CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 11 november 2010 (1)
Zaak C‑437/09
AG2R Prévoyance
tegen
Beaudout Père et Fils SARL
[verzoek van het Tribunal de grande instance de Périgueux (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing ]
„Mededinging –Artikelen 10 EG, 81 EG, 82 EG en 86 EG – Aanvullende zorgverzekering – Wettelijk verplichte aansluiting van alle ondernemingen van een bepaalde bedrijfstak bij één specifiek verzekeringsorgaan – Uitdrukkelijke uitsluiting van iedere mogelijkheid van vrijstelling van aansluiting – Begrip ‚onderneming’ in de zin van de artikelen 81 EG en 82 EG – Misbruik van machtspositie – Uitsluitend recht – Dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 86, lid 2, EG”
I – Inleiding
1. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing, dat in wezen de uitlegging van de artikelen 81 EG, 82 EG en 86 EG betreft, is ingediend in het kader van een geding tussen de verzekeringsmaatschappij AG2R Prévoyance (hierna: „AG2R”) en een ambachtelijke bakkerijonderneming, Beaudout Père et Fils SARL (hierna: „Beaudout”) ter zake van de weigering van laatstgenoemde om toe te treden tot het verplichte aanvullende stelsel van vergoeding van de kosten van gezondheidszorg dat door AG2R voor het ambachtelijke bakkersbedrijf in Frankrijk wordt aangeboden.(2)
2. Over de toepasselijkheid van de verdragsrechtelijke mededingingsregels op met het beheer van socialezekerheidsstelsels belaste organen bestaat reeds een betrekkelijk overvloedige rechtspraak. Het belang van deze zaak schuilt mijns inziens dan ook primair in de hiermee geboden gelegenheid de uitlegging van het begrip „onderneming” in de zin van de artikelen 81 EG en 82 EG te preciseren.
II – Rechtskader
A – Nationaal recht
3. In Frankrijk worden de kosten van ziekte of ongeval gedeeltelijk gedekt door het basisstelsel van de sociale zekerheid. Het gedeelte van de kosten dat voor rekening van de verzekerde blijft, kan voor een deel worden vergoed door een aanvullende zorgverzekering. Bijna 93 % van de inwoners van Frankrijk zou onder een aanvullende verzekering vallen.(3)
4. Ingevolge artikel L. 911‑1 van de Code de la sécurité sociale (wetboek sociale zekerheid) kunnen de werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers bij een akkoord of een collectieve overeenkomst voorzien in een dergelijke aanvullende verzekering van de werknemers van een bepaalde bedrijfstak.
5. Artikel L. 912‑1 van dit wetboek regelt de verplichte aansluiting bij een aanvullend zorgstelsel. Wanneer de op bedrijfstakniveau of op bedrijfstakoverkoepelend niveau gesloten collectieve overeenkomsten als bedoeld in artikel L. 911‑1 voorzien in een onderlinge verdeling van risico’s en verzekering daarvan bij een of meer van de organen genoemd in artikel 1 van Loi n° 89‑1009 du 31 décembre 1989 renforçant les garanties offertes aux personnes assurées contre certains risques (wet nr. 89‑1009 tot versterking van de aan verzekerden geboden waarborgen tegen bepaalde risico’s), dan wel bij een of meer van de instellingen genoemd in artikel L. 370‑1 van de Code des assurances (verzekeringswetboek), waarbij de binnen de werkingssfeer van deze overeenkomsten vallende ondernemingen zich verplicht moeten aansluiten, moeten deze collectieve overeenkomsten volgens artikel L. 912‑1 een clausule bevatten die nader bepaalt onder welke omstandigheden en binnen welke termijnen de modaliteiten van de onderlinge verdeling van risico’s opnieuw worden geëvalueerd. De termijn waarbinnen deze evaluatie moet plaatsvinden, kan niet langer dan vijf jaar zijn.
6. Artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale bepaalt verder dat wanneer de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten van toepassing zijn op een onderneming die vóór de inwerkingtreding ervan een verbintenis is aangegaan met een niet in deze overeenkomsten genoemde instelling, teneinde dezelfde risico’s in een vergelijkbare omvang te verzekeren, de tweede alinea van artikel L. 132‑23 van de Code du travail (arbeidswetboek) van toepassing is.
7. Artikel L. 132‑23, tweede alinea, van de Code du travail schrijft voor dat wanneer de op bedrijfstakniveau of op bedrijfstakoverkoepelend niveau gesloten overeenkomsten van toepassing worden op een onderneming waarvoor reeds overeenkomsten of akkoorden gelden, de bepalingen van die overeenkomsten of akkoorden dienovereenkomstig worden aangepast.
8. Ingevolge artikel 1 van wet nr. 89‑1009, zoals gewijzigd bij wet nr. 94‑678 van 8 augustus 1994, waarnaar artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale verwijst, kunnen activiteiten op het gebied van de voorzorg enkel worden verricht door verzekeringsmaatschappijen, voorzorgsinstellingen die vallen onder de Code de la sécurité sociale of de Code rural (landbouwwetboek) en onderlinge verzekeringsmaatschappijen.
9. De voorzorgsinstellingen vallen onder het regime van titel 3 van boek IX van de Code de la sécurité sociale. Ingevolge artikel L. 931‑1 ervan zijn deze instellingen civielrechtelijke rechtspersonen zonder winstoogmerk die paritair worden beheerd door de aangesloten leden (de ondernemingen die een overeenkomst met deze instelling hebben afgesloten) en de deelnemende leden (aangesloten werknemers en voormalige werknemers van de aangesloten leden). Deze instellingen hebben als doel het verzekeren van het risico van personenschade als gevolg van ongeval of ziekte. De artikelen L. 931‑4 tot en met L. 932‑5 van de Code de la sécurité sociale regelen de oprichting, de werking en de ontbinding van de voorzorgsinstellingen, alsmede de activiteiten die zij mogen verrichten. In het bijzonder moeten deze instellingen worden erkend door de nationale autoriteit voor bedrijfseconomisch toezicht(4) en zijn ze onderworpen aan wettelijke en reglementaire verplichtingen inzake voorzieningen(5) en solvabiliteit.(6)
B – Aanvullende overeenkomst bij de nationale collectieve overeenkomst
10. Op 24 april 2006 hebben de bond van bakkerijondernemers en de verschillende werknemersorganisaties in deze bedrijfstak een aanvullende overeenkomst bij de algemeen verbindende nationale collectieve overeenkomst voor het ambachtelijke bakkers- en banketbakkersbedrijf van 19 maart 1978 (hierna: „nationale collectieve overeenkomst”) gesloten, waarmee een stelsel van „aanvullende vergoeding van de kosten van gezondheidszorg” voor het ambachtelijke bakkersbedrijf in het leven is geroepen (hierna: „aanvullende overeenkomst”).
11. Deze aanvullende overeenkomst is van toepassing op alle ondernemingen die binnen de werkingssfeer van de nationale collectieve overeenkomst vallen, en geldt voor alle werknemers van deze ondernemingen die ten minste een maand bij dezelfde onderneming hebben gewerkt. Volgens de preambule heeft de aanvullende overeenkomst met name tot doel de beroepsrisico’s te verdelen, waarmee in de eerste plaats tegemoet kan worden gekomen aan de moeilijkheden van bepaalde – in het algemeen de wat kleinere – bakkerijondernemingen bij de invoering van een aanvullende zorgverzekering, en in de tweede plaats de toegang kan worden gewaarborgd tot collectieve voorzieningen ongeacht met name leeftijd en gezondheid.
12. Ingevolge artikel 4 van de aanvullende overeenkomst vallen onder het aanvullende stelsel alle gebruikelijke handelingen en kosten gedurende de verzekeringsperiode, waarvoor een vergoeding volgens een individuele afrekening is betaald op de voet van het basisstelsel van sociale zekerheid uit hoofde van de wetgeving inzake „ziekte”, „bedrijfsongevallen/beroepsziekten” en „zwanger- en moederschap”, alsmede de hierbuiten vallende handelingen en kosten die uitdrukkelijk zijn vermeld in het bij de aanvullende overeenkomst gevoegde dekkingsoverzicht.(7)
13. Volgens artikel 5 van de aanvullende overeenkomst bedroeg de bijdrage in de jaren 2007 en 2008 maandelijks 40 EUR per werknemer voor het algemene stelsel.(8) Deze bijdrage, die na het tweede jaar van toepassing van het stelsel opnieuw moet worden onderzocht, wordt voor de helft door de werkgever betaald.
14. In artikel 13 van de aanvullende overeenkomst is AG2R aangewezen als verzekeraar van het aanvullend stelsel. AG2R is een voorzorgsinstelling overeenkomstig de Code de la sécurité sociale en valt onder de Franse toezichthoudende autoriteit voor de verzekeringsbranche. Dit artikel bepaalt eveneens dat de modaliteiten van de onderlinge verdeling van risico’s binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van de aanvullende overeenkomst opnieuw worden geëvalueerd tijdens een vergadering van de nationale paritaire commissie van de bedrijfstak.
15. Artikel 14 van de aanvullende overeenkomst, de zogenoemde „overstapclausule”, voorziet in de verplichte aansluiting bij het stelsel van aanvullende vergoeding van de kosten van gezondheidszorg met ingang van de datum van inwerkingtreding van de aanvullende overeenkomst. Volgens dit artikel geldt de aansluitingsplicht ook voor ondernemingen die reeds met een andere verzekeringsinstelling een aanvullende zorgovereenkomst hebben gesloten met identieke of ruimere waarborgen dan die welke zijn opgenomen in de onderhavige aanvullende overeenkomst.
16. Ingevolge artikel 16 ervan is de aanvullende overeenkomst op 1 januari 2007 in werking getreden.
17. Bij besluit van 16 oktober 2006(9) en na verzoeken hiertoe van de organisaties die de aanvullende overeenkomst hebben ondertekend, heeft de minister van Arbeid, Sociale Cohesie en Volkshuisvesting de werking en de sancties van de aanvullende overeenkomst algemeen verbindend verklaard voor alle op het nationale grondgebied gevestigde ambachtelijke bakkerij- en banketbakkerijondernemingen.
III – Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
18. Beaudout is sinds 10 oktober 2006 voor de aanvullende zorgverzekering aangesloten bij de verzekeringsmaatschappij ABELA.
19. Aangezien Beadout weigerde toe te treden tot haar stelsel, heeft AG2R Beaudout gedagvaard voor het Tribunal de grande instance van Périgueux tot regularisering van haar aansluiting en tot betaling van de verschuldigde bijdragen vanaf 1 januari 2007, de datum van de inwerkingtreding van de aanvullende overeenkomst.
20. Beaudout heeft de rechtmatigheid van de aanvullende overeenkomst betwist in reconventie.
21. Na een aantal argumenten van Beaudout inzake de verenigbaarheid van de aanvullende overeenkomst met het nationale recht te hebben afgewezen, heeft de verwijzende rechter getracht een vergelijking te trekken tussen de aan hem voorgelegde zaak en die welke is uitgemond in het arrest Albany van het Hof van 21 september 1999.(10)
22. Na te hebben geconstateerd dat, anders dan in de zaak van het pensioenfonds in het arrest Albany waar sprake was van een aansluitingsplicht met de mogelijkheid van vrijstelling, uit artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale en artikel 14 van de aanvullende overeenkomst geen enkele mogelijkheid van vrijstelling kan worden afgeleid, achtte de verwijzende rechter analogische toepassing van het arrest Albany op de feiten van de onderhavige zaak uitgesloten. Hij merkte tevens op dat AG2R „in de bakkerij‑ en banketbakkerijsector een machtspositie [lijkt] in te nemen en [...] kennelijk niet in staat lijkt om te voldoen aan de van de markt uitgaande vraag naar dit type activiteit[en]”.
23. Daarop heeft het Tribunal de grande instance van Périgueux (Frankrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Zijn de invoering van een regeling van verplichte aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg als bepaald in artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale, en de, op verzoek van de werkgevers‑ en werknemersorganisaties van een bepaalde bedrijfstak, door de overheid algemeen verbindend verklaarde aanvullende overeenkomst die voorziet in de aansluiting bij één enkel orgaan dat is aangewezen voor het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, zonder enige mogelijkheid voor de ondernemingen van de betrokken bedrijfstak om van aansluiting te worden vrijgesteld, in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 81 EG en 82 EG, of hebben zij tot gevolg dat het aangewezen orgaan een machtspositie krijgt die misbruik oplevert?”
IV – Procesverloop voor het Hof
24. Overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de partijen in het hoofdgeding, de Duitse en de Franse regering, alsook de Commissie.
25. Met uitzondering van de Duitse regering, die zich daar niet wenste te laten vertegenwoordigen, zijn deze partijen alsook de Belgische regering eveneens gehoord ter terechtzitting van 30 september 2010.
V – Analyse
A – Inleidende opmerkingen
26. De prejudiciële vraag gaat volgens haar formulering uit van de premisse dat de aansluitingsplicht bij het in het hoofdgeding omstreden aanvullende stelsel van gezondheidszorg, die in de Franse wet- en regelgeving is neergelegd, geen enkele vrijstelling toelaat voor de ondernemingen van de ambachtelijke bakkerij- en banketbakkerijsector in Frankrijk.
27. Deze premisse brengt mij tot de volgende twee opmerkingen over respectievelijk het nationale recht en het Unierecht.
28. Wat het nationale recht betreft, volgt uit de in punt 26 van deze conclusie vermelde en door de verwijzende rechter gekozen premisse, dat naar zijn oordeel – in overeenstemming met het door AG2R gestelde – de aanpassing van de in artikel L. 132‑23, tweede alinea, van de Code du travail bedoelde overeenkomsten of akkoorden die zijn afgesloten vóór de totstandkoming van een regeling van verplichte aansluiting zoals die waar het in het hoofdgeding om gaat, aldus moet worden uitgelegd dat de ondernemingen van de Franse ambachtelijke bakkerij- en banketbakkerijsector verplicht zijn om hun eerder gesloten verzekeringsovereenkomsten op te zeggen en zich vervolgens met gebruikmaking van de in de aanvullende overeenkomst opgenomen overstapclausule aan te sluiten bij AG2R.(11)
29. Bovendien lijkt de verwijzende rechter ervan uit te gaan dat deze voor de ondernemingen van de betrokken sector geldende verplichting naar nationaal recht niet alleen rechtmatig is wanneer de eerdere overeenkomsten of akkoorden dezelfde risico’s in een vergelijkbare omvang verzekerden in de zin van artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale, maar ook wanneer de geboden dekking omvangrijker zou zijn geweest.(12) Het spreekt evenwel voor zich dat het niet aan het Hof staat om, zelfs maar in bedekte termen, vraagtekens te plaatsen bij de uitlegging van het nationale recht door de verwijzende rechter.
30. Wat het Unierecht betreft, ben ik van mening dat hoewel de verwijzende rechter zich in zijn prejudiciële vraag heeft beperkt tot de uitlegging van de artikelen 81 EG en 82 EG, de uitdrukkelijke verwijzing naar de Franse wet- en regelgeving, onder meer in de tekst van de prejudiciële vraag zelf, aanleiding zou moeten zijn voor het Hof om bij het onderzoek en de beantwoording van deze vraag tevens rekening te houden met de artikelen 10 EG en 86 EG.
31. Het lijdt namelijk niet de geringste twijfel dat de verwijzende rechter niet alleen het gedrag van een onderneming vanuit het oogpunt van de artikelen 81 EG en 82 EG moet beoordelen, maar zich ook en vooral moet afvragen of deze verdragsartikelen niet in de weg staan aan de door een lidstaat vastgestelde wet- en regelgeving, zoals artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale en het ministerieel besluit waarbij de aanvullende overeenkomst algemeen verbindend is verklaard voor alle ambachtelijke bakkerij‑ en banketbakkerijondernemingen in Frankrijk.
32. In de eerste plaats verplicht artikel 10 EG juncto artikel 81 EG de lidstaten om geen maatregelen te nemen of te handhaven, ook niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken.(13) In de tweede plaats legt artikel 86, lid 1, EG met name de lidstaten de verplichting op, met betrekking tot ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel te nemen of te handhaven die in strijd is met de regels van het Verdrag, en verbiedt hun bijgevolg deze ondernemingen in de gelegenheid te stellen om in de zin van artikel 82 EG misbruik te maken van hun machtspositie.
33. Overigens staat niets eraan in de weg dat het Hof, rekening houdend met in het bijzonder de motivering van de verwijzingsbeslissing en met het voorwerp van het geschil, de verwijzende rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het Unierecht verstrekt die nuttig voor hem kunnen zijn, ongeacht of hij bepaalde aspecten in zijn prejudiciële verwijzing heeft genoemd.(14)
34. In casu volgt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter zich afvraagt, in de eerste plaats, of de invoering van een regeling van verplichte aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, zoals bepaald in artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale, gelezen in samenhang met artikel 14 van de aanvullende overeenkomst, in strijd is met de artikelen 10 EG en 81 EG en, in de tweede plaats, of een instelling als AG2R, waarbij de ondernemingen die behoren tot een bepaalde bedrijfstak en gevestigd zijn op een bepaald grondgebied, zich verplicht moeten aansluiten op grond van een aan die instelling toegekend uitsluitend recht, zonder de mogelijkheid van vrijstelling, ertoe wordt aangezet misbruik te maken van haar machtspositie.
35. Na deze herformulering van de vraag op basis van de motivering van de verwijzingsbeslissing zal ik thans stilstaan bij elk van de twee zojuist weergegeven onderdelen van de vraag.
B – De uitlegging van de artikelen 10 EG en 81 EG in verband met de invoering van een aansluitingsplicht bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg
36. Met de betrokken partijen die opmerkingen hebben ingediend bij het Hof, uitgezonderd Beaudout, ben ik van mening dat een overeenkomst zoals die in het hoofdgeding en de handeling waarmee die overeenkomst algemeen verbindend is verklaard voor alle ambachtelijke bakkerijondernemingen in Frankrijk, buiten de werkingssfeer van de artikelen 10 EG en 81 EG vallen.
37. In de eerste plaats heeft het Hof in zijn reeds aangehaalde arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken verklaard dat uit een nuttige en coherente uitlegging van de bepalingen van het Verdrag, gelezen in hun onderling verband, volgt dat in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners gesloten overeenkomsten waarmee doelstellingen van sociale politiek worden nagestreefd, wegens hun aard en hun doel moeten worden geacht niet onder artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans 81, lid 1, EG) te vallen.(15)
38. Met betrekking tot de aard van de overeenkomst waar het in het hoofdgeding om gaat, wijs ik erop dat deze is gesloten in de vorm van een aanvullende overeenkomst bij een collectieve overeenkomst en het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties.
39. Het doel van de litigieuze overeenkomst is, zoals ook in het geval van de overeenkomst waar het in het arrest Van der Woude(16) om ging, de invoering van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg voor het ambachtelijke bakkersbedrijf, dat bijdraagt aan de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers, niet alleen door hun de nodige middelen te garanderen om hun ziektekosten te kunnen betalen, maar ook door een verlaging van de kosten die zonder collectieve overeenkomst ten laste van de werknemers zelf zouden komen. Wat dit laatste punt betreft, herinner ik eraan dat krachtens de aanvullende overeenkomst de door de werknemers te betalen bijdragen forfaitair en los van de verstrekte vergoedingen worden vastgesteld en voor de helft door de werkgever worden betaald.
40. In de tweede plaats lijkt mij het feit dat de litigieuze overeenkomst geen enkele mogelijkheid bevat tot vrijstelling van de aansluiting bij het aanvullend stelsel dat ermee in het leven wordt geroepen, geen gevolgen te hebben voor de niet‑toepasselijkheid van het in artikel 81, lid 1, EG bepaalde verbod, aangezien noch de aard, noch het doel van deze overeenkomst door het ontbreken van een dergelijke clausule wordt gewijzigd.
41. Afgezien hiervan wijs ik erop dat in de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken, waarin het ging om de aansluitingsplicht voor ondernemingen van een bepaalde bedrijfstak bij een aanvullend pensioenstelsel met een mogelijkheid van vrijstelling, het Hof in het kader van zijn uitlegging van artikel 81, lid 1, EG geen enkel bijzonder gewicht heeft toegekend aan deze vrijstellingsmogelijkheid.
42. Het Hof heeft zich ook in het arrest Van der Woude niet genoopt gezien tot een andere aanpak van zijn onderzoek van de aard en het doel van de overeenkomst die de sociale partners hadden gesloten, hoewel het in die zaak ging om een collectieve arbeidsovereenkomst die de werkgevers van een bepaalde sector verplichtte om aan een bepaalde verzekeraar bijdragen te betalen voor een aanvullende ziektekostenverzekering, zonder dat een mogelijkheid van vrijstelling van aansluiting bij het betrokken orgaan of de hierdoor aangewezen verzekeraar bestond.(17)
43. Door enkel uit te gaan van de aard en het doel van de betrokken overeenkomsten heeft het Hof op dit punt duidelijk voor een andere aanpak gekozen dan advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaken die zijn uitgemond in de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken. De advocaat-generaal had – met enig voorbehoud – voorgesteld dat enkel collectieve overeenkomsten die betrekking hebben op kernpunten van collectieve onderhandelingen, zoals lonen en arbeidsvoorwaarden, en niet (rechtstreeks) van invloed zijn op derden of andere markten kunnen ontsnappen aan het verbod van artikel 81, lid 1, EG.(18) Vanuit dat oogpunt was hij van mening dat op grond van de omstandigheid dat in deze zaken de collectieve overeenkomst geen echte uitsluitingseffecten had ten opzichte van andere verzekeraars dan het door de sociale partners aangewezen pensioenfonds, met name omdat er sprake was van een clausule die vrijstelling van de aansluiting toeliet, deze overeenkomst buiten de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG kon vallen.(19) De bij Nederlands ministerieel besluit verplicht gestelde aansluiting vormde een vraag die een afzonderlijke benadering verdiende.
44. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft gedaan, kan dus terecht worden gesteld dat bij de beantwoording van de vraag of een collectieve overeenkomst die een aanvullend stelsel van gezondheidszorg met een aansluitingsplicht invoert onder artikel 81, lid 1, EG valt, de rechtspraak van het Hof geen enkel gewicht toekent aan de modaliteiten van deze verplichte aansluiting, ook al zou die uit de collectieve overeenkomst zelf voortvloeien.
45. Wat de onderhavige zaak betreft hoeft bijgevolg ter beantwoording van de vraag of de in geding zijnde overeenkomst onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt, niet te worden nagegaan of de aansluitingsplicht enkel voortvloeit uit artikel 14 van de aanvullende overeenkomst, dan wel uit de gecombineerde toepassing van deze clausule en artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale.
46. In de derde plaats ten slotte, met betrekking tot het op verzoek van de sociale partners door het openbaar gezag genomen besluit van 16 oktober 2006 om de in geding zijnde overeenkomst algemeen verbindend te verklaren voor alle ondernemingen van de betrokken bedrijfstak, volgt uit de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Blokken eveneens dat een dergelijk besluit niet kan worden beschouwd als een handeling die de totstandkoming van met artikel 81 EG strijdige mededingingsregelingen oplegt of stimuleert, dan wel in strijd met de artikelen 10 EG en 81 EG de werking ervan versterkt, en zulks met name omdat, zoals ik reeds heb uiteengezet, dit type overeenkomsten tussen sociale partners niet onder het verbod van laatstgenoemd artikel valt.(20) De lidstaten zijn dus vrij om die overeenkomst verbindend te verklaren voor personen die niet door de bepalingen ervan gebonden zijn.(21)
47. Bijgevolg geef ik in overweging om op het eerste deel van de prejudiciële vraag te antwoorden, in de eerste plaats, dat de invoering van een regeling van aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, die de aansluiting bij één enkel orgaan voorschrijft zonder enige mogelijkheid voor de betrokken ondernemingen om van aansluiting te worden vrijgesteld, niet valt onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG, en in de tweede plaats, dat de artikelen 10 EG en 81 EG niet in de weg staan aan het op verzoek van de werkgevers‑ en werknemersorganisaties van een bepaalde bedrijfstak door de overheid genomen besluit om een uit collectieve onderhandelingen voortgekomen overeenkomst die voorziet in de aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, verbindend te verklaren voor alle ondernemingen van die bedrijfstak.
C – De uitlegging van de artikelen 82 EG en 86 EG in verband met de toekenning van een uitsluitend recht aan het orgaan, belast met het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg dat geen mogelijkheid van vrijstelling van aansluiting kent, en het mogelijke misbruik van een machtspositie
48. De uitzondering op de toepassing van het verbod van artikel 81, lid 1, EG die voortvloeit uit mijn hierboven weergegeven analyse op basis van de rechtspraak van het Hof, strekt zich niet uit tot artikel 82 EG.
49. Hoewel het Hof in de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken alsook in het arrest Pavlov e.a.(22) tot de slotsom is gekomen dat de overeenkomsten waar het in die zaken om ging, gezien hun aard en hun doel niet onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG vielen, heeft het daarentegen de fondsen die het beheer verzorgden van de door deze overeenkomsten ingestelde aanvullende pensioenregelingen, aangemerkt als ondernemingen in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag, die beschikten over een uitsluitend recht waarmee zij een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt verkregen in de zin van artikel 82 EG, maar die waren belast met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang in de zin van artikel 86, lid 2, EG.(23)
50. Om een nuttig antwoord te geven op de vraag van het Tribunal de grande instance de Périgueux moet derhalve worden nagegaan of, gelet op de elementen van het dossier, het orgaan dat is belast met het beheer van het aanvullende stelsel van gezondheidszorg waar het in het hoofdgeding om gaat, een onderneming is in de zin van met name artikel 82 EG die mogelijk een machtspositie verkrijgt waarvan zij misbruik zou maken als de toepassingsvoorwaarden van artikel 86, lid 2, EG niet zijn vervuld.
1. De hoedanigheid van onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag, van een orgaan dat een aanvullend stelsel van gezondheidszorg beheert, zoals AG2R
51. De verwijzende rechter lijkt ervan uit te gaan dat AG2R alle kenmerken van een onderneming bezit, wat hij naar analogie afleidt uit de relevante overwegingen van het arrest Albany.
52. De partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, zijn op dit punt evenwel niet eensgezind. Terwijl de partijen in het hoofdgeding AG2R zonder meer als een onderneming aanmerken, is de Duitse regering van mening dat de verwijzende rechter niet voldoende elementen ter beantwoording van deze vraag heeft aangedragen. De Franse regering neemt het standpunt in dat de verwijzende rechter de hoedanigheid van onderneming van AG2R niet naar behoren heeft onderzocht en betoogt daarenboven dat, gelet op de verschillen tussen het door dit orgaan beheerde aanvullende stelsel van gezondheidszorg en het pensioenfonds waar het om ging in de zaak die is uitgemond in het arrest Albany, uit dit arrest niet kan worden afgeleid dat AG2R een onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag is. Ten slotte is de Commissie in wezen, met de nodige kanttekeningen, van mening dat, zonder concreet stil te staan bij het aanvullende stelsel van gezondheidszorg waarvan het beheer krachtens de aanvullende overeenkomst aan AG2R is toevertrouwd in het hoofdgeding – ten aanzien waarvan het, gelet op de in de rechtspraak van het Hof geformuleerde criteria, lastig is om een duidelijke conclusie te trekken –, rekening moet worden gehouden met het algemeen juridisch kader van de voorzorgsregelingen in Frankrijk, waaruit kan worden afgeleid dat een orgaan als AG2R haar diensten aanbiedt in concurrentie met verzekeringsmaatschappijen en bijgevolg kan worden gekwalificeerd als „onderneming” in de zin van artikel 82 EG.
53. Hoewel ik het om de verderop uiteengezette redenen grotendeels eens ben met de analyse die de Commissie geeft van de kern van dit vraagstuk in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting voor het Hof, werpen de verschillen in zienswijze tussen de betrokken partijen mijns inziens een vraag van algemene procedurele aard op, namelijk of een juridische kwalificatie van de feiten (en niet hun beoordeling)(24) door de verwijzende rechter voor het Hof ter discussie kan worden gesteld.
54. Dienaangaande herinner ik eraan dat de verwijzende rechter – vermoedelijk vanwege de eensgezindheid van de partijen in het hoofdgeding op dit punt – geen enkele twijfel uit ter zake van de kwalificatie van AG2R als onderneming in de zin van artikel 82 EG.
55. In deze omstandigheden kan worden betoogd dat de verwijzende rechter deze vraag heeft beslist – wat zou verklaren waarom hij zeer kort is over de feitelijke en juridische aspecten die tot deze kwalificatie hebben geleid – en dat het Hof hierover dus geen vraag wordt voorgelegd, zodat deze kwalificatie wat de onderhavige procedure betreft als vaststaand moet worden beschouwd.(25)
56. Van de andere kant, en zoals de Franse regering en de Commissie lijken te overwegen, kan het standpunt worden verdedigd dat een dergelijke juridische kwalificatie het Hof niet ontslaat van zijn taak om de uitleggingsgegevens van het Unierecht voor of tegen deze juridische kwalificatie te verstrekken, temeer omdat, zoals in het hoofdgeding, deze kwalificatie (hoedanigheid van onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag) een voorwaarde vormt voor de toepassing van de regels van Unierecht (de artikelen 82 EG en 86 EG), waarvan de uitlegging door de verwijzende rechter wordt gevraagd.
57. Mijns inziens verdient deze tweede oplossing de voorkeur. Zo min als het Hof kan zijn gebonden aan de uitlegging van het Unierecht door de verwijzende rechter in het kader van een prejudiciële verwijzing(26), mag het in beginsel afzien van de beoordeling van de juistheid van een juridische kwalificatie door de verwijzende rechter betreffende een unierechtelijk begrip, in casu het begrip „onderneming” in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag.
58. Na deze procedurele overwegingen wil ik eraan herinneren dat het Hof in het kader van het mededingingsrecht herhaaldelijk heeft verklaard dat het begrip onderneming elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.(27) Dienaangaande verstaat het Hof onder een economische activiteit iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt.(28)
59. Op het gebied van de sociale zekerheid heeft het Hof twee hoofdcriteria geformuleerd om na te gaan of de activiteit van de met het beheer van de verschillende betrokken regelingen belaste onderneming(en) al dan niet economisch van aard is. Het Hof toetst in de eerste plaats of de betrokken regeling het solidariteitsbeginsel ten uitvoer legt en, in de tweede plaats, in welke mate deze regeling onderworpen is aan overheidstoezicht.(29) Wanneer de regeling het solidariteitsbeginsel ten uitvoer legt en onderworpen is aan staatstoezicht, wordt ervan uitgegaan dat het met het beheer van de regeling belaste orgaan geen economische activiteit uitoefent en dus buiten de werkingssfeer van de artikelen 81 EG en 82 EG valt.
60. Zo heeft het Hof verklaard dat bepaalde met het beheer van wettelijke stelsels van ziektekosten- en ouderdomsverzekering belaste organen die enkel de wet toepassen en op geen enkele wijze de hoogte van de premies, het gebruik van de fondsen of de vaststelling van het niveau van de prestaties kunnen beïnvloeden, een activiteit uitoefenen die berust op het beginsel van nationale solidariteit en ieder winstoogmerk mist.(30)
61. Het Hof heeft eveneens verklaard dat het ontbreken van een rechtstreekse band tussen de door de verzekerden betaalde bijdragen en de prestaties die worden toegekend door een orgaan dat is belast met het beheer van een verzekeringsregeling tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten, alsmede het feit dat het bedrag van de prestaties én van de bijdragen door de overheid wordt vastgesteld, tot de conclusie moet leiden dat dit orgaan een functie van uitsluitend sociale aard vervult en geen economische activiteit uitoefent.(31)
62. Wanneer het daarentegen ging om regelingen ter aanvulling van een basisstelsel, ook wanneer deze voor een deel voldeden aan de kenmerken van regelingen met een functie van uitsluitend sociale aard(32), werden de met het beheer ervan belaste organen wel beschouwd als ondernemingen in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag.
63. Zo heeft het Hof in het aangehaalde arrest Fédération française des sociétés d’assurance e.a. verklaard dat een orgaan zonder winstoogmerk, dat een als aanvulling van een verplicht basisstelsel bedoeld stelsel van ouderdomsverzekering beheerde, dat werkte volgens het kapitalisatiebeginsel en waarvan de uitkeringen uitsluitend afhingen van de hoogte van de bijdragen, een onderneming was in de zin van de artikelen 81 EG en 82 EG. Noch het nastreven van een sociaal doel, noch de vereisten van solidariteit, zoals het vereiste dat de bijdragen niet afhangen van het risico, zonder voorafgaande selectie van de verzekerden, noch de andere regels met betrekking tot onder andere de beperkingen die het met het beheer belaste orgaan bij beleggingen in acht moest nemen, werden als voldoende zwaarwegend aangemerkt om aan de activiteit van het beheersorgaan van dit stelsel het economisch karakter te ontnemen.(33)
64. Ook in het arrest Albany, waarin het, zoals ik hierboven reeds heb uiteengezet, ging om een met het beheer van een aanvullend pensioen belast bedrijfspensioenfonds zonder winstoogmerk, dat volgens een stelsel van verplichte aansluiting functioneerde en bij de vaststelling van de hoogte van de bijdragen en van de uitkeringen het solidariteitsbeginsel toepaste, heeft het Hof verklaard dat het fonds zelf de hoogte van de premies en de uitkeringen bepaalde, werkte volgens het kapitalisatiebeginsel en evenals verzekeringsmaatschappijen onder toezicht stond van de Verzekeringskamer. Bovendien heeft het Hof erop gewezen dat dit bedrijfspensioenfonds onder bepaalde omstandigheden de verplichting of de mogelijkheid had om ondernemingen vrij te stellen van aansluiting, hetgeen impliceerde dat dit fonds een economische activiteit verrichtte en daarbij met verzekeringsmaatschappijen concurreerde.(34)
65. Welke lessen kunnen uit deze rechtspraak worden getrokken voor de onderhavige zaak?
66. In de eerste plaats lijkt het Hof een duidelijk onderscheid te maken tussen de zogenoemde wettelijke basisstelsels, waarvan de beheersorganen tot op heden telkens zijn aangemerkt als organen die geen economische activiteit uitoefenen, en de facultatieve of door de overheid verplicht gestelde aanvullende stelsels, waarvan de met het beheer ervan belaste organen zijn gekwalificeerd als ondernemingen in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag.
67. In de tweede plaats lijdt het geen twijfel dat het bij de vraag of een bepaalde activiteit wel of geen economisch karakter heeft, irrelevant is of een met het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg belast orgaan als dat waar het in het hoofdgeding om gaat, geen winstoogmerk heeft en paritair wordt beheerd door de sociale partners en/of dat het stelsel dat het orgaan beheert een sociale doelstelling heeft, wat onder andere uit de preambule van de aanvullende overeenkomst naar voren komt.
68. In de derde plaats lijkt daarentegen de vrijheid waarover het betrokken orgaan beschikt met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de bijdragen en de waarde van de prestaties, volgens de rechtspraak van het Hof doorslaggevend te zijn bij de beoordeling van de mate van uitvoering van het solidariteitsbeginsel, waarbij het toezicht van de overheid zich uitstrekt tot de aanwijzing van het orgaan en het beheer van de wezenlijke elementen van het stelsel.(35)
69. In de eerste plaats houdt het solidariteitsbeginsel volgens het Hof in dat de aan de verzekerde betaalde prestaties niet evenredig zijn aan de bijdragen die hij heeft voldaan.(36)
70. In het hoofdgeding blijkt uit het dossier dat de prestaties die worden gewaarborgd door het aanvullende stelsel van gezondheidszorg, zijn vastgelegd in een bij de aanvullende overeenkomst gevoegde lijst die een opsomming bevat van de prestaties die worden aangeboden ter aanvulling van die van het verplichte basisstelsel van sociale zekerheid. Bovendien bepaalt artikel 5 van de aanvullende overeenkomst de hoogte van de bijdrage voor de eerste twee jaar van het bestaan van het stelsel, en zulks forfaitair en uniform voor alle aangeslotenen, ongeacht hun gezondheid of leeftijd, te weten 40 EUR maandelijks per werknemer, waarvan de helft door de werkgevers wordt betaald.(37) Ingevolge dit artikel wordt, nadat het stelsel twee jaar in werking is geweest, de hoogte van de bijdrage door de partijen die de aanvullende overeenkomst hebben ondertekend, geëvalueerd op basis van de resultaten van het stelsel, de ontwikkeling van de gezondheidskosten en de wettelijke en reglementaire verplichtingen.
71. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen terecht heeft aangegeven, is er dus geen rechtstreeks verband tussen de verstrekte prestaties en de hoogte van de bijdragen die worden betaald.
72. Bovendien lijkt het feit dat de werkgevers voor de helft bijdragen aan de dekking van de kosten van de gezondheidszorg van hun werknemers de uitdrukking te zijn van een beginsel van solidariteit tussen de eerst- en de laatstgenoemden alsook tussen de werkgevers van de betrokken bedrijfstak zelf, overeenkomstig de in de aanvullende overeenkomst gememoreerde doelstelling van de verdeling van de beroeps- en bedrijfsrisico’s. Voorts lijkt, zoals de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt, maar door de verwijzende rechter nog zal moeten worden onderzocht, de concretisering van het solidariteitsbeginsel te zijn versterkt door verschillende wijzigingen van de aanvullende overeenkomst: in de eerste plaats behouden de nabestaanden van een overleden werknemer gedurende een jaar de overeengekomen dekking waarop de overledene recht had, terwijl de hieraan verbonden bijdrage door de regeling zelf wordt betaald(38), en in de tweede plaats behoudt de ontslagen werknemer die in aanmerking komt voor uitkeringen van de verplichte werkeloosheidsverzekering de overeengekomen dekking voor een duur van maximaal negen maanden, hetgeen wordt bekostigd uit de bijdragen van de ondernemingen en de actieve werknemers die zijn aangesloten bij het aanvullende stelsel van gezondheidszorg.(39) Deze solidariteit impliceert mijns inziens een herverdeling van inkomsten ten gunste van personen die zonder dit stelsel vanwege hun financiële mogelijkheden en/of gezondheid waarschijnlijk verstoken zouden blijven van aanvullende dekking. Voorts lijkt, onder voorbehoud van toetsing door de verwijzende rechter, AG2R geen enkele beoordelingsvrijheid te hebben, noch met betrekking tot de vaststelling en de herziening van de hoogte van de bijdragen, aangezien enkel de sociale partners – op basis van de resultaten van het stelsel en andere algemenere punten – hiertoe bevoegd zijn, noch met betrekking tot de waarde van de geboden prestaties.
73. Het orgaan dat het aanvullende stelsel van gezondheidszorg beheert, bevindt zich mijns inziens dus in een duidelijk andere situatie dan het pensioenfonds in het arrest Albany, dat, zoals gezegd, zelf de hoogte van de bijdragen en de uitkeringen vaststelde.
74. Bovendien heeft AG2R, anders dan de situatie die ten grondslag lag aan laatstgenoemd arrest, geen enkele mogelijkheid om vrijstelling van de aansluitingsplicht te verlenen aan een onderneming die haar werknemers reeds bij een andere, concurrerende voorzorgsinstelling heeft verzekerd, een element dat in het arrest Albany werd aangemerkt als bewijs van het economische karakter van de activiteit van het pensioenfonds waar het in die zaak om ging.
75. Wat de uitvoering van het solidariteitsbeginsel betreft, lijkt de situatie van het hoofdgeding dus dichter bij die van de arresten Poucet en Pistre, Cisal, AOK Bundesverband e.a. en Kattner Stahlbau te liggen, waarin de organen die belast waren met het beheer van de verschillende wettelijke stelsels van sociale bescherming op basis van de aan het Hof voorgelegde feitelijke en juridische gegevens niet zijn aangemerkt als ondernemingen in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag.
76. Anders dan in de situaties waar het in deze vier arresten om ging, wordt de hoogte van de bijdrage in het kader van het litigieuze aanvullende stelsel van gezondheidszorg weliswaar niet vastgesteld naar het inkomen van de aangeslotenen. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen uiteenzet, is dit evenwel niet een teken voor een lagere graad van solidariteit, maar houdt dit veeleer verband met het feit dat het ingevoerde stelsel de werkelijke kosten vergoedt en niet een vervangend inkomen toekent.
77. Dat neemt niet weg dat, in de tweede plaats, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de arresten Poucet en Pistre, Cisal, AOK Bundesverband e.a. en Kattner Stahlbau, de overheid geen enkele rol speelt bij de aanwijzing van het orgaan dat het aanvullende stelsel van gezondheidszorg beheert en dat, gelet op het Franse rechtskader, een orgaan als AG2R vooral concurreert met verzekeringsmaatschappijen.
78. Hierbij wil ik enerzijds opmerken dat wanneer de sociale partners hebben gekozen voor verdeling van de risico’s op bedrijfstakniveau, zoals in het hoofdgeding, zij op geen enkele wijze verplicht zijn om een voorzorgsinstelling zoals AG2R aan te wijzen als beheerder van een dergelijk stelsel.(40) Ingevolge artikel 1 van wet nr. 89‑1009, zoals gewijzigd bij wet nr. 94‑678, waarnaar artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale verwijst, kunnen die risico’s ook worden verzekerd bij verzekeringsmaatschappijen die onder de verzekeringswet vallen, alsook bij onderlinge verzekeringsmaatschappijen. Wanneer deze partners dus ervoor hebben gekozen om het beheer van het aanvullende stelsel van gezondheidszorg toe te vertrouwen aan een voorzorgsinstelling, dan is dat het resultaat van een vrije keuze tussen verschillende in aanmerking komende aanbieders.(41) Bijgevolg kan zeer zeker niet worden uitgesloten dat de keuze voor een bepaald orgaan niet enkel berust op overwegingen met betrekking tot de wijze van beheer, zoals het paritair beheer in het geval van een voorzorgsinstelling, maar ook op overwegingen van financiële en economische aard, zodat men zou kunnen zeggen dat een dergelijk orgaan zich als dienstverlener positioneert ten opzichte van sociale partners die via collectieve onderhandelingen de werknemers van een bepaalde bedrijfstak een aanvullende dekking van de kosten van gezondheidszorg willen aanbieden.(42)
79. Anderzijds blijkt uit de in punt 9 van deze conclusie genoemde relevante bepalingen van de Code de la sécurité sociale eveneens dat voorzorgsinstellingen als AG2R moeten worden erkend door de nationale autoriteit voor bedrijfseconomisch toezicht en, evenals verzekeringsmaatschappijen, onderworpen zijn aan wettelijke en reglementaire verplichtingen inzake voorzieningen en solvabiliteit, mede en met name wanneer zij zijn aangewezen als beheersorganen van een aanvullend stelsel als dat waar het in het hoofdgeding om gaat.
80. Hoewel niet kan worden ontkend dat een aanvullend stelsel van gezondheidszorg als het onderhavige het solidariteitsbeginsel ten uitvoer brengt, ben ik niettemin van mening dat de zojuist genoemde overwegingen er voor pleiten om het beheersorgaan van een dergelijk stelsel, zoals een voorzorgsinstelling als AG2R, aan te merken als een onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag.
2. De machtspositie die een orgaan voor het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, zoals AG2R, inneemt en het mogelijke misbruik ervan
81. Wat dit punt betreft, vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of AG2R ertoe wordt aangezet misbruik te maken van haar machtspositie doordat zij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg beheert dat een verplichting tot aansluiting kent zonder mogelijkheid van vrijstelling, en dat door de overheid algemeen verbindend is verklaard voor alle Franse ambachtelijke bakkerij- en banketbakkerijondernemingen.
82. Dienaangaande volgt uit de arresten Albany, Brentjens, Drijvende Bokken en Pavlov e.a., dat een besluit van de overheid om de deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht te stellen, noodzakelijkerwijs betekent dat dit fonds het uitsluitend recht krijgt de voor de opbouw van pensioenrechten betaalde premies te innen en te beheren. Een dergelijk fonds moet dan ook worden beschouwd als onderneming waaraan door de overheid uitsluitende rechten zijn verleend in de zin van artikel 90, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 86, lid 1, EG).(43)
83. Deze beoordeling kan zeker ook toepassing vinden op de situatie van het hoofdgeding.
84. Door de verplichte aansluiting bij het litigieuze aanvullende stelsel van gezondheidszorg, die volgens de verwijzende rechter voortvloeit uit artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale en de bepalingen van de aanvullende overeenkomst, alsook het overheidsbesluit om deze aansluiting uit te breiden tot alle ondernemingen van de ambachtelijke bakkers- en banketbakkerssector in Frankrijk, wordt namelijk aan het met het beheer van een dergelijk stelsel belaste orgaan het uitsluitend recht toegekend bijdragen te heffen voor de vorming van een aanvullende dekking van de kosten van gezondheidszorg van de werknemers van die sector. Dit orgaan kan bijgevolg worden beschouwd als onderneming met uitsluitende rechten in de zin van artikel 86, lid 1, EG.
85. Met betrekking tot het innemen door deze onderneming van een machtspositie in de zin van artikel 82 EG, herinner ik er ook aan dat het Hof in de in punt 82 van deze conclusie aangehaalde vier arresten heeft verklaard dat volgens vaste rechtspraak een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een dergelijke machtspositie in te nemen.(44)
86. Ofschoon de verwijzende rechter geen inlichtingen verstrekt over de omvang van de relevante productmarkt – een vraag die overigens aanleiding lijkt te geven tot meningsverschillen(45) –, moet niettemin worden vastgesteld dat, evenals de pensioenfondsen waar het in de vier genoemde arresten om ging, een voorzorgsinstelling als AG2R, die een wettelijk monopolie bezit voor de levering van bepaalde verzekeringsdiensten in een bedrijfssector in een lidstaat, dat wil zeggen op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, kan worden geacht een machtspositie in te nemen in de zin van artikel 82 EG.(46)
87. Het Hof heeft evenwel herhaaldelijk verklaard dat het enkele feit dat door het verlenen van uitsluitende rechten als bedoeld in artikel 86, lid 1, EG een machtspositie wordt gecreëerd, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 82 EG. Een lidstaat handelt slechts in strijd met de in deze twee bepalingen vervatte verboden wanneer de betrokken onderneming door de enkele uitoefening van de haar toegekende uitsluitende rechten misbruik van haar machtspositie maakt, of indien deze rechten een situatie kunnen creëren waarin die onderneming tot een dergelijk misbruik wordt gebracht.(47)
88. Zo is als een inbreuk op artikel 82, tweede volzin, sub b, EG(48) en artikel 86, lid 1, EG aangemerkt, wegens het begunstigen van de beperking van de productie of de afzet, de handelwijze van een lidstaat die een situatie in het leven roept waarin de dienstverlening wordt beperkt, wanneer de onderneming waaraan hij een uitsluitend recht op een bepaalde markt heeft verleend, kennelijk niet in staat is aan de op de markt bestaande vraag te voldoen en de daadwerkelijke marktactiviteit van particuliere ondernemingen onmogelijk wordt gemaakt door de handhaving van een wettelijke bepaling die die activiteit verbiedt op straffe van nietigheid van de betrokken overeenkomsten.(49)
89. Dienaangaande wijs ik erop dat de verwijzende rechter het feit dat AG2R klaarblijkelijk niet in staat is om te voldoen aan de van de markt uitgaande vraag, rechtstreeks lijkt af te leiden uit het ontbreken van enige mogelijkheid voor deze onderneming om vrijstelling van de aansluiting bij het aanvullende stelsel van gezondheidszorg te verlenen, gelet op het bepaalde in artikel L. 912‑1 van de Code de la sécurité sociale.(50)
90. Gelet op de aan het Hof gestelde vraag, die nu juist gaat over mogelijk misbruik van machtspositie, is het nogal twijfelachtig of deze feitelijke beoordeling wel als definitief kan worden beschouwd, temeer omdat zij niet nader wordt onderbouwd.
91. Het is weliswaar aannemelijk dat bepaalde ondernemingen in de Franse ambachtelijke bakkerij- en banketbakkerijsector de verzekering van hun werknemers bij andere verzekeraars willen laten doorlopen, zoals dit ook bij Beaudout het geval is, of zelfs hun werknemers een andere dekking van de kosten van gezondheidszorg willen aanbieden dan die welke wordt gegeven door de in de aanvullende overeenkomst aangewezen beheerder van het aanvullend stelsel.
92. Het feit dat deze ondernemingen het beheer van een dergelijk aanvullend stelsel van gezondheidszorg niet aan een andere verzekeraar dan AG2R(51) kunnen toevertrouwen of zich niet kunnen wenden tot een ander orgaan, ook niet individueel, en de hieruit voortvloeiende beperking van de mededinging is evenwel het directe gevolg van het uitsluitend recht dat is toegekend aan de met het beheer van dit stelsel belaste voorzorgsinstelling.(52)
93. Ten slotte lijkt het aan het beheersorgaan van het stelsel opgelegde verbod om vrijstelling van aansluiting te verlenen, te stroken met zowel de toekenning van een uitsluitend recht als met de toepassing van een hoge graad van solidariteit.
94. Ik wijs er overigens op dat het Hof in de arresten Albany, Brentjens en Drijvende Bokken de modaliteiten van de vrijstelling van de aansluiting bij het in die zaken in geding zijnde pensioenstelsel enkel heeft onderzocht om na te gaan of de in dit geval aan het pensioenfonds toegekende vrijstellingsbevoegdheid in bepaalde gevallen het fonds ertoe zou kunnen aanzetten om misbruik van zijn machtspositie te maken.(53)
95. De omstandigheid dat in de zaken die zijn uitgemond in deze drie arresten, het Koninkrijk der Nederlanden het pensioenfonds had verplicht om vrijstelling te verlenen aan ondernemingen van een bedrijfssector die rechten verleenden die ten minste gelijkwaardig waren aan die welke hun werknemers bij deelneming aan dit pensioenfonds zouden verwerven, kan echter niet tot gevolg hebben dat een dergelijke verplichting ook moet worden opgelegd in een andere lidstaat. Gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten met betrekking tot de inrichting van hun socialezekerheidsstelsels(54) staat het mijns inziens aan de lidstaten zelf om, rekening houdend met de bijzonderheden van hun nationale stelsel van vergoeding van de kosten van gezondheidszorg, de voorwaarden te beoordelen die het niveau van dekking verzekeren dat zij in een bepaalde sector willen garanderen door het verplicht stellen van de aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, mede gelet op de graad van solidariteit die zij binnen deze sector willen handhaven.
96. Zoals ik reeds in punt 29 van mijn conclusie heb opgemerkt, lijkt de verwijzende rechter er kennelijk van uit te gaan dat de overstapclausule, dat wil zeggen de uitsluiting van de mogelijkheid van vrijstelling van aansluiting, naar nationaal recht ook geldt voor ondernemingen die vóór de algemeenverbindendverklaring van de aanvullende overeenkomst door de overheid contracten met andere hadden gesloten die een mogelijk ruimere dekking boden dan het aanvullende stelsel van gezondheidszorg.
97. Wat dit betreft ben ik niet helemaal overtuigd door het betoog van de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen dat de verplichte aansluiting bij het door AG2R beheerde stelsel in het geheel geen beletsel is voor ondernemingen om een bijkomende aanvullende verzekering af te sluiten wanneer zij voor hun werknemers een betere dekking wensen. Het spreekt immers voor zich dat een dergelijke bijkomende gezondheidszorgverzekering duurder is voor de ondernemingen van de betrokken sector dan een alternatieve aansluiting, die mogelijk zou zijn in geval van een eventuele vrijstelling van aansluiting voor de ondernemingen die hun werknemers reeds een ruimere dekking bieden dan het door AG2R beheerde stelsel.
98. Dat neemt niet weg dat het dossier geen enkel bewijs bevat voor de ter terechtzitting herhaalde bewering van Beaudout, dat de waarborgen die door de op 10 oktober 2006 afgesloten verzekering worden geboden ruimer zijn dan die van het door AG2R beheerde stelsel.
99. Bovendien is het geenszins eenvoudig om de door de verzekeringsmaatschappij geboden waarborgen te vergelijken met die van het door AG2R beheerde stelsel – wat geen taak van het Hof is, maar van de verwijzende rechter – omdat rekening moet worden gehouden met alle geboden waarborgen en niet enkel met bepaalde afzonderlijke prestaties.
100. In elk geval verwijzen de Franse en de Duitse regering alsmede de Commissie naar artikel 86, lid 2, EG als mogelijkheid om misbruik uit te sluiten. In het bijzonder menen zij dat de motivering in de punten 102‑111 van het arrest Albany zonder meer ook van toepassing is op de situatie van AG2R in het hoofdgeding.
101. Ik neig er sterk toe deze zienswijze te delen.
102. Met betrekking tot in de eerste plaats de taak van algemeen economisch belang die zou kunnen worden gegeven aan een orgaan als AG2R, moet eraan worden herinnerd dat door onder bepaalde voorwaarden afwijkingen van de algemene verdragsregels toe te staan, artikel 86, lid 2, EG beoogt het belang van de lidstaten om bepaalde ondernemingen in te zetten als instrument van economisch of sociaal beleid, te verzoenen met het belang van de Europese Unie bij de naleving van de mededingingsregels en het behoud van de eenheid van de gemeenschappelijke markt.(55)
103. Bijgevolg zijn de lidstaten bevoegd om bij hun definitie van de diensten van algemeen economisch belang waarmee zij bepaalde ondernemingen belasten, rekening te houden met doelstellingen van hun nationaal beleid en te trachten deze te verwezenlijken door middel van verplichtingen en beperkingen die zij aan die ondernemingen opleggen.(56)
104. Aansluiting zoekend bij hetgeen het Hof heeft verklaard met betrekking tot de aanvullende pensioenregeling waar het in het arrest Albany om ging, ben ik van mening dat er voldoende aanwijzingen zijn om te kunnen concluderen dat het door AG2R beheerde aanvullende stelsel van gezondheidszorg een zodanig essentiële sociale functie vervult dat het binnen de categorie van diensten van algemeen economisch belang in de zin van artikel 86, lid 2, EG valt.
105. In de eerste plaats heeft dit stelsel namelijk een hoge graad van solidariteit met de reeds in de punten 70‑72 van deze conclusie genoemde kenmerken in het leven geroepen, waarmee kan worden voorzien in de dekking van de gezondheidskosten van werknemers van een specifieke bedrijfstak, wier lage inkomen de toegang tot gezondheidszorg zou kunnen belemmeren, met name door het toenemende, door de Commissie belichte, verschijnsel dat de honoraria in de gezondheidszorg hoger zijn dan de door het verplichte basisstelsel vergoede tarieven. In de tweede plaats zijn er de bijzondere wettelijke verplichtingen waaraan een voorzorgsinstelling als AG2R moet voldoen. Zoals de Franse regering heeft opgemerkt, en onder voorbehoud van toetsing door de verwijzende rechter, bepaalt bijvoorbeeld artikel L. 932‑9, vijfde alinea, van de Code de la sécurité sociale dat in geval van niet‑betaling van de bijdragen een dergelijke instelling noch de dekking kan opschorten, noch een onderneming van aansluiting kan uitsluiten. Bovendien schrijft artikel L. 932‑10 van deze wet voor dat in het geval van een vrijwarings-, een sanerings- of een liquidatieprocedure tegen een onderneming van de betrokken sector de dekking blijft voortbestaan.
106. In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak dat het, om de voorwaarden voor de toepassing van artikel 86, lid 2, EG als vervuld te kunnen beschouwen, bovendien niet noodzakelijk is dat het financiële evenwicht of de economische levensvatbaarheid van de met een dienst van algemeen economisch belang belaste onderneming wordt bedreigd. Het volstaat dat de onderneming zonder de litigieuze rechten de haar opgedragen bijzondere taak zoals die door de haar opgelegde verplichtingen en beperkingen nader wordt bepaald, niet kan vervullen, of dat handhaving van die rechten noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem opgedragen taak van algemeen economisch belang onder economisch aanvaardbare omstandigheden te vervullen.(57)
107. Bijgevolg kan ik niet instemmen met het argument van Beaudout dat de invoering van een vrijstelling van aansluiting geen enkel gevaar vormt voor het financiële evenwicht van het orgaan dat is belast met het beheer van het stelsel dat door de aanvullende overeenkomst in het leven is geroepen en door de overheid algemeen verbindend is verklaard.
108. Het is juist aannemelijker dat in geval van afschaffing van het uitsluitend recht van het met het beheer van het aanvullende stelsel van gezondheidszorg belaste orgaan, in het bijzonder door de invoering van een vrijstelling van aansluiting ten gunste van andere verzekeraars, zoals door Beaudout wordt voorgesteld, dit orgaan wordt opgezadeld met een groeiend aantal „slechte risico’s”, waardoor de in het kader van dit stelsel verschuldigde bijdragen zouden moeten worden verhoogd(58), zodat het niet meer in staat is om zich onder aanvaardbare economische voorwaarden van zijn taak te kwijten.
109. Op grond van de hoge graad van solidariteit van het door de aanvullende overeenkomst ingevoerde en door de overheid algemeen verbindend verklaarde aanvullende stelsel verzekert de overstapclausule – of, in andere woorden, de afwezigheid van de mogelijkheid van vrijstelling van aansluiting – dat het solidariteitsbeginsel niet wordt ondergraven, aangezien wordt voorzien in een dekking van de kosten van gezondheidszorg voor alle werknemers van deze sector, die gekenmerkt wordt door kleine en middelgrote ondernemingen die hun werknemers niet zonder meer zelf een vergelijkbaar niveau van dekking kunnen bieden.(59)
110. Zoals de Franse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt, kunnen bovendien de organen die in aanmerking komen voor het beheer van een dergelijk stelsel, zonder een dergelijke overstapclausule worden afgeschrikt van het aanbieden van een aanvullende zorgverzekering, wanneer zij genoodzaakt zouden zijn om merendeels „slechte risico’s” te dekken, terwijl de „goede risico’s” bij andere verzekeraars blijven ondergebracht. De verwezenlijking van de doelstellingen die de sociale partners met de invoering van een dergelijk op de verdeling van beroeps- en bedrijfsrisico’s gebaseerd stelsel nastreven, zou op die wijze gevaar lopen.
111. Bijgevolg ben ik van mening dat een uitsluitend recht dat wordt toegekend aan een orgaan dat is belast met het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg als dat waar het in het hoofdgeding om gaat, gerechtvaardigd kan zijn op de grondslag van artikel 86, lid 2, EG.
112. In deze omstandigheden geef ik het Hof in overweging het tweede deel van de prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat de artikelen 82 EG en 86 EG zich niet ertegen verzetten dat de overheid een voorzorgsinstelling als die waar het in het hoofdgeding om gaat, het uitsluitend recht verleent van het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg in een bepaalde bedrijfstak, zonder dat de ondernemingen van deze bedrijfstak de mogelijkheid hebben om van aansluiting bij dit stelsel te worden vrijgesteld.
VI – Conclusie
113. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Tribunal de grande instance de Périgueux als volgt te beantwoorden:
„1) De invoering van een regeling van aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, die de aansluiting bij één enkel orgaan voorschrijft zonder enige mogelijkheid voor de betrokken ondernemingen om van aansluiting te worden vrijgesteld, valt niet onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG. De artikelen 10 EG en 81 EG staan niet in de weg aan het op verzoek van de werkgevers‑ en werknemersorganisaties van een bepaalde bedrijfstak door de overheid genomen besluit om een uit collectieve onderhandelingen voortgekomen overeenkomst die voorziet in de aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, verbindend te verklaren voor alle ondernemingen van die bedrijfstak.
2) De artikelen 82 EG en 86 EG verzetten zich niet ertegen dat de overheid een voorzorgsinstelling als die waar het in het hoofdgeding om gaat, het uitsluitend recht verleent van het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg in een bepaalde bedrijfstak, zonder dat de ondernemingen van deze bedrijfstak de mogelijkheid hebben om van aansluiting bij dit stelsel te worden vrijgesteld.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Ik wijs erop dat drie andere prejudiciële verzoeken – afkomstig van het Tribunal d’instance de Dax (Frankrijk) betreffende de uitlegging van de mededingingsregels van het Verdrag – in soortgelijke zaken tussen AG2R en ondernemingen van de Franse ambachtelijke bakkerij- en banketbakkerijsector momenteel aanhangig zijn voor het Hof (gevoegde zaken C‑97/10–C‑99/10, AG2R Prévoyance). Aangezien het prejudiciële verzoek dateert van voor de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verwijs ik naar de bepalingen van het EG-Verdrag.
3 – Zie de studie van het Franse ministère du Travail, de la Solidarité et de la Fonction publique – direction de la recherche, des études, de l’évaluation et des statistiques (DREES) (ministerie van Werkgelegenheid, Solidariteit en Openbare Dienst, directie onderzoek, evaluatie en statistiek), Les contrats les plus souscrits auprès des complémentaires santé en 2007, études et résultats, nr. 698, augustus 2009, blz. 2, beschikbaar op de website .
4 – Artikelen L. 931‑5 tot en met L. 931‑8‑1 van de code de la sécurité sociale.
5 – Zie met name de artikelen R. 931‑10‑12 tot en met R. 931‑10‑16 van de code de la sécurité sociale, inzake de verplichtingen en de technische voorzieningen die gelden voor de voorzorgsinstellingen op het gebied van schadeverzekeringen.
6 – Zie met name de artikelen R. 931‑10‑3 tot en met R. 931‑10‑5 van de code de la sécurité sociale inzake de solvabiliteitsmarge van voorzorgsinstellingen op het gebied van schadeverzekeringen.
7 – Deze bijlage bevat een gedetailleerde opsomming van een reeks kosten die onder de dekking vallen: ziekenhuisopnamen, chirurgische ingrepen, medische handelingen, tandartszorg, brillen/contactlenzen, thermale kuren, zwangerschap en bevalling, alsmede preventieve gezondheidszorg.
8 – Dit bedrag was 32 EUR voor het stelsel Alsace-Moselle. Volgens de inlichtingen van de betrokken partijen is dit bedrag met ingang van 1 januari 2008 verlaagd tot 28 EUR (zie artikel 2 van aanvulling nr. 2 van 12 november 2007 bij de aanvullende overeenkomst, die door de Franse regering bij haar schriftelijke opmerkingen is gevoegd).
9 – Besluit houdende algemeenverbindendverklaring van een aanvullende overeenkomst bij de nationale collectieve overeenkomst voor het bakkers- en banketbakkersbedrijf (ambachtelijke ondernemingen), JORF van 25 oktober 2006, blz. 15787.
10 – C‑67/96, Jurispr. blz. I‑5751.
11 – Deze uitlegging lijkt voort te vloeien uit een arrest van de sociale kamer van de Franse Cour de Cassation van 10 oktober 2007, waarnaar AG2R heeft verwezen voor de verwijzende rechter en dat zij als bijlage heeft overgelegd bij haar schriftelijke opmerkingen voor het Hof.
12 – In het hoofdgeding lijkt Beaudout te betogen dat de aanvullende overeenkomst in strijd is met artikel L. 912‑1 van de code de la sécurité sociale, omdat de in artikel 14 van de aanvullende overeenkomst opgenomen overstapclausule ook toepasselijk kan worden wanneer de overeenkomst die is gesloten met een verzekeraar vóór de algemeenverbindendverklaring door de overheid van het litigieuze stelsel van risicoverdeling, ruimere waarborgen biedt dan het laatstgenoemde, hetgeen het geval zou zijn bij de op 10 oktober 2006 met ABELA afgesloten verzekering.
13 – Zie in het bijzonder arrest van 17 november 1993, Meng (C‑2/91, Jurispr. blz. I‑5751, punt 14); arrest Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 65); arresten van 21 september 1999, Brentjens (C‑115/97–C‑117/97, Jurispr. blz. I‑6025, punt 65) en Drijvende Bokken (C‑219/97, Jurispr. blz. I‑6121, punt 55), en 19 februari 2002, Arduino (C‑35/99, Jurispr. blz. I‑1529, punt 34).
14 – Zie in die zin in het bijzonder arresten van 5 maart 2009, Kattner Stahlbau (C‑350/07, Jurispr. blz. I‑1513, punten 25 en 26), en 27 oktober 2009, ČEZ (C‑115/08, Jurispr. blz. I‑10265, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 – Arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punten 59 en 60), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punten 56 en 57) en Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punten 46 en 47).
16 – Arrest van 21 september 2000 (C‑222/98, Jurispr. blz. I‑7111, punt 25).
17 – Zie arrest Van der Woude (aangehaald in voetnoot 16, punten 26 en 27) en de punten 24‑26 en 31 van de conclusie van advocaat-generaal Fennelly in die zaak.
18 – Zie punten 193 en 194 van de conclusie in de zaken die hebben geleid tot de arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13) en Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13).
19 – Zie punt 281.
20 – Zie in die zin arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punten 66 en 68), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punten 66 en 68) en Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punten 56 en 58).
21 – Arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 66), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punt 66) en Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punt 56).
22 – Arrest van 12 september 2000 (C‑180/98-C‑184/98, Jurispr. blz. I‑6451).
23 – Zie respectievelijk arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punten 87, 92, 111 en 123), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punten 87, 92, 111 en 123), Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punten 77, 82, 101 en 113) en Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punten 119, 126 en 130).
24 – Volgens de rechtspraak inzake de bevoegdheidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechter in de prejudiciële procedure behoort de beoordeling van de feiten van het hoofdgeding tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter. Zie in het bijzonder arresten van 15 mei 2003, RAR (C‑282/00, Jurispr. blz. I‑4741, punt 47); 10 juni 2010, Fallimento Traghetti del Mediterraneo (C‑140/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 22), en 8 september 2010, Stoß e.a. (C‑316/07, C‑358/07–C‑360/07, C‑409/07 en C‑410/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 62).
25 – Zie naar analogie met betrekking tot staatssteun, arrest Fallimento Traghetti del Mediterraneo (aangehaald in voetnoot 24, punt 26).
26 – Zoals in het arrest van 12 februari 2009, Vereniging Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (C‑515/07, Jurispr. blz. I‑839, punten 29‑40), waarin het Hof de premisse die de grondslag vormde van de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter afwees. Deze premisse bestond in een onjuiste uitlegging van een bepaling van afgeleid Unierecht die door de nationale rechter van toepassing werd geacht op de feiten van het hoofdgeding. Zie ook mijn conclusie van 22 december 2008 in deze zaak (punten 18 en 19, alsook 35‑57).
27 – Zie in het bijzonder arresten van 23 april 1991, Höfner en Elser (C‑41/90, Jurispr. blz. I‑1979, punt 21); 17 februari 1993, Poucet en Pistre (C‑159/91 en C‑160/91, Jurispr. blz. I‑637, punt 17), en 16 november 1995, Fédération française des sociétés d’assurance e.a. (C‑244/94, Jurispr. blz. I‑4013, punt 14); arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 77), en Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punten 74 en 108); arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a. (C‑309/99, Jurispr. blz. I‑1577, punt 46), en 16 maart 2004, AOK Bundesverband e.a. (C‑264/01, C‑306/01, C‑354/01 en C‑355/01, Jurispr. blz. I‑2493, punt 46), en arrest Kattner Stahlbau (aangehaald in voetnoot 14, punt 34).
28 – Zie in het bijzonder arresten Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punt 75) en arrest van 1 juli 2008, MOTOE (C‑49/07, Jurispr. blz. I‑4863, punt 22).
29 – Zie dienaangaande in het bijzonder arrest Poucet en Pistre (aangehaald in voetnoot 27, punten 8‑15), arrest van 22 januari 2002, Cisal (C‑218/00, Jurispr. blz. I‑691, punten 37‑46), en arresten AOK Bundesverband e.a. (aangehaald in voetnoot 27, punten 47‑57) en Kattner Stahlbau (aangehaald in voetnoot 27, punten 43‑68).
30 – Zie arrest Poucet en Pistre (aangehaald in voetnoot 27, punten 15 en 18). Zie ook in dezelfde zin arrest AOK Bundesverband e.a. (aangehaald in voetnoot 27, punten 52‑56).
31 – Zie arrest Cisal (aangehaald in voetnoot 28, punten 42, 43 en 45).
32 – Zie arrest AOK Bundesverband e.a. (aangehaald in voetnoot 27, punt 49).
33 – Zie arrest Fédération française des sociétés d’assurance e.a. (aangehaald in voetnoot 27, punten 9 en 17‑20).
34 – Arrest Albany (aangehaald in voetnoot 10, punten 81‑85). Zie ook arresten Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punten 81‑85), Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punten 71‑75) en Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punten 114 en 115).
35 – Zie dienaangaande arresten Cisal (aangehaald in voetnoot 29, punt 43) en Kattner Stahlbau (aangehaald in voetnoot 27, punt 65).
36 – Zie in het bijzonder arresten Cisal (aangehaald in voetnoot 29, punt 44) en Kattner Stahlbau (aangehaald in voetnoot 27, punt 65).
37 – Zoals reeds vermeld, was dit 32 EUR in 2007 voor het stelsel Alsace‑Moselle, en vanaf 2008 28 EUR.
38 – Zie artikel 1 van aanvullende overeenkomst nr. 2 van 12 november 2007 bij de aanvullende overeenkomst.
39 – Zie artikel 2 van aanvulling nr. 5 van 21 juli 2009 bij de aanvullende overeenkomst. Met betrekking tot het wettelijk stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering in Frankrijk is op een overeenkomstig aspect gewezen in het arrest Poucet en Pistre (aangehaald in voetnoot 27, punt 10).
40 – Evenmin als laatstgenoemde wettelijk verplicht is om een aanvullend gezondheidszorgstelsel te beheren.
41 – In casu lijkt de keuze van de aanbieder niet te zijn voorafgegaan door een aanbesteding. Dit kan in voorkomend geval de vraag doen rijzen of de sociale partners zijn gebonden aan de beginselen van transparantie en gelijke behandeling bij de keuze van de beheerder van aanvullende socialezekerheidsstelsels als het stelsel waar het in het hoofdgeding om gaat. Dit punt is evenwel niet het voorwerp van het prejudiciële verzoek.
42 – Volgens de in voetnoot 3 aangehaalde studie van het Franse ministerie van Werkgelegenheid, Solidariteit en Openbare Dienst werd in 2007 42 % van de collectieve contracten voor aanvullende gezondheidszorg, met verplichte of vrijwillige aansluiting, aangeboden door onderlinge verzekeringsmaatschappijen, 38 % door voorzorgsinstellingen en 20 % door verzekeringsmaatschappijen. Hoewel deze cijfers de indruk wekken dat het beheer van aanvullende stelsels van gezondheidszorg minder aantrekkelijk lijkt voor verzekeringsmaatschappijen dan het beheer van individuele contracten (27 %), blijkt dat de verzekeringsmaatschappijen in 2001 niettemin een vijfde deel van de markt in handen hadden.
43 – Arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 90), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punt 90), Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punt 80) en Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punt 122).
44 – Zie arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 91), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punt 91), Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punt 81) en in die zin Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punt 126).
45 – Zo moet volgens de Commissie bij de vraag of AG2R een machtspositie heeft, worden nagegaan of de betrokken productmarkt moet worden beperkt tot de contracten die voorzien in de vergoeding van de kosten van gezondheidszorg in de sector van het ambachtelijke bakkers- en banketbakkersbedrijf (het standpunt van Beaudout), dan wel veel ruimer moet worden opgevat, bijvoorbeeld als de Franse markt van contracten op het gebied van aanvullende gezondheidszorg, of zelfs de Franse voorzorgsmarkt.
46 – Zie naar analogie arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 92), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punt 92), Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punt 82) en Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punt 126). Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan het grondgebied van een lidstaat een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt vormen. Zie dienaangaande in het bijzonder arrest van 9 november 1983, Nederlandsche Banden-Industrie-Michelin/Commissie (322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 28); arrest Höfner en Elser (aangehaald in voetnoot 27, punt 28), en arrest van 11 december 1997, Job Centre (C‑55/96, Jurispr. blz. I‑7119, punt 30).
47 – Zie in het bijzonder arresten Höfner en Elser (aangehaald in voetnoot 27, punt 29), Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 93), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punt 93), Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punt 83), Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punt 127) en MOTOE (aangehaald in voetnoot 28, punt 49).
48 – Dit misbruik kan met name bestaan in het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers.
49 – Zie arrest Höfner en Elser (aangehaald in voetnoot 27, punt 31). Zie ook arrest Job Centre (aangehaald in voetnoot 46, punt 35), arrest van 8 juni 2000, Carra e.a. (C‑258/98, Jurispr. blz. I‑4217, punt 13), en arrest Pavlov e.a. (aangehaald in voetnoot 22, punt 127).
50 – Zie punten 19 en 20 van de verwijzingsbeslissing: „[...] de bepalingen van artikel L. 912‑1 van de code de la sécurité sociale [laten] geen ruimte om te voorzien in een dergelijke vrijstelling van aansluiting. In die omstandigheden [...] [lijkt] AG2R [...] in de bakkerij‑ en banketbakkerijsector een machtspositie in te nemen en in die context kennelijk niet in staat te zijn om te voldoen aan de van de markt uitgaande vraag naar dit type activiteit.”
51 – Ingevolge de aanvullende overeenkomst en overeenkomstig artikel L. 912‑1 van de code de la sécurité sociale is het beheer van het litigieuze stelsel van aanvullende gezondheidszorg slechts voor een eerste termijn van vijf jaar aan AG2R toevertrouwd.
52 – Zie naar analogie arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 97), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punt 97) en Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punt 87).
53 – Zie arresten Albany (aangehaald in voetnoot 10, punten 112‑121), Brentjens (aangehaald in voetnoot 13, punten 112‑121) en Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punten 102‑111).
54 – Zie in het bijzonder arresten Poucet en Pistre (aangehaald in voetnoot 27, punt 6), Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 122), Brentjens (punt 122) en Drijvende Bokken (aangehaald in voetnoot 13, punt 112).
55 – Zie in die zin arresten van 19 maart 1991, Frankrijk/Commissie (202/88, Jurispr. blz. I‑1223, punt 12), en 23 oktober 1997, Commissie/Frankrijk (C‑159/94, Jurispr. blz. I‑5815, punt 55), en arrest Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 103).
56 – Zie in die zin arresten Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 55, punt 56) en Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 104).
57 – Zie in het bijzonder arresten Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 55, punten 95 en 96) en Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 107).
58 – Zie naar analogie arrest Albany (aangehaald in voetnoot 10, punt 108).
59 – Volgens de inlichtingen van de Franse regering heeft meer dan 90 % van de Franse bakkerijondernemingen minder dan 10 werknemers in dienst.
Full & Egal Universal Law Academy