CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 10 maart 2011 (1)
Zaak C‑396/09
Interedil Srl, in liquidatie
tegen
Fallimento Interedil Srl,
Intesa Gestione Crediti SpA
[verzoek van het Tribunale di Bari (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Verzoek om prejudiciële beslissing – Verordening (EG) nr. 1346/2000 – Insolventieprocedures – Internationale bevoegdheid – Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 – Centrum van voornaamste belangen van schuldenaar – Vermoeden ten gunste van plaats van statutaire zetel – Verplaatsing van zetel naar andere lidstaat – Artikel 3, lid 2, en artikel 2, sub h, van verordening nr. 1346/2000 – Begrip ‚vestiging’– Bevoegdheid van lagere rechter om zich tot het Hof van Justitie te wenden”
I – Inleiding
1. Artikel 3 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures(2) (hierna: „insolventieverordening”) wijst de lidstaten aan van wie de rechterlijke instanties bij grensoverschrijdende interne marktsituaties bevoegd zijn tot opening van de insolventieprocedure.(3) De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid het begrip „centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar” nader te preciseren.
2. In de onderhavige zaak heeft een Italiaanse vennootschap haar statutaire zetel van Italië naar het Verenigd Koninkrijk overgebracht. Meer dan een jaar na de liquidatie en de doorhaling van de vennootschap in het Britse handelsregister stelde een schuldeiser in Italië een vordering in tot opening van de insolventieprocedure. De verwijzende rechter twijfelt of hij zich in de aan hem voorgelegde zaak wel internationaal bevoegd mag beschouwen.
II – Rechtskader
A – Unierecht
3. In artikel 2 van de insolventieverordening wordt het begrip „vestiging” als volgt gedefinieerd:
„Voor het doel van deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
h) ‚vestiging’: elke plaats van handeling waar de schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit uitoefent die niet van tijdelijke aard is.”
4. Artikel 3 van de insolventieverordening gaat over de internationale bevoegdheid en bepaalt:
„1. De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.
2. Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.
[...]”
5. Punt 13 van de considerans van de insolventieverordening luidt als volgt:
„Het ‚centrum van de voornaamste belangen’ dient overeen te komen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is.”
B – Nationaal recht
6. De verwijzende rechter vermeldt dat volgens artikel 382 van de Italiaanse Codice di procedura civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) en de vaste rechtspraak ter zake de interlocutoire beslissing van de Corte di cassazione over de rechterlijke bevoegdheid definitief en bindend is voor de lagere rechter die in de zaak moet beslissen.
III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
7. Uit de verwijzingsbeslissing komen de volgende feiten naar voren.
8. Interedil Srl werd in Italië opgericht met als zetel Monopoli. Op 18 juli 2001 verplaatste zij haar statutaire zetel naar Londen. Zij werd in het register van de Engelse kamer van koophandel(4) ingeschreven met de aantekening „FC” (Foreign Company). Eveneens op 18 juli 2001 werd haar inschrijving in het Italiaanse handelsregister(5) doorgehaald(6).
9. Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft Interedil naar eigen zeggen tegelijk met de overbrenging van haar zetel, dat wil zeggen op 18 juli 2001, in Londen vennootschapshandelingen verricht in het kader waarvan het Britse Canopus concern Interedil Srl heeft verworven en er onderhandelingen zijn gevoerd en overeenkomsten zijn gesloten over de verkoop van het bedrijf. Bovendien zijn enige maanden later de in Taranto (Italië) gelegen onroerende goederen aan Windowmist Ltd overgedragen als onderdelen van het overgedragen bedrijf.
10. Luidens de verwijzingsbeslissing werd Interedil op 22 juli 2002 „gesloten”(7) en uit het handelsregister in het Verenigd Koninkrijk „geschrapt”.
11. In oktober 2003 verzocht Intesa Gestione Crediti Spa het Tribunale di Bari, een insolventieprocedure te openen met betrekking tot het vermogen van Interedil.
12. Interedil Srl, in liquidatie (hierna: „Interedil”), betwistte de bevoegdheid van deze Italiaanse rechter en diende in december 2003 een verzoek in om een prejudiciële beslissing van de Italiaanse Corte di cassazione over de bevoegdheidsvraag. Daar de statutaire zetel van de onderneming van Italië naar het Verenigd Koninkrijk was overgebracht, zou de Italiaanse rechter niet meer bevoegd zijn om een insolventieprocedure te openen.
13. Daar het de exceptie van onbevoegdheid van de Italiaanse rechter kennelijk ongegrond achtte en bewezen achtte dat de onderneming niet in staat was haar schulden te betalen, opende het Tribunale di Bari in mei 2004 de insolventieprocedure over het vermogen van „Interedil srl, in liquidatie, thans gevestigd te Londen, Chelsea Chambers 262 Fulham Road” zonder de uitkomst af te wachten van de procedure voor de Corte di cassazione over de bevoegdheidsvraag.
14. Tegen deze openingsbeschikking diende Interedil op 18 juni 2004 een bezwaarschrift in.
15. Bij beslissing nr. 10606/2005 van 20 mei 2005 verklaarde de Corte di cassazione de Italiaanse gerechten bevoegd. Volgens de Corte di cassazione volstonden de volgende omstandigheden voor de weerlegging van het rechtsvermoeden van artikel 3, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 1346/2000, dat het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar overeenkomt met de plaats van zijn statutaire zetel: de aanwezigheid in Italië van aan Interedil toebehorende onroerende goederen; een huurcontract voor twee hotelcomplexen; een overeenkomst met een financiële instelling, en het feit dat was nagelaten om het handelsregister van Bari op de hoogte te stellen van de overbrenging van de statutaire zetel naar Londen.
16. In het licht van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Eurofood(8) betwijfelt het Tribunale di Bari of deze beoordeling van de Corte di cassazione wel juist is. Het heeft daarom besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Moet het begrip ‚centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar’ in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 worden uitgelegd overeenkomstig de communautaire regeling of overeenkomstig de nationale regeling, en, indien het eerste het geval is, wat houdt dit begrip dan in en welke factoren of elementen zijn beslissend voor het bepalen van het ‚centrum van de voornaamste belangen’?
2) Kan het vermoeden van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000, dat ‚bij vennootschappen, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen wordt vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn’, worden weerlegd door de constatering dat een reële ondernemingsactiviteit wordt verricht in een andere staat dan die waar de statutaire zetel van de vennootschap zich bevindt, of is voor de weerlegging van dit vermoeden noodzakelijk dat wordt aangetoond dat de vennootschap in de staat waar haar statutaire zetel zich bevindt geen ondernemingsactiviteiten heeft verricht?
3) Zijn het feit dat de vennootschap in een andere lidstaat dan die waar haar statutaire zetel zich bevindt, onroerend goed bezit, het feit dat zij daar met een andere vennootschap een huurovereenkomst voor twee hotelcomplexen heeft gesloten, en het feit dat zij daar een overeenkomst heeft gesloten met een financiële instelling, elementen of factoren die het vermoeden van artikel 3 van verordening nr. 1346/2000 ten gunste van de ‚statutaire zetel’ van de vennootschap kunnen weerleggen, en zijn deze omstandigheden voldoende om aan te nemen dat er in die staat sprake is van een ‚vestiging’ van de vennootschap in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1346/2000?
4) Indien beslissing nr. 10606/2005 van de Corte di cassazione inzake de rechterlijke bevoegdheid berust op een andere uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 1346/2000 dan die van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, staat dan artikel 382 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, op grond waarvan de uitspraak van de Corte di cassazione over de rechterlijke bevoegdheid onherroepelijk en bindend is, in de weg aan de toepassing van die communautaire bepaling zoals uitgelegd door het Hof van Justitie?”
IV – Juridische beoordeling
A – Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
17. Voordat op de prejudiciële vragen wordt ingegaan, moet in eerste instantie duidelijkheid worden verkregen over de vraag of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
1. Beperkte verwijzingsbevoegdheid van de rechters op grond van artikel 68 EG
18. Het Tribunale di Bari heeft zijn vragen aan het Hof voorgelegd bij een op 13 oktober 2009 bij het Hof ingekomen beschikking van 6 juli 2009. Op dat moment was het Verdrag van Lissabon nog niet in werking getreden.
19. De insolventieverordening is vastgesteld op grond van de artikelen 61, sub c, EG en 67, lid 1, EG. Het gaat hier dus om een handeling met betrekking waartoe, ingevolge artikel 68 EG, rechters in lagere instanties niet bevoegd waren prejudiciële vragen te stellen. Zoals de Commissie uiteenzet, staan er tegen beslissingen van de verwijzende rechter in beginsel nationale rechtsmiddelen(9) open. Op grond van artikel 68 EG was de verwijzende rechter dus niet verwijzingsbevoegd.
20. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is artikel 68 EG echter komen te vervallen, zodat deze beperking van de verwijzingsbevoegdheid op dit moment niet meer bestaat(10). Zoals het Hof in zijn arrest Weryński overwoog, moet de verwijzingsbevoegdheid in een dergelijk geval worden beoordeeld naar de rechtstoestand ten tijde van de uitspraak van het Hof op het verzoek om een prejudiciële beslissing en niet naar de toestand ten tijde van de indiening van dat verzoek.(11) Het Hof is dientengevolge sinds 1 december 2009 bevoegd uitspraak te doen op prejudiciële verzoeken van gerechten waarvan de uitspraken met rechtsmiddelen van nationaal recht kunnen worden aangevochten, ook in gevallen waarin het verzoek hiertoe vóór dat tijdstip is ingediend.(12) Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dus niet niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van verwijzingsbevoegdheid.
2. Niet-ontvankelijkheid vanwege het niet bestaan van de vennootschap
21. Tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof beklemtoonde Interedil (in liquidatie) dat de prejudiciële vragen hypothetisch en daarom niet-ontvankelijk zijn, daar Interedil sinds haar schrapping uit het register van de Engelse kamer van koophandel niet meer bestaat en de aan het Hof voorgelegde vragen daardoor hypothetisch van aard zijn geworden. Ook de Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen op dit probleem gewezen.
22. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer de door hem gevraagde uitlegging van het Unierecht duidelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die voor een nuttig antwoord op de gestelde vragen noodzakelijk zijn.(13)
23. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet op duidelijke wijze dat de vragen geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding. Zelfs indien Interedil rechtens niet meer bestaat, is het niet uitgesloten dat het Italiaanse recht voor dergelijke gevallen voorziet in mogelijkheden tot voldoening van de crediteuren in de vorm van een liquidatie achteraf, en dat de nationale rechter om die reden een insolventieprocedure wil openen.
3. Bezwaren van verweersters in het hoofdgeding tegen de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing en beantwoording van de vierde prejudiciële vraag
24. Volgens verweersters in het hoofdgeding zijn er nog drie redenen waarom het verzoek om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk is. Zij wijzen op de beslissing van de Corte di cassazione, die in een interlocutoire procedure reeds bindend heeft vastgesteld dat de Italiaanse rechter in de insolventieprocedure de bevoegde rechter is. Deze beslissing is in kracht van gewijsde gegaan. Daarom is er geen procedure meer aanhangig in de zin van artikel 267 VWEU.
25. Verder uiten verweersters in het hoofdgeding kritiek op de formulering van de prejudiciële vragen. In de eerste en de vierde vraag valt geen conflict te bekennen tussen de unierechtelijke bepalingen en de toepassing daarvan door de nationale rechter. En de tweede en de derde vraag verzoeken het Hof om de gemeenschapsrechtelijke bepalingen op het concrete geval toe te passen, aldus verweersters.
26. Met zijn eerste drie vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe het begrip centrum van de voornaamste belangen in artikel 3 van de insolventieverordening moet worden uitgelegd. Dit is een geoorloofd voorwerp van een verzoek om een prejudiciële beslissing.
27. Daarom behoeft hierna slechts te worden ingegaan op de eerste twee ontvankelijkheidsbezwaren van verweersters in het hoofdgeding, waarin de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de Corte di cassazione centraal staat.
28. In deze context ligt het ook voor de hand om nader op de vierde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter in te gaan. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of hij ook dan gebonden is aan de, naar nationaal recht bindende, uitspraak van de Corte di cassazione dat de Italiaanse rechter internationaal bevoegd is, wanneer die uitspraak onverenigbaar mocht blijken te zijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Indien dit het geval is, zijn de overige vragen voor het hoofdgeding irrelevant en daarmee niet-ontvankelijk.
29. Volgens artikel 382 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering is een lagere rechter gebonden aan de uitspraak over de bevoegdheid die de Corte di cassazione in het kader van een interlocutoire procedure heeft gedaan.
30. Het Hof heeft reeds eerder uitgemaakt, dat een nationale procedurebepaling volgens welke een rechter die na verwijzing door een hogerberoepsrechter op de zaak moet beslissen, aan het rechtsoordeel van de hogere rechter is gebonden, geen afbreuk kan doen aan het recht van de lagere rechter om zich met een verzoek om een prejudiciële beslissing tot het Hof te wenden indien hij twijfels heeft over de uitlegging van het recht van de Unie.(14)
31. In casu moet hetzelfde gelden nu het hier gaat om een nationaal procedurevoorschrift betreffende de bindende werking van beslissingen van hogere rechters in het kader van een interlocutoire procedure over de internationale bevoegdheid.
32. En ten slotte is een nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid bepalingen van het recht van de Unie moet toepassen, volgens vaste rechtspraak verplicht zorg te dragen voor de volle werking van deze normen, daarbij zo nodig elke strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing latende, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten.(15) Hieronder kan ook een procedurele bepaling als de onderhavige vallen, waaruit de bindende werking van de uitspraak van de hogere rechter naar voren komt.(16)
33. De beslissing van het Hof is dus nog steeds bij uitsluiting bepalend voor de uitlegging van het recht van de Unie, waarbij het geen rol speelt of een nationale rechter van de hoogste orde zich reeds in het kader van een interlocutoire procedure met de uitlegging van het recht van de Unie heeft beziggehouden.
4. Tussenconclusie
34. Als tussenconclusie moet daarom worden vastgesteld, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
35. De vierde prejudiciële vraag moet daarom worden beantwoord als volgt:
Het is niet verenigbaar met het recht van de Unie dat een nationale rechter, die na een bindende interlocutoire beslissing van een hogere rechter over de rechterlijke bevoegdheid uitspraak moet doen in een zaak, naar nationaal procesrecht is gebonden aan het rechtsoordeel van die hogere rechter, indien hij, gelet op de uitlegging die hij het Hof heeft gevraagd, meent dat bedoeld rechtsoordeel in strijd is met het recht van de Unie.
B – Prejudiciële vragen
36. De eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag gaan over de uitlegging van het begrip „centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar” in artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening; zij kunnen daarom tezamen worden behandeld (hierna onder 1). De derde vraag gaat daarenboven over de precisering van het begrip „vestiging” als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de insolventieverordening (hierna onder 2).
1. Begrip „centrum van de voornaamste belangen” in artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening
37. Artikel 3, lid 1, regelt de internationale bevoegdheid tot opening van een insolventieprocedure. Volgens die bepaling zijn de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, bevoegd de insolventieprocedure te openen.
a) Autonome begripsbepaling
38. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter vooraf te vernemen of het begrip „centrum van de voornaamste belangen” voor de verordening autonoom moet worden bepaald of aan de hand van het nationale recht.
39. Volgens vaste rechtspraak brengen de eisen van uniforme toepassing van het recht van de Unie en van het gelijkheidsbeginsel mee, dat begrippen uit een bepaling van het recht van de Unie die voor het vinden van hun betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijzen, normaliter in de gehele Europese Unie een autonome en uniforme uitlegging moeten krijgen die met inachtneming van de context van de bepaling en van het met de regeling nagestreefde doel moet worden gevonden.(17)
40. Op grond hiervan heeft het Hof ook reeds in zijn arrest in de zaak Eurofood IFSC met betrekking tot artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening vastgesteld, dat het begrip centrum van de voornaamste belangen eigen is aan de verordening. Bijgevolg heeft het een autonome betekenis en moet het dus eenvormig en los van bepalingen van nationaal recht worden uitgelegd.(18)
b) Bepaling van het centrum van de voornaamste belangen
41. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.
42. De verwijzende rechter vraagt om uitlegging van het begrip centrum van de voornaamste belangen en naar de criteria voor de weerlegging van het in artikel 3, lid 1, tweede volzin, neergelegde vermoeden.
i) Beslissend tijdstip
43. De onderhavige casus wordt door twee bijzonderheden gekenmerkt. In de eerste plaats was de betrokken vennootschap, volgens de verwijzingsbeslissing, ten tijde van de faillissementsaanvraag reeds meer dan een jaar „gesloten” en „geschrapt” uit het handelsregister van het Verenigd Koninkrijk. En ten tweede had de vennootschap vóór de afwikkelingsfase haar statutaire zetel van Italië naar het Verenigd Koninkrijk overgebracht. Allereerst moet daarom worden ingegaan op de vraag wat voor invloed een zetelverplaatsing heeft op de bepaling van de bevoegdheid. In tweede instantie moet dan worden onderzocht welk moment voor de vaststelling van het bevoegde insolventieforum bepalend is wanneer de vennootschap reeds geruime tijd vóór de indiening van de faillissementsaanvraag uit het handelsregister was geschrapt.
44. De verordening bevat geen expliciete regeling inzake de zetelverplaatsing. Daarom moet volgens de algemene regeling van artikel 3 de laatste statutaire zetel worden aangehouden, tenzij het vermoeden van artikel 3, lid 1, wordt weerlegd door het bewijs dat het centrum van de voornaamste belangen niet de zetelverplaatsing is gevolgd maar in de staat van vertrek is gebleven.
45. Deze gevolgen van een verplaatsing van de zetel voor de bepaling van de bevoegde insolventierechter kunnen eventueel leiden tot nadelen voor crediteuren die rechtsbetrekkingen met de debiteur zijn aangegaan in de staat van vertrek. Want op het tijdstip dat de crediteuren hun rechtsbetrekkingen met de debiteur aangingen, gingen zij uit van een plaats voor de afwikkeling van een potentiële insolventieprocedure die na de verplaatsing van de zetel niet meer juist blijkt te zijn. Voor zover in het kader van de bepaling van de bevoegde rechter rekening wordt gehouden met een zetelverplaatsing, worden de crediteuren uit de staat van vertrek dus in hun verwachtingen teleurgesteld.
46. De bepalingen van de insolventieverordening betreffende de internationale bevoegdheid hebben weliswaar juist ten doel potentiële crediteuren ondubbelzinnig in staat te stellen vooraf te verifiëren welk wettelijk stelsel een insolventie regelt die hun belangen kan raken.(19) De internationale bevoegdheid, die overigens volgens artikel 4, lid 1, ook leidt tot de toepassing van het materiële insolventierecht van de betrokken staat, knoopt aan bij de plaats die de potentiële crediteuren van de debiteur kennen, zodat de juridische risico’s in geval van insolventie kunnen worden ingecalculeerd.(20)
47. Dat in geval van zetelwisseling de internationale bevoegdheid voor een insolventieprocedure desondanks ook achteraf kan verschuiven, wordt door de opsteller van de verordening echter bewust op de koop toe genomen. Anders dan het ontwerp van een EG-faillissementsverdrag van 1980(21) bevat de verordening namelijk geen specifieke regeling voor zetelverplaatsingen, op grond waarvan gedurende een overgangstijd na de verplaatsing van de zetel, ook de gerechten van de staat van vertrek nog bevoegd blijven.
48. Daar zij integendeel enkel uitgaat van het centrum van de voornaamste belangen, en de effectieve verplaatsing daarvan daardoor ook tot een wisseling van de internationale bevoegdheid voor insolventieprocedures leidt, houdt zij veeleer consequent rekening met de fundamentele vrijheid van vestiging, die door een restrictievere regeling op zijn minst indirect zou worden aangetast. Principieel kan dan ook niet worden verlangd, dat de nieuwe zetel een bepaalde tijd vóór de indiening van de faillissementsaanvraag moet hebben bestaan. Of in uitzonderingsgevallen – direct verband in de tijd tussen zetelverplaatsing en faillissementsaanvraag – iets anders dient te gelden, hoeft hier niet te worden onderzocht daar er tussen de zetelverplaatsing en de faillissementsaanvraag meer dan een jaar lag.
49. Hierna moet nog worden nagegaan welk tijdstip bepalend is, wanneer een vennootschap op het moment van de faillissementsaanvraag reeds uit het handelsregister was geschrapt.
50. Het Hof heeft in verband met een zetelverplaatsing die plaatsvond nadat de faillissementsaanvraag was ingediend maar nog voordat er een beslissing over de opening was genomen, beslist dat de staat van vertrek bevoegd blijft om over de opening van de insolventieprocedure te beslissen.(22) Beslissend voor de beoordeling van het centrum van de voornaamste belangen is in die redenering in beginsel het moment waarop de faillissementsaanvraag wordt ingediend.
51. Bij een situatie als de onderhavige, waarin de vennootschap ten tijde van de indiening van de faillissementsaanvraag reeds enige tijd was geliquideerd en uit het register was geschrapt, doet zich echter, indien men van het tijdstip van de indiening van de aanvraag uitgaat, prima facie het probleem voor, dat de vennootschap ten tijde van de indiening van de aanvraag helemaal geen belangen meer heeft in de zin van artikel 3, lid 1, van de verordening, daar zij niet meer bestaat.
52. Dit probleem kan worden opgelost door in een dergelijk geval alleen nog maar uit te gaan van de statutaire zetel en weerlegging van het vermoeden niet meer toe te staan, want vennootschappen behouden hun statutaire zetel ook nog na hun liquidatie. Bij geliquideerde vennootschappen zou dan zonder uitzondering de lidstaat van de statutaire zetel voor de insolventieprocedure bevoegd zijn.
53. Deze opzichzelfstaande beschouwing kan mij echter uiteindelijk toch niet overtuigen. Weliswaar valt hiervoor te zeggen, dat zelfs in het geval van een uit het register geschrapte, opgeheven vennootschap de statutaire zetel eenvoudig is vast te stellen en de aanknoping daaraan dus rechtszekerheid garandeert. Ertegen pleit echter dat een van de consequenties daarvan is, dat zelfs in gevallen waarin het centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap vóór haar opheffing op geen enkel tijdstip ter plaatse van haar statutaire zetel was gesitueerd, die zetel desondanks bepalend zou worden voor de bevoegdheid. Dit moet echter worden afgewezen, daar de verordening met het begrip centrum van de voornaamste belangen wenst aan te knopen aan de plaats waarmee de vennootschap objectief en voor haar schudeisers herkenbaar de nauwste betrekkingen onderhoudt. Wanneer bijvoorbeeld de statutaire zetel van de actieve vennootschap niet meer blijkt te zijn dan een brievenbus en het centrum van de voornaamste belangen dus altijd elders heeft gelegen, is het niet juist om na de opheffing van de vennootschap desondanks aan te knopen aan haar statutaire zetel.
54. Ook bij een opgeheven vennootschap kan bijgevolg het vermoeden van artikel 3, lid 1, worden weerlegd, wanneer wordt bewezen dat het centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap vóór haar opheffing niet in de staat van haar statutaire zetel lag. Beslissend is dan de plaats van het laatste centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap vóór haar sluiting. Van welk tijdsbestek daarbij moet worden uitgegaan, moet worden vastgesteld aan de hand van een evaluerende, integrale beschouwing vanuit crediteursperspectief.
ii) Uitlegging van het begrip „centrum van de voornaamste belangen”
55. Hierna moet worden onderzocht welke criteria bepalend zijn voor het centrum van de voornaamste belangen van de debiteur in de zin van artikel 3, lid 1, van de insolventieverordening.
56. Helaas bevat artikel 2 van de verordening, dat de voornaamste begrippen van de verordening definieert, geen definitie van centrum van de voornaamste belangen. De Commissie voor vrijheden en rechten van de burgers, justitie en interne aangelegenheden bekritiseerde dit reeds terecht tijdens de wetgevingsprocedure.(23) Enkel punt 13 van de considerans van de verordening verklaart dat het centrum van de voornaamste belangen „overeen dient te komen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is”.
57. Uitgaande van punt 13 van de considerans achtte het Hof in de zaak Eurofood beslissend, „dat het centrum van de voornaamste belangen moet worden geïdentificeerd aan de hand van criteria die zowel objectief als voor derden verifieerbaar zijn. Deze objectiviteit en deze verifieerbaarheid voor derden zijn noodzakelijk om de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid van de bepaling van de voor de opening van een hoofdinsolventieprocedure bevoegde rechter te garanderen.”(24) Het Hof beklemtoonde het belang van deze rechtszekerheid en deze voorspelbaarheid tegen de achtergrond van het feit dat de bepaling van de bevoegde lidstaat op grond van artikel 4, lid 1, van de verordening tevens het toepasselijke recht bepaalt.
58. Het in artikel 3 voor de statutaire zetel neergelegde vermoeden laat zich daarom enkel ontkrachten wanneer objectieve en voor derden verifieerbare gegevens aantonen dat de situatie in werkelijkheid niet overeenkomt met die welke de verplaatsing van de statutaire zetel wordt geacht te weerspiegelen.(25) Als mogelijk voorbeeld voor een weerlegging van het vermoeden noemt het Hof het geval van een „brievenbusmaatschappij” die geen enkele activiteit uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waar haar statutaire zetel is gevestigd.(26)
59. In haar beslissing in de interlocutoire procedure wijst de Corte di cassazione erop, dat Interedil na haar statutaire zetelverplaatsing in het Verenigd Koninkrijk geen enkele activiteit heeft uitgeoefend, er geen zaken heeft gedaan en daar zelfs geen afwikkelingshandelingen heeft verricht en dat het centrum van het bestuur en de organisatie de facto dus helemaal niet naar Londen is overgebracht.
60. In het geval van een vennootschap die in de staat van de statutaire zetel geen zaken doet en geen bestuurlijke werkzaamheden uitoefent, kan het vermoeden van artikel 3 van de verordening inderdaad weerlegd zijn.
61. De tweede prejudiciële vraag impliceert echter, dat de verwijzende rechter er niet van uitgaat dat Interedil in Londen, de plaats waar zich haar nieuwe statutaire zetel bevindt, geen enkele activiteit heeft ontplooid. Anders dan in het geval van een zuivere brievenbusmaatschappij, dat in het arrest Eurofood wordt genoemd als mogelijk voorbeeld voor de weerlegging van het vermoeden, rijst hier daarom vervolgens de vraag hoe nu het centrum van de voornaamste belangen nader moet worden bepaald.
62. Een blik op de ontstaansgeschiedenis van de verordening helpt ons wat dit betreft niet bijzonder veel verder. Want daarbij stelt men vast dat de concrete terminologie reeds tijdens het wetgevingsproces omstreden was. Uitgangspunt vormde een initiatief van Duitsland en Finland, dat teruggreep op de tekst van het, niet in werking getreden, Verdrag van de Europese Unie betreffende insolventieprocedures.(27) Dit voorstel bevatte in punt 13 van zijn considerans nog een uitvoeriger definitie van het begrip centrum van de voornaamste belangen. Deze luidde als volgt: „[O]nder het centrum van de voornaamste belangen wordt verstaan de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk de nauwste betrekkingen onderhoudt, waar zijn zakelijke betrekkingen in hoofdzaak geconcentreerd zijn en waar vooral het zwaartepunt van zijn vermogen gesitueerd is; ook de schuldeisers kennen die plaats het beste.” De Luxemburgse delegatie voerde hiertegen als bezwaar aan, dat daarmee het zwaartepunt van het vermogen centraal kwam te staan en niet, wat haar voorkeur had, de activiteiten van de debiteur of het beheer van zijn vermogen.(28)
63. Nadat ook een gewijzigd ontwerp(29) van het secretariaat-generaal van de Raad op kritiek was gestuit(30), besloot de wetgever, de eerste volzin van punt 75 van het rapport bij het Verdrag betreffende insolventieprocedures in te lassen als punt 13 van de considerans(31), waarmee hij de plaats van het beheer van de belangen centraal stelde.
64. Bij al deze vaagheid over de begrippen achtte het Hof in zijn arrest Eurofood IFSC terecht het perspectief van de crediteur doorslaggevend.(32) Het knoopte daarbij aan bij de tekst van punt 13 van de considerans, die van herkenbaarheid voor derden spreekt. De potentiële crediteuren moeten vooraf kunnen weten welke lidstaat onder de gegeven omstandigheden voor een insolventieprocedure bevoegd is, en daarmee tevens welk recht toepasselijk zal zijn.
65. Voor de vaststelling van het centrum van de voornaamste belangen moet daarom een evaluerende integrale beoordeling vanuit het perspectief van de schuldeiser plaatsvinden. Daarbij moet, zoals advocaat-generaal Jacobs reeds in zijn conclusie in de zaak Eurofood IFSC opmerkte, elk geval op zijn eigen merites worden beoordeeld.(33)
66. Voor een algemeen geldige geïsoleerde beschouwing van afzonderlijke factoren is daarom bij voorbaat geen plaats. Noch de plaats waar de debiteur onroerende goederen bezit, noch de plaats van huurobjecten waarvoor hij met een andere vennootschap huurovereenkomsten heeft gesloten, en ook niet het bestaan van een overeenkomst van de insolvente vennootschap met een in een bepaalde lidstaat gelegen financiële instelling zijn op zich factoren op grond waarvan het centrum van de voornaamste belangen definitief kan worden vastgesteld.
67. Zoals de ontstaansgeschiedenis duidelijk heeft gemaakt, heeft de wetgever overigens bij de definitie van het centrum van de voornaamste belangen niet willen aanknopen bij het zwaartepunt van het vermogen. Aanknoping aan de plaats waar het essentiële vennootschapsvermogen zich bevindt, komt dus niet aan de orde. Dit is ook daarom overtuigend omdat het voor derden vaak niet eenvoudig is om uit te maken waar het zwaartepunt van het vermogen van een debiteur gelegen is, vooral niet wanneer dit over een aantal lidstaten is verdeeld.
68. Bij de vereiste integrale beschouwing moet veeleer, uitgaande van het weerlegbare vermoeden van artikel 3, lid 1, en de tekst van punt 13 van de considerans, die het beheer over de belangen van de debiteur centraal stelt, altijd de vraag worden betrokken welke activiteiten de vennootschap voor derden objectief herkenbaar op de plaats van haar statutaire zetel ontplooit.
69. Wanneer het hoofdbestuur van een vennootschap zich op de plaats van haar statutaire zetel bevindt, dat wil zeggen dat haar leiding zich daar bevindt en van daaruit het wel en wee van de vennootschap stuurt en als zodanig herkenbaar naar buiten optreedt, is het op grond van de systematiek van de verordening voor de bepaling van de bevoegdheid niet van belang waar de belangrijkste vermogensbestanddelen of installaties van de vennootschap zich bevinden. Reeds aan het vermoeden van artikel 3, lid 1, met daarin de verwijzing naar de statutaire zetel, ligt de bedoeling ten grondslag de plaats van het daar normaliter aanwezige hoofdbestuur van de vennootschap als, ook voor derden herkenbaar, aanknopingspunt te kiezen. Het rapport bij het verdrag, waaruit de formulering van punt 13 van de considerans afkomstig is, gaat ervan uit dat de statutaire zetel gewoonlijk overeen zal komen met het hoofdkantoor van de debiteur.(34) Wanneer het hoofdbestuur zich ook inderdaad op de plaats van de statutaire zetel bevindt, is er al meteen geen ruimte meer voor een elders gelegen centrum van de voornaamste belangen.
70. Weerlegging van het vermoeden van artikel 3, lid 1, door ook rekening te houden met de locatie van het vermogen van de vennootschap, van haar bedrijfsinstallaties of van haar zakelijke activiteiten, komt daarom pas aan de orde wanneer de plaats van het hoofdbestuur zich, vanuit het perspectief van de crediteur bezien, niet op de plaats van de statutaire zetel bevindt. In dat geval zijn er eventueel, wederom vanuit het standpunt van de crediteur bekeken, nadere objectieve factoren nodig om over de bevoegdheid voor de insolventieprocedure te kunnen beslissen. Hiervoor moet een integrale evaluatie van het concrete geval worden verricht.
71. In casu lijkt de debiteur na verplaatsing van zijn zetel uitsluitend afwikkelingshandelingen te hebben verricht. Ook rechtshandelingen en andere handelingen die in het kader van de liquidatie van een vennootschap worden verricht, zijn in beginsel relevant voor de bepaling van het centrum van de voornaamste belangen van een vennootschap. En tenslotte valt ook het recht van een vennootschap om zich naar een andere lidstaat te verplaatsen met het oog op liquidatie aldaar, onder de fundamentele vrijheden van het recht van de Unie. Voor zover bijgevolg deze liquidatie op een naar buiten toe herkenbare wijze vanuit de nieuwe statutaire zetel werd geregeld, zou het beheer van de voornaamste belangen van de vennootschap in de relevante periode vóór haar opheffing op de plaats van haar statutaire zetel hebben plaatsgevonden. Voor weerlegging van het vermoeden van artikel 3, lid 1, is bijgevolg geen plaats.
72. In de context van het onderhavige geval hoeft niet te worden ingegaan op het probleem van een verplaatsing van het centrum van de voornaamste belangen om de insolventie‑ of aansprakelijkheidsrechtelijke bepaling van de staat van herkomst te omzeilen of om de boedel aan de greep van de crediteuren te onttrekken. Het probleem van potentieel misbruik van recht door de verplaatsing werpt interessante vragen op in het spanningsveld tussen de fundamentele vrijheden van de debiteurs enerzijds en de bescherming van de crediteurs en de in de punt 4 van de considerans van de verordening genoemde vermijding van forumshopping anderzijds.(35) Daar de verwijzende rechter echter geen vraag in deze richting heeft gesteld en uit de weergave van de feiten onvoldoende aanknopingspunten kunnen worden afgeleid voor misbruik van recht, is de onderhavige zaak niet geschikt voor een definitieve behandeling van die vragen.
73. Omdat de verwijzende rechter daar niet om heeft gevraagd, behoeft evenmin te worden ingegaan op een aspect dat naar voren komt uit de lezing van de beslissing van de Corte di cassazione in de interlocutoire procedure binnen het hoofdgeding. Daarin wordt erop gewezen dat het Italiaanse register niet van de verplaatsing van de zetel op de hoogte is gesteld. De verwijzingsbeslissing geeft echter aan, dat Interedil op 18 juli 2001 uit het Italiaanse register is geschrapt. Als een vennootschap ten tijde van de indiening van de faillissementsaanvraag in de registers van twee lidstaten is ingeschreven, kunnen zich vragen voordoen met betrekking tot de rechtsschijn, indien het perspectief van de schuldeiser centraal staat. Daar de verwijzende rechter er echter van uitgaat dat de vennootschap uit het Italiaanse register is geschrapt, is er geen reden om er hier verder op in te gaan.
c) Tussenconclusie
74. Op de eerste, de tweede en het eerste deel van de derde prejudiciële vraag moet daarom worden geantwoord als volgt:
Het begrip „centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar” in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 heeft een autonome betekenis en moet daarom op uniforme wijze, onafhankelijk van nationale wettelijke bepalingen worden uitgelegd.
75. Dat de vennootschap in een andere lidstaat dan die van haar statutaire zetel onroerend goed bezit, met een andere vennootschap een huurcontract heeft gesloten met betrekking tot twee hotelcomplexen en een contract met een financiële instelling, is op zich niet voldoende om het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 neergelegde vermoeden ten gunste van de „statutaire zetel” van de vennootschap te weerleggen. Nodig is een integrale beschouwing waarbij aan de hand van objectieve en tegelijk voor derden vaststelbare criteria wordt beoordeeld waar de vennootschap het beheer over haar belangen uitoefent. Wanneer het hoofdbestuur zich daadwerkelijk op de plaats van de statutaire zetel bevindt, is er voor een andere locatie van de voornaamste belangen geen plaats.
2. Begrip „vestiging” in artikel 3, lid 2, van de insolventieverordening
76. Met het tweede deel van zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke omstandigheden zich moeten voordoen om van een vestiging in de zin van artikel 3, lid 2, van de insolventieverordening te kunnen spreken. Zou namelijk blijken dat het centrum van de belangen van Interedil niet in Italië lag en de Italiaanse rechter daarom niet bevoegd was om een hoofdinsolventieprocedure te openen, dan zou in Italië hooguit plaats zijn voor het voeren van een secundaire insolventieprocedure. Volgens artikel 3, lid 2, is hiervoor vereist dat Interedil een vestiging in Italië heeft. Zijn voor de aanwezigheid van een vestiging de aanwezigheid van onroerend goed, het bestaan van een huurcontract voor twee hotelcomplexen en een overeenkomst van de vennootschap met een financiële instelling voldoende?
77. Onder vestiging wordt volgens artikel 2, sub h, van de insolventieverordening verstaan elke plaats van handeling waar de schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit uitoefent die niet van tijdelijke aard is.
78. Hiermee neemt de insolventieverordening de tekst over van het Verdrag betreffende insolventieprocedures van de lidstaten van de Europese Unie van 23 november 1995. In het rapport bij het Verdrag wordt hierover opgemerkt: „[M]et ‚plaats van handeling’ wordt een plaats bedoeld van waaruit op de markt (m.a.w. naar buiten toe) economische activiteiten worden ontplooid, ter zake van koophandel, nijverheid of een vrij beroep. De vermelding dat de economische activiteit met behulp van mensen en goederen wordt uitgeoefend, wijst op de hoofdzaak van een minimale graad van organisatie. Een louter toevallige plaats van werkzaamheden kan niet als vestiging worden aangemerkt; er is een zekere stabiliteit vereist. [...] Doorslaggevend is hoe de activiteit naar buiten overkomt en niet welke oogmerken de schuldenaar heeft.”(36)
79. Net zoals voor de weerlegging van het vermoeden van artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de verordening volstaat ook voor artikel 3, lid 2, de aanwezigheid van vermogensbestanddelen op zich niet. De verwijzende rechter zal veeleer na moeten gaan of daar personeel was ingezet en er een minimum aan organisatie bestond.
80. Bijgevolg moet op het tweede deel van de derde vraag worden geantwoord:
De aanwezigheid van onroerend goed van de vennootschap in een andere lidstaat dan die waar haar statutaire zetel zich bevindt, het bestaan van een huurcontract tussen de schuldplichtige vennootschap en een andere vennootschap betreffende twee hotelcomplexen en het bestaan van een overeenkomst van die vennootschap met een financiële instelling, kunnen de vooronderstelling dat die vennootschap in die staat een „vestiging” heeft in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1346/2000, slechts rechtvaardigen indien de genoemde factoren op zich of tezamen binnen een duurzaam aangelegde organisatorische structuur zijn ingebed in een plaats van handeling waar de schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit uitoefent die niet van tijdelijke aard is.
V – Conclusie
81. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof van Justitie in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1) Het begrip ‚centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar’ in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures heeft een autonome betekenis en moet daarom op uniforme wijze, onafhankelijk van nationale wettelijke bepalingen worden uitgelegd.
2) De aanwezigheid van onroerend goed van de vennootschap in een andere lidstaat dan die waar haar statutaire zetel zich bevindt, het bestaan van een huurcontract tussen de schuldplichtige vennootschap en een andere vennootschap betreffende twee hotelcomplexen en het bestaan van een overeenkomst van die vennootschap met een financiële instelling, is op zich niet voldoende om het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 neergelegde vermoeden ten gunste van de ‚statutaire zetel’ van de vennootschap te weerleggen. Nodig is een integrale beschouwing waarbij aan de hand van objectieve en tegelijk voor derden vaststelbare criteria wordt beoordeeld waar de vennootschap het beheer over haar belangen uitoefent. Wanneer het hoofdbestuur zich daadwerkelijk op de plaats van de statutaire zetel bevindt, is er voor een andere locatie van de voornaamste belangen geen plaats.
3) De aanwezigheid van onroerend goed van de vennootschap in een andere lidstaat dan die waar haar statutaire zetel zich bevindt, het bestaan van een huurcontract tussen de schuldplichtige vennootschap en een andere vennootschap betreffende twee hotelcomplexen en het bestaan van een overeenkomst van die vennootschap met een financiële instelling, kunnen de vooronderstelling dat die vennootschap in die staat een ‚vestiging’ heeft in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1346/2000, slechts rechtvaardigen indien de genoemde factoren op zich of tezamen binnen een duurzaam aangelegde organisatorische structuur zijn ingebed in een plaats van handeling waar de schuldenaar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit uitoefent die niet van tijdelijke aard is.
4) Het recht van de Unie verzet zich ertegen dat een nationale rechterlijke instantie, die na een bindende interlocutoire beslissing van een hogere rechterlijke instantie over de bevoegdheid uitspraak moet doen in een zaak, naar nationaal procesrecht gebonden is aan het rechtsoordeel van die hogere rechterlijke instantie indien zij, gelet op de uitlegging die zij het Hof heeft gevraagd, meent dat bedoeld rechtsoordeel in strijd is met het recht van de Unie.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 160, blz. 1. Deze verordening geldt thans in de bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 210/2010 van de Raad van 25 februari 2010 gewijzigde versie (PB L 65, blz. 1).
3 – Blijkens punt 33 van de considerans geldt de insolventieverordening niet voor Denemarken en zijn voor het overige de beperkingen van artikel 44 van toepassing, dat de verhouding tot verdragen van de lidstaten regelt.
4 – Companies House.
5 – Registro delle imprese.
6 – Het Tribunale di Bari lijkt deze doorhaling onrechtmatig te achten. De precieze gronden hiervoor worden echter niet vermeld.
7 – In de oorspronkelijke, Italiaanse, versie van de verwijzingsbeslissing: „Chiusa e dunque cancellata dal Registro delle Imprese”.
8 – Arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C‑341/04, Jurispr. blz. I‑3813).
9 – Volgens artikel 18 van de Italiaanse Legge fallimentare (faillissementswet) in de versie van het decreto legislativo nr. 169 van 12 september 2007 kan de beslissing van het Tribunale di Bari met een rechtsmiddel worden aangevochten.
10 – Zie voor de overgangsregeling voetnoot 4 van mijn conclusie van 2 september 2010 in de zaak Weryński (C‑283/09, Jurispr. blz. I‑00000).
11 – Arrest van 17 februari 2011, Weryński (C‑283/09, Jurispr. blz. I‑00000, punt 30). Zie in dit verband ook mijn conclusie van 2 september 2010, Weryński (aangehaald in voetnoot 10, punten 23‑25).
12 – Arrest Weryński (aangehaald in voetnoot 11, punt 31).
13 – Vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld arrest van 22 december 2010, Gowan Comércio (C‑77/09, Jurispr. blz. I‑00000, punt 25).
14 – Arrest van 5 oktober 2010, Elchinov (C‑173/09, Jurispr. blz. I‑00000, punt 25).
15 – Arrest Elchinov (aangehaald in voetnoot 14, punt 31, onder verwijzing naar de arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jurispr. blz. 629, punt 24, en 19 november 2009, Filipiak, C‑314/08, Jurispr. blz. I‑11049, punt 81).
16 – Zie in die zin arrest Elchinov (aangehaald in voetnoot 14, punt 31).
17 – Arresten van 18 oktober 2007, Österreichischer Rundfunk (C‑195/06, Jurispr. blz. I‑8817, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 29 oktober 2009, NCC Construction Danmark (C‑174/08, Jurispr. blz. I‑10567, punt 24).
18 – Arrest Eurofood IFSC (aangehaald in voetnoot 8, punt 31).
19 – Zie conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 27 september 2005 in de zaak Eurofood IFSC (C‑341/04, Jurispr. blz. I‑3813, punt 118).
20 – Conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Eurofood IFSC (aangehaald in voetnoot 19, punt 122).
21 – Zie artikel 6 e.v. van het ontwerp-verdrag inzake faillissement, akkoord en andere soortgelijke procedures van 1980 Doc EG III/D/72/80-NL, opgenomen in Gerhard Kegel (uitgever) en Jürgen Thieme (bewerker), Vorschläge und Gutachten zum Entwurf eines EG-Konkursübereinkommens, Tübingen 1988.
22 – Arrest van 17 januari 2006, Staubitz-Schreiber (C‑1/04, Jurispr. blz. I‑701, punt 29).
23 – Zie het verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende insolventieprocedures van de Commissie juridische zaken en interne markt (rapporteur Kurt Lechner), document A5‑0039/2000. Hierin werd voorgesteld om in artikel 2 van de verordening de volgende definitie op te nemen: „‚Centrum van de voornaamste belangen’: de plaats van waaruit de schuldenaar zijn zakelijke betrekkingen voornamelijk onderhoudt en andere economische activiteiten uitoefent en waarmee hij derhalve de nauwste betrekkingen onderhoudt.”
24 – Arrest Eurofood IFSC (aangehaald in voetnoot 8, punt 33).
25 – Arrest Eurofood IFSC (aangehaald in voetnoot 8, punt 34).
26 – Arrest Eurofood IFSC (aangehaald in voetnoot 8, punten 34 en 35).
27 – Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Finland met het oog op de aanneming van een verordening van de Raad betreffende insolventieprocedures, aan de Raad voorgelegd op 26 mei 1999 (PB C 221, blz. 8).
28 – Nota van de Luxemburgse delegatie, document van de Raad van 20 juli 1999, nr. 10342/99.
29 – Zie document nr. 9934/1/99 van de Raad van 29 juli 1999. Zie voor een verdere herformulering, document nr. 9934/2/99 van de Raad van 22 oktober 1999.
30 – Zo vond bijvoorbeeld de Britse delegatie de definitie problematisch, daar een debiteur zijn belangen van verschillende plaatsen uit kan behartigen, afgezien daarvan waren de criteria voor de vaststelling van de „voornaamste” belangen haar niet duidelijk (zie document van de Raad van 13 september 1999, nr. 10683/99).
31 – Virgós, M., en Schmit, E., Rapport bij het Verdrag betreffende insolventieprocedures, Raad van de Europese Unie (doc 6500/1/96 Rev 1, punt 75).
32 – Hier moet van een ruime opvatting van het begrip schuldeiser worden uitgegaan, dat ook de werknemers van een onderneming kan omvatten.
33 – Conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Eurofood IFSC (aangehaald in voetnoot 19, punt 125).
34 – Rapport aangehaald in voetnoot 31, punt 75.
35 – Zie in dit verband ook arresten van 9 maart 1999, Centros (C‑212/97, Jurispr. blz. I‑1459); 5 november 2002, Überseering (C‑208/00, Jurispr. blz. I‑9919), en 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, Jurispr. blz. I‑10155).
36 – Rapport aangehaald in voetnoot 31, punt 71.
Full & Egal Universal Law Academy