CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 14 september 2010 (1)
Zaak C‑291/09
Francesco Guarnieri & Cie
tegen
Vandevelde Eddy VOF
[verzoek van de Rechtbank van Koophandel te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van goederen – Cautio judicatum solvi”
1. Het Hof heeft een aantal arresten gewezen over de vraag of een nationale bepaling volgens welke buitenlandse verzoekers in rechte zekerheid moeten stellen voor het betalen van de kosten (cautio judicatum solvi) in overeenstemming is met het Verdrag. Het specifieke van de onderhavige zaak is dat zij betrekking heeft op de situatie van een verzoeker met de nationaliteit van een derde land en op de vraag of in die situatie de cautio judicatum solvi het vrije verkeer van goederen belemmert.
Toepasselijke bepalingen
Het EG-Verdrag(2)
2. In artikel 12, eerste alinea, EG wordt bepaald: „Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”
3. Artikel 28 EG bepaalt: „Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.”
4. Artikel 29 EG luidt als volgt: „Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.”
5. Artikel 30 EG bepaalt: „De bepalingen van de artikelen 28 en 29 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.”
6. Monaco wordt in artikel 299 EG niet vermeld onder de grondgebieden waarop het Verdrag van toepassing is. Bovendien bestaat er, anders dan (bijvoorbeeld) voor de Republiek San Marino(3), geen bijzondere internationale overeenkomst die de handelsbetrekkingen van Monaco met de Europese Unie regelt.
Het communautair douanewetboek
7. Artikel 3, lid 2, sub b, van verordening nr. 2913/92(4) bepaalt: „De volgende gebieden worden, hoewel zij buiten het grondgebied van de lidstaten zijn gelegen, gezien de daarop van toepassing zijnde overeenkomsten en verdragen, beschouwd als deel uitmakende van het douanegebied van de Gemeenschap: [...] b) Frankrijk[:] Het grondgebied van het Vorstendom Monaco, zoals omschreven in de op 18 mei 1963 in Parijs ondertekende douaneovereenkomst.”
Relevante nationale wetgeving
8. Volgens artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek zijn alle vreemdelingen als eiser of tussenkomende partij gehouden, indien de Belgische verweerder het vordert, borg te stellen voor de betaling van de uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoeding waarin zij kunnen worden verwezen, behalve wanneer het gaat om burgers van staten die bij bilateraal verdrag hebben bedongen dat hun staatsburgers ontslagen zijn van borgstelling ter nakoming van die verplichting.
Feiten, procesverloop en prejudiciële vraag
9. Verzoekster in het hoofdgeding, Francesco Guarnieri & Cie (hierna: „Guarnieri”), is een commanditaire vennootschap naar Monegaskisch recht met vennootschappelijke zetel in Monaco. Verweerster, Vandevelde Eddy VOF (hierna: „Vandevelde”), heeft haar vennootschappelijke zetel in België.
10. Een derde partij, Fourcroy NV, bestelde bij Vandevelde 21 000 twisterglazen en 100 000 theelichtjes met toebehoren in het kader van een actie ter bevordering van de verkoop van flessen „Mandarine Napoléon”. Vandevelde bestelde de theelichtjes en de twisterglazen bij Guarnieri.
11. Nadat de goederen waren geleverd, weigerde Vandevelde Guarnieri te betalen. Vandevelde stelde dat de goederen te laat waren geleverd, dat de plastic omhulsels van 3 000 stuks waren beschadigd, dat 65 % van de twisterglazen gebroken waren, dat de intacte glazen zeer vuil waren en dat de promotiesticker aan de verkeerde kant van de glazen was aangebracht.
12. Daarop stelde Guarnieri bij de Rechtbank van Koophandel te Brussel een vordering in tot betaling van 51 034,98 USD en 16 345,27 EUR, zijnde het saldo van de niet-betaalde facturen voor de geleverde goederen, te vermeerderen met moratoire rente. Vandevelde vorderde in reconventie een bedrag van 31 530,38 EUR, te vermeerderen met de wettelijke rente, ter vergoeding van materiële schade, en een bedrag van 60 000 EUR, te vermeerderen met de wettelijke rente, ter vergoeding van inkomstenderving.
13. Verder vorderde Vandevelde op grond van artikel 851 van het Belgische Gerechtelijk Wetboek, Guarnieri te gelasten ten belope van 2 500 EUR zekerheid te stellen voor de betaling van de kosten.
14. Guarnieri betoogt dat een bevel om zekerheid te stellen voor de betaling van de kosten in strijd zou zijn met het discriminatieverbod en met de artikelen 28 EG, 29 EG en 30 EG. Volgens Guarnieri komt zij, ondanks het feit dat zij een Monegaskische vennootschap is, in aanmerking voor toepassing van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen.
15. De verwijzende rechter stelt vast dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen rechtstreekse werking hebben en legt het Hof de volgende vraag voor:
„Staan de artikelen [28 EG, 29 EG en 30 EG] eraan in de weg dat een eiser met de Monegaskische nationaliteit die in België een rechtsvordering instelt om betaling te bekomen van facturen, uitgeschreven voor de levering van twisterglazen en theelichtjes, met toebehoren, op verzoek van een verweerder met de Belgische nationaliteit verplicht wordt borg te stellen voor de betaling van uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin hij kan worden verwezen?”
16. De Belgische regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er is niet om een mondelinge behandeling verzocht en er heeft ook geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Bespreking
Voorafgaande opmerkingen
Oorsprong van de goederen
17. Niet betwist wordt dat Guarnieri een Monegaskische vennootschap is en dus de nationaliteit van een derde land heeft. De verwijzingsbeslissing en het door de nationale rechter overgelegde dossier bevatten echter niets over de oorsprong van de betrokken goederen. De herkomst van de goederen is nochtans van doorslaggevend belang voor de beslechting van het wezenlijke geschilpunt voor de nationale rechter.
18. Wat de oorsprong van de goederen betreft, zijn er verschillende scenario’s mogelijk. Het is mogelijk dat de goederen in Monaco zijn vervaardigd of (wellicht waarschijnlijker) uit een derde land, zoals Taiwan, in Monaco zijn ingevoerd en vervolgens van Monaco naar België zijn verzonden. Een andere mogelijkheid is, dat de goederen uit een andere lidstaat België zijn binnengekomen: zij kunnen bijvoorbeeld in Nederland zijn vervaardigd of uit een derde land in Nederland zijn ingevoerd en vandaar naar België zijn uitgevoerd.(5) Ten slotte is het mogelijk dat de goederen in België zelf zijn vervaardigd of uit een derde land rechtstreeks in België zijn ingevoerd.
19. De herkomst van de goederen is een feitenkwestie die de nationale rechter dient te beslechten. De juridische analyse van het door de verwijzende rechter aan de orde gestelde punt, zal echter verschillen naargelang van het antwoord op die fundamentele vraag.
Goederen van oorsprong uit Monaco
20. Indien het gaat om goederen van oorsprong uit Monaco, een grondgebied waarop het Verdrag volgens artikel 299 EG niet van toepassing is, moet eerst worden uitgemaakt of de artikelen 28 EG en 30 EG van toepassing zijn op de feiten in het hoofdgeding.
21. Het Hof heeft nog geen uitspraak gedaan over de vraag of goederen van oorsprong uit Monaco in aanmerking komen voor toepassing van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen. In zijn conclusie in de zaak Estée Lauder heeft advocaat-generaal Fennelly dit punt echter behandeld.(6) In die zaak ging het om een goed (een cosmetisch product) dat in Monaco was vervaardigd en van daaruit in Europa was verkocht. Het Hof diende te antwoorden op de vraag of de toenmalige artikelen 30 en 36 EG-Verdrag en/of artikel 6, lid 3, van de cosmeticarichtlijn(7) in de weg stonden aan de toepassing van nationale voorschriften inzake oneerlijke mededinging, die toestonden dat de invoer en de verkoop van een cosmeticaproduct dat in een andere lidstaat van de EU rechtmatig was vervaardigd of verkocht, werd verboden op grond dat de consument kon worden misleid door de benaming, die deed veronderstellen dat het product een duurzame werking had.
22. Advocaat-generaal Fennelly erkende dat Monaco een derde land is, maar was van mening dat, „[a]angezien [...] geen douanerechten of heffingen van gelijke werking op de handel tussen Monaco en de Gemeenschap mogen worden toegepast, [...] het op het eerste gezicht [voorkomt], dat goederen van Monegaskische oorsprong die rechtstreeks zijn uitgevoerd naar een lidstaat, behandeld moeten worden alsof zij van communautaire oorsprong zijn”.(8) Na te hebben onderzocht of die opvatting niet op losse schroeven werd gezet door de omstandigheid dat de handelsbetrekkingen tussen Monaco en de Gemeenschap niet uitputtend waren geregeld, concludeerde advocaat-generaal Fennelly: „[Ik] meen [...], dat de enkele omstandigheid dat Monaco deel uitmaakt van het douanegebied van de Gemeenschap, rechtvaardigt dat producten van Monegaskische oorsprong onder de regels van het vrije verkeer vallen.”(9)
23. Het Hof heeft de zaak Estée Lauder op andere gronden afgedaan en heeft in zijn arrest dit punt dan ook niet behandeld. In ben het echter eens met de wijze waarop advocaat-generaal Fennelly het probleem heeft aangepakt, en onderschrijf zijn standpunt dat goederen van Monegaskische oorsprong, en ook goederen die uit een derde land in Monaco zijn ingevoerd en daar in het vrije verkeer zijn gebracht(10), in aanmerking komen voor toepassing van de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen.
Goederen van oorsprong uit een andere lidstaat
24. Indien de nationale rechter tot de bevinding komt dat het gaat om goederen van oorsprong uit een andere lidstaat, zijn de artikelen 28 EG tot en met 30 EG uiteraard van toepassing. Goederen die uit een derde land in een andere lidstaat zijn ingevoerd en daar in het vrije verkeer zijn gebracht, komen eveneens in aanmerking voor toepassing van die bepalingen.
Goederen van oorsprong uit België
25. Anders dan in de twee hierboven beschreven situaties, zijn de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen mijns inziens niet relevant wanneer het gaat om goederen van oorsprong uit België (of die uit een derde land rechtstreeks in België zijn ingevoerd en daar voor het eerst in de Europese Unie in het vrije verkeer zijn gebracht).
26. In de zaken Pistre e.a.(11) en Guimont(12) heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat prejudiciële verwijzingen in procedures waarin het ging om goederen en partijen uit een en dezelfde lidstaat ontvankelijk waren, en heeft het een uitlegging van het toenmalige artikel 30 EG-Verdrag gegeven, doch in beide zaken ging het om nationale maatregelen die, zij het potentieel, onmiskenbaar gevolgen konden hebben voor het vrije verkeer van goederen.
27. In de zaak Pistre e.a. ging het om een Franse wettelijke regeling die verbood dat op het etiket van vleeswaren de aanduidingen „montagne” of „Monts des Lacaune” werden vermeld wanneer daarvoor geen voorafgaande vergunning van de bevoegde administratieve autoriteiten was verkregen (die vergunning betrof het gebruik van aanduidingen die waren voorbehouden voor berggebieden). De verdachten in die zaak waren Franse staatsburgers aan wie verbod was opgelegd om hun vleeswaren in Frankrijk te produceren en in de handel te brengen. Het Hof oordeelde dat „de toepasselijkheid” van het toenmalige artikel 30 EG-Verdrag, „niet [kan] worden uitgesloten om de enkele reden, dat in het aan de nationale rechter voorgelegde concrete geval alle elementen binnen één enkele lidstaat gesitueerd zijn. Ook in een dergelijke situatie kan de toepassing van de nationale maatregel namelijk gevolgen hebben voor het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten, met name wanneer die maatregel de verhandeling van goederen van nationale oorsprong begunstigt ten nadele van die van ingevoerde goederen.”(13) Verder wees het Hof erop dat de omstreden maatregel een rechtstreekse discriminatie van ingevoerde goederen opleverde (omdat de aanduiding in beginsel alleen kon worden gebruikt voor in Frankrijk geproduceerde goederen), en oordeelde het dat deze maatregel niet gerechtvaardigd was.(14)
28. In de zaak Guimont verboden nationale etiketteringsbepalingen de aanduiding van een in het eigen land geproduceerde kaas als „Emmenthal”, omdat die kaas, die voor overige overeenkwam met de in die bepalingen gegeven beschrijving(15), geen korst had. De omstreden nationale maatregel was zonder onderscheid van toepassing op ingevoerde en in het eigen land geproduceerde goederen. Volgens het Hof was de verwijzing ontvankelijk omdat „[e]en antwoord op de gestelde vraag [...] nuttig voor [de nationale rechter zou] kunnen zijn, indien zijn nationaal recht in een procedure als de onderhavige voorschrijft, dat een nationale producent dezelfde rechten toekomen als een producent uit een andere lidstaat in dezelfde situatie krachtens het gemeenschapsrecht bezit”.(16) Het Hof was echter zo voorzichtig de voorgelegde vraag slechts te beantwoorden ter zake van de gevolgen van de omstreden maatregel voor ingevoerde producten en het oordeelde dat de nationale wettelijke regeling, wat dit betreft, in strijd was met het toenmalige artikel 30.(17)
29. In het onderhavige geval heeft het Hof echter te maken met een regel (cautio judicatum solvi) van burgerlijke rechtsvordering in een lidstaat. De omstreden maatregel heeft niet rechtstreeks betrekking op het in de handel brengen van goederen.(18) Het discriminerende effect ervan houdt verband met de nationaliteit van de verzoeker en niet met de oorsprong van de goederen. De regel is zonder onderscheid van toepassing op ingevoerde goederen en in het eigen land geproduceerde goederen. Gelet op de onzekerheid over de daadwerkelijke oorsprong van de goederen, is het duidelijk dat het Hof de vraag van de verwijzende rechter dient te beantwoorden, maar het is even duidelijk dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen niet van toepassing zijn indien de in het geding voor de nationale rechter aan de orde zijnde goederen van Belgische oorsprong zijn.
30. In de rest van deze conclusie zal ik ervan uitgaan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen rechtmatig in de EU op de markt zijn gebracht, maar dat de nationale rechter de oorsprong van de goederen moet bepalen vooraleer hij de zaak kan afdoen.
Toepasselijkheid van artikel 29 EG
31. De tweede voorafgaande opmerking betreft de vraag of artikel 29 EG (dat kwantitatieve uitvoerbeperkingen verbiedt) relevant is in de onderhavige zaak. Zowel de Commissie als de Belgische regering betoogt dat het Hof zijn onderzoek dient te beperken tot de artikelen 28 EG en 30 EG.
32. Eigenlijk zie ik niet in waarom artikel 29 EG niet van toepassing zou zijn indien de in geding zijnde goederen in een lidstaat in het vrije verkeer zijn en vervolgens naar een andere lidstaat zijn overgebracht of dienen te worden overgebracht. Uiteindelijk is uitvoer van lidstaat A naar lidstaat B slechts de keerzijde van invoer van lidstaat B uit lidstaat A.
33. Dit gezegd zijnde, blijkt uit de feiten van de onderhavige zaak dat de nationale rechter uitspraak dient te doen in een geding over goederen die zich in de lidstaat van de aangezochte rechter (België) bevinden. Voor zover deze goederen enige grens hebben overschreden, ging het om invoer in België en niet om uitvoer uit België. Daarom zal ik er in de rest van mijn conclusie van uitgaan dat alleen de artikelen 28 EG en 30 EG relevant zijn voor het afdoen van de nationale procedure.
Ten gronde
34. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat een nationale wettelijke regeling die een cautio judicatum solvi verlangt, binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt.(19) De rechtspraak van het Hof betrof echter steeds hoofdgedingen waarin de verzoeker de nationaliteit van een lidstaat had, en geen hoofdgedingen waarin de verzoeker de nationaliteit van een derde land had.
35. Zo betrof de zaak Data Delecta een Engelse vennootschap die in Zweden tegen een Zweedse vennootschap een vordering tot betaling van de prijs van geleverde goederen had ingesteld en van dewelke in reconventie zekerheidstelling voor de proceskosten werd gevorderd. Het Hof oordeelde: „Door ‚elke discriminatie op grond van nationaliteit’ te verbieden, eist [artikel 12 EG], dat personen die zich in een door het gemeenschapsrecht beheerste situatie bevinden en eigen onderdanen van een lidstaat volkomen gelijk worden behandeld.” Naar het oordeel van Hof leverde de Zweedse bepaling volgens welke van vreemdelingen zekerheidstelling voor de proceskosten kon worden verlangd, dus een rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit op.(20)
36. Het arrest Data Delecta en de soortgelijke arresten leren ons mijns inziens twee dingen. Ten eerste is de cautio judicatum solvi onverenigbaar met artikel 12 EG voor zover zij „in een door het gemeenschapsrecht beheerste situatie” tussen voor een nationale rechterlijke instantie verschijnende personen onderscheid op grond van nationaliteit maakt ten nadele van de vreemdeling. Ten tweede maakt een dergelijke regel inbreuk op de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden van de verzoekende partij, omdat de mogelijkheid om (indien nodig) rechten geldend te maken voor de bevoegde rechter het onmisbare uitvloeisel van die vrijheden is.(21)
37. Opgemerkt zij dat de nationale rechter niet met zoveel woorden om uitlegging van artikel 12 EG heeft verzocht. Mijns inziens is dit echter van belang voor de beslissing in de onderhavige zaak.
38. Is het, om de rechtspraak van het Hof over de cautio judicatum solvi te kunnen inroepen, voldoende dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen onder de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen vallen, of moet de verzoekende partij in dat geding ook een burger van de Europese Unie of een op grondgebied van de Unie gevestigde vennootschap zijn?
39. In zijn arrest Vatsouras heeft het Hof onlangs geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 12 EG twee voorwaarden moeten zijn vervuld: „Deze bepaling [artikel 12 EG] ziet op onder het toepassingsgebied van het gemeenschapsrecht vallende situaties waarin een staatsburger van een lidstaat enkel op grond van zijn nationaliteit discriminerend wordt behandeld ten opzichte van staatsburgers van een andere lidstaat. Zij vindt geen toepassing in het geval van een eventueel verschil in behandeling tussen staatsburgers van de lidstaten en staatsburgers van derde landen.”(22)
40. Mijns inziens dient de in de rechtspraak van het Hof over de cautio judicatum solvi gebruikte uitdrukking „personen die zich in een door het gemeenschapsrecht beheerste situatie bevinden”, te worden gelezen tegen de achtergrond van het arrest van het Hof in de zaak Vatsouras. De verzoeker in het hoofdgeding dient dus te voldoen aan twee voorwaarden: ten eerste dient hij zich in een situatie te bevinden die binnen de werkingssfeer van het EU-recht valt, en ten tweede dient hij de nationaliteit van een lidstaat te bezitten en discriminerend te zijn behandeld.
41. Aangezien Guarnieri een Monegaskische vennootschap is, zou zij zich dus niet op artikel 12 EG kunnen beroepen.
42. Strikt genomen, volstaat dit om de zaak af te doen. Voor het geval dat het Hof echter van oordeel zou zijn dat de nationaliteit van verzoekster niet relevant is voor de toepassing van artikel 12 EG en/of de zaak tegen de achtergrond van de artikelen 28 EG tot en met 30 EG wenst te onderzoeken, onderzoek ik bondig hoe de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen zouden kunnen worden toegepast.
43. Is de cautio judicatum solvi een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG?
44. Het is vaste rechtspraak sinds het arrest van het Hof in de zaak Dassonville dat „iedere handelsregeling van de lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, moet worden beschouwd als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 28 EG”.(23)
45. Artikel 851 van het Belgische Gerechtelijk Wetboek maakt onderscheid op grond van nationaliteit tussen Belgen en vreemdelingen. Het eist dat vreemdelingen zekerheid stellen voor de betaling van de kosten wanneer er geen wederkerigheidsovereenkomst bestaat tussen de staat waarvan zij de nationaliteit bezitten, en België. Het is mijns inziens echter geen maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 28 EG.
46. De cautio judicatum solvi is geen handelsregeling. Zij houdt verband met de nationaliteit van de verzoekende partij, niet met de oorsprong van de goederen, en zij heeft niet tot doel, de handel te regelen. Zij is evenmin een voorwaarde die rechtstreeks verband houdt met de levering van goederen, zoals verpakkings‑ of etiketteringsregels, die kunnen worden gebruikt om ingevoerde goederen te discrimineren en die daardoor het vrije verkeer belemmeren. Het gaat om een regel van burgerlijke rechtsvordering. Voor de toepassing ervan moeten twee voorwaarden vervuld zijn. In de eerste plaats moet er sprake zijn van een geschil dat voortvloeit uit een overeenkomst (in het onderhavige geval een overeenkomst voor de levering van goederen) en dat tot een geding voor een Belgische rechter heeft geleid. In de tweede plaats moet in dat geding de verweerder de Belgische nationaliteit hebben en zich op artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek beroepen.
47. Mijns inziens is de toepassing van artikel 851 van het Belgische Gerechtelijk Wetboek dus te onzeker en te indirect om een belemmering van het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 28 EG te vormen.(24)
48. Indien het Hof deze opvatting niet deelt en van oordeel is dat de cautio judicatum solvi een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 28 EG is, zal moeten worden onderzocht of de cautio judicatum solvi gerechtvaardigd is op een van de in artikel 30 EG genoemde gronden van algemeen belang. Aangezien de omstreden nationale bepaling ter zake van de in het geding aan de orde zijnde goederen geen onderscheid maakt tussen ingevoerde en in het eigen land vervaardigde producten, kan zij ook worden gerechtvaardigd op grond van een van de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde dwingende vereisten(25) (indien het Hof oordeelt dat een verzoeker met de nationaliteit van een derde land zich ook op artikel 12 EG kan beroepen(26), kan de omstreden bepaling – die duidelijk discrimineert op grond van nationaliteit – alleen worden gerechtvaardigd op grond van artikel 30 EG, en niet op grond van de in de rechtspraak geformuleerde dwingende vereisten).
49. Volgens België heeft artikel 851 van het Gerechtelijke Wetboek tot doel, de rechtszekerheid in de vorm van een correcte tenuitvoerlegging van de vonnissen en arresten van de Belgische hoven en rechtbanken te waarborgen. Deze bepaling beoogt te waarborgen dat vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een
staat waarmee geen wederkerigheidsovereenkomst is gesloten, zich niet onttrekken aan de betaling van de schadevergoeding en de rente waartoe zij door een Belgische rechterlijke instantie zijn veroordeeld. Het doel van deze bepaling is dus, vreemdelingen in dezelfde positie te brengen als Belgen, die uiteraard ten volle zijn onderworpen aan de tenuitvoerleggingsbevoegdheid van hun nationale rechterlijke instanties.
50. Ofschoon ik bereid ben te aanvaarden dat een regel van nationaal procesrecht betreffende het stellen van zekerheid voor betaling van de kosten in beginsel kan worden geacht het openbaar belang te dienen – hetzij uit hoofde van de rechtvaardigingsgrond betreffende de openbare orde in artikel 30 EG hetzij uit hoofde van een „dwingend vereiste” in de zin van het arrest „Cassis de Dijon” – bevatten de verwijzingsbeslissing noch de schriftelijke opmerkingen van België voldoende gegevens om het Hof in staat te stellen dit punt verder uit te diepen. Daarom ben ik van mening dat de nationale rechter dient uit te maken of de cautio judicatum solvi kan worden gerechtvaardigd. Daarbij dient hij in elk geval te onderzoeken of de cautio judicatum solvi de minst beperkende maatregel is om het gewenste doel te bereiken en of zij in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.(27)
Conclusie
51. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Rechtbank van Koophandel te Brussel te beantwoorden als volgt:
„Artikel 28 EG staat niet eraan in de weg dat van een verzoekende partij met de Monegaskische nationaliteit die in België een vordering in rechte tot betaling van de prijs van geleverde van goederen instelt, wordt geëist dat zij zekerheid stelt voor de betaling van de uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin zij zou kunnen worden verwezen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Omdat het hoofdgeding van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon dateert, verwijs ik naar de destijds toepasselijke bepalingen van het Verdrag. De bepalingen van artikel 12 EG zijn thans terug te vinden in artikel 18 VWEU; die van de artikelen 28 EG, 29 EG en 30 EG in de artikelen 34 VWEU, 35 VWEU en 36 VWEU, en die van artikel 299 EG in artikel 52 VEU en in artikel 355 VWEU. Verder mag niet uit het oog worden verloren dat vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in 1999 de bepalingen van de artikelen 28 EG, 29 EG en 30 EG, zij het in een hier en daar verschillende formulering, waren terug te vinden in de artikelen 30, 34 en 36 EG-Verdrag en dat in de oudere rechtspraak naar laatstgenoemde artikelen wordt verwezen. Het is duidelijk dat de in de oudere rechtspraak en regelgeving voorkomende verwijzingen naar de Gemeenschap als verwijzingen naar de Europese Unie van vandaag moeten worden begrepen.
3 – Zie de Overeenkomst van 16 december 1991 tot instelling van een douane-unie en samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek San Marino (PB 2002, L 84, blz. 43).
4 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), thans vervangen door artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145, blz. 1). Monaco maakt in elk geval sinds 1968 deel uit van het douanegebied van de Gemeenschap. Toen is bij artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1496/68 van de Raad van 27 september 1968 inzake de definitie van het douanegebied van de Gemeenschap (PB L 238, blz. 1) bepaald dat bepaalde buiten het grondgebied van de Gemeenschap gelegen, maar in de bijlage bij de verordening vermelde gebieden (waaronder Monaco) moeten worden beschouwd deel uit te maken van het douanegebied van de Europese Gemeenschap.
5 – In het arrest van 15 december 1976, Donckerwolcke (41/76, Jurispr. blz. 1921, punten 14‑18), is verklaard dat onder goederen „in het vrije verkeer” in de Gemeenschap wordt verstaan goederen uit derde landen die overeenkomstig het Verdrag volgens de regels in een lidstaat zijn ingevoerd. Dergelijke goederen worden definitief en volledig gelijkgesteld met goederen van oorsprong uit de lidstaten. Artikel 30 EG-Verdrag is bijgevolg zonder onderscheid van toepassing op goederen van oorsprong uit de Gemeenschap en op goederen die, ongeacht de daadwerkelijke oorsprong ervan, in een lidstaat in het vrije verkeer zijn gebracht.
6 – Conclusie van 16 september 1999 in de zaak Estée Lauder (C‑220/98, Jurispr. 2000, blz. I‑117, punten 12‑14).
7 – Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262, blz. 169).
8 – Conclusie in de zaak Estée Lauder, aangehaald in voetnoot 6 hierboven, punt 12.
9 – Conclusie in de zaak Estée Lauder, aangehaald in voetnoot 6 hierboven, punt 14.
10 – Dit volgt logisch uit het arrest Donckerwolcke, aangehaald in voetnoot 5 hierboven; deze goederen zijn per definitie volgens de regels in het douanegebied van de Gemeenschap ingevoerd en worden definitief en volledig gelijkgesteld met goederen van Monegaskische oorsprong.
11 – Arrest van 7 mei 1997 (C‑321/94–C‑324/94, Jurispr. blz. I‑2343).
12 – Arrest van 5 december 2000 (C‑448/98, Jurispr. blz. I‑10663).
13 – Arrest Pistre e.a., aangehaald in voetnoot 11 hierboven, punten 44 en 45.
14 – Arrest Pistre e.a., aangehaald in voetnoot 11 hierboven, punten 49‑54.
15 – In de relevante wettelijke regeling werd Emmenthal-kaas als volgt beschreven: „Harde kaas, gekookt, geperst en gezouten aan de oppervlakte of in een zoutoplossing; ivoorkleurig of lichtgeel, met gaten waarvan de afmetingen variëren van de grootte van een kers tot de grootte van een noot; goudkleurige tot lichtbruine harde en droge korst.”
16 – Arrest Guimont, aangehaald in voetnoot 12 hierboven, punt 23.
17 – Arrest Guimont, aangehaald in voetnoot 12 hierboven, punten 25‑35.
18 – Ik zal hier nader op ingaan bij mijn onderzoek of de omstreden regel een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is; zie punten 43 .e.v.
19 – Arresten van 1 juli 1993, Hubbard (C‑20/92, Jurispr. blz. I‑3777) (verrichten van diensten); 26 september 1996, Data Delecta (C‑43/95, Jurispr. blz. I‑4661) (levering van goederen); 20 maart 1997, Hayes (C‑323/95, Jurispr. blz. I‑1711) (levering van goederen), en 2 oktober 1997, Saldanha en MTS Securities Corporation (C‑122/96, Jurispr. blz. I‑5325) (vennootschapsrecht – bescherming van belangen van aandeelhouders).
20 – Arrest Data Delecta, aangehaald in voetnoot 19 hierboven, punt 16.
21 – Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal La Pergola in de zaak Hayes (aangehaald in voetnoot 19 hierboven, punten 7‑9).
22 – Arrest van 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze (C‑22/08 en C‑23/08, Jurispr. blz. I‑4585, punten 51 en 52).
23 – Arrest van 1 juli 1974, Dassonville (8/74, Jurispr. blz. 837, blz. 5). Voor voorbeelden van zaken waarin het Hof heeft geoordeeld dat administratieve formaliteiten maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 28 EG zijn: zie arresten van 17 juni 1987, Commissie/Italië (C‑154/85, Jurispr. blz. 2717, punten 8‑12) (betreffende eisen voor de parallelinvoer van motorvoertuigen), en 15 maart 2007, Commissie/Finland (C‑54/05, Jurispr. blz. I‑2473, punten 38‑39) (betreffende een uitsluitend voor ingevoerde motorvoertuigen geldend stelsel van overbrengingsvergunningen).
24 – Zie, in dezelfde zin, arresten van 7 maart 1990, Kranz (C‑69/88, Jurispr. blz. I‑583, punten 11 en 12); 24 januari 1991, Alsthom Atlantique (C‑339/89, Jurispr. blz. I‑107, punten 14 en 15); 13 oktober 1993, CMC Motorradcenter (C‑93/92, Jurispr. blz. I‑5009, punten 10‑13), en 22 juni 1999, Italo Fenocchio (C‑412/97, Jurispr. blz. I‑3845, punten 11 en 12).
25 – Arrest van 20 februari 1979, Rewe-Zentral „Cassis de Dijon” (120/78, Jurispr. blz. 649, punt 8).
26 – Zie punt 42 hierboven.
27 – Zie bijvoorbeeld arrest Commissie/Finland, aangehaald in voetnoot 23 hierboven, punt 38.
Full & Egal Universal Law Academy