CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 7 december 2010 (1)
Zaak C‑484/09
Manuel Carvalho Ferreira Santos
tegen
Companhia Europeia de Seguros, SA
[verzoek van het Tribunal da Relação Porto (Portugal) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG en 90/232/EEG – Verplichte motorrijtuigenverzekering – Regeling van wettelijke aansprakelijkheid voor ongevallen ten gevolge van deelneming aan verkeer van motorrijtuigen – Beperking van recht op schadevergoeding door verplichte verzekering wegens bijdrage tot schade door een van voor ongeval verantwoordelijke bestuurders – Medeveroorzaking van ongeval door beide bestuurders niet vaststelbaar – Risicoaansprakelijkheid”
I – Inleiding
1. Het Portugese Tribunal da Relação Porto heeft het Hof krachtens artikel 234 EG(2) een vraag gesteld betreffende de uitlegging van de richtlijnen 72/166/EEG(3), 84/5/EEG(4) en 90/232/EEG(5). Kort gezegd wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de aangehaalde richtlijnen in de weg staan aan een nationale privaatrechtelijke regeling op grond waarvan, in geval van medeveroorzaking van de schade door de benadeelde, de aansprakelijkheid kan worden verdeeld naar evenredigheid van de mate waarin het van elk van de voertuigen uitgaande risico heeft bijgedragen aan de schade, waardoor de hoogte van de vergoedingsaanspraak van het slachtoffer van het ongeval op de motorrijtuigenverzekeraar wordt verminderd.
2. Deze vraag is gerezen in een geding tussen Carvalho en Companhia Europeia de Seguros, SA, een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekeraar, over de volledige vergoeding van de ten gevolge van een verkeersongeval door hem geleden materiële en immateriële schade. Gezien het feit dat de rechtstreekse toepassing van de bovengenoemde nationale regeling leidt tot een halvering van het bedrag van de schadevergoedingsaanspraak, verdient de aan de orde gestelde verenigbaarheid van deze nationale regeling met het recht van de Unie nadere beschouwing.
II – Normatief kader
A – Recht van de Unie(6)
3. In 1972 is de Uniewetgever begonnen door middel van richtlijnen de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen onderling aan te passen.
4. De Eerste richtlijn voorziet voor alle lidstaten in de opheffing van de controle van de groene kaart aan de grenzen en in de invoering van een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering die dekking biedt voor de op het grondgebied van de Gemeenschap veroorzaakte schade.
5. Uitgaande van het beginsel dat slachtoffers van verkeersongevallen, wanneer de aansprakelijkheid is vastgesteld, schadevergoeding moeten krijgen van een solvente schuldenaar, bepaalt artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn:
„Iedere lidstaat treft [...] de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld.”
6. Voorts bepaalt artikel 3, lid 2, van de Eerste richtlijn het volgende:
„Iedere lidstaat treft de nodige maatregelen opdat door de verzekeringsovereenkomst eveneens worden gedekt:
– de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de in deze staten geldende wettelijke regelingen,
[...]”
7. Met de Tweede richtlijn wilde de gemeenschapswetgever de uiteenlopende regelingen van deze verplichte verzekering op inhoudelijke punten onderling aanpassen om de slachtoffers van verkeersongevallen een minimumbescherming te geven en de in de Gemeenschap bestaande verschillen in de omvang van deze verzekering te verminderen.
8. Artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn luidt:
„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen, opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis, afgegeven overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG, op grond waarvan van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen:
– door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd zijn, of
– door personen die geen rijbewijs hebben om het betrokken voertuig te besturen, of
– door personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG geacht worden niet te gelden inzake aanspraken van derden die slachtoffer zijn van een ongeval.
De in het eerste streepje bedoelde bepaling of clausule kan echter worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.
[...]”
9. De Derde richtlijn is vastgesteld om enkele bepalingen inzake de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering te verduidelijken, omdat er nog steeds aanzienlijke verschillen waren in de omvang van de door de verzekering verleende dekking.
10. Volgens de vijfde overweging van de considerans van de Derde richtlijn waren er met name in sommige lidstaten leemten in de dekking van de inzittenden van een motorrijtuig door de verplichte verzekering. Ter bescherming van deze bijzonder kwetsbare groep potentiële slachtoffers moesten deze leemten worden aangevuld.
11. In artikel 1 van de Derde richtlijn is bepaald:
„Onverminderd artikel 2, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 84/5/EEG, dekt de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.
[...]”
12. In de als laatste op 8 oktober 2009 in werking getreden richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid(7) worden de bovengenoemde richtlijnen, die in zoverre niet meer van kracht zijn, geconsolideerd. Nu de gebeurtenissen die tot het hoofdgeding hebben geleid zich lang vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2009/103 hebben afgespeeld, zijn alleen die richtlijnen op het hoofdgeding van toepassing.
B – Nationaal recht
13. De voor het hoofdgeding relevante bepalingen van het Portugese Código Civil (burgerlijk wetboek) luiden als volgt:
14. Artikel 503, lid 1: „Hij die de feitelijke controle over een landvoertuig heeft en dit voertuig voor eigen rekening gebruikt, zelfs indien door middel van een gemachtigde, is aansprakelijk voor de schade die door dit voertuig wordt veroorzaakt, ook al neemt het niet aan het verkeer deel.”
15. Artikel 504, lid 1: „De aansprakelijkheid voor door een voertuig veroorzaakte schade geldt jegens derden en inzittenden.”
16. Artikel 506, lid 1: „Wanneer bij een aanrijding tussen twee voertuigen schade ontstaat aan een van deze voertuigen of aan beide en geen van de bestuurders schuld heeft aan het ongeval, wordt de aansprakelijkheid verdeeld naar verhouding van de mate waarin het van elk van beide voertuigen uitgaande risico heeft bijgedragen tot de schade; wanneer de schade is veroorzaakt door slechts één van de voertuigen en geen van de bestuurders schuld treft, is uitsluitend de veroorzaker van de schade tot vergoeding gehouden.”
17. Artikel 506, lid 2: „In geval van twijfel worden beide voertuigen geacht voor gelijke delen tot het ontstaan van de schade te hebben bijdragen en in gelijke mate schuld te hebben.”
III – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag
18. Op 5 augustus 2000 vond een verkeersongeval plaats tussen Carvalho als bestuurder en eigenaar van een motorfiets, en een personenwagen die bij Companhia Europeia de Seguros, SA tegen wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd. Het ongeval had voor Carvalho ernstige gevolgen, omdat hij schedel‑ en hersentrauma opliep en sindsdien arbeidsongeschikt is.
19. Omdat het ongeval niet te wijten was aan de schuld van een van de betrokkenen, is volgens de verwijzende rechter voldaan aan de voorwaarden voor een verplichting tot betaling van schadevergoeding op grond van risicoaansprakelijkheid overeenkomstig de Portugese wettelijke regeling. Deze objectieve aansprakelijkheid geldt ook voor Carvalho als slachtoffer van het ongeval.
20. De verwijzende rechter merkt op dat het Portugese recht in gevallen als het onderhavige, waarin geen van beide bestuurders schuld heeft aan het ongeval, de toepassing voorschrijft van de in artikel 506 van het Código Civil opgenomen regel, te weten vermindering van de aan de benadeelde verschuldigde schadevergoeding naar verhouding van de mate waarin hij tot het ontstaan van de gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade heeft bijgedragen, met dien verstande dat in geval van twijfel beide voertuigen worden geacht in gelijke mate tot het ontstaan van de schade te hebben bijgedragen. Indien de schadevergoedingsplicht van de andere bij het ongeval betrokken partij dus beperkt is, kan de benadeelde alleen het evenredig lagere bedrag vorderen van de maatschappij waarbij de andere bij het ongeval betrokken partij de wettelijke aansprakelijkheid van het motorrijtuig had verzekerd.
21. Het Tribunal da Relação Porto, dat in het hoofdgeding moet beslissen over de hoogte van de schadevergoeding, heeft in het licht van de uitlegging die de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn in de rechtspraak van het Hof heeft gekregen, twijfels ten aanzien van de verenigbaarheid van deze nationale regeling met het recht van de Unie. Het Tribunal heeft derhalve de procedure geschorst en de volgende prejudiciële vraag aan het Hof voorgelegd:
„Is het in strijd met het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn (72/166/EEG), artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) en artikel 1 van de Derde richtlijn (90/232/EEG), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wanneer in geval van een aanrijding tussen voertuigen, waaraan geen van de bestuurders schuld heeft en waarbij een van de bestuurders (de benadeelde die schadevergoeding vordert) lichamelijke en materiële schade heeft geleden, de risicoaansprakelijkheid kan worden verdeeld (artikel 506, leden 1 en 2, van het Código Civil), wat rechtstreekse gevolgen heeft voor het bedrag van de aan de benadeelde toe te kennen schadevergoeding wegens de uit zijn lichamelijk letsel voortvloeiende materiële en immateriële schade (aangezien deze verdeling een evenredige vermindering van het bedrag van de schadevergoeding impliceert)?”
IV – Procedure voor het Hof
22. De verwijzingsbeschikking van 24 november 2009 is op 30 november 2009 ter griffie van het Hof ingekomen.
23. De regering van de Portugese Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek en de Republiek Oostenrijk alsmede de Commissie hebben binnen de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.
24. Aangezien geen der belanghebbenden om een terechtzitting heeft verzocht, kon na de algemene vergadering van het Hof op 5 oktober 2010 de conclusie in deze zaak worden geredigeerd.
V – Voornaamste argumenten van partijen
A – Ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek
25. De Duitse regering acht het prejudiciële verzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk, namelijk voor zover de prejudiciële vraag verwijst naar artikel 1 van de Derde richtlijn. Voor de beslissing van het hoofdgeding is deze bepaling niet relevant, omdat deze slechts de uitbreiding van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen met een verplichte dekking voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig (met uitzondering van de bestuurder) regelt. Het hoofdgeding betreft echter niet een benadeelde inzittende van een voertuig, maar een derde. Voor zover de vraag van de verwijzende rechter de uitlegging van artikel 1 van de Derde richtlijn betreft, houdt zij dus geen verband met het geding dat ten grondslag ligt aan het verzoek.
B – De prejudiciële vraag als zodanig
26. De naar voren gebrachte argumenten hebben enerzijds betrekking op het toepassingsgebied van de richtlijnen, anderzijds ook op de draagwijdte van het arrest Candolin e.a.(8).
1. Het toepassingsgebied van de richtlijnen
27. De Portugese regering voert aan dat de betrokken richtlijnen geen bepalingen betreffende de privaatrechtelijke aansprakelijkheid bevatten. Dit betekent haars inziens dat de prejudiciële vraag niet relevant is voor artikel 506 van het Código Civil, dat slechts de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de schade bepaalt, terwijl het verband tussen de aanspraak op schadevergoeding en de privaatrechtelijke aansprakelijkheid in artikel 483 van het Código Civil is geregeld.
28. De Duitse, de Italiaanse en de Oostenrijkse regering stellen dat zowel uit het doel van de regeling alsook uit de bewoordingen van de drie richtlijnen kan worden afgeleid, dat deze niet streven naar harmonisatie van de privaatrechtelijke aansprakelijkheidsregelingen in de lidstaten.
29. De Uniewetgever heeft de omvang van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen willen regelen teneinde – langs de weg van een onderlinge aanpassing van bestaande verschillen betreffende de omvang van deze verzekering – een minimum beschermingsniveau te waarborgen voor de slachtoffers van verkeersongevallen. Volgens deze regeringen bevatten de betrokken richtlijnen geen regels die de aard van de privaatrechtelijke schuld‑ of risicoaansprakelijkheid vastleggen. Dit aspect blijft, zoals het Hof in het arrest van 14 september 2000, Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira(9) heeft erkend, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht voorbehouden aan de lidstaten.
30. Om die reden is de vraag of de nationale criteria voor de toerekening van aansprakelijkheid verenigbaar zijn met het recht van de Unie niet aan de orde. Wat dat betreft veronderstellen de richtlijnen een door de lidstaten geregelde privaatrechtelijke aanspraak op schadevergoeding. Het is immers de materieelrechtelijke aansprakelijkheid die de omvang van de vergoedingsplicht ingevolge de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering bepaalt, en niet de verzekering die de omvang van de aansprakelijkheid bepaalt.
2. Draagwijdte van het arrest Candolin e.a.
31. De Portugese regering wijst erop dat uit het arrest Candolin e.a. blijkt dat de bepalingen van de betrokken richtlijnen een lidstaat niet beletten, te voorzien in een op algemene en abstracte criteria berustende nationale regeling met een naar verhouding van de eigen medeschuld evenredige vermindering van de schadevergoedingsaanspraak van de benadeelde. Voor zover deze bepalingen een individuele beoordeling voorschrijven, kan artikel 506 van het Código Civil als verenigbaar met het recht van de Unie worden aangemerkt.
32. De Duitse regering stelt dat het arrest Candolin e.a. de lidstaten de principiële mogelijkheid van een beperking op basis van een individuele beoordeling niet verbiedt, voor zover deze in overeenstemming is met het beginsel van evenredigheid, wat in de onderhavige situatie het geval is. Bij de beoordeling van de evenredigheid moet als uitgangspunt worden genomen dat het aansprakelijkheidsrecht in beginsel is gebaseerd op het principe dat de schadeveroorzaker alleen aansprakelijk is voor de schade die hij toerekenbaar heeft veroorzaakt; voor het overige moet de benadeelde de schade zelf dragen. De benadeelde kan dus uitsluitend vergoeding verlangen van de schade die de schadeveroorzaker hem heeft berokkend. Voor schade waarvoor de benadeelde zelf verantwoordelijk is, kan hij daarentegen geen vergoeding verlangen. Hetzelfde geldt ook voor de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering die de aansprakelijkheid van de schadeveroorzaker dekt. Dit betekent dat de verzekeringsmaatschappij slechts kan worden aangesproken tot het bedrag dat ook de schadeveroorzaker zelf zou moeten betalen.
33. De Oostenrijkse en de Italiaanse regering achten het arrest Candolin e.a. niet toepasselijk in het hoofdgeding.
34. Deze regeringen wijzen erop dat uit de overwegingen van het arrest blijkt dat de draagwijdte van dit arrest is beperkt tot de gevallen waarin inzittenden van een voertuig het slachtoffer zijn van een verkeersongeval. Dit blijkt met name uit de overwegingen met betrekking tot de doelstellingen van de richtlijnen, in het bijzonder de Derde richtlijn. De Oostenrijkse en de Italiaanse regering attenderen erop dat de Derde richtlijn vooral is vastgesteld met het doel, in sommige lidstaten bestaande leemten in de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering aan te vullen ten gunste van inzittenden van een voertuig, teneinde deze bijzonder kwetsbare groep potentiële slachtoffers te beschermen. In het hoofdgeding is de benadeelde echter zelf de bestuurder.
35. Bovendien wijzen de Oostenrijkse en de Duitse regering erop dat indien de individuele medeverantwoordelijkheid van de bestuurder niet in de eindbeoordeling zou meewegen, de verzekeringsmaatschappij aanspraken zou moeten honoreren die de benadeelde, vanwege zijn medeverantwoordelijkheid ingevolge de beginselen van de nationale risicoaansprakelijkheid, niet met succes geldend zou kunnen maken tegen de schadeplichtige bestuurder van een voertuig.
36. De Italiaanse regering verklaart dat de uitbreiding van het arrest Candolin e.a. tot alle groepen benadeelde derden gelijk staat aan het accepteren van een bestraffing, en wel ten laste van de verzekeringsmaatschappij, omdat deze schade zou moeten vergoeden waarvoor de verzekerde volgens het nationale schadevergoedingsrecht niet hoeft op te komen.
37. De Commissie beperkt zich ertoe te stellen dat de bovengenoemde richtlijnen zich verzetten tegen de litigieuze nationale regeling, temeer daar de beperking van de schadevergoeding van het slachtoffer niet eens een gevolg is van zijn medeverantwoordelijkheid aan het ontstaan van de schade, zoals het geval was in de zaken Candolin e.a.(10) en Farrell(11), maar van een evenredige verdeling van de verantwoordelijkheid bij gebreke van schuld bij het slachtoffer.
VI – Juridische beoordeling
A – Ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek
1. Herkwalificatie van de prejudiciële vraag
38. De prejudiciële vraag zoals zij is geformuleerd, houdt concreet in of de litigieuze regel van artikel 506, leden 1 en 2, van het Portugese Código Civil „in strijd” is met het recht van de Unie. Het is echter vaste rechtspraak dat het Hof buiten een niet-nakomingsprocedure niet bevoegd is te oordelen over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het recht van de Unie. Die beslissing is aan de nationale rechter, zo nodig na een prejudiciële beslissing van het Hof te hebben verkregen over de betekenis en de uitlegging van het recht van de Unie.(12) Wederzijdse eerbiediging van elkaars bevoegdheden is de basis voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechters, die kenmerkend is voor de prejudiciële procedure.(13)
39. Om de verwijzende rechter in staat te stellen de verenigbaarheid van het nationale recht met het recht van de Unie te toetsen, moet de prejudiciële vraag worden uitgelegd als een verzoek om uitlegging van het recht van de Unie volgens artikel 234, lid 1, sub b, EG, en wel in die zin, of de in de prejudiciële vraag genoemde richtlijnbepalingen zich verzetten tegen een regeling als de onderhavige. Van dit begrip van de prejudiciële vraag zal ik hierna uitgaan.
2. Relevantie van de prejudiciële vraag
40. Het prejudiciële verzoek moet als gedeeltelijk niet‑ontvankelijk worden aangemerkt voor zover de nationale rechter met zijn prejudiciële vraag verzoekt om uitlegging van artikel 1 van de Derde richtlijn.
41. Bij nadere beschouwing is deze bepaling namelijk niet relevant voor de beslissing van het hoofdgeding, omdat deze bepaling, zoals de Duitse regering terecht opmerkt, slechts betrekking heeft op de uitbreiding van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen met een verplichte dekking voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder. Zoals blijkt uit de vijfde overweging van de Derde richtlijn, waren er vóór de vaststelling van de richtlijn in sommige lidstaten leemten in de dekking van de motorrijtuiginzittenden door de verplichte verzekering, waardoor de Uniewetgever zich genoodzaakt zag door middel van deze richtlijn die leemten aan te vullen en deze bijzonder kwetsbare groep potentiële slachtoffers te beschermen. Dit vond zijn neerslag in artikel 1, lid 1, van de Derde richtlijn, waarin is bepaald dat de in artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van alle inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer, dekt. Nu gaat het in het hoofdgeding echter niet om de rechten van inzittenden, maar duidelijk alleen om de rechten van de bestuurder zelf. In de verwijzingsbeschikking zijn er namelijk geen aanwijzingen dat andere inzittenden gewond zijn geraakt.
42. In dit verband wil ik eraan herinneren dat het Hof, voor zover de door de nationale rechters gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van het gemeenschapsrecht, in beginsel verplicht is uitspraak te doen, tenzij duidelijk blijkt dat het prejudiciële verzoek in werkelijkheid ertoe strekt een uitspraak van het Hof uit te lokken via een kunstmatig geschil of adviezen van het Hof te verkrijgen over algemene of hypothetische vragen, dat de gevraagde uitlegging van gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die nodig zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(14)
43. Gelet op het feit dat de nationale rechter niet duidelijk heeft gemaakt in hoeverre de uitlegging van artikel 1 van de Derde richtlijn verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding en dus relevant voor de beslissing kan zijn, hoeft het Hof zich naar mijn mening in het kader van de uitlegging van de richtlijnen niet over deze bepaling uit te spreken.
B – Bespreking van de prejudiciële vraag
1. Inleidende opmerkingen
44. Vóór de analyse van de eigenlijke prejudiciële vraag wil ik eerst kort ingaan op de harmonisatie-inspanningen op het gebied van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en op de hier relevante jongere rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn, die hier in wezen aan de orde zijn, dit ter bevordering van een beter begrip van de problematiek van de onderhavige zaak.
a) De harmonisatie op het gebied van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen
45. De Europabrede harmonisatie van de dekkingsomvang van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen heeft een aanzet gekregen door het in het kader van de Raad van Europa tot stand gekomen Europees verdrag betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen van 20 april 1959.(15) De wezenlijke doelstellingen ervan waren de invoering van de verplichte verzekering tegen lichamelijk letsel en materiële schade in heel Europa; de toekenning van een rechtstreekse vordering aan het slachtoffer (de zogenoemde „action directe”) tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de schadeveroorzaker, de vastlegging van een Europese minimumverzekeringsdekking en de verplichting van de verdragsluitende staten een schadevergoedingsfonds in te stellen, waaruit slachtoffers van ongevallen ook schadeloos worden gesteld indien er geen beroep kan worden gedaan op de motorrijtuigenverzekeraar. Het verdrag werd echter door weinig staten geratificeerd en kreeg derhalve geen grote praktische betekenis.(16) De doelstellingen ervan zijn echter later met de vaststelling van de eerste drie richtlijnen van de Europese Unie verwezenlijkt.
46. Vandaag de dag is de harmonisatie van de nationale rechtsordes in de Europese Unie op het gebied van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen ver gevorderd. Inmiddels zijn er op dit gebied vijf richtlijnen die laatstelijk door richtlijn 2009/103 zijn geconsolideerd. Deze richtlijnen hebben enerzijds tot doel het vrije verkeer van personen met motorrijtuigen te vergemakkelijken en uniforme randvoorwaarden voor de interne markt te scheppen waar het gaat om de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; anderzijds gaat het erom de verzekeringsrechtelijke bescherming van verkeerslachtoffers in de Europese Unie te verbeteren door een uniforme minimumdekking, en hen in staat te stellen hun schadevergoedingsaanspraken daadwerkelijk te realiseren.
47. De doelstellingen van de Uniewetgever zijn wetstechnisch aldus uitgewerkt, dat de Eerste richtlijn in de eerste plaats voorzag in de invoering in alle lidstaten van een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering die de op het grondgebied van de Unie ontstane schade dekt. Aanvankelijk werd het aan de lidstaten overgelaten om de dekking van de schade en de voorwaarden van de verplichte verzekering te bepalen, waardoor enkele aanzienlijke leemten in de bescherming, met name voor de voertuiginzittenden, resteerden. Later, bij de Tweede richtlijn, werden minimumnormen vastgesteld voor de omvang van de verplichte dekking van materiële schade en lichamelijk letsel, waardoor de bescherming van de deelnemers aan het verkeer in de Europese Unie verder werd geharmoniseerd. Ten slotte heeft de Derde richtlijn de omvang van de personele werkingssfeer uitgebreid tot andere voertuiginzittenden, met uitzondering van de bestuurder. De Vierde richtlijn(17), die in het hoofdgeding niet van toepassing is, heeft in wezen betrekking op de regeling van verkeersongevallen die buiten het land van herkomst van de benadeelde hebben plaatsgevonden. Om het de benadeelde derde gemakkelijker te maken zijn aanspraken geldend te maken, is hem in de Vierde richtlijn de bevoegdheid verleend zijn schadevordering in te dienen in de lidstaat van zijn woonplaats bij een aldaar door de verzekeringsonderneming van de aansprakelijke partij aangewezen schaderegelaar.(18) Ten slotte is bij richtlijn 2005/14/EG(19) het gemeenschappelijke systeem van de motorrijtuigenverzekering geactualiseerd en verbeterd, met name doordat de in de Vierde richtlijn voorziene rechtstreekse vordering tot alle benadeelden werd uitgebreid.
48. Deze vergevorderde wetgevingsactiviteit op het niveau van de Unie mag echter niet verhelen dat de regelgevende bevoegdheden en de beoordelingsmarges op uitvoerend vlak, waarover de lidstaten op het gebied van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen beschikken, nog steeds zeer omvangrijk zijn als gevolg van de beperkte en tegelijkertijd sectorspecifieke reikwijdte van de richtlijnen. Er blijft derhalve enerzijds ruimte voor nationale bijzondere regelingen, maar anderzijds neemt tegelijkertijd ook het risico toe dat juist die veelvoud aan nationale regelingen afwijken van de doelstellingen van de richtlijnen en uiteindelijk niet meer voldoen aan de minimumnormen van het recht van de Unie.
b) De grenzen van de regelgevende bevoegdheid van de lidstaten volgens de recente rechtspraak van het Hof
49. Niet in de laatste plaats om deze reden heeft het Hof, het accent leggend op het in de richtlijnen tot uitdrukking komende doel van bescherming van de slachtoffers(20), de lidstaten herhaaldelijk aangezet tot naleving van de minimumnormen, en wel steeds wanneer zich een concreet gevaar voordeed van een uitsluiting of beperking van de aanspraak op schadevergoeding door de aansprakelijkheidsverzekeraars ten laste van de benadeelde derde. De rechtspraak van het Hof is dan ook uitgesproken casuïstisch.
50. Bijzonder relevant voor de beoordeling van de prejudiciële vraag zijn de arresten Candolin e.a. en Farrell, waarin het Hof de lidstaten op de grenzen van hun regelgevende bevoegdheid volgens het recht van de Unie heeft gewezen. In de eerste plaats heeft het Hof zijn eerdere rechtspraak in herinnering gebracht, volgens welke „uit het doel en de bewoordingen van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn [blijkt] dat deze er niet toe strekken de wettelijke aansprakelijkheidregelingen van de lidstaten te harmoniseren, en dat de lidstaten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bevoegd blijven te bepalen, welke wettelijke aansprakelijkheidsregeling geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen”.(21)
51. Zoals het Hof in het arrest Farrell juist heeft vastgesteld, moet namelijk onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de verplichte verzekeringsdekking voor inzittenden van een voertuig, en anderzijds de omvang van hun schadeloosstelling indien zij het slachtoffer van een door een voertuig veroorzaakt ongeval worden. Het eerste aspect wordt door de communautaire regeling gegarandeerd en vastgesteld, het tweede hoofdzakelijk door het nationale recht.(22) Tegen deze achtergrond zou in beginsel hebben kunnen worden gesteld dat de bepaling van de omvang van de schadeloosstelling aan de lidstaten is voorbehouden.
52. Het Hof heeft echter duidelijk gemaakt, dat „[d]e lidstaten [...] hun bevoegdheden [moeten] uitoefenen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht en, in het bijzonder, met artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn, en artikel 1 van de Derde richtlijn, die beogen te waarborgen dat alle inzittenden die het slachtoffer zijn van een door een voertuig veroorzaakt ongeval, op grond van de verplichte motorrijtuigenverzekering schadeloosstelling voor de door hen opgelopen schade kunnen verkrijgen”.(23)
53. Daarom heeft het Hof, refererend aan het beschermingsdoel van de richtlijnen, in de beide bovengenoemde arresten er met klem op gewezen dat „[d]e nationale bepalingen die de vergoeding van schade veroorzaakt door ongevallen ten gevolge van de deelneming van voertuigen aan het verkeer regelen, [...] niet tot gevolg [kunnen] hebben dat die bepalingen geen nuttig effect sorteren”.(24) Dit zou volgens het Hof het geval zijn „indien een nationale regeling aan de hand van algemene en abstracte criteria, louter op grond van het feit dat de inzittende tot de schade heeft bijgedragen, hetzij hem het recht zou ontzeggen om door de verplichte motorrijtuigenverzekering te worden vergoed, hetzij dit recht op onevenredige wijze zou beperken”.(25) Een beperking van de omvang van de schadevergoeding kan volgens het Hof „slechts in uitzonderlijke omstandigheden op basis van een individuele beoordeling” plaatsvinden.(26)
2. De eigenlijke prejudiciële vraag
54. De twee belangrijkste rechtsvragen in de onderhavige zaak waarop ik hierna nader zal ingaan, zijn (a) of de litigieuze regeling in het toepassingsgebied van de richtlijnen valt, en (b) welke concrete gevolgen de bovengenoemde rechtspraak heeft.
a) Toepasselijkheid van de richtlijnen
55. Alvorens de toepasselijkheid van de richtlijnen te bezien, lijkt het mij absoluut noodzakelijk erop te wijzen dat het systeem van de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering wordt gekenmerkt door een reeks verschillende rechtsbetrekkingen, die strikt van elkaar moeten worden gescheiden. Dit systeem brengt, globaal bekeken, een driehoeksrelatie tot stand tussen de benadeelde derde, de verzekerde schadeveroorzaker en de verzekeringsmaatschappij. De rechtsbetrekkingen tussen de verzekeringsmaatschappij en de schadeveroorzaker die tegelijkertijd verzekeringnemer is, zijn het onderwerp van de zogenoemde „verzekerings‑ of dekkingsrelatie”, terwijl het bij de zogenoemde „wettelijke-aansprakelijkheidsrelatie” gaat om de rechtsbetrekkingen tussen de schadeveroorzaker en de benadeelde derde.(27) Van het voorgaande moet nog worden onderscheiden de rechtstreekse vordering, dus de aanspraak op schadevergoeding die de rechtsorde de benadeelde derde toekent op de verzekeringsmaatschappij. Bij het onderzoek van de vraag of de litigieuze regeling in het toepassingsgebied van de richtlijnen valt, komt het er dus in eerste instantie op aan te bepalen welke rechtsverhouding deze rechtsnormen precies beogen te regelen.
i) Geen toepassing op de wettelijke-aansprakelijkheidsregelingen
56. De richtlijnen regelen diverse gebieden van het recht betreffende de verplichte motorrijtuigenverzekering. Het hoofdobject van hun bepalingen kan als kenmerkend voor het recht betreffende de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid worden beschouwd, omdat het enerzijds gaat om bescherming van de verzekeringsplichtige tegen niet te voorziene aansprakelijkheidsrisico’s, maar anderzijds niet minder om bescherming van de benadeelde derde.(28) Het laatste komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de zevende overweging van de Tweede richtlijn, volgens welke gewaarborgd moet worden „dat de gevolgen van bepaalde uitsluitingsclausules in het belang van de slachtoffers worden beperkt tot de betrekkingen tussen de verzekeraar en de voor het ongeval aansprakelijke persoon”.
57. Ongeacht deze niet bestreden derdenbeschermende werking van de richtlijnen blijft het object van regeling echter – zoals de Duitse regering terecht aanvoert(29) – in eerste instantie beperkt tot het recht betreffende de verplichte motorrijtuigenverzekering, dat in zoverre de dekkingsrelatie, dus de relatie tussen de verzekeringsmaatschappij en de verzekeringsnemer, beheerst.
58. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat de Uniewetgever de lidstaten een ruime beoordelingsmarge toekent bij de uitwerking van de doelstellingen van de richtlijnen. Zo kunnen zij krachtens artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn „de nodige maatregelen” treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. Daarbij staat de Uniewetgever hen toe zowel de „dekking van de schade” als de „voorwaarden” van deze verzekering in deze maatregelen vast te stellen. In de richtlijnen wordt enkel bepaald welke typen schade de verzekering moet dekken en welke benadeelde personen recht moeten hebben op schadevergoeding van de verzekering.
59. De bewoordingen noch de doelstellingen van de richtlijnen wijzen op een door de Uniewetgever beoogde gedeeltelijke harmonisatie van het schadevergoedingsrecht dat de relatie tussen de verzekerde en de benadeelde regelt. Het tegendeel is het geval, zoals eenduidig blijkt uit artikel 3, lid 2, van de Eerste richtlijn, volgens hetwelk de vraag of een door de verzekeringsovereenkomst te dekken schade is ontstaan „overeenkomstig de in deze staten geldende wettelijke regelingen” moet worden beantwoord. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt de uitdrukkelijke wil van de Uniewetgever, het aansprakelijkheidsrecht voor te behouden aan de lidstaten. In zoverre kan worden ingestemd met de opvatting van de Italiaanse regering(30), dat noch de materieelrechtelijke criteria ter beoordeling van de aansprakelijkheid voor de als gevolg van een verkeersongeval ontstane schade noch de omvang van de aansprakelijkheid in het toepassingsgebied van de richtlijnen vallen.
60. De bovenaangehaalde vaste rechtspraak van het Hof, dat de richtlijnen er niet toe strekken de wettelijke-aansprakelijkheidregelingen van de lidstaten te harmoniseren(31), kan dus juridisch niet worden bestreden.(32) Dit wordt verder bevestigd door het arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira(33), waarin het Hof heeft geconstateerd dat de richtlijnen bijvoorbeeld niets bepalen over het type wettelijke aansprakelijkheid – risico‑ of schuldaansprakelijkheid – dat door de verzekering moet worden gedekt. Het Hof heeft in dat arrest dan ook terecht geconcludeerd dat bij gebreke van een communautaire regeling de keuze van de wettelijke aansprakelijkheidsregeling bij verkeersongevallen in beginsel aan de lidstaten is voorbehouden.(34) Gelet op het feit dat de litigieuze Portugese bepaling systematisch behoort tot het nationale privaatrechtelijke schadevergoedingsrecht, moet zij worden geacht niet in het toepassingsgebied van de richtlijnen te vallen.
61. Een tegenovergestelde uitlegging vindt geen steun in de arresten Candolin e.a. en Farrell, temeer niet omdat het in de desbetreffende zaken niet ging om privaatrechtelijke aansprakelijkheidsregelingen, maar om nationale wettelijke bepalingen over de verplichte motorrijtuigenverzekering.(35) Volgens deze bepalingen konden vorderingen van de benadeelde op de aansprakelijkheidsverzekeraar onder bepaalde voorwaarden verminderd of uitgesloten worden, bijvoorbeeld wanneer hij als inzittende van een voertuig wist of had moeten weten dat de bestuurder van het voertuig onder invloed van alcohol was, of wanneer hij schade had geleden omdat hij meereed in een voertuig dat niet was geconstrueerd of ingericht met zitgelegenheid voor passagiers. De voornoemde wettelijke bepalingen hadden betrekking op de inhoud van de overeenkomst tot verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, omdat zij de dekkingsplicht van de verzekering vergaand beperkten, maar lieten de wettelijke aansprakelijkheid als zodanig onverlet. Dit is ook de reden waarom bijvoorbeeld in de zaak Candolin e.a. de schadeveroorzaker in overeenstemming met de desbetreffende nationale privaatrechtelijke bepalingen onbeperkt schadeplichtig bleef.(36) In de zaak Farrell was dit niet anders.(37) Feitelijk en juridisch ligt de onderhavige zaak in zoverre echter anders en is hij niet gelijk te stellen met de zaken Candolin e.a. en Farrell.
62. Geconstateerd kan dus worden dat de richtlijnbepalingen niet beogen de privaatrechtelijke aansprakelijkheidsregelingen te harmoniseren en dat deze in elk geval niet rechtstreeks aan de vereisten van het recht van de Unie zijn onderworpen.
ii) Accessoir karakter van de rechtstreekse vordering ten opzichte van de wettelijke aansprakelijkheidsregelingen
63. Anderzijds kan een uitsluitende oriëntatie op deze privaatrechtelijke regeling mogelijk verhullen dat het voorwerp van het hoofdgeding juist niet een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding tussen particulieren betreft. In casu gaat het namelijk om een tegen de verzekeringsmaatschappij gerichte vordering van de benadeelde. Daarop kunnen, anders dan op de aansprakelijkheidsvordering, de bepalingen van het recht van de Unie van toepassing zijn.
64. Daartoe moet eerst worden nagegaan of deze aanspraak logisch en juridisch eigenlijk wel kan worden gescheiden van de aansprakelijkheidsvordering. Hiertegen kan worden ingebracht, dat de vordering op de aansprakelijkheidsverzekeraar accessoir is aan de privaatrechtelijke schadevordering in zoverre dat de materieelrechtelijke aansprakelijkheid de omvang van de prestatieverplichting van de verzekeringsmaatschappij bepaalt. De verdeling van schade onder collectieve verzekeringsinstellingen vooronderstelt normaal gesproken namelijk het bestaan van wettelijke aansprakelijkheid voor de schade en sluit daarop aan.(38) Het bestaan van privaatrechtelijke aansprakelijkheid in eerste instantie is de voorwaarde voor het ontstaan van de rechtstreekse vordering tegen de verzekeringsmaatschappij in tweede instantie.(39)
65. Dit vindt ook steun in de heersende opvattingen in de doctrine in de lidstaten, volgens welke de rechtstreekse vordering wordt bepaald door de omvang van de aansprakelijkheid van de schadeveroorzaker.(40) Door deze opzet wordt de met de rechtstreekse vordering beoogde bescherming van de benadeelde zeker niet onredelijk verminderd, want de rechtstreekse vordering moet het slachtoffer van het ongeval met name beschermen tegen insolventie van de schadeveroorzaker en hem in de vorm van de verzekeringsmaatschappij een solvente schuldenaar ter beschikking stellen. Indien men zich deze materieelrechtelijke beschermingswens voorstelt, wordt duidelijk dat de rechtstreekse vordering in geen geval is bedoeld als los te maken van en verruiming van de privaatrechtelijke aansprakelijkheid van de schadeveroorzaker.
66. Anderzijds mag niet worden miskend dat het bij de rechtstreekse vordering tegen de verzekeringsmaatschappij gaat om een aanspraak met een zelfstandig rechtskarakter en eigen criteria.(41) Terwijl bij de privaatrechtelijke schadevordering de gedachte van compensatie van geleden nadeel op de voorgrond staat (iustitia commutativa)(42), wordt de tegen de verzekeringsmaatschappij gerichte aanspraak op zijn minst mede geïnspireerd door de gedachte van risicoverdeling, solidariteit en dus uiteindelijk door elementen van distributieve rechtvaardigheid (iustitia distributiva) in aristotelische zin.(43)(44) Leidende gedachte achter de zogenoemde „action directe” is namelijk dekking en bescherming van de doorgaans zwakkere benadeelde.(45)
67. Splitsing van de vordering van de benadeelde op de verzekeringsmaatschappij van de privaatrechtelijke aansprakelijkheidsvordering zou echter leiden tot logisch niet goed te verklaren tegenstrijdigheden, met name wanneer de vordering op de verzekeringsmaatschappij hoger zou zijn dan de materieelrechtelijke aansprakelijkheidsvordering. Zou bijvoorbeeld met een eventuele medeschuld van de benadeelde alleen rekening worden gehouden bij de privaatrechtelijke schadevaststelling maar niet bij de beoordeling van de prestatieverplichting van de verzekeringsmaatschappij, dan zou de aansprakelijkheidsverzekering – zoals de Oostenrijkse(46) en de Duitse(47) regering terecht stellen – dekking moeten bieden voor aanspraken die de benadeelde vanwege zijn medeverantwoordelijkheid volgens de beginselen van het nationale risicoaansprakelijkheidsrecht niet met succes zou kunnen claimen van de schadeplichtige bestuurder van een voertuig. In de richtlijnen is er echter niets dat erop wijst, dat zou zijn bedoeld de benadeelde met de aansprakelijkheidsverzekering verdergaande aanspraken te verlenen dan hij op de schadeveroorzaker zou hebben uit hoofde van de aansprakelijkheid waartegen de aansprakelijkheidsverzekering dekking biedt.
68. De benadeelde een ruimere schadevergoedingsaanspraak verlenen dan voortvloeit uit het materiële aansprakelijkheidsrecht, lijkt bovendien niet passend of redelijk en al helemaal niet door de communautaire wetgever beoogd om de in de derde overweging van de Eerste richtlijn genoemde doelstelling van het vrije verkeer van motorrijtuigen en personen binnen de Unie te verwezenlijken. De richtlijnen zijn vastgesteld op basis van rechtsgrondslagen die een onderlinge aanpassing mogelijk moeten maken, en wel in het belang van een voor het tot stand brengen van de gemeenschappelijke markt noodzakelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen en personen. De in de tweede overweging van de Eerste richtlijn genoemde „verschillen in de nationale voorschriften die het vrije verkeer van motorrijtuigen en personen binnen de Gemeenschap belemmeren” worden evenwel niet opgeheven door te waarborgen dat de rechtstreekse vordering op de verzekeringsmaatschappij onafhankelijk van een mogelijk in mindering te brengen privaatrechtelijke medeaansprakelijkheid van de benadeelde wegens schuld of risico – bijvoorbeeld een typisch aan het gebruik van een motorfiets verbonden risico – steeds in volle omvang wordt erkend. Daartoe zal de eis van Carvalho uiteindelijk namelijk leiden.
69. De bevoorrechting van de benadeelde, die zou ontstaan indien hij ten opzichte van de verzekeringsmaatschappij in een betere positie verkeert dan wanneer hij zijn schade zou moeten claimen van de schadeveroorzaker zelf, zou niet bijdragen tot de eigenlijk met de richtlijnen beoogde opheffing van de typische beperkingen die voortvloeien uit de verschillende verzekeringsrechtelijke regelingen (bijv. aansprakelijkheidsuitsluitingen ten gunste van de motorrijtuigenverzekeraars). Alleen daarop zijn de richtlijnen gericht.(48) De eventuele mindering of uitsluiting van schadevergoedingsaanspraken op grond van appreciaties van nationaal aansprakelijkheidsrecht vormt geen „belemmering” van het vrije verkeer van goederen en personen, die de richtlijnen uit de weg willen ruimen. Tegen deze achtergrond blijkt de verscheidenheid van nationale aansprakelijkheidsregelingen uiteindelijk een omstandigheid die bij de huidige stand van het recht van de Unie op de koop toe moet worden genomen.
70. De toekenning van een ruimere schadevergoedingsaanspraak dan voorzien in het materiële aansprakelijkheidsrecht zou dus duidelijk verder gaan dan wat de Uniewetgever passend en redelijk heeft geacht om het doel van het vrije verkeer van motorrijtuigen en personen te verwezenlijken. Gelet op deze duidelijke rechtssituatie lijkt mij een uitlegging van de richtlijnen waarmee een eventuele mindering of uitsluiting van de rechtstreekse vordering op de verzekeringsmaatschappij bestreden zou kunnen worden, uitgesloten. Het Hof heeft in de arresten Candolin e.a. en Farrell weliswaar terecht benadrukt dat „[d]e nationale bepalingen die de vergoeding van schade veroorzaakt door ongevallen ten gevolge van de deelneming van voertuigen aan het verkeer regelen, [...] niet tot gevolg [kunnen] hebben dat die bepalingen geen nuttig effect sorteren”.(49) Deze uitspraak kan echter, niet in de laatste plaats vanwege haar algemene bewoordingen, bij oppervlakkige lezing gemakkelijk tot misverstanden leiden. Pas bij een verstandige uitlegging van deze zin, met inachtneming van de relevante te beoordelen feitelijke en juridische situatie, wordt namelijk duidelijk dat het Hof uitsluitend doelde op nationale wettelijke bepalingen die de dekkingsverhouding tussen de verzekeringsmaatschappij en de verzekeringsnemer regelden, en wel zodanig dat aanspraken van de benadeelde op de verzekeringsmaatschappij in bepaalde situaties verminderd of zelfs uitgesloten werden.(50) De overwegingen van het Hof hadden dus alleen betrekking op het recht betreffende de verzekering tegen de wettelijke-aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, dat ook het object van regeling van de richtlijnen is, maar geenszins op het nationale aansprakelijkheidsrecht. Het verzoek van de Italiaanse regering, bij de beoordeling van de onderhavige zaak beide materies duidelijk van elkaar te onderscheiden(51), is in dit opzicht gerechtvaardigd.
71. Indien men de bovenaangehaalde zin uit de arresten Candolin e.a. en Farell ruim zou uitleggen in de zin dat deze zich ook uitstrekt tot de nationale aansprakelijkheidsregelingen, zou een aanzienlijke ingreep in de rechtsordes van de lidstaten het gevolg zijn. Want daarmee zou elke nationale aansprakelijkheidsregeling die de omvang van de privaatrechtelijke schadevordering van een benadeelde bepaalt, automatisch onder het voorbehoud van verenigbaarheid met de criteria van het Candolin-arrest(52) staan, wat het vereiste van rechtszekerheid zou ondermijnen(53), vooral omdat aansprakelijkheidsverzekeraars niet in staat zouden zijn vooraf vast te stellen voor welke schade zij in welke omvang moeten opkomen. Een dergelijk resultaat zou vanuit een rechtspraktisch perspectief niet aanvaardbaar zijn.
72. Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat het accessoire karakter van de rechtstreekse vordering van de benadeelde op de aansprakelijkheidsverzekeraar ten opzichte van de aansprakelijkheidsvordering in de weg staat aan een afsplitsing van de rechtstreekse vordering, zodat de laatste niet in het toepassingsgebied van de richtlijnen valt, noch direct noch als gevolg van een uitlegging naar de geest en het doel van de richtlijn.
iii) Tussenresultaat
73. Uit het voorgaande vloeit voort dat de litigieuze nationale regeling niet in het toepassingsgebied van de richtlijnen valt. Dit betekent dat de richtlijnen daaraan ook niet in de weg staan.
b) Toepasselijkheid van het Candolin-arrest
74. Uit het bovenstaande onderzoek blijkt dat de onderhavige zaak feitelijk en juridisch op essentiële punten verschilt van die in de zaken Candolin e.a. en Farrell. Deze arresten hadden betrekking op een materie die nog in het toepassingsgebied en dus de harmoniserende werking van de richtlijnen viel, namelijk het recht betreffende de verzekering tegen de wettelijke-aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen. Dit is hier niet aan de orde, omdat het privaatrechtelijke aansprakelijkheidsrecht juist uitdrukkelijk is uitgesloten. Een uitlegging van de richtlijnen waarmee zou kunnen worden opgetreden tegen een eventuele vermindering of uitsluiting van de rechtstreekse vordering op de verzekeringsmaatschappij, komt om de reeds genoemde redenen eveneens niet in aanmerking. Deze rechtspraak is dus niet toepasbaar op de onderhavige zaak.
C – Samenvatting
75. Samenvattend kan worden geconstateerd dat de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn niet in de weg staan aan een nationale privaatrechtelijke regeling als die van artikel 506 van het Portugese Código Civil, die in een situatie als in het hoofdgeding ertoe leidt dat de op risicoaansprakelijkheid gebaseerde aanspraak van de benadeelde forfaitair wordt gehalveerd wanneer een medeveroorzaking van het ongeval niet vaststelbaar is.
VII – Conclusie
76. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Tribunal da Relação Porto als volgt te beantwoorden:
„De Eerste richtlijn (72/166/EEG) van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, verzetten zich niet tegen een nationale privaatrechtelijke regeling die in een situatie als in het hoofdgeding, waarin zich een aanrijding tussen voertuigen heeft voorgedaan die aan geen van de bestuurders te wijten is en waarbij een van de bestuurders lichamelijk letsel en materiële schade heeft geleden, ertoe leidt dat de op risicoaansprakelijkheid gebaseerde aanspraak van de benadeelde forfaitair wordt gehalveerd.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – De prejudiciële procedure is sinds het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van 13 december 2007 (PB C 306, blz. 1) geregeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3 – Eerste richtlijn (72/166/EEG) van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1; hierna: „Eerste richtlijn”).
4 – Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: „Tweede richtlijn”).
5 – Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33; hierna: „Derde richtlijn”).
6 – In aansluiting op de in het VEU en in het VWEU gehanteerde omschrijving wordt het begrip „recht van de Unie” als verzamelbegrip voor het gemeenschapsrecht en het recht van de Unie gebruikt. Voor zover het hierna individuele bepalingen uit het primaire gemeenschapsrecht betreft, worden de ratione temporis geldende voorschriften aangehaald.
7 – PB L 263, blz. 11.
8 – Arrest van 30 juni 2005 (C‑537/03, Jurispr. blz. I–5745).
9 – Arrest van 14 september 2000 (C‑348/98, Jurispr. blz. I‑6711, punt 29).
10 – Aangehaald in voetnoot 8.
11 – Arrest van 19 april 2007 (C‑356/05, Jurispr. blz. I‑3067).
12 – Arresten van 22 maart 1990, Triveneta Zuccheri e.a./Commissie (C‑347/87, Jurispr. blz. I‑1083, punt 16), en 21 oktober 2010, Padawan (C‑467/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 61).
13 – Zie voor de onderlinge arbeidsverdeling tussen het Hof en de nationale rechter in verband met de uitlegging en toepassing van het recht van de Unie, mijn conclusie van 6 juli 2010 in de zaak C‑137/08, Pénzügyi Lízing (arrest van 9 november 2010, Jurispr. blz. I‑00000).
14 – Zie arresten van 7 januari 2003, BIAO (C‑306/99, Jurispr. blz. I‑1, punt 89); 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio (C‑217/05, Jurispr. blz. I‑11987, punt 17), en 22 december 2008, Les Vergers du Vieux Tauves (C‑48/07, Jurispr. blz. I‑10627, punt 17).
15 – Zie Reichert-Facilidades, F., „Europäisches Versicherungsvertragsrecht?”, Festschrift für Ulrich Drobnig zum siebzigsten Geburtstag (onder redactie van Jürgen Basedow/Klaus J. Hopt/Hein Kötz), Tübingen 1998, blz. 127.
16 – Zie Lemor, U., Kommentar zur Kraftfahrtversicherung (onder redactie van Hans Feyock/Peter Jacobsen/Ulf Lemor), 3e oplage, München 2009, 1e deel, punt 5.
17 – Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (PB L 181, blz. 65).
18 – Zoals Schauer, M., „Bemerkungen zur Umsetzung der 4. Kfz-Haftpflicht-Richtlijn im österreichischen Recht”, Recht und Risiko – Festschrift für Helmut Kollhosser, deel I (Verzekeringsrecht), Karlsruhe 2004, blz. 293, terecht uiteenzet, werd met de Vierde richtlijn beoogd de benadeelde de kans te geven de schade in zijn woonstaat te regelen. De Vierde richtlijn heeft zodoende geleid tot een aanzienlijke verbetering van de bescherming van de benadeelde bij ongevallen in het buitenland.
19 – Richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 149, blz. 14).
20 – Zie arrest Candolin e.a. (aangehaald in voetnoot 8, punt 18), en arrest van 28 maart 1996, Ruiz Bernáldez (C‑129/94, Jurispr. blz. I‑1829, punt 20).
21 – Arresten Candolin e.a. (aangehaald in voetnoot 8, punt 24) en Farrell (aangehaald in voetnoot 11, punt 33). Zie ook reeds het arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira (aangehaald in voetnoot 9, punten 23 en 29). Zie voorts over de uitlegging van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn voor EVA/EER-landen, de rechtspraak van het EVA-Hof (overeenkomstig het homogeniteitsvereiste in het EER-recht gewezen), met name arresten van 14 juni 2001, Helgadóttir (E-7/00, punt 30), en 20 juni 2008, Nguyen (E-8/07, punt 24). De richtlijnen zijn overeenkomstig de nummers 8, 9 en 19 van bijlage IX bij de EER-overeenkomst ook toepasselijk op de EVA/EER-landen.
22 – Arrest Farrell (aangehaald in voetnoot 11, punt 32).
23 – Arrest Candolin e.a. (aangehaald in voetnoot 8, punt 27).
24 – Ibidem (punt 28) en arrest Farrell (aangehaald in voetnoot 11, punt 34). Deze uitspraken bouwen verder op vergelijkbare rechtspraak van het EVA-Hof, en wel arrest van 17 november 1999, Storebrand en Finanger (E-1/99, Report of EFTA Court 1999, 119, punt 29), waarop advocaat-generaal Geelhoed vermoedelijk zijn overwegingen in de conclusie van 10 maart 2005 in de zaak Candolin e.a. heeft gebaseerd.
25 – Arresten Candolin e.a. (aangehaald in voetnoot 8, punt 29) en Farrell (aangehaald in voetnoot 11, punt 35).
26 – Arresten Candolin e.a. (aangehaald in voetnoot 8, punt 30) en Farrell (aangehaald in voetnoot 11, punt 35).
27 – Zie hierover Baumann, H., „Zur Überwindung des Trennungsprinzips im System von Haftpflicht und Haftpflichtversicherung”, Festgabe Zivilrechtslehrer 1934/1935 (onder redactie van Walther Hadding), Berlijn 1999, blz. 13.
28 – Zie Looschelders, D., Münchener Kommentar zum Versicherungsvertragsgesetz (onder redactie van Theo Langheid/Manfred Wandt), 1e oplage 2010, deel 1, hoofdstuk 1, punt 117, von Bar, C., „Das Trennungsprinzip und die Geschichte des Wandels der Haftpflichtversicherung”, Archiv für die civilistische Praxis, 1981, nr. 181, blz. 326.
29 – Zie punt 10 van de memorie van de Duitse regering.
30 – Zie punt 13 van de memorie van de Italiaanse regering.
31 – Zie punt 50 van deze conclusie.
32 – Een verdere indicatie voor deze opvatting is in dit verband te vinden in het feit dat punt 13 van de considerans van de (hier niet toepasselijke) Vierde richtlijn uitdrukkelijk stelt dat „[de bepalingen van de richtlijnen] geen gevolgen [hebben] voor de aanwijzing van het toepasselijke materiële recht”. Schauer, M., t.a.p. (aangehaald in voetnoot 18), blz. 294, ziet daarin een aanknopingspunt dat de Vierde richtlijn niets verandert aan het toepasselijke aansprakelijkheidsrecht.
33 – Aangehaald in voetnoot 9.
34 – Ibidem punt 28.
35 – In de zaak Candolin e.a. stond de regeling van de Finse wet betreffende de motorrijtuigenverzekering (liikennevakuutuslaki) ter discussie. In de zaak Farrell ging het om de regeling van de verplichte verzekering, die in de Ierse wegenverkeerswet (Road Traffic Act) en in het wegenverkeersreglement (Road Traffic Regulations) gecodificeerd was.
36 – In de zaak Candolin e.a. bleef de gedaagde bestuurder (Ruokoranta) van het voertuig, ondanks het feit dat de mede-inzittenden diens staat van dronkenschap hadden moeten opmerken, schadeplichtig overeenkomstig de desbetreffende nationale bepalingen. Uit punt 12 van het arrest blijkt namelijk dat de rechtbank van eerste aanleg de gedaagde had veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de eiser. Uit de punten 20 en 23 van de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in die zaak kan bovendien worden afgeleid dat de vergoedingen die hij naar aanleiding van de veroorzaakte schade moest betalen, niet waren verminderd.
37 – Uit punt 1.4 van de verwijzingsbeschikking in de zaak Farrell en uit punt 14 van de conclusie van advocaat-generaal Stix-Hackl van 5 oktober 2006 kan worden afgeleid dat eiseresse in haar schadevordering was geslaagd. Alleen de begroting van de schade werd uitgesteld tot de einduitspraak.
38 – Zie Jansen, N., Die Struktur des Haftungsrechts, Tübingen 2003, blz. 115.
39 – Zie Basedow, J./Fock, T., in: Europäisches Versicherungsvertragsrecht (onder redactie van Jürgen Basedow/Till Fock), Tübingen 2002, deel I, blz. 54, die de aanspraak op een financiële prestatie van de verzekering afhankelijk stellen van het ontstaan van schade.
40 – Zie Basedow, J./Fock, T., t.a.p. (aangehaald in voetnoot 39) blz. 108 e.v. Zie eveneens in Europäisches Versicherungsvertragsrecht (onder redactie van Jürgen Basedow/Till Fock), Tübingen 2002, bijv. inzake Spanje, Schlenker, S., deel II, blz. 1098, inzake Italië, D’Usseaux, F. B., deel I, blz. 727 e.v., inzake Griekenland, Papathoma-Baetge, A., deel I, blz. 636, en inzake Oostenrijk, Lemmel, U., deel II, blz. 1098.
41 – Zie Basedow, J./Fock, T., t.a.p. (aangehaald in voetnoot 39), blz. 108 e.v.
42 – Zie Jansen, N., t.a.p. (aangehaald in voetnoot 38), blz. 61, 112, 115, die erop wijst dat schadevergoedingsnormen erop berusten, dat een voor de schade verantwoordelijke deze moet vergoeden. Schiemann, G., Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch mit Einführungsgesetz und Nebengesetzen, boek 2, Recht der Schuldverhältnisse, §§ 249‑254 (Schadevergoedingsrecht), inleidende opmerking bij §§ 249 e.v. verklaart dat het de algemene functie van de schadevergoeding is, de benadeelde op grond van de compenserende rechtvaardigheid een surrogaat voor zijn verlies te bieden. Dit surrogaat moet zodanig worden berekend dat zo veel mogelijk een situatie van hypothetische schadeloosheid ontstaat, zonder dat de benadeelde er beter van wordt.
43 – De Griekse filosoof Aristoteles heeft in zijn werk Ethica Nicomachea (boek V) beide typen rechtvaardigheid van elkaar onderscheiden en daarmee het rechtvaardigheidsbegrip doorslaggevend gevormd. Zie daarover mijn conclusie van 11 mei 2010, Padawan (arrest aangehaald in voetnoot 12, punt 74).
44 – Zie Jansen, N., t.a.p. (aangehaald in voetnoot 38), blz. 114, die wijst op de verdeling van aansprakelijkheidslasten over collectieve vergoedingsinstanties, dus over verzekeringen en socialezekerheidsstelsels. Het komt volgens de auteur inderdaad veel voor dat de schadeveroorzaker en de benadeelde niet bij het schadevergoedingsproces betrokken zijn. In plaats daarvan treedt de eiser vaak op tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de schadeveroorzaker. Derhalve lijken schadevergoedingsprocessen en aansprakelijkheidsnormen zijns inziens economisch gezien niet te gaan over compensatie in de verhouding tussen een schadeveroorzaker en een benadeelde, maar over de verdeling van een schade over twee collectieve vergoedingsinstanties. Basedow, J./Fock, T., t.a.p. (aangehaald in voetnoot 39), blz. 6, stellen dat de particuliere verzekering, voor zover het de overname van risico’s in een verzekeringsverhouding betreft, deels in concurrentie treedt met de in de lidstaten van de Unie vaak zeer sterk uitgebreide socialezekerheidsstelsels. De onderlinge vergelijkbaarheid blijkt met name uit de ook in het particuliere verzekeringswezen in veel rechtsordes bekende verplichte verzekeringen.
45 – Zie Mansel, H.‑P., Direktansprüche gegen Haftpflichtversicherer, Heidelberg 1986; Lüttringhaus, J. D., „Der Direktanspruch im vergemeinschafteten IPR und IZVR”, Versicherungsrecht, 4/2010, blz. 183, 186.
46 – Zie punt 13 van de memorie van de Oostenrijkse regering.
47 – Zie punt 20 van de memorie van de Duitse regering.
48 – Zie punt 57 van deze conclusie.
49 – Zie punt 53 van deze conclusie.
50 – Zie punt 61 van deze conclusie.
51 – Zie punt 11 van de memorie van de Italiaanse regering.
52 – Zie punt 53 van deze conclusie.
53 – Origer, P.‑C., Assurance et Responsabilité: bulletin de l’AIDA, Association internationale de droit des assurances, Section Luxembourg, 2006, nr. 9, blz. 167, bekritiseert bijvoorbeeld dat het Hof in het arrest Candolin e.a. niet duidelijk heeft gemaakt wat onder een „evenredige vermindering van de schadevergoeding” moet worden begrepen, zodat de rechtsonzekerheid niet is weggenomen.
Full & Egal Universal Law Academy