arrest geen fout heeft begaan.
2. Beoordeling
124. In antwoord op deze grief wil ik twee opmerkingen maken.
125. In de eerste plaats is de hogere voorziening, zoals bepaald in artikel 225 EG en artikel 58, lid 1, van ’s Hofs Statuut beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor de belangen van de verzoekende partij zijn geschaad, dan wel schending van het recht van de Europese Unie door het Gerecht.(31) Uit dezelfde bepalingen, alsmede uit artikel 112, lid 1, sub c, van ’s Hofs Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening nauwkeurig moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest of de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek ondersteunen.(32)
126. Bij de behandeling van zowel de derde grief van het eerste middel als het tweede middel heeft het Gerecht echter de kwestie van de verhouding tussen de Alumix-beschikking en de bestreden beschikking onderzocht. Aangezien Alcoa niet exact aangeeft op welke punten het Gerecht een onjuistheid zou hebben begaan, zou deze grief als kennelijk niet-ontvankelijk kunnen worden beschouwd.
127. Alcoa lijkt met haar grief evenwel in het bijzonder te doelen op punt 88 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht het argument van rekwirante dat de Commissie niet zou hebben voldaan aan haar verplichting om de bestreden beschikking te motiveren, verwerpt.
128. Ofschoon de door artikel 253 EG vereiste motivering van een communautaire handeling moet beantwoorden aan de aard van die handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet brengen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen, kan de Commissie niet worden verplicht om aan te geven waarom zij de betrokken regeling in haar vroegere beschikkingen anders heeft beoordeeld. Het begrip staatssteun betreft immers een objectieve situatie, die moet worden beoordeeld op de datum waarop de Commissie haar beschikking vaststelt.(33)
129. Derhalve moet het middel gebaseerd op miskenning door het Gerecht van de omvang van de plicht van de Commissie om haar beschikkingen te motiveren, worden verworpen. Uit het voorgaande volgt dat de zesde grief van het eerste middel kennelijk niet-ontvankelijk, althans ongegrond is.
VIII – Het tweede middel
A – De derde grief van het tweede middel
1. Standpunt van partijen
130. Alcoa verwijt het Gerecht zijn redenering gebaseerd te hebben op technische wijzigingen waarop de bestreden beschikking geen betrekking had. Volgens Alcoa betaalde het Egalisatiefonds in 1999 en 2004 de vergoeding met behulp van verschillende rechtsinstrumenten waarop de bestreden beschikking geen betrekking had. Het Gerecht zou de reikwijdte van de beschikking dus onrechtmatig hebben uitgebreid. Bovendien zou de overdracht van het beheer van het preferente tarief van ENEL naar het Egalisatiefonds geen belangrijke, wezenlijke juridische wijziging tot gevolg hebben gehad voor de aan Alcoa toegekende tarieven. Alcoa benadrukt dat de Commissie geen kritiek op de technische wijzigingen van 1999 en 2004 heeft geuit. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 112 en 113 van het bestreden arrest de beschikking van 1 december 2004 inzake steunmaatregel nr. N/490/2000 – Italië, gestrande kosten in de elektriciteitssector ten onrechte buiten beschouwing gelaten.(34)
131. De Commissie antwoordt daarop dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de overgang naar een puur theoretisch tarief een wezenlijke verandering van de bij de Alumix-beschikking goedgekeurde maatregel vormde. De betrokken regeling corrigeert de door particuliere marktdeelnemers in rekening gebrachte prijs met een rechtstreekse compensatiebetaling. Aangaande de beschikking van 2004 inzake gestrande kosten voert de Commissie aan dat deze beschikking betrekking heeft op de door ENEL gedragen gestrande kosten en geen expliciete conclusie bevat over het beheer van de Italiaanse regeling inzake preferente tarieven voor zover het de aan Alcoa toegekende voordelen betreft, die bij haar een gewettigd vertrouwen had kunnen wekken. Bovendien had de Commissie de formele onderzoeksprocedure ingeleid met betrekking tot steunmaatregel nr. C 38/2004 (ex NN 58/04) – Steun ten faveure van Portovesme Srl(35), en had zij de betalingen die het Egalisatiefonds verrichtte om het aan Alcoa toegekende tarief in stand te houden, specifiek aangemerkt als een nieuwe steunmaatregel.
2. Beoordeling
132. Ten eerste merk ik op dat Alcoa punt 132 van het bestreden arrest aanhaalt, maar tegelijk kritiek uit op de redenering van het Gerecht in verschillende andere punten van het arrest, waarin het Gerecht reageert op een middel in het kader waarvan het heeft onderzocht of de beginselen van de bescherming van het gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid waren geschonden.
133. Voor zover deze grief desalniettemin zou moeten worden uitgelegd als een verwijt aan het Gerecht dat het de bestreden beschikking verkeerd heeft gelezen, zou ik op het volgende willen wijzen.
134. Ten eerste volstaat naar mijn mening de vaststelling dat het Gerecht in punt 131 van het bestreden arrest de factoren die de Commissie deden twijfelen over de kwalificatie van het door ENEL van 2005 tot 2010 aan de fabrieken van Alcoa in rekening gebrachte tarief, correct heeft weergegeven en daarbij in zijn redenering niet verder is gegaan dan de in de bestreden beschikking behandelde punten.
135. Ten tweede, wat betreft de gevolgen van het besluit van 2004 waarbij een systeem van uitkering van een vergoeding door het Egalisatiefonds is ingesteld, is artikel 11, lid 11, van het wetsdecreet van 2005, zoals reeds door de Commissie gesteld, geen op zichzelf staande bepaling, maar moet zij worden gezien in samenhang met andere bepalingen, in het bijzonder de bepalingen inzake het beheer van het tarief door het Egalisatiefonds.
136. In dit verband blijkt uit de punten 64 en 65 van het bestreden arrest dat het Gerecht in de samenvatting van de feiten, die niet door Alcoa zijn betwist, enerzijds erop heeft gewezen dat artikel 11, lid 11, van het wetsdecreet van 2005 en besluit nr. 217/05 van de Autoriteit, dat uitvoering geeft aan dit wetsdecreet, de toekenning van het elektriciteitstarief waarvan rekwirante in 2004 krachtens het wetsdecreet van 1995 profiteerde, verlengen tot en met 31 december 2010, en anderzijds aangetekend dat het Egalisatiefonds krachtens besluit nr. 148/04 belast werd met het tariefbeheer, hetgeen de invoering van een parafiscale heffing voor energieverbruikers met zich bracht.
137. Wat betreft de consequenties van de wijzigingen in de maatregel die is getoetst in de bestreden beschikking, moet, gezien het antwoord dat bij de behandeling van de eerste grief van het tweede middel is gegeven, dit deel van de onderhavige grief worden verworpen.
138. Ten slotte, zoals blijkt uit de vorderingen van rekwirante uiteengezet in punt 28 van het bestreden arrest, ging het in het beroep in eerste aanleg alleen om het elektriciteitstarief voor de Alcoa-fabrieken. Deze vaststelling sluit alle verwijzingen naar de voor andere marktdeelnemers geldende oplossingen uit.
139. Gezien het feit dat de beschikking inzake gestrande kosten doelde op de door ENEL, en niet op de door Alcoa gedragen kosten, en een mechanisme betrof dat in wezen los stond van de kwestie van het tarief waarvan Alcoa profiteerde, heeft het Gerecht in punt 112 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat het argument van rekwirante geen doel treft.
140. Gelet op het vorengaande, stel ik voor om deze grief ongegrond te verklaren.
B – De vierde grief van het tweede middel
1. Standpunt van partijen
141. Alcoa verwijt het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te hebben gehouden met de noodzaak om bij de inleiding van een formele procedure de rechtszekerheid en het gewettigde vertrouwen te beschermen.
142. Zij onderstreept dat op grond van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 88 EG en die daaruit voortvloeien, de Commissie in ieder geval verplicht was geweest de aan Alcoa toegekende tarieven als een bestaande steunmaatregel aan te merken.
143. De Commissie brengt daar tegenin dat Alcoa’s argumenten gebaseerd zijn op een verkeerde veronderstelling, namelijk dat artikel 11, lid 11, van het wetsdecreet van 2005 slechts een verlenging is van de maatregel die is goedgekeurd in de Alumix-beschikking. Volgens de Commissie doet de Alumix-beschikking niet ter zake, want de bestreden beschikking betreft niet alleen de verlenging van het in 1995 toegekende preferente tarief waarop de Alumix-beschikking betrekking had, maar ook de ingrijpende verandering in het beheer van het elektriciteitstarief, hetgeen het Gerecht volgens de Commissie op juiste wijze in aanmerking heeft genomen.
2. Beoordeling
144. Alcoa’s stelling is gebaseerd op het vertrouwensbeginsel in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel.
145. Het rechtszekerheidsbeginsel, een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie(36), verlangt in het bijzonder dat een regeling die nadelige gevolgen voor particulieren heeft, duidelijk en nauwkeurig is en dat de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar is.(37) Met andere woorden, de justitiabelen moeten hun rechten en verplichtingen ondubbelzinnig kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.(38)
146. Het recht om zich op gewettigd vertrouwen te beroepen veronderstelt dat de instelling nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan, die bij degene aan wie zij waren gericht gewettigde verwachtingen konden wekken, en dat die toezeggingen in overeenstemming waren met de toepasselijke bepalingen.(39)
147. In dit verband merk ik op dat het Gerecht de kwestie van een eventuele schending van deze beginselen heeft behandeld in het kader van het tweede middel, met name in de punten 104 tot en met 109 van het bestreden arrest.
148. Zoals blijkt uit de punten 105 tot en met 107 heeft het Gerecht in het licht van de rechtspraak, die correct is weergegeven in de punten 102 en 103 van het arrest, enerzijds de belangrijkste onderdelen van de Alumix-beschikking en anderzijds de twijfel uiteengezet, die de Commissie deed besluiten dat de verlenging tot 2010 van het bij wetsdecreet 2005 aan de Alcoa-fabrieken toegekende tarief staatsteun kon opleveren.
149. In het onderhavige geval staat vast, zoals het Gerecht juist heeft geoordeeld, dat de Commissie de Alumix-beschikking heeft gegeven in het licht van de marktomstandigheden zoals zij die voor de betrokken periode kon overzien.
150. Ik merk tevens op dat het Hof zich al eens heeft uitgesproken over de toepassing van het vertrouwensbeginsel en de noodzaak om overgangsmaatregelen te nemen in het kader van een beschikking waarin de Commissie haar eerdere beoordeling wijzigt.(40) Het Hof heeft met name rekening gehouden met de aanzienlijke investeringen die in het kader van een belastingregeling waren gedaan door de begunstigden van de bestaande voorziening, die hadden verzocht om voortzetting ervan, alsmede met de door hen aangegane verplichtingen op lange termijn.(41) In het onderhavige geval, in tegenstelling tot de materiële voorwaarden in de reeds aangehaalde zaak België en Forum 187/Commissie, heeft de eerdere maatregel wezenlijke wijzigingen ondergaan, die geleid hebben tot het oordeel dat er sprake is van nieuwe steun in de vorm van een afzonderlijke steunmaatregel. Dientengevolge kan Alcoa zich voor een gewettigd vertrouwen niet beroepen op de Alumix-beschikking, die betrekking heeft op een andere regeling dan die van de bestreden beschikking.
151. Gezien deze overwegingen heeft het Gerecht in de punten 107 en 108 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de Commissie haar beoordeling van de in de Alumix-beschikking getoetste maatregel niet ter discussie stelt en dat derhalve niet op goede gronden kan worden beweerd dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.
152. Wat het rechtszekerheidsbeginsel aangaat, pleiten de argumenten vermeld in de punten 105 en 107 van het bestreden arrest voor de stelling dat Alcoa duidelijk kon voorzien welke juridische kwalificatie zou worden gegeven aan de tariefvoorwaarden die haar werden toegekend bij wetsdecreet 2005. Zoals ik reeds uitdrukkelijk heb aangegeven in punt 114 van deze conclusie, kon een verstandige en voorzichtige marktdeelnemer niet verwachten dat de maatregel waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, zou vallen onder de Alumix-beschikking.
153. Dientengevolge stel ik voor om deze grief ongegrond te verklaren.
IX – Conclusie
154. Ik geef het Hof in overweging te beslissen als volgt:
– de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen;
– Alcoa Trasformazioni Srl in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Aangezien het bestreden arrest is gewezen op 25 maart 2009, volgen verwijzingen naar bepalingen van het EG-Verdrag de nummering die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing was.
3 – PB C 214, blz. 5.
4 – PB C 288, blz. 4.
5 – GURI nr. 39 van 16 februari 1996, blz. 8.
6 – Zie onder meer arresten van 20 maart 1984, Duitsland/Commissie (84/82, Jurispr. blz. 1451, blz. 1492), en 22 december 2008, British Aggregates/Commissie (C‑487/06 P, Jurispr. blz. I‑10505, punt 27).
7 – Arrest van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr. blz. I‑5479).
8 – Conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak die heeft geleid tot het arrest België en Forum 187/Commissie (punten 403‑405).
9 – Ibidem (punt 404).
10 – Zie punt 77.
11 – Arrest van 9 oktober 1984, Heineken Brouwerijen (91/83 en 127/83, Jurispr. blz. 3435, punt 22).
12 – Arrest van 17 juni 1999, Piaggio (C‑295/97, Jurispr. blz. I‑3735, punt 48). Zie ook arresten van 23 februari 2006, Atzeni e.a. (C‑346/03 en C‑529/03, Jurispr. blz. I‑1875, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 20 mei 2010, Todaro Nunziatina & C. (C‑138/09, Jurispr. blz. I‑00000).
13 – Arresten Gerecht van 28 november 2008, Hôtel Cipriani/Commissie (T‑254/00, T‑270/00 en T‑277/00, Jurispr. blz. II‑3269, punt 358), en 30 april 2002, Government of Gibraltar/Commissie (T‑195/01 en T‑207/01, Juripr. blz. II‑2309, punt 111).
14 – Zie conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak België en Forum 187/Commissie (reeds aangehaald, punten 36 en 208). Zie arrest België en Forum 187/Commissie (reeds aangehaald, punt 77).
15 – Zie conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak België en Forum 187/Commissie (reeds aangehaald, punt 401).
16 – Zie arresten Gerecht van 15 september 1998, Gestevisión Telecinco/Commissie (T‑95/96, Jurispr. blz. II‑3407, punt 55), en 3 juni 1999, TF1/Commissie (T‑17/96, Jurispr. blz. II‑1757, punt 28), alsmede arrest Government of Gibraltar/Commissie (reeds aangehaald, punt 73).
17 – Alcoa heeft intussen bij het Gerecht beroep ingesteld tegen deze beschikking in zaak T‑177/10.
18 – Arrest Gerecht van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T‑127/99, T‑129/99 en T‑148/99, Jurispr. blz. II‑1275, punt 128).
19 – Arrest van 22 november 2007, Spanje/Lenzing (C‑525/04 P, Jurispr. blz. I‑9947, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 – Zie arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie (C‑551/03 P, Jurispr. blz. I‑3173, punt 51); 22 mei 2008, Evonik Degussa/Commissie en Raad (C‑266/06 P, Jurispr. blz. I-81, punt 72), en 6 november 2008, Nederland/Commissie (C‑405/07 P, Jurispr. blz. I‑8301, punt 44).
21 – Zij baseert zich in dit verband op het arrest België en Forum 187/Commissie, reeds aangehaald.
22 – Zie in dit verband arrest Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9 en 10), en arrest Gerecht van 10 juli 1990, Automec/Commissie (T‑64/89, Jurispr. blz. II‑367, punt 42).
23 – Zie arresten van 30 juni 1992, Italië/Commissie (C‑47/91, „Italgrani I”, Jurispr. blz. I‑4145), en 5 oktober 1994, Italië/Commissie (C‑47/91, „Italgrani II”, Jurispr. blz. I‑4635).
24 – Reeds aangehaald (punt 25).
25 – Reeds aangehaald (punt 24).
26 – Arrest Hof British Aggregates/Commissie (reeds aangehaald, punten 185‑187, alsook punt 113), en arrest Gerecht van 15 maart 2001, Prayon-Rupel/Commissie (T‑73/98, Jurispr. blz. II‑867, punt 42).
27 – Zie in tegengestelde zin, arrest van 27 januari 2000, DIR International Films e.a./Commissie (C‑164/98 P, Jurispr. blz. I‑447).
28 – Volgens mij ligt dit beginsel, waarvan de strekking op zich omstreden is in het verbintenissenrecht en het internationale recht, duidelijk aan de basis van de bepalingen van artikel 1, sub b‑v, van verordening nr. 659/1999. Wanneer een maatregel wordt gekwalificeerd als zijnde „geen staatsteun”, is daarop dus dit beginsel van toepassing, uiteraard binnen de grenzen die voortvloeien uit het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
29 – Volgens Alcoa betaalde het Egalisatiefonds de vergoeding in 1999 en 2004 met behulp van verschillende rechtsinstrumenten waarop de bestreden beschikking geen betrekking heeft.
30 – Zie onder meer arrest van 1 februari 2007, Sison/Raad (C‑266/05 P, Jurispr. blz. I‑1233, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 – Zie arrest van 16 maart 2000, Parlement/Bieber (C‑284/98 P, Jurispr. blz. I‑1527, punt 30), alsmede beschikkingen van 9 november 2007, Lavagnoli/Commissie (C‑74/07 P, punt 20), en 3 februari 2009, Giannini/Commissie (C‑231/08 P, punt 43).
32 – Zie arrest van 27 februari 2007, Segi e.a./Raad (C‑355/04 P, Jurispr. blz. I‑1657, punt 22), en beschikking van 23 oktober 2009, Commissie/Potamianos (C‑561/08 P en C‑4/09 P, punt 58).
33 – Arrest België en Forum 187/Commissie (reeds aangehaald, punt 137).
34 – PB 2005, C 250, blz. 9.
35 – PB 2005, C 30, blz. 7.
36 – Arresten van 14 april 2005, België/Commissie (C‑110/03, Jurispr. blz. I‑2801, punt 30); 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, Jurispr. blz. I‑411, punt 37), en 10 september 2009, Plantanol (C‑201/08, Jurispr. blz. I‑00000, punten 43 en 44).
37 – Arrest van 14 januari 2010, Stadt Papenburg (C‑226/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 45); in overeenkomstige zin, arresten van 15 februari 1996, Duff e.a. (C‑63/93, Jurispr. blz. I‑569, punt 20), en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (C‑76/06 P, Jurispr. blz. I‑4405, punt 79).
38 – Arresten van 21 juni 2007, ROM-projecten (C‑158/06, Jurispr. blz. I‑5103, punt 25), en 10 maart 2009, Heinrich (C‑345/06, Jurispr. blz. I‑1659, punt 44).
39 – Zie arresten van 9 november 2000, Commissie/Hamptaux (C‑207/99 P, Jurispr. blz. I‑9485, punt 47), en 25 maart 2010, Sviluppo Italia Basilicata/Commissie (C‑414/08 P, Jurispr. blz. I‑00000, punt 107).
40 – In het arrest België en Forum 187/Commissie, reeds aangehaald, en het arrest van 17 september 2009, Commissie/Koninklijke Friesland Campina (C‑519/07 P, Jurispr. blz. I‑00000, punt 94).
41 – Zie arrest Commissie/Koninklijke Friesland Campina, reeds aangehaald.
Full & Egal Universal Law Academy