CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 3 juni 2010 (1)
Zaak C‑203/09
Volvo Car Germany GmbH
tegen
Autohof Weidensdorf GmbH
[verzoek van het Bundesgerichtshof (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 86/653/EEG – Zelfstandige handelsagenten – Ontbinding van agentuurovereenkomst door principaal – Niet-nakoming van verplichtingen door handelsagent – Recht van handelsagent op klantenvergoeding”
1. Een van de belangrijkste pluspunten van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten(2), is dat zij voor handelsagenten voorziet in de betaling door hun principaal van een vergoeding na beëindiging van een agentuurovereenkomst (hierna: „klantenvergoeding”).
2. Artikel 18, sub a, van de richtlijn bepaalt echter dat de vergoeding niet verschuldigd is „indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn”.
3. De onderhavige prejudiciële verwijzing stelt het Hof in de gelegenheid, deze bepaling voor het eerst uit te leggen en in het bijzonder, vast te stellen of er voor de uitsluiting van een recht op klantenvergoeding causaal verband moet bestaan tussen de aan de handelsagent te wijten omstandigheid die een beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn rechtvaardigt, en de beslissing van de principaal om de agentuurovereenkomst te beëindigen.
4. Deze prejudiciële verwijzing vindt plaats in een bijzonder geval, daar blijkens de feiten van het hoofdgeding de aan de handelsagent verweten niet-nakoming zich heeft voorgedaan tijdens de opzegtermijn die volgde op de beslissing van de principaal tot beëindiging van de agentuurovereenkomst, en de principaal de niet-nakoming pas bekend is geworden nadat de overeenkomst daadwerkelijk was geëindigd.
5. In deze conclusie stel ik het Hof voor, een systematische en doelgerichte uitlegging te geven aan artikel 18, sub a, van de richtlijn en de verwijzende rechter te antwoorden dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat aan een handelsagent wiens overeenkomst is ontbonden zijn klantenvergoeding wordt ontzegd, wanneer de principaal na de beëindiging van de agentuurovereenkomst bewijst dat in de loop van de overeenkomst sprake is geweest van een niet-nakoming die onverwijlde opzegging van deze overeenkomst rechtvaardigde, maar die niet de reden was voor die opzegging, daar deze de principaal pas na het einde van de overeenkomst ter kennis is gekomen.
I – De toepasselijke bepalingen
A – Het recht van de Unie
6. Artikel 1, lid 2, van de richtlijn bepaalt:
„Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‚principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.”
7. De verplichtingen van de handelsagent worden gedefinieerd in artikel 3 van de richtlijn, dat luidt als volgt:
„1. De handelsagent dient in de uitoefening van zijn bezigheden te waken over de belangen van de principaal en loyaal en te goeder trouw te handelen.
2. In het bijzonder moet de handelsagent:
a) zich naar behoren wijden aan de onderhandelingen over en, in voorkomend geval, aan het sluiten van de transacties waarmede hij wordt belast;
b) aan de principaal alle nodige inlichtingen verschaffen, waarover hij beschikt;
c) de redelijke instructies opvolgen die de principaal hem geeft.”
8. Artikel 15, lid 1, van de richtlijn bepaalt voorts: „Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan elke partij haar met inachtneming van een opzeggingstermijn beëindigen.” Artikel 16 van de richtlijn bepaalt evenwel:
„Deze richtlijn kan niet van invloed zijn op de toepassing van het recht van de lidstaten wanneer daarin is bepaald dat de overeenkomst zonder opzeggingstermijn kan worden beëindigd:
a) indien een van de partijen geheel of gedeeltelijk in gebreke is in de nakoming van haar verplichtingen;
b) in geval van uitzonderlijke omstandigheden.”
9. Verder wordt in artikel 17, leden 1 en 2, sub a, van de richtlijn het volgende bepaald:
„1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 [of] herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.
2. a) De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:
– hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren,
en
– de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat.[…]”
10. Artikel 18 van de richtlijn luidt:
„De vergoeding of het herstel op grond van artikel 17, is niet verschuldigd:
a) indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn;
[…]”
11. Ten slotte bepaalt artikel 19 van de richtlijn:
„Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken.”
B – Het nationale recht
12. In § 89a van het Duitse wetboek van koophandel (Handelsgesetzbuch; hierna: „HGB”) is het volgende bepaald:
„(1) Partijen kunnen om gewichtige redenen de overeenkomst opzeggen zonder inachtneming van een opzegtermijn. Dit recht kan niet worden uitgesloten of beperkt.
[…]”
13. Bij § 89b HGB zijn de artikelen 17 tot en met 19 van de richtlijn omgezet in Duits recht. Deze bepaling luidt in de formulering ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, als volgt:
„(1) De handelsagent kan van de principaal na beëindiging van de overeenkomst een gepaste vergoeding verlangen, indien en voor zover:
1. de transacties met nieuwe, door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal ook na het einde van de overeenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren,
2. de handelsagent wegens het einde van de overeenkomst zijn aanspraak verliest op de provisie waarop hij in verband met reeds afgesloten of in de toekomst tot stand komende transacties met de door hem aangebrachte klanten recht zou hebben indien de overeenkomst zou hebben voortgeduurd; en
3. de betaling van een vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden.
[…]
(3) Deze vergoeding is niet verschuldigd indien
1. de handelsagent de overeenkomst heeft beëindigd, behoudens wanneer een gedraging van de principaal daartoe gegronde reden vormde of de voortzetting van zijn werkzaamheden niet van de handelsagent kan worden verlangd vanwege zijn leeftijd of wegens ziekte, of
2. de principaal de overeenkomst heeft opgezegd en er een gewichtige reden voor opzegging bestond in verband met een onrechtmatige gedraging van de handelsagent […]”
14. Volgens de in de verwijzingsbeslissing weergegeven vaste rechtspraak van het Bundesgerichtshof (Duitsland) zijn de bepalingen van § 89b HGB inzake de klantenvergoeding van de handelsagent naar analogie van toepassing op een dealerovereenkomst zoals de in geding zijnde. Blijkens de verwijzingsbeslissing eist de tekst van § 89b, lid 3, punt 2, HGB niet dat de principaal de contractsverhouding met de handelsagent onverwijld heeft beëindigd vanwege een onrechtmatige gedraging van deze laatste. Voldoende is dat er op het tijdstip van de beslissing tot opzegging van de overeenkomst objectief gezien een gewichtige reden bestond die de onverwijlde opzegging van de overeenkomst rechtvaardigde. In het geval dat de handelsagent zich vóór het overeengekomen einde van de overeenkomst schuldig maakt aan een niet-nakoming die de onverwijlde ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, is het volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof de principaal die de beslissing had genomen om de overeenkomst na een opzegtermijn te beëindigen, zelfs toegestaan, hetzij te besluiten tot een nieuwe opzegging zonder termijn in het geval dat hem de niet-nakoming vóór het einde van die opzegtermijn bekend was geworden, hetzij zich op die niet-nakoming te beroepen om een klantenvergoeding te weigeren in het geval dat deze hem eerst na het overeengekomen einde van de overeenkomst bekend was geworden.
II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15. In 1993 werd een dealerovereenkomst gesloten tussen Volvo Car Germany GmbH (de principaal; hierna: „Volvo Car”) en Autohof Weidensdorf GmbH (de dealer; hierna: „AHW”). Tegelijkertijd exploiteerde de directie van AHW samen met een voormalig directeur van diezelfde onderneming Autovermietung Weidensdorf GbR (hierna: „AVW”). AVW was via een ander bedrijf handelsrelaties aangegaan met Volvo Car waarop een „raamovereenkomst voor grote afnemers” van toepassing was en waarbij extra kortingen werden gegeven bij de levering van nieuwe Volvo’s. Overeenkomstig deze raamovereenkomst kocht AVW voertuigen van AHW met de overeengekomen kortingen. AHW ontving daarvoor premies van Volvo Car waarop de „algemene voorwaarden voor de toekenning van premies aan dealers” van toepassing waren.
16. Bij brief van 6 maart 1997 deelde Volvo Car aan AHW haar beslissing mee om de dealerovereenkomst per 31 maart 1999 te beëindigen.
17. In de periode april 1998 tot en met juli 1999 werden 28 voertuigen (waarvan 16 vóór 31 maart 1999) die door AVW van AHW waren gekocht, voortijdig doorverkocht, in strijd met de raamovereenkomst voor grote afnemers, die bepaalde dat de voertuigen minstens zes maanden in het bezit van de grote afnemer moesten blijven. Blijkens de verwijzingsbeslissing wordt de verklaring van Volvo Car dat deze feiten haar pas na het einde van de dealerovereenkomst bekend zijn geworden, in het kader van de procedure in „Revision” als vaststaand feit beschouwd.
18. Ervan uitgaande dat § 89b HGB op de dealerovereenkomst van toepassing is, vordert AHW van Volvo Car een klantenvergoeding en stelt zij recht te hebben op voldoening van creditnota’s. Volvo Car is van mening dat § 89b, lid 3, punt 2, HGB in de weg staat aan toekenning van een klantenvergoeding aan AHW daar zij premies heeft verworven waarop zij geen recht had omdat zij zich in bewuste samenwerking met AVW niet had gehouden aan de overeengekomen minimale houderstermijn. Deze niet-nakoming door AHW van haar contractuele verplichtingen zou onverwijlde opzegging van de dealerovereenkomst door Volvo Car hebben gerechtvaardigd, indien laatstgenoemde daarmee vóór het einde van deze overeenkomst bekend was geweest.
19. Het Landgericht wees de vorderingen van AHW toe tot een bedrag van 181 159,46 EUR voor de klantenvergoeding, en voor de creditnota’s tot het gehele bedrag, in beide gevallen vermeerderd met rente.
20. Het Oberlandesgericht ging in hoger beroep, ingesteld door Volvo Car, over tot gedeeltelijke wijziging van het in eerste aanleg gewezen vonnis met betrekking tot het bedrag van de klantenvergoeding en van de creditnota’s. Het Oberlandesgericht verklaarde dat AHW jegens Volvo Car recht had op een klantenvergoeding krachtens analogische toepassing van § 89b, lid 1, HGB. Het kwam tot de conclusie dat § 89b, lid 3, punt 2, HGB moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 18, sub a, van de richtlijn. Bijgevolg moet volgens deze rechter de gewichtige reden voor opzegging in verband met een onrechtmatige gedraging van de handelsagent de reden zijn geweest voor de beslissing van de principaal tot beëindiging van de overeenkomst, wil deze agent zijn recht op klantenvergoeding verspelen. Wanneer dit causaal verband ontbreekt, dienen volgens het Oberlandesgericht de concrete omstandigheden van de voortijdige doorverkoop van de voertuigen en de relevantie van de vraag of Volvo Car daarmee voordien bekend was, pas te worden onderzocht op het moment dat moet worden beslist of de betaling van een klantenvergoeding billijk is in de zin van § 89b, lid 1, punt 3, HGB.
21. Volvo Car diende een verzoek in om „Revision” van het arrest van het Oberlandesgericht.
22. Van oordeel dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de uitlegging van artikel 18, sub a, van de richtlijn, heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Dient artikel 18, sub a, van [de] richtlijn […] aldus te worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de handelsagent ook in geval van een normale opzegging door de principaal geen recht heeft op een vergoeding, wanneer er op de datum van de normale opzegging weliswaar een gewichtige grond bestond voor onverwijlde opzegging van de overeenkomst wegens een onrechtmatige gedraging van de handelsagent, maar deze grond niet de reden voor de opzegging was?
2) Indien een dergelijke nationale wettelijke regeling verenigbaar is met de richtlijn, staat artikel 18, sub a, van de richtlijn dan in de weg aan een analogische toepassing van de nationale wettelijke regeling inzake de uitsluiting van het vergoedingsrecht op de situatie dat een gewichtige grond voor onverwijlde ontbinding van de overeenkomst wegens een onrechtmatige gedraging van de handelsagent, pas is gebleken na de normale opzegging van de overeenkomst en deze de principaal pas na het einde van de overeenkomst bekend is geworden, zodat hij de overeenkomst niet alsnog met onmiddellijke ingang kon opzeggen wegens een onrechtmatige gedraging van de handelsagent?”
23. Overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie hebben Volvo Car, de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen schriftelijke opmerkingen ingediend. De pleidooien van AHW, de Duitse regering en de Commissie zijn gehoord ter terechtzitting, die is gehouden op 6 mei 2010.
III – Analyse
24. De vragen die het Bundesgerichtshof het Hof stelt, betreffen beide de uitlegging van artikel 18, sub a, van de richtlijn, dat voorziet in de uitsluiting van de klantenvergoeding die in beginsel toekomt aan een handelsagent in geval van ontbinding van de overeenkomst „indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn”.
25. Met de eerste vraag wordt in wezen beoogd vast te stellen of deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan een handelsagent wiens overeenkomst is beëindigd zijn klantenvergoeding wordt ontzegd, wanneer de principaal hem een niet-nakoming verwijt die weliswaar ten tijde van de ontbinding van deze overeenkomst reeds bestond maar die niet de reden van deze ontbinding is geweest.
26. Met de tweede vraag wordt in wezen, en voor het geval van ontkennende beantwoording van de eerste vraag, beoogd te vernemen of artikel 18, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een handelsagent zijn klantenvergoeding ook wordt ontzegd, wanneer de niet-nakoming door deze agent zich heeft voorgedaan na de beslissing van de principaal om de overeenkomst op te zeggen en deze niet-nakoming de principaal pas na het einde van de overeenkomst bekend is geworden.
A – De bevoegdheid van het Hof tot beantwoording van de prejudiciële vragen
27. Alvorens kan worden overgegaan tot analyse van de zaak ten gronde, moeten om te beginnen twee beletselen voor de bevoegdheid van het Hof om zich over deze prejudiciële verwijzing uit te spreken, worden weggenomen.
28. Het eerste beletsel, onder de aandacht gebracht door Volvo Car, is dat het Hof onbevoegd zou zijn om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden omdat de richtlijn waarvan uitlegging wordt verzocht betrekking heeft op de verhouding tussen handelsagenten en hun principalen, terwijl in het hoofdgeding een dealer en een concessieverlener tegenover elkaar staan.
29. Ik merk dienaangaande op dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in het Duitse recht de beschermende bepalingen inzake de klantenvergoeding van de handelsagent ook worden toegepast op dealers. De bepalingen van § 89b HGB inzake de klantenvergoeding van de handelsagent zijn derhalve naar analogie van toepassing op een dealercontract zoals is gesloten tussen Volvo Car en AHW. Volgens vaste rechtspraak van het Bundesgerichtshof is daarvoor vereist dat de dealer in de verkooporganisatie van de producent of leverancier is opgenomen en dat de dealer verplicht is zijn clientèle aan de producent of leverancier over te dragen zodat deze bij het einde van de overeenkomst onmiddellijk en zonder meer kan profiteren van de aan deze clientèle verbonden voordelen. Dat aan deze voorwaarden is voldaan en dat dus naar Duits recht de dealer op één lijn wordt gesteld met de handelsagent, is in het hoofdgeding niet in geschil.
30. Het Hof is mijns inziens bevoegd om vragen te beantwoorden die in een dergelijk geval worden gesteld. Zoals het in het kader van de in artikel 267 VWEU voorgeschreven samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties steeds heeft verklaard, is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Een verzoek van een nationale rechter kan door het Hof slechts worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het recht van de Unie geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk hypothetisch of algemeen van aard is.(3) Wanneer de door de nationale rechter gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van het recht van de Unie, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Noch uit de tekst van artikel 267 VWEU noch uit het doel van de bij dit artikel ingestelde procedure blijkt namelijk, dat de auteurs van het Verdrag de bevoegdheid van het Hof om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van het recht van de Unie, hebben willen uitsluiten in het bijzondere geval dat het nationale recht van een lidstaat naar de inhoud van die bepaling verwijst ter vaststelling van de voorschriften die in een zuiver interne situatie van die lidstaat van toepassing zijn.(4) Zoals het Hof heeft verklaard is er, wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het recht van de Unie gekozen oplossingen, met name om discriminatie of eventuele verstoring van de mededinging te voorkomen, stellig een communautair belang dat, ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, de overgenomen bepalingen of begrippen van het recht van de Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden.(5)
31. Het tweede beletsel voor de bevoegdheid van het Hof, naar voren gebracht door de Commissie, betreft enkel de eerste vraag, die, voor zover betrekking hebbend op het geval dat de niet-nakoming van de handelsagent bestond op de datum van ontbinding van de agentuurovereenkomst zonder daarvoor de reden te zijn, een situatie betreft die niet overeenkomt met de feiten van het hoofdgeding en dus hypothetisch van aard is. Het staat immers vast dat de aan AHW verweten niet-nakoming zich heeft voorgedaan na de beslissing van Volvo Car om de overeenkomst te beëindigen, zodat alleen de tweede vraag precies samenvalt met de feiten van het hoofdgeding. Het zou dus wellicht passend zijn dat het Hof zijn antwoord enkel op deze tweede vraag concentreert.
32. Dit is echter niet de weg die ik het Hof voorstel te bewandelen. Het lijkt mij namelijk te ver gaan om te stellen dat de eerste vraag kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Weliswaar komt het geval waarop deze vraag berust, niet exact overeen met de feiten van het hoofdgeding, maar deze vraag legt wel het accent op de belangrijkste problematiek in verband met de uitlegging van artikel 18, sub a, van de richtlijn, die tevens beslissend is voor de beslechting van het hoofdgeding, namelijk of er al dan niet een causaal verband moet bestaan tussen de niet-nakoming van de handelsagent die een onverwijlde ontbinding van de agentuurovereenkomst rechtvaardigt en de door de principaal genomen beslissing om deze overeenkomst te ontbinden, wil deze agent zijn klantenvergoeding worden ontzegd.
33. De twee vragen hangen bovendien nauw met elkaar samen en vullen elkaar aan, waarbij de eerste in de ogen van de verwijzende rechter een voorvraag is ten opzichte van de tweede. Ik stel het Hof dan ook voor, de vragen samen te voegen om de verwijzende rechter een volledig antwoord te geven en tegelijkertijd de aan artikel 18, sub a, van de richtlijn te geven consistente uitlegging te garanderen.
34. Derhalve moet deze prejudiciële verwijzing volgens mij in die zin worden opgevat dat daarmee hoofdzakelijk wordt beoogd te vernemen of artikel 18, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat aan een handelsagent wiens overeenkomst is ontbonden zijn klantenvergoeding wordt ontzegd, wanneer de principaal, na de ontbinding van de agentuurovereenkomst, aantoont dat zich tijdens de overeenkomst een niet-nakoming heeft voorgedaan die onverwijlde beëindiging van deze overeenkomst rechtvaardigde, maar die niet de reden voor deze beëindiging was.
B – Ten gronde
35. Zoals het Bundesgerichtshof in zijn verwijzingsbeslissing uiteenzet, blijkt uit de vergelijking van de bewoordingen van artikel 18, sub a, van de richtlijn en die van § 89b, lid 3, punt 2, HGB dat in eerstgenoemde bepaling de voorwaarden voor uitsluiting van het recht van de handelsagent op een klantenvergoeding strenger zijn omschreven.
36. Uit de bewoordingen van artikel 18, sub a, van de richtlijn blijkt immers dat de in artikel 17 van deze richtlijn bedoelde klantenvergoeding niet verschuldigd is „indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn”.(6) Het voorzetsel „vanwege” drukt de gedachte uit van een causaal verband tussen de niet-nakoming van de handelsagent die onverwijlde beëindiging van de agentuurovereenkomst rechtvaardigt en de beslissing van de principaal om de overeenkomst te beëindigen.
37. Beperkt men zich tot een letterlijke uitlegging van artikel 18, sub a, van de richtlijn, dan zou men dus geneigd kunnen zijn deze bepaling in de meest beschermende zin ten gunste van de handelsagent te interpreteren en de verwijzende rechter te antwoorden dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat aan een handelsagent wiens overeenkomst is ontbonden zijn klantenvergoeding wordt ontzegd, wanneer de principaal achteraf een niet-nakoming aantoont die niet de reden voor deze ontbinding was.
38. De formulering van artikel 18, sub a, van de richtlijn is echter mijns inziens niet zodanig duidelijk dat men met een letterlijke uitlegging kan volstaan. Voor meer dan één uitleg vatbaar in deze formulering is namelijk of als voorwaarde voor de uitsluiting van het recht op klantenvergoeding beslissend is dat er causaal verband bestaat tussen de niet-nakoming van de handelsagent die een onverwijlde beëindiging van de agentuurovereenkomst rechtvaardigt en de beslissing van de principaal om de overeenkomst te beëindigen, dan wel, meer fundamenteel, het feit dat zich een niet-nakoming door de handelsagent die een onverwijlde beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigde, heeft voorgedaan tijdens de overeenkomst. Daarom dient deze bepaling mijns inziens te worden uitgelegd in het licht van de systematiek en het doel van de richtlijn.(7)
39. Wat in de eerste plaats de systematiek van de richtlijn betreft, ben ik van mening dat artikel 18, sub a, niet geïsoleerd mag worden uitgelegd, maar moet worden geïnterpreteerd in samenhang met de artikelen 3 en 16, sub a, van deze richtlijn, om de onderlinge samenhang en de effectiviteit van al deze bepalingen te garanderen.
40. Ik herinner er daarbij aan dat de handelsagent ingevolge artikel 3 van de richtlijn aan een aantal verplichtingen moet voldoen. Zo moet de handelsagent zijn opdracht vervullen en daarvan rekenschap afleggen.(8)
41. De verplichting van de handelsagent om zijn opdracht te vervullen bestaat uit drie aspecten: de instructies van zijn principaal opvolgen, zorgvuldig te werk gaan en zich loyaal opstellen.
42. Betreffende het opvolgen van de instructies die hem door de principaal worden gegeven, moet worden opgemerkt dat de handelsagent weliswaar in het algemeen beschikt over een grote mate van vrijheid bij de vervulling van zijn opdracht, aangezien hij per definitie een zelfstandig ondernemer is(9), maar dat hij zich moet houden aan de bindende instructies betreffende bepaalde aspecten van zijn opdracht, die hij eventueel ontvangt van zijn principaal, bijvoorbeeld de voorwaarden voor de met de klant te sluiten overeenkomsten.
43. Voorts moet de handelsagent blijk geven van zorgvuldigheid bij de vervulling van zijn opdracht, dat wil zeggen dat hij zijn contract moet nakomen als „goed vakman”. In deze verplichting schiet hij bijvoorbeeld tekort wanneer hij zijn afnemers niet of niet vaak genoeg bezoekt, onvoldoende actief is, nu eens wel en dan weer niet of niet overal reclame maakt, of zijn organisatie niet goed in orde heeft.
44. Ten slotte heeft de handelsagent een loyaliteitsverplichting ten opzichte van zijn principaal. Uit dien hoofde moet hij ervoor zorgen dat de informatie inzake de commerciële strategie van de principaal vertrouwelijk blijft en mag hij niet overgaan tot vertegenwoordiging van een concurrent van zijn principaal zonder diens toestemming.
45. Naast de op de handelsagent rustende verplichting om zijn opdracht te vervullen, is hij verplicht om daarvan aan zijn principaal rekenschap af te leggen. Deze verplichting houdt in dat hij de principaal op de hoogte houdt van de resultaten van zijn opdracht en hem alle nodige informatie verstrekt waarover hij beschikt. De agent moet bijvoorbeeld alle mogelijke informatie verstrekken over de marktsituatie, met name over de op die markt opererende concurrenten.
46. Niet-nakoming van deze verplichtingen geeft uiteraard aanleiding tot sancties.
47. Artikel 16, sub a, van de richtlijn laat bijvoorbeeld de lidstaten de mogelijkheid, bepalingen in stand te houden of aan te nemen op grond waarvan de overeenkomst kan worden beëindigd zonder opzegtermijn, indien een van de partijen geheel of gedeeltelijk haar verplichtingen niet nakomt, terwijl de principaal volgens artikel 15 van de richtlijn in beginsel verplicht is een opzegtermijn in acht te nemen.
48. Hetzelfde type niet-nakoming, dat op grond van de nationale wetgeving een onverwijlde beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt, ontheft ingevolge artikel 18, sub a, van de richtlijn de principaal van de verplichting om aan de handelsagent een klantenvergoeding te betalen.
49. De aan deze bepaling ten grondslag liggende gedachte is dat de handelsagent alleen dan recht behoort te hebben op de klantenvergoeding van artikel 17, lid 2, van de richtlijn, wanneer dit verenigbaar is met de belangen van de principaal. Dit recht bestaat dus alleen wanneer de handelsagent niet is ingegaan tegen de belangen van de principaal. Indien de handelsagent zich daarentegen niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen, zoals genoemd in artikel 3 van de richtlijn, en heeft gehandeld tegen de belangen van de principaal in, waardoor hij de tussen hen bestaande vertrouwensband heeft verbroken, is hij niet langer bescherming waardig. In dat geval kan van de principaal niet worden verlangd dat hij de handelsagent een klantenvergoeding betaalt die is bedoeld ter beloning van de inspanningen die de agent overeenkomstig zijn verplichtingen heeft verricht voor het opbouwen van zijn clientèle. Doorslaggevend voor de beslissing of het recht op klantenvergoeding al dan niet in stand blijft, is dus niet alleen of de handelsagent voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de vergoeding in artikel 17, lid 2, sub a, van de richtlijn, maar ook of hij zijn opdracht heeft vervuld met inachtneming van de verplichtingen die op hem rusten ingevolge artikel 3 van deze richtlijn.
50. De klantenvergoeding is bedoeld ter voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van de principaal, daar zij de tegenprestatie vormt voor het profijt dat deze na de beëindiging van de overeenkomst blijft hebben van de werkzaamheden die de handelsagent in de loop van de overeenkomst heeft verricht en waarvoor hij niet langer wordt beloond. Evenzo is de uitsluiting van deze vergoeding bedoeld ter voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van de handelsagent die zich onrechtmatig heeft gedragen. Een recht op klantenvergoeding toekennen aan de handelsagent waarvan is aangetoond dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen, zou een verrijking betekenen die het gevolg is van bedrog, hetgeen zeker niet de bedoeling van de wetgever van de Unie is geweest bij de vaststelling van artikel 18, sub a, van de richtlijn. In die zin beoogt deze bepaling de belangen van de principaal te beschermen door met name te voorkomen dat de handelsagent wordt verrijkt als gevolg van bedrog.
51. Uit de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling blijkt dat een van de belangrijkste voorwaarden voor het verlies van de klantenvergoeding is dat de aan de handelsagent verweten niet-nakoming zich voordoet tijdens de contractuele relatie. Mijns inziens is niet van belang of de niet-nakoming zich heeft voorgedaan vóór of na een beslissing van de principaal tot opzegging van de overeenkomst om een andere reden dan een dergelijke niet-nakoming.(10) Een niet-nakoming die zich heeft voorgedaan tijdens de opzegtermijn na een beslissing tot normale beëindiging, zoals in het hoofdgeding het geval is, rechtvaardigt volgens mij in beginsel dus de uitsluiting van de klantenvergoeding, daar het gaat om een schending door de handelsagent van de verplichtingen die op hem rusten tot het daadwerkelijke einde van de overeenkomst.
52. Een andere voorwaarde die door artikel 18, sub a, van de richtlijn wordt gesteld is dat de aan de handelsagent verweten niet-nakoming van dien aard is dat zij ingevolge de nationale wetgeving de onverwijlde beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt, waaruit valt af te leiden dat het moet gaan om een niet-nakoming van een zekere ernst. In § 89b, lid 3, punt 2, HGB wordt gesproken van een „gewichtige reden voor opzegging […] in verband met een onrechtmatige gedraging van de handelsagent”. Ter vergelijking: het Franse recht eist ernstig onrechtmatig handelen van de handelsagent, bijvoorbeeld oneerlijke concurrentie, beledigende uitlatingen ten aanzien van de principaal, strafbare gedragingen, ernstige gevallen van niet-naleving van de ontvangen instructies, of ernstige niet-nakoming van de geheimhoudingsplicht.
53. Alles bijeen genomen volgt mijns inziens uit artikel 18, sub a, van de richtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 3 en 16, sub a, van deze richtlijn, dat de principaal in beginsel geen klantenvergoeding verschuldigd is, wanneer de handelsagent tijdens de contractsverhouding een niet-nakoming heeft begaan die ingevolge de nationale wetgeving de onverwijlde beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt en die de principaal pas na het einde van de overeenkomst bekend is geworden.
54. Te eisen dat de niet-nakoming van de handelsagent zich heeft voorgedaan vóór een beslissing van de principaal om de overeenkomst onverwijld te ontbinden en dat de niet-nakoming de reden voor die ontbinding is, is volgens mij niet in overeenstemming te brengen met de uit de samenhang van de artikelen 3, 16, sub a, en 18, sub a, van de richtlijn volgende noodzaak om aan onrechtmatige gedragingen van de handelsagent sancties te verbinden.
55. Een dergelijke voorwaarde zou immers leiden tot een verschillende behandeling tussen de handelsagent die er niet in is geslaagd zijn niet-nakoming te verbergen zodat deze door de principaal is ontdekt vóór het einde van de overeenkomst, en degene die daarin wel is geslaagd zodat deze door de principaal pas na het einde van de overeenkomst wordt ontdekt. Terwijl de eerste agent zich niet alleen geconfronteerd zou zien met de onverwijlde ontbinding van zijn overeenkomst maar ook geen klantenvergoeding zou ontvangen, zou de laatste, wiens overeenkomst niet meer onverwijld kan worden ontbonden, bovendien niet de sanctie van het verlies van zijn recht op klantenvergoeding ondervinden.
56. Een dergelijk verschil in behandeling zou een aanmoediging tot het plegen van fraude zijn, aan artikel 3 van de richtlijn zijn effectiviteit ontnemen en zelfs een tegengesteld effect hebben.
57. Zoals de verwijzende rechter opmerkt in verband met het geval waarop het hoofdgeding betrekking heeft, verdient de handelsagent, wanneer de principaal de overeenkomst op de normale manier ontbindt en pas na het einde daarvan bekend raakt met het bestaan van een onrechtmatige gedraging van de handelsagent die een onverwijlde ontbinding zou rechtvaardigen, zodat hij de overeenkomst niet heeft kunnen ontbinden op de grondslag van deze gedraging, niet meer bescherming dan indien de principaal van diens gedraging op de hoogte was geweest tijdens de overeenkomst en dan vanwege die gedraging de contractsverhouding inderdaad zou hebben beëindigd. De omstandigheid dat de handelsagent zich aan een niet-nakoming schuldig heeft gemaakt tijdens de bestaande contractsverhouding, daardoor een onverwijlde ontbinding daarvan rechtvaardigend, is beslissend doordat artikel 18, sub a, van de richtlijn de uitsluiting van de klantenvergoeding dwingend voorschrijft. Een dergelijke verplichte uitsluiting mag er niet van afhangen of de handelsagent het bestaan van zijn niet-nakoming verborgen weet te houden tot het einde van de overeenkomst. De handelsagent die daarin slaagt, verdient immers net zo min bescherming als de handelsagent wiens niet-nakoming tijdig wordt ontdekt.
58. Ik ben het ook eens met de opvatting van de verwijzende rechter dat rekening moet worden gehouden met het feit dat er juist na een normale opzegging van de agentuurovereenkomst een risico bestaat dat de handelsagent de tot het einde van de overeenkomst resterende tijd gebruikt om onverdiende voordelen binnen te halen en dat daardoor onrechtmatige gedragingen plaatsvinden waarvan de principaal niet op de hoogte is tot het einde van de overeenkomst, maar op grond waarvan hij deze wegens gewichtige redenen had kunnen opzeggen indien hij daarvan eerder had geweten. Ter voorkoming van dit soort onrechtmatige gedragingen tijdens de overeenkomst, en met name in de opzegtermijn, zou de principaal te allen tijde moeten kunnen eisen dat de in artikel 3 van de richtlijn genoemde, op zijn agent rustende verplichtingen in acht worden genomen en zou hij dus moeten kunnen worden ontheven van betaling van de klantenvergoeding, wanneer hij dergelijke gedragingen ontdekt na het einde van de overeenkomst.
59. Ik ben dan ook van mening dat artikel 18, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een handelsagent wiens overeenkomst is ontbonden, zijn klantenvergoeding wordt ontzegd, wanneer de principaal na het einde van de overeenkomst een tijdens de overeenkomst gepleegde niet-nakoming aantoont die de onverwijlde ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigde maar die van die ontbinding niet de reden was, daar zij de principaal pas na het einde van de overeenkomst bekend werd.
60. Deze uitlegging van artikel 18, sub a, van de richtlijn vindt steun in de met deze richtlijn beoogde doelstellingen.
61. De richtlijn strekt ontegenzeglijk tot bescherming van de personen die, in de zin van haar bepalingen, de hoedanigheid van handelsagent bezitten.(11) In het bijzonder de artikelen 17 en 19 van deze richtlijn beogen de handelsagent te beschermen na de beëindiging van de overeenkomst, en de daartoe door de richtlijn getroffen regeling betreffende de vergoeding is van dwingende aard.(12)
62. De bescherming van handelsagenten is echter niet het enige doel van de richtlijn. Blijkens punt 2 van de considerans hebben de harmonisatiemaatregelen van de richtlijn immers onder meer tot doel, de beperkingen van de uitoefening van het beroep van handelsagent op te heffen, de mededingingsvoorwaarden binnen de Unie te uniformeren en de zekerheid van handelstransacties te vergroten.(13) De regeling van de artikelen 17 tot en met 19 van de richtlijn beoogt dus via de categorie van de handelsagenten de vrijheid van vestiging en de onvervalste mededinging binnen de interne markt te beschermen.(14) Ten slotte beoogt deze richtlijn blijkens punt 3 van de considerans tevens, het goederenverkeer tussen de lidstaten te vergemakkelijken door onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten op het gebied van de handelsvertegenwoordiging.(15)
63. Ik ben van mening dat deze doelstellingen, in het bijzonder het garanderen van de onvervalste mededinging binnen de interne markt, te lijden zouden hebben, indien artikel 18, sub a, van de richtlijn aldus zou worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een onrechtmatige gedraging als die welke aan AHW wordt verweten de uitsluiting van de klantenvergoeding zou kunnen rechtvaardigen. Het lijkt mij namelijk absoluut noodzakelijk dat de door de wetgever van de Unie gewenste uniformering van de mededingingsvoorwaarden stoelt op een gezonde basis, die een uitlegging uitsluit welke een bres zou slaan waardoor frauduleus gedrag door niet al te scrupuleuze handelsagenten zou kunnen worden aangemoedigd, met name tijdens de opzegtermijn voorafgaand aan het einde van de agentuurovereenkomst.
64. Alvorens mijn betoog af te ronden wil ik de volgende opmerkingen maken.
65. Het is namelijk noodzakelijk antwoord te geven op het argument waarvan de verwijzende rechter zegt dat dit door een deel van de doctrine in Duitsland wordt verdedigd, namelijk dat ook bij een restrictieve uitlegging van § 89b, lid 3, punt 2, HGB en artikel 18, sub a, van de richtlijn de onrechtmatige gedraging van de handelsagent kan worden meegewogen in de beoordeling door de rechter of de betaling van de klantenvergoeding billijk is in de zin van § 89b, lid 1, punt 3, HGB en artikel 17, lid 2, sub a, tweede streepje, van de richtlijn.
66. Volgens laatstgenoemde bepaling heeft de handelsagent recht op een klantenvergoeding indien en voor zover de „betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden”. De billijkheidstoetsing werkt als een veiligheidsklep die de rechter gebruiken kan om het bedrag van de klantenvergoeding aan te passen, gelet op de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, of zelfs om eventueel, in grensgevallen, de vergoeding uit te sluiten.(16)
67. Gezien de ruime beoordelingsbevoegdheid van de nationale rechters in het kader van deze billijkheidstoetsing, kan deze echter niet op één lijn worden gesteld met een bindende regeling tot uitsluiting van een klantenvergoeding in geval van een niet-nakoming van een handelsagent die naar nationaal recht een onverwijlde beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt. De billijkheidstoetsing kan dus naar mijn mening niet in de plaats komen van de regel van artikel 18, sub a, van de richtlijn die de klantenvergoeding uitsluit, en die van dwingend recht is.(17)
68. Voorts moet worden opgemerkt dat de lidstaten de keuze hebben tussen een systeem van klantenvergoeding als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de richtlijn, of een systeem van schadevergoeding als bedoeld in artikel 17, lid 3. Opgemerkt zij echter dat in deze laatste bepaling de billijkheid niet wordt genoemd, zodat de oplossing waarbij wordt gekozen voor meeweging van het onrechtmatige gedrag van de handelsagent in het kader van een billijkheidstoetsing, in elk geval niet relevant zal zijn voor lidstaten die voor het schadevergoedingssysteem hebben geopteerd. Deze oplossing kan dus geen algemeen alternatief vormen voor de verplichte uitsluiting van de klantenvergoeding als neergelegd in artikel 18, sub a, van de richtlijn.
69. Daarentegen biedt de toepassing van de oplossing waarbij de handelsagent zijn klantenvergoeding wordt ontzegd wanneer hij zich tijdens de overeenkomst zodanig onrechtmatig heeft gedragen dat een onverwijlde beëindiging van de overeenkomst gerechtvaardigd is, de mogelijkheid om de nationale rechter een identieke beoordelingsbevoegdheid te verlenen, ongeacht de door de lidstaten gekozen optie, daar deze rechter als enige bevoegd is om de ernst van dit gedrag te beoordelen. Aldus is mijns inziens in het geval dat dit onrechtmatige gedrag de principaal vóór het einde van de overeenkomst bekend is geworden maar hij dit heeft getolereerd, niet uitgesloten dat het feit dat de principaal zijn agent tijdens de uitvoering van de overeenkomst niet heeft aangesproken op of gewaarschuwd met betrekking tot diens gedrag, terwijl dit gedrag bij de principaal bekend was en door hem werd getolereerd, meeweegt bij de vraag of de agent recht heeft op een klantenvergoeding. In een dergelijk geval zou immers op basis van de artikelen 3, 16, sub a, en 18, sub a, van de richtlijn kunnen worden gesteld dat, gezien de tolerantie die de principaal aan de dag heeft gelegd door niet over te gaan tot onverwijlde opzegging van de overeenkomst, de niet-nakoming door de handelsagent niet voldoende ernstig is geweest om hem zijn recht op klantenvergoeding te ontnemen.
IV – Conclusie
70. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:
„Artikel 18, sub a, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een handelsagent wiens overeenkomst is ontbonden, zijn klantenvergoeding wordt ontzegd wanneer de principaal na het einde van de overeenkomst een tijdens de overeenkomst gepleegde niet-nakoming aantoont die de onverwijlde ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigde maar die van die ontbinding niet de reden was, daar zij de principaal pas na het einde van de overeenkomst bekend werd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 382, blz. 17, hierna: „richtlijn”.
3 – Zie met name, met betrekking tot dezelfde richtlijn, arrest van 16 maart 2006, Poseidon Chartering (C‑3/04, Jurispr. blz. I‑2505, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
4 – Ibidem (punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
5 – Ibidem (punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
6 – Cursivering van mij. Een vergelijkbare formulering vindt men in andere officiële talen van de Unie, bijvoorbeeld het Engels („because of default attributable to the commercial agent”); het Duits („wegen eines schuldhaften Verhaltens des Handelsvertreters”); het Italiaans („per un’inadempienza imputabile all’agente commerciale”), en het Spaans („por un incumplimiento imputable al agente comercial”).
7 – Zie in dit verband arrest van 26 maart 2009, Semen (C‑348/07, Jurispr. blz. I‑2341, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
8 – Zie Pétel, P., „Agents commerciaux”, Jurisclasseur commercial, fascikel 331.
9 – Zie artikel 1, lid 2, van de richtlijn.
10 – Ik wijs er in dit verband op dat artikel 15, lid 1, van de richtlijn bepaalt: „Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan elke partij haar met inachtneming van een opzeggingstermijn beëindigen.”
11 – Arrest van 30 april 1998, Bellone (C‑215/97, Jurispr. blz. I‑2191, punt 13).
12 – Arrest van 9 november 2000, Ingmar (C‑381/98, Jurispr. blz. I‑9305, punt 21).
13 – Ibidem (punt 23).
14 – Ibidem (punt 24).
15 – Arrest van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali (C‑465/04, Jurispr. blz. I‑2879, punt 19).
16 – Ik neem hier de bewoordingen over waarmee advocaat-generaal Poiares Maduro billijkheidstoetsing beschrijft in punt 47 van zijn conclusie in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Honyvem Informazioni Commerciali, reeds aangehaald.
17 – Zie in die zin arrest Ingmar, reeds aangehaald (punten 21 en 22).
Full & Egal Universal Law Academy