CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 17 november 2011 ( 1 )
Zaak C-504/09 P
Europese Commissie, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
tegen
Republiek Polen
„Hogere voorziening — Milieu — Luchtverontreiniging — Richtlijn 2003/87/EG — Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten — Nationaal plan voor de toewijzing van emissierechten voor de Republiek Polen voor periode 2008-2012 — Bevoegdheden van de lidstaten en de Commissie — Artikel 9, leden 1 en 3, en artikel 11, lid 2, van richtlijn 2003/87”
I – Inleiding
1.
In deze hogere voorzieningen gaat het om de door richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 (PB L 338, blz. 18), ingevoerde regeling.
2.
Met deze hogere voorzieningen verzoeken de Commissie en het Verenigd Koninkrijk om algehele vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 23 september 2009, Polen/Commissie (T-183/07, Jurispr. blz. II-3395; hierna: „bestreden arrest”) waarin het Gerecht beschikking C(2007) 1295 def. van de Commissie van 26 maart 2007 betreffende het nationale plan voor de toewijzing van broeikasgasemissierechten (hierna: „NTP”) dat de Republiek Polen voor de periode van 2008 tot en met 2012 heeft meegedeeld overeenkomstig richtlijn 2003/87 (hierna: „bestreden beschikking”), nietig verklaard heeft.
II – Rechtskader
3.
Artikel 9 van richtlijn 2003/87 (hierna: „richtlijn”) bepaalt:
„1. Voor elke in artikel 11, leden 1 en 2, bedoelde termijn stelt elke lidstaat een nationaal plan op, waarin de totale hoeveelheid emissierechten wordt vermeld die hij voornemens is voor die periode toe te wijzen, alsmede de manier waarop hij voornemens is deze rechten toe te wijzen. Het plan wordt gebaseerd op objectieve en transparante criteria, waaronder de in bijlage III [bij de richtlijn] genoemde, waarbij terdege rekening wordt gehouden met reacties vanuit het publiek. De Commissie geeft onverminderd het Verdrag uiterlijk 31 december 2003 richtsnoeren voor de toepassing van de in bijlage III [bij de richtlijn] genoemde criteria.
Voor de in artikel 11, lid 1, bedoelde periode wordt het plan uiterlijk op 31 maart 2004 gepubliceerd en aan de Commissie en de overige lidstaten meegedeeld. Voor latere perioden wordt het plan ten minste achttien maanden voor de aanvang van de betrokken periode gepubliceerd en aan de Commissie en de andere lidstaten meegedeeld.
2. De nationale toewijzingsplannen worden bestudeerd door het in artikel 23, lid 1, [van de richtlijn] bedoelde comité.
3. Binnen drie maanden nadat een lidstaat uit hoofde van lid 1 een nationaal toewijzingsplan heeft meegedeeld, kan de Commissie het plan of een deel daarvan verwerpen als het niet met de in bijlage III genoemde criteria of met artikel 10 [van de richtlijn] verenigbaar is. De lidstaten nemen pas een besluit krachtens artikel 11, lid 1, of lid 2, wanneer de voorgestelde wijzigingen door de Commissie zijn aanvaard. Een besluit tot verwerping wordt door de Commissie gemotiveerd.”
4.
Artikel 11, lid 2, van de richtlijn luidt:
„Voor de periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 2008 en voor elke volgende periode van vijf jaar neemt iedere lidstaat een besluit over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voor die periode zal toewijzen en leidt hij het proces van toewijzing van die emissierechten aan de exploitant van elke installatie in. Het besluit wordt ten minste twaalf maanden voor het begin van die periode genomen en is gebaseerd op het toewijzingsplan van de lidstaat dat is opgesteld ingevolge artikel 9 en in overeenstemming met artikel 10, met inachtneming van de opmerkingen van het publiek.”
5.
Bijlage III bij de richtlijn vermeldt twaalf criteria voor NTP’s. De in de nrs. 1 tot en met 3 en 12 van bijlage III genoemde criteria luiden respectievelijk:
„1.
De totale hoeveelheid voor de betrokken periode toe te wijzen emissierechten moet enerzijds overeenstemmen met de verplichtingen van de lidstaat om de emissies te beperken overeenkomstig beschikking 2002/358/EG en het Protocol van Kyoto, met inachtneming van het aandeel in de totale emissies dat deze vertegenwoordigen in vergelijking met de emissies uit bronnen die niet onder deze richtlijn en het nationale energiebeleid vallen en moeten anderzijds overeenstemmen met het nationaal programma inzake klimaatverandering. De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten mag niet groter zijn dan de hoeveelheid die waarschijnlijk nodig is voor de strikte toepassing van de in deze bijlage vermelde criteria. Vóór 2008 moet de hoeveelheid in overeenstemming zijn met een ontwikkeling waarmee elke lidstaat zijn streefdoel uit hoofde van beschikking 2002/358/EG en het Protocol van Kyoto kan halen of overtreffen.
2.
De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten moet overeenstemmen met evaluaties die overeenkomstig beschikking 93/389/EEG zijn gemaakt van de feitelijke en de te verwachten vorderingen bij het realiseren van de bijdragen van de lidstaten aan de communautaire verplichtingen.
3.
De hoeveelheden toe te wijzen emissierechten moeten overeenstemmen met de mogelijkheden, waaronder de technologische mogelijkheden, van de door deze regeling bestreken activiteiten om de emissies terug te dringen. De lidstaten kunnen hun verdeling van emissierechten baseren op de gemiddelde emissies van broeikasgassen per product bij elke activiteit en de haalbare vooruitgang bij elke activiteit.
[...]
12.
In het plan wordt het maximale aantal [gecertificeerde emissiereducties] en [emissiereductie-eenheden] gespecificeerd dat door exploitanten in het kader van de gemeenschapsregeling mag worden gebruikt als een percentage van de aan iedere installatie toegewezen hoeveelheid. Dit percentage moet stroken met de supplementariteitsverplichtingen van de lidstaat overeenkomstig het Protocol van Kyoto en de besluiten die zijn genomen overeenkomstig het UNFCCC en het Protocol van Kyoto.”
6.
Voor de andere in casu relevante bepalingen verwijs ik naar de beschrijving van het rechtskader in het bestreden arrest.
III – Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beschikking
7.
De feiten die voorafgingen aan het vaststellen van de bestreden beschikking, en het dispositief hiervan zijn uiteengezet in de punten 9 tot en met 15 van het bestreden arrest.
IV – Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
8.
De Republiek Polen heeft tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld bij het Gerecht. Het procesverloop voor het Gerecht is uiteengezet in de punten 16 tot en met 24 van het bestreden arrest.
9.
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de beschikking in haar geheel nietig verklaard.
10.
Om te beginnen stelt het Gerecht in de punten 70 tot en met 134 van het bestreden arrest vast dat de Commissie de grenzen van de controlebevoegdheden die zij uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn heeft, heeft overschreden. In de eerste plaats verwijt het Gerecht de Commissie dat zij zich niet heeft beperkt tot de controle of het NTP van Polen in overeenstemming was met de criteria, maar dat zij de door Polen gebruikte gegevens heeft vervangen door haar eigen gegevens, die zij had verkregen op basis van haar eigen evaluatiemethode. In de tweede plaats verwijt het Gerecht de Commissie dat zij in de beschikking zelf het maximum voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten heeft vastgesteld.
11.
Vervolgens verklaart het Gerecht in de punten 135 tot en met 154 van het bestreden arrest dat de Commissie de motiveringsplicht heeft geschonden door voorbij te gaan aan de door Polen in aanmerking genomen gegevens zonder toe te lichten in welk opzicht deze gegevens niet voldeden aan de criteria van bijlage III bij de richtlijn.
12.
Tot slot stelt het Gerecht in de punten 155 tot en met 163 van het bestreden arrest vast dat deze onjuiste rechtsopvattingen niet alleen met zich brengen dat artikel 1, lid 1, artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, van de beschikking nietig moeten worden verklaard, maar dat deze beschikking in haar geheel nietig moet worden verklaard omdat deze artikelen niet te scheiden zijn van de overige bepalingen van de beschikking.
V – Procesverloop voor het Hof
13.
De Commissie heeft hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest en verzoekt het Hof:
—
het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen;
—
de Republiek Polen te verwijzen in de kosten.
14.
In haar memorie van antwoord op het beroep van de Commissie verzoekt de Republiek Polen het Hof:
—
de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen op grond van artikel 116, lid 1, eerste streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie;
—
wanneer het Hof de hogere voorziening niet in haar geheel zou afwijzen, overeenkomstig artikel 116, lid 1, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie alle vorderingen in eerste aanleg te onderzoeken en daarop te beslissen, in het bijzonder het eerste middel van het beroep tot nietigverklaring;
—
wanneer het Hof de hogere voorziening niet in haar geheel zou afwijzen en niet zou beslissen op de vorderingen genoemd in het tweede streepje hierboven, nadat de zaak door het Hof of door het Gerecht is onderzocht, hetgeen aan de discretionaire bevoegdheid van het Hof wordt gelaten, uitspraak te doen over de vorderingen in eerste aanleg in de middelen 3 tot en met 9;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
15.
In zijn memorie van antwoord op de hogere voorziening van de Commissie concludeert het Verenigd Koninkrijk dat het het Hof behage:
—
de hogere voorziening van de Commissie toe te wijzen en het bestreden arrest, behoudens wat het eerste middel betreft, te vernietigen.
16.
Bij beschikking van 28 juni 2010 zijn de Tsjechische Republiek en Roemenië toegelaten tot interventie aan de zijde van de Republiek Polen en is het Koninkrijk Denemarken toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
17.
Op 29 september 2011 heeft een terechtzitting plaatsgevonden, waarbij vertegenwoordigers van de Deense, de Poolse en de Tsjechische regering en van de Commissie hun standpunten nader uiteengezet hebben en vragen hebben beantwoord.
VI – Het procesbelang van de Commissie
18.
Op 11 december 2009, dus nadat de bestreden beschikking nietig verklaard was en nadat de Commissie hogere voorziening tegen het bestreden arrest had ingesteld, heeft de Commissie een nieuwe beschikking gegeven op grond van artikel 9, lid 3, van de richtlijn. In deze nieuwe beschikking heeft zij het NTP van Polen verworpen en bevestigd dat dit onverenigbaar is met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria, zonder de bovengrens voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten aan te geven. Polen heeft zich niet verzet tegen de nieuwe beschikking en heeft op 8 april 2010 een nieuw NTP aangemeld, waarin het een totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten van 208,5 miljoen ton CO2 heeft voorgesteld. In een beschikking van 19 april 2010 heeft de Commissie geen bezwaren geuit tegen dit NTP.
19.
Onder deze omstandigheden dient het procesbelang van de Commissie te worden onderzocht. Het Hof kan immers ambtshalve het procesbelang van een partij bij het voortzetten van een hogere voorziening toetsen wanneer zich na het arrest van het Gerecht een feit heeft voorgedaan waardoor dit arrest niet langer nadelig is voor de rekwirant, en op die grond de hogere voorziening niet-ontvankelijk of zonder voorwerp verklaren. Het bestaan van een procesbelang van een rekwirant onderstelt dat de uitkomst van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn. ( 2 )
20.
In casu heeft de vaststelling van de nieuwe beschikking er niet toe geleid dat de Commissie alle belang bij het voortzetten van de hogere voorziening heeft verloren. Een eventuele vernietiging van het bestreden arrest zou weliswaar niet tot gevolg hebben dat de bestreden beschikking, die ondertussen is vervangen door de nieuwe beschikking, herleeft. De Commissie heeft echter nog steeds belang bij een arrest van het Hof waarin de door de Commissie verdedigde uitlegging van artikel 9, lid 3, van de richtlijn wordt bevestigd. De Tsjechische Republiek, de Republiek Hongarije, de Republiek Litouwen en Roemenië hebben immers voor het Gerecht beschikkingen van de Commissie waarin deze hun respectieve NTP heeft verworpen, bestreden. ( 3 ) De behandeling van deze zaken is geschorst in afwachting van de uitspraak van het Hof in deze zaak en in de zaak Commissie/Estland, C-505/09 P. De Commissie behoudt dan ook een procesbelang met het oog op deze procedures voor het Gerecht.
VII – Het eerste middel
21.
In haar eerste middel verwijt de Commissie het Gerecht artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te hebben geschonden, ultra petita te hebben beslist en zijn controlebevoegdheden te hebben overschreden.
22.
Dit middel heeft betrekking op de motivering van het Gerecht in de punten 70 tot en met 79 van het bestreden arrest. In punt 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het tweede middel van het beroep van Polen uiteenvalt in twee onderdelen: ten eerste schending van de motiveringsplicht en ten tweede onjuiste uitlegging en toepassing van de bepalingen van artikel 9, leden 1 en 3, van de richtlijn. Vervolgens onderzoekt het Gerecht in de punten 71 tot en met 79 van het bestreden arrest de grief van de Commissie, dat het tweede onderdeel van het tweede middel een nieuw middel zou zijn dat door Polen voor het eerst was aangevoerd in repliek en dat dan ook niet-ontvankelijk zou zijn. Het Gerecht heeft die exceptie van niet-ontvankelijkheid afgewezen en vastgesteld dat het betoog met betrekking tot schending van artikel 9, lid 3, van de richtlijn reeds voorkwam in het verzoekschrift van Polen en dat de aanvullende argumenten in repliek slechts een uitbreiding van dit onderdeel waren.
23.
De Commissie verwijt het Gerecht het tweede onderdeel van het tweede middel van Polen te hebben toegelaten. Zij is van mening dat dit onderdeel niet volgde uit het betoog van Polen in zijn verzoekschrift.
24.
Het eerste middel van de Commissie moet worden verworpen. Het Gerecht heeft terecht vastgesteld dat het tweede onderdeel van het tweede middel van Polen ontvankelijk was.
25.
Uit de artikelen 21 en 53 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt dat een verzoekschrift met name een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Een middel inzake schending van een rechtsregel in de zin van artikel 230, tweede alinea, EG (thans artikel 263 VWEU) moet dan ook de betrokken regel noemen.
26.
Artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Bij de uitlegging van dit verbod om nieuwe middelen aan te voeren moet enerzijds rekening worden gehouden met de doelstelling ervan, te weten een goede rechtsbedeling en eerbiediging van de rechten van verdediging te waarborgen, en anderzijds met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Gelet op deze beginselen moet een middel als ontvankelijk worden beschouwd wanneer de essentiële feitelijke en juridische gronden waarop het steunt zo duidelijk en precies volgen uit het verzoekschrift, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, eventueel zonder bijkomende informatie. Het volstaat dan ook dat het middel — althans summier, maar coherent en begrijpelijk — uit het verzoekschrift blijkt. ( 4 )
27.
In tegenstelling tot wat de Commissie beweert, heeft het Gerecht op goede gronden vastgesteld dat de kritiek inzake een onjuiste uitlegging en toepassing van de bepalingen van artikel 9, lid 3, van de richtlijn voldoende duidelijk en nauwkeurig volgde uit het verzoekschrift van Polen. Zoals met name blijkt uit de punten 73 en 74 van het bestreden arrest, heeft Polen hierin gekritiseerd dat de Commissie, door de gegevens die Polen haar had voorgelegd in zijn NTP, niet te onderzoeken en door uitsluitend haar eigen gegevens te gebruiken, de grenzen van haar bevoegdheden heeft overschreden.
28.
Vervolgens faalt de grief van de Commissie, dat het Gerecht op eigen initiatief zou hebben bepaald dat dit onderdeel betrekking had op artikel 9, lid 3, van de richtlijn. Zoals het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest heeft verklaard, heeft Polen in het kader van zijn tweede middel in punt 54 van zijn verzoekschrift verwezen naar artikel 9, lid 3, van de richtlijn. In ieder geval moet worden vastgesteld dat het duidelijk was dat Polen deze bepaling op het oog had, die de grondslag was waarop de bestreden beschikking is vastgesteld.
29.
Tot slot is de grief dat de redenering van Polen in het kader van het tweede middel onvoldoende duidelijk was omdat hierin werd verwezen naar andere bepalingen dan artikel 9, lid 3, van de richtlijn, ongegrond. In tegenstelling tot wat de Commissie stelt, kon de verwijzing naar artikel 9, lid 1, van de richtlijn niet leiden tot twijfel ten aanzien van het voorwerp van het tweede middel. Er bestaat immers een nauw verband tussen deze twee bepalingen: wanneer de Commissie haar bevoegdheden krachtens artikel 9, lid 3, van de richtlijn tot controle van een NTP overschrijdt, maakt zij inbreuk op de bevoegdheden die de lidstaten hebben voor het opstellen van een NTP uit hoofde van lid 1 van dit artikel.
30.
Het eerste middel van de Commissie moet derhalve worden verworpen.
VIII – Het tweede middel
31.
Het tweede middel van de Commissie bevat een rechtsklacht met betrekking tot de uitlegging van artikel 9, lid 3, van de richtlijn.
32.
Dit middel is gericht op de motivering van het Gerecht in de punten 80 tot en met 134 van het bestreden arrest. In dit gedeelte van het arrest maakt het Gerecht in de punten 80 tot en met 92 eerst enkele opmerkingen over de doelstellingen van de richtlijn, de verdeling van de bevoegdheden tussen de Commissie en de lidstaten en de omvang van zijn rechterlijk toezicht. Vervolgens stelt het Gerecht in de punten 99 tot en met 134 van het bestreden arrest vast dat de Commissie artikel 9, leden 1 en 3, van de richtlijn heeft geschonden door enerzijds de door Polen in zijn NTP voorgestelde evaluatiemethode en gegevens te vervangen door haar eigen evaluatiemethode en haar eigen gegevens en anderzijds een maximum voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten te bepalen.
33.
In haar voorafgaande opmerkingen bij het tweede middel verwijt de Commissie het Gerecht allereerst dat het heeft vastgesteld dat de controle van een NTP door de Commissie uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn een conformiteitscontrole is die streng is afgebakend (A). Vervolgens valt het middel van de Commissie uiteen in twee onderdelen, ten eerste schending van het beginsel van gelijke behandeling (B), en ten tweede miskenning van het voorwerp en het doel van de richtlijn (C).
A – De aard van de controle uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn
34.
In de eerste plaats dient de gegrondheid van de kritiek op de voorafgaande opmerkingen van het Gerecht over de verdeling van bevoegdheden tussen de Commissie en de lidstaten te worden onderzocht.
35.
Het Gerecht verwijst allereerst, in de punten 82 en 83 van het bestreden arrest, naar artikel 249, derde alinea, EG (thans artikel 288, derde alinea, VWEU) en verklaart dat op het gebied van het milieu, dat is geregeld in de artikelen 174 EG tot en met 176 EG (thans de artikelen 191 VWEU tot en met 193 VWEU), de Unie en de lidstaten over gedeelde bevoegdheden beschikken. Hier leidt het Gerecht uit af dat de lidstaten, bij het ontbreken van een communautair voorschrift dat duidelijk en nauwkeurig bepaalt welke vorm en middelen door de lidstaat moeten worden toegepast, in beginsel volledige handelingsvrijheid genieten ten aanzien van de keuze van de vorm en de middelen, en dat het dus aan de Commissie staat rechtens genoegzaam aan te tonen dat de door de lidstaat gebruikte instrumenten in strijd zijn met het gemeenschapsrecht. Vervolgens overweegt het Gerecht, in de punten 85 tot en met 88 van het bestreden arrest, dat enkel de lidstaten bevoegd zijn om een NTP op te stellen en om eindbeslissingen over de totale hoeveelheid emissierechten te nemen en dat zij bij de uitoefening van deze bevoegdheden over een zekere beleidsruimte beschikken. Tot slot stelt het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest met betrekking tot de bevoegdheden van de Commissie vast dat uit artikel 9, lid 3, van de richtlijn ondubbelzinnig volgt dat haar controlebevoegdheid streng is afgebakend, omdat de Commissie uitsluitend bevoegd is te verifiëren of het NTP van de lidstaat in overeenstemming is met de criteria van bijlage III en met artikel 10 van de richtlijn.
36.
In het kader van het tweede middel voert de Commissie, hierbij ondersteund door het Verenigd Koninkrijk, aan dat haar controlebevoegdheid uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn niet kan worden aangemerkt als een streng afgebakende conformiteitscontrole. Alvorens dit verwijt te onderzoeken (2) dient eerst kort de in de artikelen 9 en 11 van de richtlijn ingestelde procedure van controle van NTP’s te worden beschreven (1).
1. De procedure van controle van NTP’s
37.
Volgens artikel 1 is in de richtlijn een gemeenschapsregeling voor de handel in broeikasgasemissierechten vastgelegd, teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.
38.
In het kader van deze regeling dient elke lidstaat een NTP op te stellen waarin met name de totale hoeveelheid emissierechten wordt vermeld die hij voornemens is voor die handelsperiode toe te wijzen, alsmede de manier waarop hij voornemens is deze toe te wijzen. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, tweede zin, van de richtlijn dient dit NTP te zijn gebaseerd op objectieve en transparante criteria, waaronder de in bijlage III bij de richtlijn genoemde, waarbij terdege rekening moet worden gehouden met reacties vanuit het publiek. De lidstaten dienen hun NTP achttien maanden voor de aanvang van de handelsperiode mee te delen aan de Commissie en de andere lidstaten.
39.
Volgens artikel 9, lid 3, van de richtlijn gaat de Commissie na of de NTP’s die zijn meegedeeld, in overeenstemming zijn met de in bijlage III of in artikel 10 van de richtlijn genoemde criteria, en verwerpt zij de NTP’s die hier niet mee overeenstemmen. Uit artikel 11, lid 2, van de richtlijn volgt dat een lidstaat zijn eindbeslissing over de totale hoeveelheid emissierechten die hij voornemens is voor de betreffende periode toe te wijzen, kan baseren op een NTP dat door de Commissie is goedgekeurd of niet binnen drie maanden nadat het is meegedeeld is verworpen. Een lidstaat kan daarentegen zijn eindbeslissing niet baseren op een NTP dat door de Commissie is verworpen. De Commissie heeft dus een blokkeringsbevoegdheid.
2. De grieven van de Commissie
40.
Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat de controle van de NTP’s door de Commissie uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn een conformiteitscontrole is. Zoals het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, volgt uit deze bepaling ondubbelzinnig dat de rol van de Commissie beperkt is tot een controle of het NTP van de lidstaat in overeenstemming is met de criteria van bijlage III en met artikel 10 van de richtlijn. Om een NTP te verwerpen, moet de Commissie dan ook aantonen dat de lidstaat de beleidsmarge die de richtlijn hem toekent heeft overschreden.
41.
De grieven die de Commissie aanvoert tegen de motivering van het Gerecht zijn ongegrond.
42.
Ten eerste kan uit het feit dat de controle volgens artikel 9, lid 3, van de richtlijn een voorafgaande is, niet worden afgeleid dat die verder gaat dan een conformiteitscontrole. De richtlijn wijst weliswaar een belangrijke rol toe aan de Commissie, die in het bijzonder beschikt over een controle- en blokkeringsbevoegdheid, maar artikel 9, lid 3, van de richtlijn kent haar niet de bevoegdheid toe in de plaats te treden van een lidstaat voor wat betreft het opstellen van zijn NTP of het vaststellen van zijn eindbeslissing over de toe te wijzen emissierechten. De Commissie kan een NTP dus alleen verwerpen wanneer zij aantoont dat de lidstaat de beleidsmarge die de richtlijn hem toekent heeft overschreden.
43.
Ten tweede heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de kwalificatie van de controle van artikel 9, lid 3, van de richtlijn als conformiteitscontrole overeenstemt met artikel 249, derde alinea, EG, op grond waarvan een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, maar dat aan de nationale instanties de bevoegdheid moet worden gelaten om de vorm en de middelen te kiezen. In tegenstelling tot wat de Commissie beweert, is deze regel in casu van toepassing.
44.
Allereerst faalt het argument van de Commissie, dat artikel 249, derde alinea, EG alleen van toepassing is op een controle achteraf, zoals bij een inbreukprocedure. Deze regel geldt algemeen. Er moet dus rekening mee worden gehouden wanneer dient te worden onderzocht of de Commissie de keuze van de lidstaten ten aanzien van de gegevens en evaluatiemethoden die zij hebben gebruikt voor het opstellen van hun NTP in acht heeft genomen.
45.
Ook faalt het betoog van de Commissie, dat de lidstaten zich niet kunnen beroepen op een beleidsmarge omdat artikel 249, derde alinea, EG niet van toepassing zou zijn vanwege de „regelgevende” aard van artikel 9, lid 3, van de richtlijn. De Commissie is van mening dat een bepaling van een richtlijn die uitsluitend van toepassing is tussen de instellingen en de lidstaten en waarvan de toepasselijkheid dus niet afhangt van een eerdere omzetting in nationaal recht, van „regelgevende” aard is. Deze redenering overtuigt mij niet. Artikel 249, derde alinea, EG is van toepassing op alle bepalingen van een richtlijn, dus ook op bepalingen die uitsluitend van toepassing zijn tussen de instellingen en de lidstaten. Voor het overige voert de Commissie geen enkele overtuigende reden aan waarom een bepaling als artikel 9, lid 3, van de richtlijn de lidstaten geen beleidsmarge zou toestaan ten aanzien van de vorm en de middelen, wanneer deze elementen niet geharmoniseerd zijn in de richtlijn. In ieder geval is de benadering van het Gerecht gerechtvaardigd, gelet op het feit dat de richtlijn is vastgesteld op een gebied waarop de bevoegdheden gedeeld zijn en de lidstaten hun bevoegdheid behouden wanneer een onderdeel niet geharmoniseerd is.
46.
Ten derde kan de Commissie zich er niet met goed gevolg op beroepen dat zij beschikt over een beoordelingsmarge wanneer zij in het kader van haar controle van NTP’s uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn haar eigen ingewikkelde economische en ecologische afwegingen moet maken, en dat deze beoordelingsmarge de beleidsmarge van de lidstaten beperkt. Deze beoordelingsmarge van de Commissie kan immers niet de aard van de controle veranderen, die in artikel 9, lid 3, van de richtlijn is geconcipieerd als conformiteitscontrole. De beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt, maakt het dus mogelijk dat zij een ijkpunt bepaalt op basis van de gegevens en middelen van haar keuze en dat zij kan gebruiken om aan te tonen dat het NTP niet in overeenstemming is met de criteria van bijlage III en met artikel 10 van de richtlijn. Zij kan deze beoordelingsmarge echter niet gebruiken om een NTP te verwerpen uitsluitend vanwege het feit dat het niet in overeenstemming is met het ijkpunt dat zij heeft gekozen.
47.
De tegen de voorafgaande opmerkingen van het Gerecht in de punten 82 tot en met 89 van het bestreden arrest aangevoerde grieven moeten dan ook worden verworpen.
B – Het eerste onderdeel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
48.
Het eerste onderdeel van het tweede middel van de Commissie heeft betrekking op de vaststelling van het Gerecht dat de Commissie artikel 9, lid 3, van de richtlijn heeft geschonden door de door Polen gemaakte beoordeling te vervangen door haar eigen beoordeling. Dit middel bestaat uit twee grieven: enerzijds schending van het beginsel van gelijke behandeling (1), en anderzijds onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht met betrekking tot de door de Commissie vervangen gegevens (2).
1. De grief inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling
49.
In de procedure voor het Gerecht heeft de Commissie haar uitlegging van artikel 9, lid 3, van de richtlijn, dat zij niet verplicht was de gegevens te onderzoeken die Polen had opgenomen in haar NTP, verdedigd met het argument dat het beginsel van gelijke behandeling haar ertoe verplichtte voor de NTP’s van alle lidstaten gegevens uit dezelfde bron en dezelfde beoordelingsmethoden te gebruiken.
50.
In de punten 100 tot en met 120 van het bestreden arrest heeft het Gerecht deze stelling verworpen. Het heeft geoordeeld dat het beginsel van gelijke behandeling de in de richtlijn voorziene verdeling van de bevoegdheden tussen de Commissie en de lidstaten, op grond waarvan de lidstaten bevoegd zijn hun NTP op te stellen en de eindbeslissing over de hoeveelheid toe te wijzen emissierechten te nemen, niet kan veranderen. Nu de Commissie geen bevoegdheid tot uniformisering heeft en zij geen centrale rol speelt in de opstelling van NTP’s, kan zij de lidstaten niet met een beroep op het beginsel van gelijke behandeling een uniforme beoordelingsmethode opleggen. De Commissie is dan ook gehouden te controleren of de gegevens in het NTP van de Republiek Polen overeenstemmen met de criteria van bijlage III bij de richtlijn, en kan dus niet volstaan met het vervangen van de gegevens in het NTP door haar eigen gegevens.
51.
De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Denemarken, verwijt het Gerecht haar controlebevoegdheid van artikel 9, lid 3, van de richtlijn onjuist te hebben uitgelegd en het beginsel van gelijke behandeling te hebben geschonden. Zij zou verplicht zijn voor alle lidstaten actuele gegevens uit dezelfde bron en prognoses uit dezelfde periode te gebruiken om er zo voor te zorgen dat alle NTP’s gelijk worden behandeld.
52.
Eerst dient de grief te worden onderzocht, dat het Gerecht de omvang van de controlebevoegdheid van de Commissie uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn onjuist heeft uitgelegd (a), alvorens in te gaan op de kritiek inzake het beginsel van gelijke behandeling (b). Tot slot zal ik de andere tegen de motivering van het Gerecht aangevoerde punten van kritiek onderzoeken (c).
a) De omvang van de controlebevoegdheid van de Commissie
53.
In de eerste plaats verwijt de Commissie het Gerecht de omvang van haar controlebevoegdheid uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn onjuist te hebben uitgelegd. Zij is van mening dat zij bevoegd is om zelf de parameters te bepalen voor de beoordeling of de gegevens in de NTP’s in overeenstemming zijn met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria. Dientengevolge is zij van mening dat zij niet verplicht was na te gaan of de in de NTP’s gebruikte economische gegevens juist waren.
54.
Deze grief van de Commissie is ongegrond. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat de Commissie diende na te gaan of de economische gegevens die Polen had opgenomen in zijn NTP, in overeenstemming waren met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria.
55.
Zoals hierboven uiteengezet, kent artikel 9, lid 3, van de richtlijn aan de Commissie uitsluitend een bevoegdheid tot een conformiteitscontrole toe, op grond waarvan zij een NTP van een lidstaat dat niet in overeenstemming is met de in bijlage III of in artikel 10 van de richtlijn genoemde criteria kan verwerpen. ( 5 )
56.
Met betrekking tot de intensiteit van de controle stelt het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest op goede gronden vast dat in bijlage III bij de richtlijn de criteria worden genoemd waaraan een lidstaat in zijn NTP moet voldoen, zonder dat wordt voorgeschreven welke vormen en middelen moeten worden gebruikt om te beoordelen of het NTP in overeenstemming is met de genoemde criteria. Het blijft de lidstaten dus vrijstaan de gegevens en evaluatiemethoden van hun keuze te gebruiken mits deze niet leiden tot resultaten die niet in overeenstemming zouden zijn met deze criteria. In het kader van haar controle uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn dient de Commissie deze handelingsmarge van de lidstaten in acht te nemen. Hieruit volgt dat zij het NTP van een lidstaat niet kan verwerpen om de enkele reden dat de gegevens erin niet in overeenstemming zijn met de gegevens van haar keuze, maar dat het aan haar staat aan te tonen dat de gegevens in het NTP niet in overeenstemming zijn met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria.
57.
De argumenten die de Commissie aanvoert ter rechtvaardiging van haar standpunt overtuigen mij niet.
58.
Ten eerste dient het argument van de Commissie te worden verworpen, dat zij niet verplicht was gegevens in het NTP van Polen te onderzoeken omdat zij de lidstaten had herinnerd aan het belang van geverifieerde gegevens van werkelijke emissies. Een dergelijke benadering zou gerechtvaardigd zijn in een systeem waarin de Commissie zich in de plaats zou kunnen stellen van een lidstaat of zelf de toepasselijke parameters voor het beoordelen van de conformiteitscriteria zou kunnen bepalen. De richtlijn kent de Commissie dergelijke bevoegdheden echter niet toe. Indien de Commissie twijfels had over de overeenstemming van de gegevens in het NTP, lag het op haar weg aan te tonen dat deze gegevens niet in overeenstemming waren met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria.
59.
Ten tweede kan uit het feit dat de Commissie de NTP’s van verschillende lidstaten tegelijkertijd controleerde, niet worden afgeleid dat de richtlijn haar de bevoegdheid toekent de gegevens in het NTP van een lidstaat te vervangen door de gegevens van haar keuze.
60.
Ten derde kan een teleologische uitlegging die het doel van artikel 9, lid 3, van de richtlijn duidelijk maakt, de benadering van de Commissie dat zij niet verplicht was de gegevens te onderzoeken die Polen in zijn NTP had opgenomen, evenmin rechtvaardigen.
61.
Een dergelijke benadering vindt geen steun in punt 30 van de considerans van de richtlijn. Hierin wordt uitsluitend gesteld dat de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de individuele lidstaten, en derhalve beter op gemeenschapsniveau kan worden verwezenlijkt.
62.
Verder dient het argument te worden verworpen, dat de doelstellingen van de richtlijn niet zouden kunnen worden bereikt wanneer de Commissie op een andere manier te werk zou zijn gegaan dan zij voorstelde. Op gebieden met gedeelde bevoegdheid, zoals de milieubescherming, staat het aan de Uniewetgever te bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn om de beoogde doelstellingen te bereiken, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Wanneer de keuze van de wetgever op duidelijke en ondubbelzinnige wijze blijkt uit het betrokken document, past het de rechters van de Unie niet door middel van een teleologische uitlegging de beoordeling van de wetgever te vervangen door hun eigen beoordeling.
63.
De wil van de Uniewetgever om aan de Commissie uitsluitend een bevoegdheid tot conformiteitscontrole toe te kennen en geen substitutiebevoegdheid of een bevoegdheid tot uniformisering blijkt niet alleen uit de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 9, lid 3, van de richtlijn, maar ook uit zijn totstandkomingsgeschiedenis. ( 6 ) De door de Commissie gegeven uitlegging aan artikel 9, lid 3, van de richtlijn overschrijdt dan ook de grenzen van een teleologische uitlegging. Het is aan de Uniewetgever deze bepaling te wijzigen wanneer hij van mening is dat de beoogde doelstellingen hiermee niet bereikt kunnen worden. ( 7 )
64.
De kritiek dat de omvang van de controlebevoegdheid van de Commissie uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn onjuist is opgevat, dient dus te worden verworpen.
b) Het beginsel van gelijke behandeling
65.
In de tweede plaats verwijt de Commissie het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling te hebben geschonden.
66.
Dit verwijt is ongegrond.
67.
Het beginsel van gelijke behandeling verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. De kenmerken van verschillende situaties en daarmee hun vergelijkbaarheid moeten worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de gemeenschapshandeling die het betrokken onderscheid invoert. ( 8 )
68.
Vastgesteld moet worden dat de grief van de Commissie gebaseerd is op een onjuiste opvatting van haar controlebevoegdheid uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn. In tegenstelling tot wat de Commissie stelt, geeft deze bepaling haar niet het recht de economische parameters te bepalen voor de beoordeling of een NTP in overeenstemming is met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria. Zoals hierboven uiteengezet, laat de richtlijn een handelingsmarge aan de lidstaten, die de vrijheid hebben de gegevens en beoordelingsmethoden van hun keuze te gebruiken, mits deze keuzen niet leiden tot resultaten die niet in overeenstemming zijn met deze criteria. De eventuele verschillen tussen de keuzen van de lidstaten zijn een uiting van hun handelingsmarge, die de Commissie bij haar conformiteitscontrole in acht dient te nemen. De Commissie schendt dus niet het beginsel van gelijke behandeling wanneer zij de verschillende keuzen van de lidstaten accepteert, voor zover de lidstaten hun handelingsmarge niet te buiten gaan.
69.
De grief inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling moet dan ook worden verworpen.
c) De andere punten van kritiek
70.
In de derde plaats dienen de andere door de Commissie aangevoerde punten van kritiek te worden verworpen.
71.
Allereerst verwijt de Commissie het Gerecht geen rekening te hebben gehouden met zijn rechtspraak door, in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest, aan te nemen dat NTP’s onbeperkt gewijzigd kunnen worden. Volgens de Commissie kan een NTP dat is meegedeeld aan de Commissie, slechts worden gewijzigd om het aan te passen aan de afwijzende beslissing van de Commissie. Anders zou het functioneren van de regeling voor de handel in emissierechten in gevaar komen en zouden de lidstaten ertoe kunnen worden aangezet hun NTP’s met vertraging of onvolledig mee te delen om eventueel gunstigere gegevens te kunnen gebruiken. Deze kritiek dient te worden verworpen, zonder dat de gegrondheid ervan behoeft te worden onderzocht. Immers, zelfs wanneer de kritiek van de Commissie gegrond zou zijn, zou daarmee nog geen afbreuk worden gedaan aan de vaststelling van het Gerecht dat de Commissie verplicht was te toetsen of de gegevens in het NTP van Polen in overeenstemming waren met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria, en dus niet eenvoudigweg de gegevens in dit NTP kon vervangen door haar eigen gegevens.
72.
Verder is de grief van de Commissie, dat de motivering van het Gerecht in de punten 113 tot en met 116 van het bestreden arrest in strijd is met zijn eerdere standpunt dat alleen de lidstaten bevoegd zijn NTP’s op te stellen, niet gegrond. Het Gerecht verklaart in dit deel van het bestreden arrest uitsluitend dat de Commissie verplicht is rekening te houden met de door de lidstaat voorgelegde actuele gegevens, en spreekt dus niet zijn standpunt tegen dat de lidstaten bevoegd zijn NTP’s op te stellen.
d) Tussenconclusie
73.
De grief inzake de vaststelling van het Gerecht dat de Commissie artikel 9, lid 3, van de richtlijn heeft geschonden door de beoordeling van Polen te vervangen door haar eigen beoordeling, dient dus te worden afgewezen.
2. De grief inzake onjuiste uitlegging van de feitelijke situatie
74.
De Commissie verwijt het Gerecht een onjuiste uitlegging van de feitelijke situatie te hebben gegeven in de punten 100 tot en met 103 van het bestreden arrest, waar het vaststelt dat de Commissie zich er niet toe kon beperken de in het NTP opgenomen gegevens te vervangen door haar eigen evaluatiemethode. Het Gerecht zou hebben miskend dat het niet ging om haar eigen gegevens en evaluatiemethoden. De gegevens over de reële emissies van CO2 zouden rechtstreeks afkomstig zijn geweest van exploitanten van installaties als bedoeld in de richtlijn, gecontroleerd overeenkomstig beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto (PB L 49, blz. 1), en gepubliceerd in het onafhankelijk transactielogboek van de Gemeenschap, en zouden door Polen zijn toegestuurd als aanvulling op zijn NTP. De voorspellingen over de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp) voor de jaren 2005-2010 waren gebaseerd op nationale statistieken die waren opgesteld in samenwerking met nationale deskundigen.
75.
De grief is ontvankelijk. Zelfs wanneer de beoordeling van de feiten door de rechter in eerste aanleg geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor controle door het Hof, kan een verkeerde opvatting van de feiten of het bewijs door de rechter wel door het Hof worden getoetst. ( 9 ) De Commissie verwijt het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met haar nadere toelichtingen en met de motivering van de bestreden beschikking ten aanzien van de oorsprong van de door haar gebruikte gegevens en methoden.
76.
Deze grief is evenwel ongegrond. Hij berust op een onjuiste lezing van de punten 100 tot en met 103 en 120 van het bestreden arrest. Door de Commissie te verwijten dat zij de door Polen in zijn NTP gebruikte gegevens heeft vervangen door gegevens die zij zelf op grond van haar eigen evaluatiemethoden had verkregen, heeft het Gerecht geen kritiek geleverd op de door de Commissie gemaakte keuze van gegevens. In punt 120 heeft het immers uitdrukkelijk aangegeven geen uitspraak te hoeven doen over de vraag of de keuze van de Commissie juist was. Het verwijt van het Gerecht heeft dus geen betrekking op de keuze of de bron van de gegevens, maar op het feit dat de Commissie niet heeft getoetst of de gegevens in het NTP van Polen in overeenstemming waren met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria.
C – Het tweede onderdeel: miskenning van de doelstellingen van de richtlijn
77.
Het tweede onderdeel van het tweede middel heeft betrekking op miskenning van de doelstellingen van de richtlijn bij de uitlegging van de draagwijdte en de omvang van de controlebevoegdheden van de Commissie op grond van artikel 9, lid 3, van de richtlijn.
78.
Dit onderdeel betreft de motivering van het Gerecht in de punten 121 tot en met 131 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht vaststelt dat de Commissie de grenzen van de controlebevoegdheid van artikel 9, lid 3, van de richtlijn heeft overschreden door in de bestreden beschikking een maximum voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten te bepalen.
79.
De Commissie stelt dat de doelstelling en het doel van de richtlijn niet kunnen worden bereikt wanneer zij niet de bevoegdheid heeft een dergelijk maximum te bepalen, en dat haar benadering gerechtvaardigd wordt door redenen van proceseconomische aard. Zij verwijt het Gerecht, geen juist onderscheid te hebben gemaakt tussen het bepalen van een maximum door de Commissie en het bepalen van de hoeveelheid toe te wijzen emissierechten door de lidstaat.
80.
Dit onderdeel is ongegrond.
81.
Het Gerecht heeft terecht verklaard dat de richtlijn de Commissie niet de bevoegdheid toekent in een afwijzende beslissing een bindend maximum voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten te bepalen. Zoals hierboven uiteengezet, zijn het de lidstaten die bevoegd zijn de NTP’s op te stellen en de eindbeslissing vast te stellen. De bevoegdheden van de Commissie zijn beperkt tot een conformiteitscontrole van de NTP’s, en dit geeft de Commissie de mogelijkheid NTP’s die niet in overeenstemming zijn met de in bijlage III bij en in artikel 10 van de richtlijn genoemde criteria te blokkeren. Het Gerecht heeft dan ook op goede gronden vastgesteld dat de Commissie zich, door een maximum voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten te bepalen, in feite in de plaats van Polen heeft gesteld en op deze wijze inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden van deze lidstaat.
82.
De kritiek die de Commissie heeft aangevoerd tegen de motivering van het Gerecht overtuigt mij niet.
83.
Ten eerste dient de stelling van de Commissie te worden verworpen, dat zij, door een maximum voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten te bepalen, geen inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden die Polen uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de richtlijn heeft, omdat Polen de mogelijkheid behield hetzelfde of een lager niveau voor de hoeveelheid toe te wijzen emissierechten dan dit maximumniveau te bepalen. Wanneer de Commissie over een dergelijke bevoegdheid beschikte, zou zij immers de gegevens en evaluatiemethoden van haar keuze aan de lidstaten kunnen opleggen ten aanzien van het maximum voor de hoeveelheid toe te wijzen emissierechten. De richtlijn verleent haar deze bevoegdheid niet, maar laat de lidstaten een beleidsmarge ten aanzien van de keuze van gegevens en evaluatiemethoden.
84.
Ten tweede faalt de grief van de Commissie, dat het Gerecht niet voldoende rekening heeft gehouden met de noodzaak van de goede werking van de regeling voor de handel in emissierechten. Zoals hierboven uiteengezet, volgt de wil van de Uniewetgever om aan de Commissie uitsluitend een bevoegdheid tot conformiteitscontrole toe te kennen duidelijk uit de richtlijn. De goede werking van de regeling is geen grond om de Commissie extra legem aanvullende bevoegdheden toe te kennen.
85.
Ten derde lijkt het bezwaar van de Commissie dat het mogelijk zou zijn ex post aan te tonen dat de onvoorwaardelijke erkenning van de gegevens van CO2-emissies en de voorgestelde totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten zoals voorgelegd in het NTP van Polen niet alleen een resultaat zou hebben opgeleverd dat tegen de criteria nrs. 1 tot en met 3 van bijlage III bij de richtlijn was ingegaan, maar ook zou hebben geleid tot een inflatie van de hoeveelheid emissierechten op de markt, gebaseerd te zijn op een onjuiste uitlegging van het bestreden arrest. Het Gerecht erkent immers dat de Commissie een NTP dat niet in overeenstemming is met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria kan verwerpen, en is dus niet van mening dat de Commissie de gegevens in het NTP van Polen onvoorwaardelijk moest erkennen.
86.
Ten vierde stelt de Commissie dat een uitlegging van artikel 9, lid 3, van de richtlijn op grond waarvan zij de bevoegdheid had het maximum voor de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten aan te geven, gerechtvaardigd zou zijn uit proceseconomisch oogpunt. Hiermee zou worden voorkomen dat er voortdurend NTP’s zouden worden afgewezen omdat zij niet in overeenstemming zijn met de criteria van bijlage III bij de richtlijn. Ook zouden lidstaten hierdoor binnen de gestelde termijn de eindbeslissing kunnen nemen uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de richtlijn. In dit verband verwijt de Commissie het Gerecht de juridische betekenis van het in artikel 2 van de bestreden beschikking aangegeven maximumbedrag te hebben miskend. Deze aanduiding had uitsluitend tot gevolg dat haar beslissingsbevoegdheid werd beperkt. Door dit bedrag aan te geven, zou zij alleen zelf verplicht zijn een gewijzigd NTP niet te verwerpen wanneer de in dit NTP voorgestelde hoeveelheid emissierechten lager dan of gelijk aan het in de bestreden beschikking aangegeven maximum aan emissierechten zou zijn.
87.
Ook deze grief dient ongegrond te worden verklaard.
88.
Allereerst dient eraan te worden herinnerd dat wanneer de Commissie een NTP verwerpt, de betrokken lidstaat verplicht is zijn NTP te wijzigen. De Commissie kan in dat opzicht niet in de plaats treden van een lidstaat en in diens plaats zijn NTP wijzigen.
89.
De in artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn neergelegde motiveringsplicht verplicht de Commissie er echter toe de redenen aan te geven waarom zij van mening is dat het verworpen NTP niet in overeenstemming is met de criteria in bijlage III en met artikel 10, van de richtlijn. ( 10 )
90.
Niets in de richtlijn verzet zich ertegen dat de Commissie in de motivering van een besluit tot verwerping voorstellen of aanbevelingen formuleert. Zij kan dus aangeven welke hoeveelheid toe te wijzen emissierechten volgens haar in overeenstemming is met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria, op voorwaarde dat zij dit niveau niet aan de betreffende lidstaat oplegt. Gelet op de relatief korte termijn waarover een lidstaat beschikt om zijn verworpen NTP te wijzigen, kan een dergelijke aanduiding immers worden gerechtvaardigd door het beginsel van loyale samenwerking.
91.
Bovendien overschrijdt de Commissie niet de grenzen van de haar in artikel 9, lid 3, van de richtlijn toegekende bevoegdheden wanneer zij in het dispositief van een besluit tot verwerping aangeeft dat zij een gewijzigd NTP dat in overeenstemming is met de voorstellen of aanbevelingen die staan in dit besluit tot verwerping, niet zal verwerpen. Een dergelijke procedure kan worden gerechtvaardigd door het beginsel van loyale samenwerking en door het vereiste van proceseconomie.
92.
Daarentegen overschrijdt de Commissie wel de grenzen van de haar in artikel 9, lid 3, van de richtlijn toegekende bevoegdheden wanneer zij in het besluit tot verwerping een bindend maximum voor emissierechten aangeeft. Door aldus te werk te gaan, overschrijdt de Commissie de grenzen van haar conformiteitscontrole en maakt zij inbreuk op de bevoegdheden van de lidstaten.
93.
In casu heeft het Gerecht op goede gronden vastgesteld dat de Commissie de grenzen van de haar in artikel 9, lid 3, van de richtlijn toegekende bevoegdheden te buiten is gegaan. Polen, tot wie de bestreden beschikking gericht was, moest er immers van uitgaan dat de in artikel 2 van de bestreden beschikking aangegeven maximumhoeveelheid emissierechten bindend was. In artikel 3, lid 3, van de bestreden beschikking heeft de Commissie aangegeven dat afgezien van de door haar in artikel 2 vereiste wijziging van het NTP geen enkele andere wijziging toegestaan was. De wijziging met betrekking tot de maximumhoeveelheid toe te wijzen emissierechten die in dit artikel was voorzien, berustte op de door de Commissie gekozen gegevens en evaluatiemethoden. Nu de Commissie niet heeft onderzocht of de gegevens in het NTP van Polen in overeenstemming waren met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria, kon Polen niet verwachten dat de Commissie de gegevens in zijn gewijzigde NTP, waarin geen rekening werd gehouden met het in artikel 2 van het besluit tot verwerping aangegeven maximum, zou gaan onderzoeken.
94.
Het tweede onderdeel van het tweede middel moet dus worden verworpen.
D – Tussenconclusie
95.
Het tweede middel moet dan ook in zijn geheel worden verworpen.
IX – Het derde middel
96.
Het derde middel van de Commissie betreft een onjuiste uitlegging van de motiveringsplicht uit hoofde van artikel 253 EG (thans artikel 296 VWEU) en artikel 9, lid 3, van de richtlijn.
97.
Dit middel heeft betrekking op de motivering van het Gerecht in de punten 138 tot en met 153 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht vaststelt dat de Commissie haar motiveringsplicht heeft geschonden. In de punten 136 tot en met 143 van het bestreden arrest buigt het Gerecht zich allereerst over de omvang van de motiveringsplicht. Na de rechtspraak met betrekking tot artikel 253 EG te hebben aangehaald, verklaart het Gerecht dat het overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de richtlijn aan de Commissie was toe te lichten in welk opzicht de gegevens en de gebruikte methode in het tweede NTP onverenigbaar zijn met de criteria in bijlage III bij de richtlijn. Vervolgens stelt het Gerecht in de punten 144 tot en met 153 van het bestreden arrest vast dat de Commissie deze motiveringsplicht heeft geschonden.
98.
De Commissie verwijt het Gerecht de draagwijdte van de motiveringsplicht van artikel 253 EG en artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn onjuist te hebben geïnterpreteerd. Zij behoort een besluit tot verwerping op dusdanige wijze te motiveren dat degene tot wie het besluit gericht is, het kan begrijpen en dat het Gerecht de rechtmatigheid ervan in rechte kan toetsen. De Commissie is van mening dat de motivering van de bestreden beschikking voldoende was en dat Polen beschikte over aanvullende feitelijke en juridische gegevens.
A – Ondeugdelijkheid van het middel
99.
Het derde middel is ondeugdelijk. De nietigverklaring van de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, en 3, lid 1, van de bestreden beschikking berust in de eerste plaats op de motivering in de punten 70 tot en met 133 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting van de Commissie ten aanzien van de uitlegging van haar controlebevoegdheid uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn heeft vastgesteld. Alleen al door dit deel van de motivering, dat niet berust op een onjuiste rechtsopvatting ( 11 ), wordt de nietigverklaring van de bovengenoemde bepalingen van de bestreden beschikking gedragen. Een eventuele onjuiste rechtsopvatting in de subsidiaire overwegingen van het Gerecht over de schending van de motiveringsplicht kan dus niet afdoen aan zijn beslissing.
B – De gegrondheid van het derde middel
100.
Ten aanzien van de gegrondheid van het derde middel dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de motiveringsplicht uit hoofde van artikel 253 EG en die uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn.
101.
In punt 153 van het bestreden arrest stelt het Gerecht vast dat de Commissie haar motiveringsverplichting heeft geschonden, zonder aan te geven of deze vaststelling betrekking heeft op de motiveringsplicht van artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn of op die in artikel 253 EG. In de punten 136 tot en met 138 van het bestreden arrest merkt het Gerecht op dat de motiveringsplicht van artikel 253 EG wordt bekrachtigd in artikel 9, lid 3, van de richtlijn. Gezien het verband dat het Gerecht tussen deze twee motiveringsplichten heeft gelegd, kan niet worden uitgesloten dat zijn vaststelling niet alleen betrekking had op de motiveringsplicht uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn, maar ook op die uit hoofde van artikel 253 EG.
102.
In tegenstelling tot de benadering van het Gerecht ben ik van mening dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen deze twee motiveringsplichten. Naar mijn mening heeft de Commissie de motiveringsplicht van artikel 253 EG niet, maar die van artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn wel geschonden.
1. De motiveringsplicht van artikel 253 EG
103.
De motiveringsplicht uit hoofde van artikel 253 EG verplicht de instellingen ertoe hun rechtshandelingen duidelijk en ondubbelzinnig te motiveren, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te verdedigen, en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. ( 12 ) Het volstaat dat de motivering volgt uit de context waarin de handeling is vastgesteld, en uit het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. ( 13 ) Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd. ( 14 )
104.
In casu heeft de Commissie deze motiveringsplicht niet geschonden. Uit de motivering van de bestreden beschikking volgt immers duidelijk dat de Commissie van mening was dat artikel 9, lid 3, van de richtlijn haar toestond de maximumhoeveelheid emissierechten te bepalen en zich hierbij te baseren op gegevens en evaluatiemethoden van haar keuze. Deze motivering van de bestreden beschikking stelde Polen in staat te begrijpen waarom de Commissie de bestreden beschikking had vastgesteld, en het Gerecht om de rechtmatigheid ervan te toetsen.
105.
Daarentegen vormt het feit dat de Commissie haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 9, lid 3, van de richtlijn onjuist heeft uitgelegd en dat haar motivering deze onjuiste uitlegging weergeeft, geen schending van de motiveringsplicht uit hoofde van artikel 253 EG. ( 15 )
106.
De motivering van het bestreden arrest bevat dan ook een onjuistheid voor zover het Gerecht heeft vastgesteld dat de Commissie artikel 253 EG heeft geschonden.
2. De motiveringsplicht van artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn
107.
Daarentegen ben ik van mening dat de vaststelling dat er sprake is van een schending van de motiveringsplicht, niet onjuist is voor zover deze betrekking heeft op artikel 9, lid 3, van de richtlijn.
108.
Uit de bewoordingen, de opzet en de doelstelling van deze bepaling volgt immers dat zij niet op dezelfde wijze kan worden uitgelegd als artikel 253 EG. Zoals hierboven uiteengezet, blokkeert de verwerping van een NTP door de Commissie de eindbeslissing van de betrokken lidstaat, die verplicht wordt zijn NTP te wijzigen en dit NTP in een relatief korte tijd aan de Commissie mee te delen. ( 16 ) De motiveringsplicht van artikel 9, lid 3, van de richtlijn moet dus worden uitgelegd met inachtneming van deze tijdsgrenzen en het beginsel van loyale samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten. Hieruit volgt dat artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn de Commissie ertoe verplicht alle zinvolle informatie aan de lidstaat ter beschikking te stellen, zodat deze in staat is een gewijzigd NTP op te stellen en mee te delen en de eindbeslissing te nemen binnen de in de richtlijn voorziene termijn.
109.
Anders dan de Commissie tijdens de terechtzitting heeft gesteld, is de motiveringsplicht van artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn van toepassing op alle besluiten tot verwerping van de Commissie, en niet alleen op een tweede besluit tot verwerping. Dit volgt uit de bewoordingen en de doelstelling van deze bepaling.
110.
Zoals het Gerecht vaststelt in de punten 144 tot en met 153 van het bestreden arrest, voldeed de motivering van de bestreden beschikking niet aan de eisen van artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn. Gezien de doelstelling van deze bepaling stond het aan de Commissie, in de eerste plaats uit te leggen in welk opzicht de gegevens en methoden van Polen niet overeenstemden met de criteria van bijlage III bij de richtlijn. De Commissie heeft zich ertoe beperkt haar twijfels uit te spreken ten aanzien van de betrouwbaarheid van de gegevens die Polen in zijn NTP had opgenomen, en de gegevens van Polen vervangen door de gegevens van haar keuze, daarbij aangevend dat haar gegevens betrouwbaarder waren. Een dergelijke motivering heeft Polen niet in staat gesteld te begrijpen waarom zijn keuze van gegevens en methoden niet in overeenstemming was met de criteria van bijlage III bij de richtlijn.
111.
In tegenstelling tot wat de Commissie beweert, hebben noch het feit dat Polen een actueel overzicht van de CO2-emissies voor 2005 had opgestuurd, noch het feit dat Polen dankzij de mededeling van de Commissie van 29 november 2006 ( 17 ) en de besprekingen van de werkgroep inzake klimaatverandering beschikte over aanvullende feitelijke en juridische gegevens, de Commissie ontheven van haar verplichting aan te tonen in welk opzicht de gegevens die Polen in zijn NTP had voorgelegd niet in overeenstemming waren met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria. Zoals hierboven uiteengezet ( 18 ), zijn de toepasselijke parameters om te beoordelen of een NTP voldoet aan de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria niet geharmoniseerd en kent de richtlijn geen bevoegdheid tot uniformisering toe aan de Commissie of aan de werkgroep inzake klimaatverandering.
112.
Voor zover het Gerecht heeft vastgesteld dat de Commissie de motiveringsplicht uit hoofde van artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn heeft geschonden, heeft het dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
C – Tussenconclusie
113.
Het derde middel van de Commissie is dus gegrond voor zover het de vaststelling van het Gerecht betreft, dat de Commissie de motiveringsplicht van artikel 253 EG heeft geschonden. Toch kan het derde middel niet slagen, ten eerste niet omdat het betrekking heeft op een overweging ten overvloede in het bestreden arrest, en ten tweede niet omdat het niet gegrond is voor wat betreft de vaststelling van het Gerecht dat de Commissie haar motiveringsplicht van artikel 9, lid 3, derde zin, van de richtlijn heeft geschonden.
114.
Het derde middel van de Commissie dient dus te worden verworpen.
X – Het vierde middel
115.
Met haar vierde middel verwijt de Commissie het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft geoordeeld dat de bepalingen van de bestreden beschikking niet scheidbaar zijn en dat de beschikking dus in haar geheel nietig diende te worden verklaard.
116.
Dit middel heeft betrekking op de punten 155 tot en met 163 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht oordeelt dat nietigverklaring van enkel de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, en 3, lid 1, van de bestreden beschikking de kern van de overige bepalingen van deze beschikking zou aantasten.
117.
De Commissie is van mening dat deze bepalingen scheidbaar waren van de rest van de bestreden beschikking. Zij stelt dat een gedeeltelijke, tot deze bepalingen beperkte nietigverklaring de bestreden beschikking niet zou hebben gewijzigd in een beschikking die zij niet van plan zou zijn geweest vast te stellen.
118.
Het vierde middel moet worden verworpen.
119.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist de gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit van een instelling, dat de nietig verklaarde bepalingen van het besluit scheidbaar zijn van de andere bepalingen en dat deze gedeeltelijke nietigverklaring de kern van het besluit niet aantast. ( 19 ) Een besluit wordt in zijn kern aangetast wanneer degene die dit besluit heeft genomen, op objectieve gronden, dit besluit niet zou hebben vastgesteld met de gewijzigde bepalingen.
120.
Het Gerecht heeft terecht vastgesteld dat nietigverklaring van alleen de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, en 3, lid 1, van de bestreden beschikking de kern ervan zou hebben aangetast.
121.
Ten eerste heeft het Gerecht op goede gronden vastgesteld dat de verschillende leden van de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking niet gescheiden konden worden. De verschillende leden van deze artikelen hebben inderdaad betrekking op verschillende aspecten van het NTP en op verschillende criteria van bijlage III bij de richtlijn. Toch volgt uit de opbouw van de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking dat een nietigverklaring van alleen het eerste lid ervan tot gevolg zou hebben dat de kern van deze artikelen werd aangetast. Artikel 1 van de bestreden beschikking bevat een limitatieve lijst van bezwaren van de Commissie met betrekking tot de vraag of het NTP van Polen in overeenstemming is met de in bijlage III bij de richtlijn genoemde criteria. Zoals het Gerecht vaststelt, zou nietigverklaring van enkel het eerste lid ervan een beperking van deze limitatieve lijst tot gevolg hebben. Artikel 2 van de bestreden beschikking bevatte de verplichting van de Commissie, zich niet te verzetten tegen een NTP van Polen wanneer Polen zijn NTP zou wijzigen conform de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel genoemde voorstellen. Nietigverklaring van enkel het eerste lid ervan had het aantal wijzigingen onder het voorbehoud waarvan deze verplichting van de Commissie oorspronkelijk stond, beperkt.
122.
Zowel uit de bestreden beschikking als uit de stellingen van de Commissie voor het Gerecht volgt dat de Commissie niet bereid was de hoeveelheid emissierechten die Polen in zijn NTP had voorgesteld, te aanvaarden en dat zij deze hoeveelheid als buitensporig beschouwde. Dit is ex post bevestigd door het feit dat de Commissie een nieuwe beschikking heeft vastgesteld waarin zij het NTP van Polen heeft verworpen, met name omdat de maximumhoeveelheid onverenigbaar zou zijn met de criteria nrs. 1 tot en met 3 van bijlage III bij de richtlijn. Dientengevolge heeft het Gerecht op goede gronden vastgesteld dat een nietigverklaring van enkel de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, van de bestreden beschikking de kern ervan zou hebben aangetast.
123.
Ten tweede heeft het Gerecht op goede gronden vastgesteld dat artikel 3, lid 3, van de bestreden beschikking niet scheidbaar is van de artikelen 1 en 2 ervan. Er bestaat een nauw verband tussen deze bepaling en de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking. Deze bepaling verwijst immers naar de wijzigingen die volgens de Commissie vereist zijn om de in artikel 1 vastgestelde onverenigbaarheden ongedaan te maken, maar die afwijken van de voorstellen die de Commissie in artikel 2 noemt.
124.
Ten derde dient ten aanzien van de scheidbaarheid van artikel 3, lid 2, van de bestreden beschikking, dat betrekking heeft op wijzigingen in de aan bepaalde installaties toegewezen emissierechten, te worden vastgesteld dat het in stand laten van alleen dit deel van de bestreden beschikking de kern ervan eveneens zou hebben aangetast. Zoals hierboven uiteengezet ( 20 ), kan een lidstaat zijn eindbeslissing baseren op een NTP dat door de Commissie niet is betwist in het kader van de in artikel 9, lid 3, van de richtlijn voorziene controle. Een beschikking waarvan alleen artikel 3, lid 2, van de bestreden beschikking was gehandhaafd, zou een beschikking zijn waarin de Commissie geen enkel bezwaar met betrekking tot de criteria nrs. 1 tot en met 3, 5, 6, 10 en 12 van bijlage III bij de richtlijn zou hebben opgeworpen. Polen had zijn eindbeslissing uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de richtlijn dus kunnen baseren op zijn oorspronkelijke NTP. Uit de bestreden beschikking en de stellingen van de Commissie voor het Gerecht volgt dat de Commissie een dergelijk besluit niet had willen nemen.
125.
Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, en 3, lid 1, van de bestreden beschikking niet scheidbaar waren van de overige bepalingen van deze beschikking.
126.
Het vierde middel van de Commissie moet dus ongegrond worden verklaard.
XI – Het verzoek om de andere middelen van het verzoekschrift te behandelen
127.
Polen heeft verzocht om de andere middelen van het verzoekschrift te behandelen, wanneer het Hof de hogere voorziening niet in haar geheel zou verwerpen. Nu de hogere voorziening in haar geheel moet worden verworpen, hoeft op dit verzoek niet te worden ingegaan.
XII – Conclusie
128.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1)
de hogere voorzieningen van de Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tegen het arrest van het Gerecht van 23 november 2003, Polen/Commissie (T-183/07), af te wijzen;
2)
de Commissie te veroordelen in de kosten van de Republiek Polen en in haar eigen kosten;
3)
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Tsjechische Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Denemarken te veroordelen in hun eigen kosten.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Arresten van 19 oktober 1995, Rendo e.a./Commissie (C-19/93 P, Jurispr. blz. I-3319, punt 13), en 3 september 2009, Moser Baer India/Raad (C-535/06 P, Jurispr. blz. I-7051, punt 24).
( 3 ) Zaken Tsjechië/Commissie, T-194/07, PB 2007, C 199, blz. 38; Hongarije/Commissie, T-221/07, PB 2007, C 199, blz. 41; Litouwen/Commissie, T-368/07, PB 2007, C 283, blz. 35; Roemenië/Commissie, T-483/07, PB 2008, C 51, blz. 56, en Roemenië/Commissie, T-484/07, PB 2008, C 51, blz. 57.
( 4 ) Arresten van 26 april 2007, Alcon/BHIM (C-412/05 P, Jurispr. blz. I-3569, punten 38-40), en 17 juli 2008, Campoli/Commissie (C-71/07 P, Jurispr. blz. I-5887, punt 63).
( 5 ) Zie de punten 40-47 van deze conclusie.
( 6 ) Zie bladzijde 12 van het voorstel van de Commissie COM(2001) 581 def. van 23 oktober 2001, waaruit blijkt dat het bepalen van de totale hoeveelheid verleende emissierechten voornamelijk moet worden overgelaten aan de beoordeling van de lidstaten, die echter wel de in bijlage III bij de richtlijn ontwikkelde criteria in acht moeten nemen, en dat de in bijlage III bij de richtlijn ontwikkelde criteria in een later stadium door de Uniewetgever kunnen worden gewijzigd in het licht van de bij de uitvoering van de richtlijn opgedane ervaring.
( 7 ) In dit verband moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever juist dit aspect van de richtlijn heeft gewijzigd. Artikel 9 van de richtlijn zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PB L 140, blz. 63) bepaalt dat de hoeveelheid emissierechten die met ingang van 2013 elk jaar voor de hele Gemeenschap wordt verleend, lineair zal afnemen met 1,74 % van de gemiddelde jaarlijkse totale hoeveelheid emissierechten die door de lidstaten overeenkomstig de beschikkingen van de Commissie inzake hun NTP’s voor de periode van 2008 tot 2012 worden verleend.
( 8 ) Arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C-127/07, Jurispr. blz. I-9895, punten 23 en 26).
( 9 ) Arresten van 30 maart 2000, VBA/Florimex e.a. (C-265/97 P, Jurispr. blz. I-2061, punt 139), en 2 maart 1994, Hilti/Commissie (C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punt 42).
( 10 ) Zie in dit verband de punten 107-112 van deze conclusie.
( 11 ) Zie de punten 31-95 van deze conclusie.
( 12 ) Arrest van 19 september 2000, Duitsland/Commissie (C-156/98, Jurispr. blz. I-6857, punt 96).
( 13 ) Ibid., punt 97.
( 14 ) Arrest van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a (C-89/08, Jurispr. blz. I-11245, punt 77).
( 15 ) Arrest van 2 oktober 2003, International Power e.a./Commissie (C-172/01 P, C-175/01 P, C-176/01 P en C-180/01 P, Jurispr. blz. I-11421, punten 134-139).
( 16 ) Zie de punten 37-39 van deze conclusie.
( 17 ) Mededeling COM(2006) 725 def. van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement inzake de beoordeling van de nationale plannen voor de toewijzing van broeikasgasemissierechten tijdens de tweede handelsperiode van de EU-regeling voor de handel in emissierechten. Begeleidend document bij de beschikkingen van de Commissie van 29 november 2006 inzake de nationale toewijzingsplannen van Duitsland, Griekenland, Ierland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Slowakije, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG.
( 18 ) Zie de punten 55 en 58 van deze conclusie.
( 19 ) Arresten van 10 december 2002, Commissie/Raad (C-29/99, Jurispr. blz. I-11221, punt 45); 30 september 2003, Duitsland/Commissie (C-239/01, Jurispr. blz. I-10333, punt 33), en 24 mei 2005, Frankrijk/Parlement en Raad (C-244/03, Jurispr. blz. I-4021, punt 13).
( 20 ) Punt 39 van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy