CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 27 januari 2011 (1)
Zaak C‑511/09 P
Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co. Ltd
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van hefboommechanismen uit Volksrepubliek China – Invoer uit staten zonder markteconomie – Berekende normale waarde – Normale waarde af fabriek – Billijke vergelijking – Correctie van uitvoerprijs”
1. De onderhavige hogere voorziening betreft de bepalingen die gelden voor de berekening van antidumpingrechten wanneer het betrokken product wordt ingevoerd uit een staat zonder markteconomie.
2. Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad(2) machtigt de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie tot het opleggen van geldboetes aan een onderneming die haar producten in de Europese Gemeenschap invoert met dumping, dat wil zeggen, schematisch voorgesteld, haar producten aldaar tegen een lagere prijs verkoopt dan op haar eigen nationale markt.
3. Volgens de basisverordening kan een dergelijke praktijk slechts worden bestraft indien de volgende twee voorwaarden zijn vervuld: 1) het betrokken product wordt in de Gemeenschap verkocht tegen een prijs onder de „normale” waarde”, en 2) die praktijk is nadelig voor de Gemeenschap.
4. Om na te gaan of aan de eerste voorwaarde is voldaan, moet dus een vergelijking worden gemaakt tussen de prijs waartegen het betrokken product in de Gemeenschap wordt verkocht, dat wil zeggen de uitvoerprijs, en de normale waarde van het product. Deze vergelijking kan pas plaatsvinden nadat eerst elk van deze beide waarden is bepaald. De basisverordening legt de criteria vast die bij deze berekening moeten worden toegepast.
5. De normale waarde komt in beginsel overeen met de prijs waartegen het betrokken product wordt verkocht in het land van uitvoer. Voor het geval dat die prijs echter niet kan worden achterhaald of gebruikt omdat de onderneming het betrokken product in haar eigen staat niet in de handel brengt, dan wel omdat deze staat geen markteconomie heeft, voorziet de basisverordening in andere criteria, waaronder – in de laatste plaats – de voor een soortgelijk product in de Gemeenschap te betalen prijs verhoogd met een redelijke winstmarge.
6. Voorts verlangt de basisverordening dat de uitvoerprijs en de normale waarde op billijke wijze – dat wil zeggen in eenzelfde handelsstadium – worden vergeleken.
7. Het is over de inachtneming van deze voorwaarde dat in de onderhavige zaak wordt getwist.
8. In zijn definitieve verordening (EG) nr. 1136/2006(3), waarbij de door Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co. Ltd (hierna: „rekwirante”) verschuldigde antidumpingrechten zijn vastgesteld, stelde de Raad zich op het standpunt dat, bij gebreke van andere relevante gegevens, de normale waarde van het betrokken product moest worden bepaald op basis van de gegevens die uit de klacht en van de EU-producenten beschikbaar waren. Hij stelde die normale waarde bijgevolg vast aan de hand van de productiekosten, de administratieve en de algemene uitgaven van gemeenschapsproducenten, vermeerderd met een redelijke winstmarge.
9. Van die aldus berekende waarde trok hij evenwel de kosten voor rechtstreekse verkoop af, op grond dat rekwirante al haar producten, zowel in haar staat van vestiging als bij uitvoer, verkoopt via „verbonden ondernemingen”, dat wil zeggen ondernemingen waarvan zij de belangrijkste aandeelhouder is dan wel ondernemingen die haar belangrijkste aandeelhouder zijn.
10. De uitvoerprijs werd vastgesteld op basis van de verkoopprijs die door de verbonden ondernemingen voor het product op de gemeenschapsmarkt wordt gehanteerd. Om deze uitvoerprijs en de normale waarde in hetzelfde handelsstadium te kunnen vergelijken, dat wil zeggen in het stadium waarin het product rekwirantes productieketen verlaat, heeft de Raad op die prijs evenwel een correctie toegepast, te weten het percentage van de verkoopkosten en de winst van de verbonden ondernemingen in mindering gebracht.
11. In zijn arrest van 23 september 2009, Dongguan Nanzha Leco Stationery/Raad(4), heeft het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen rekwirantes beroep tegen de definitieve verordening verworpen. Het Gerecht was met name van oordeel dat de door de Raad op de uitvoerprijs toegepaste correctie met de basisverordening in overeenstemming was.
12. Die beoordeling wordt in het kader van de onderhavige hogere voorziening betwist. Rekwirante stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het heeft geoordeeld dat de normale waarde overeenstemde met de waarde die de producten hebben wanneer zij haar productieketen verlaten. Volgens de basisverordening moet deze normale waarde noodzakelijkerwijs overeenkomen met de prijs waartegen het betrokken product op haar nationale markt in de handel zou zijn gebracht, indien die markt als een markteconomie had gefunctioneerd.
13. De normale waarde en de uitvoerprijs moesten bijgevolg worden vergeleken in het stadium waarin het product voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer wordt verkocht, dat wil zeggen in het stadium waarin de laatste verbonden onderneming het product verkoopt.
14. Rekwirante leidt hieruit af dat het Gerecht nogmaals blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het heeft geoordeeld dat de correctie van de uitvoerprijs waarbij de kosten voor het in de handel brengen op de gemeenschapsmarkt in mindering zijn gebracht, in overeenstemming was met de bepalingen van de basisverordening die verlangen dat een billijke vergelijking wordt gemaakt.
15. In de onderhavige conclusie zet ik uiteen waarom rekwirantes hogere voorziening mijns inziens ongegrond moet worden verklaard.
16. Daarbij zal ik erop wijzen dat rekwirantes hogere voorziening niet ertoe strekt, de beoordeling van het Gerecht ter discussie te stellen dat de normale waarde in overeenstemming met het bepaalde in de basisverordening is berekend. In haar hogere voorziening voert rekwirante enkel aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat die normale waarde overeenstemde met de waarde die het betrokken product heeft wanneer het haar productieketen verlaat, zodat de correctie die door de Raad op de uitvoerprijs is toegepast, beantwoordde aan het vereiste om een billijke vergelijking te maken.
17. Ik zal het standpunt verdedigen dat rekwirante, nu zij de rechtmatigheid van de berekening van de normale waarde niet betwist en vaststaat dat deze normale waarde aldus is bepaald dat zij overeenkomt met de waarde van het product in het stadium waarin het haar productieketen verlaat, de Raad niet kan tegenwerpen dat hij op de uitvoerprijs een correctie heeft toegepast teneinde deze prijs met dat stadium in overeenstemming te brengen, dat wil zeggen het stadium voordat de verbonden ondernemingen eraan te pas komen die de verkoop van dat product verzekeren.
18. Op die grond zal ik het Hof in overweging geven om vast te stellen dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de litigieuze correctie met de basisverordening in overeenstemming was.
I – Rechts- en feitenkader
A – De basisverordening
19. Artikel 2, leden 1 tot en met 7, van de basisverordening definieert de normale waarde van een product dat wordt geacht tegen een dumpingprijs te worden verkocht. Deze bepalingen luiden:
„1. De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.
[...]
3. Wanneer het soortgelijke product niet of niet in voldoende hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties is verkocht of indien, wegens de bijzondere marktsituatie, deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt, wordt de normale waarde van het soortgelijke product berekend aan de hand van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst, of aan de hand van de prijzen bij uitvoer naar een geschikt derde land in het kader van normale handelstransacties, mits deze prijzen representatief zijn. [...]
[...]
7. a) Bij invoer uit landen zonder markteconomie wordt de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie of aan de hand van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de Gemeenschap of, indien dit niet mogelijk is, op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.
[...]
b) Bij antidumpingonderzoeken betreffende producten uit de Volksrepubliek China, Vietnam en Kazachstan en landen met staatshandel die op het tijdstip van de opening van het onderzoek lid zijn van de [Wereldhandelsorganisatie (WTO)], wordt de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6, indien naar aanleiding van met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de sub c vermelde criteria en procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Indien dit niet het geval is, is het bepaalde sub a van toepassing.
[...]”
20. Artikel 2, lid 8, van de basisverordening bepaalt:
„De uitvoerprijs is de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap wordt verkocht.”
21. Artikel 2, lid 10, van de basisverordening luidt:
„De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hierna volgende factoren:
[...]
i) Commissies
Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de commissies die in verband met de verkoop van de betrokken producten worden betaald. Onder ‚commissies’ wordt ook verstaan de marge van een [handelaar] die in het product of het soortgelijke product handelt indien de functies van deze handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent.
[...]”
B – De feiten en de definitieve verordening
22. De feiten en de inhoud van de definitieve verordening worden in de punten 8 tot en met 24 van het bestreden arrest weergegeven als volgt.
23. Rekwirante is een vennootschap naar Chinees recht met zetel te Dongguan (China). Zij produceert hefboommechanismen(5), die worden gebruikt om bladen in ordners of dossiers op te bergen.
24. Rekwirante verkoopt haar volledige productie aan World Wide Stationery Ltd(6) via Leco Stationery Manufacturing Co. Ltd(7), die haar belangrijkste aandeelhouder is. WWS en LECO zijn beide te Hong Kong (China) gevestigd. WWS verkoopt rekwirantes productie vervolgens aan afnemers op de Chinese markt en tevens buiten China door uitvoer van die productie naar de Gemeenschap en andere derde landen.
25. Op 11 maart 2005 ontving de Commissie een klacht van drie gemeenschapsproducenten, die samen goed zijn voor meer dan 50 % van de totale HM-productie in de Gemeenschap. De klacht werd gesteund door IML Industria Meccanica Lombarda Srl.
26. Op 28 april 2005 werd conform artikel 5 van de basisverordening een bericht van inleiding van een antidumpingonderzoek betreffende de invoer van HM’s uit China bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.(8)
27. Tijdens die onderzoeksprocedure diende rekwirante een verzoek overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening in om als marktgerichte onderneming te worden erkend, en, subsidiair, een verzoek overeenkomstig artikel 9, lid 5, van die verordening om een individuele behandeling. De Commissie wees het eerste verzoek af; het tweede wees zij toe.
28. In het kader van het onderzoek verrichtte de Commissie noch in Dongguan noch in Hong Kong een controle ter plaatse.
29. Op 26 januari 2006 stelde de Commissie verordening (EG) nr. 134/2006 vast, tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op hefboommechanismen uit de Volksrepubliek China.(9) Deze verordening stelde voor de invoer van door rekwirante geproduceerde HM’s vanaf 28 januari 2006 een voorlopig antidumpingrecht van 33,3 % in, en voor alle andere HM’s uit China een voorlopig antidumpingrecht van 48,1 %.
30. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening werd de normale waarde van de HM’s voor de producenten/exporteurs die, net als rekwirante, niet als marktgerichte onderneming werden beschouwd, vastgesteld aan de hand van de geverifieerde gegevens van een producent in een referentieland. In dit verband besloot de Commissie voorlopig dat Iran de beste keuze was.
31. Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werd de uitvoerprijs van de HM’s van de exporteur die een individuele behandeling had verkregen en die via buiten de Gemeenschap gevestigde verbonden ondernemingen naar de EU uitvoerde, vastgesteld aan de hand van de prijzen waartegen het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap was wederverkocht. De uitvoerprijs van rekwirantes HM’s werd met name bepaald aan de hand van de prijzen die WWS de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap aanrekende, met aftrek van 12,6 % voor een aantal tussen de fabriek en de grens van de Gemeenschap gedragen kosten, zoals vervoers-, verzekerings- en behandelingskosten.
32. In punt 17 van het bestreden arrest zet het Gerecht voorts uiteen:
„Volgens de voorlopige verordening werden de normale waarde en de uitvoerprijzen vergeleken af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om een billijke vergelijking te kunnen maken van de normale waarde en de uitvoerprijs werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij invloed hadden op de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan. Ten aanzien van verzoekster werd een correctie toegepast op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening, aangezien de exportverkopen hadden plaatsgevonden via een verbonden onderneming met zetel in een ander land dan het betrokken land of buiten de Gemeenschap. Deze correctie hield in dat de uitvoerprijs van de HM’s werd verminderd met 18,6 % voor de verkoop-, administratieve en andere algemene kosten van WWS, met 1,8 % voor die van LECO en met 5 % als redelijke winstmarge van deze twee ondernemingen.”
33. Op 24 juli 2006 keurde de Raad de definitieve verordening goed, waarin de definitieve dumpingmarge voor rekwirante op 27,1 % werd vastgesteld, en voor de andere producenten op 47,4 %.
34. Met betrekking tot de berekening van de normale waarde van de HM’s stelde de Raad in de definitieve verordening vast dat na nader onderzoek van alle informatie die van de producent in Iran beschikbaar was, moest worden geconcludeerd dat de informatie onvolledig en/of inconsistent was en derhalve niet als grondslag voor de berekening van de definitieve hoogte van de normale waarde kon worden gebruikt. Daarom is toevlucht tot een andere redelijke grondslag gezocht voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening. Dienaangaande heet het in de definitieve verordening dat, aangezien informatie van andere derde landen waar HM’s worden geproduceerd ontbreekt, de gegevens die uit de klacht en van de EU-producenten beschikbaar waren, de redelijkste grondslag vormden om het definitieve niveau van de normale waarde van de HM’s vast te stellen. Verder blijkt uit de definitieve verordening dat er correcties zijn toegepast voor specifieke geverifieerde gegevens die tijdens het onderzoek zijn verkregen, met name betreffende prijzen van grondstoffen en vervoer.
35. De uitvoerprijs werd op de in de voorlopige verordening uiteengezette wijze bepaald.
36. In punt 24 van het bestreden arrest voegt het Gerecht hieraan toe:
„Volgens de definitieve verordening werden de normale waarde en de uitvoerprijzen af fabriek en in hetzelfde handelsstadium vergeleken. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werd, wat verzoekster betreft, anders dan zij in haar eerste stelling in de brief van 3 maart 2006 uiteenzet, de correctie van de uitvoerprijs van WWS overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening gehandhaafd. De gemeenschapsinstellingen hebben hun standpunt bevestigd dat de verhouding tussen enerzijds verzoekster en anderzijds LECO en WWS vergelijkbaar was met die van een op commissiebasis werkende agent. Evenwel is na onderzoek van verzoeksters tweede stelling in de brief van 3 maart 2006, inzake de dubbele boeking van een aantal verkoopkosten van LECO en WWS, gebleken dat bij de berekening van die kosten een schrijffout was gemaakt. Dat heeft geleid tot een vermindering van de aftrek voor de verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten van WWS van 18,6 tot 3,2 %. Uiteindelijk bestond de door de gemeenschapsinstellingen toegepaste correctie in de aftrek van 3,2 % van de uitvoerprijs voor met name de kosten voor rechtstreekse verkoop, de administratieve en andere algemene uitgaven van WWS, 1,8 % voor de kosten van LECO en 5 % als winstmarge van de twee ondernemingen.”
C – De relevante gronden van het bestreden arrest
37. Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 19 oktober 2006, heeft rekwirante het Gerecht verzocht om nietigverklaring van de definitieve verordening voor zover die op haar van toepassing is, en om verwijzing van de Raad in de kosten.
38. Tot onderbouwing van dat beroep voerde zij twee middelen aan. Met haar eerste middel, eerste onderdeel, betoogde zij dat de definitieve verordening artikel 2, lid 10, van de basisverordening schond, aangezien de instellingen de normale waarde en de uitvoerprijs van de HM’s in verschillende handelsstadia hadden vergeleken.
39. Rekwirantes argumenten en de desbetreffende overwegingen van het Gerecht zijn uiteengezet in de punten 34 tot en met 53 van het bestreden arrest; zij luiden als volgt:
„Eerste onderdeel: schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening
– Argumenten van partijen
34 Verzoekster stelt in wezen dat de instellingen, waar zij op de uitvoerprijs van de door haar geproduceerde HM’s een correctie hebben toegepast voor de kosten voor rechtstreekse verkoop, administratieve en andere algemene uitgaven, alsmede voor de winst van LECO en WWS, de normale waarde en de uitvoerprijs in verschillende handelsstadia hebben vergeleken, en dus artikel 2, lid 10, van de basisverordening hebben geschonden.
35 Om te beginnen wijst verzoekster erop dat volgens de definitieve verordening de normale waarde van de HM’s is vastgesteld aan de hand van de gegevens die uit de klacht en van de EU-producenten beschikbaar waren. Die waarde had evenwel moeten worden bepaald op basis van de beginselen van de basisverordening en met name op basis van die welke in artikel 2, leden 1 en 3, daarvan zijn neergelegd. Ingevolge deze bepalingen moet de normale waarde van de producten overeenkomen met de prijzen van de op de nationale markt verkochte goederen, wat uiteindelijk een bedrag oplevert dat hoger is dan de productiekosten vermeerderd met de verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten.
36 Tot staving van deze stelling beroept verzoekster zich op het arrest van het Hof van 5 oktober 1988, Brother Industries/Raad (250/85, Jurispr. blz. 5683, punten 15‑18), waarin het Hof heeft vastgesteld dat het doel van de berekening van de normale waarde erin bestaat, de verkoopprijs van een product te bepalen, zoals deze zou zijn, wanneer dit product in het land van oorsprong of van uitvoer zou worden verkocht. In dit verband wijst verzoekster erop dat de verkoopprijs van de HM’s die zij op de Chinese markt produceert, de basisprijs voor WWS vormt, omdat WWS, zoals zij heeft aangegeven in de verschillende rubrieken van de vragenlijst die de Commissie haar bij de inleiding van de onderzoeksprocedure heeft toegestuurd, haar volledige productie verkoopt, ongeacht of die voor China dan wel voor uitvoer is bestemd.
37 Volgens verzoekster volgt hieruit dat de correctie die de instellingen op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening op de uitvoerprijzen van WWS hebben toegepast, te weten de aftrek van een marge van 5 % voor de verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten en van 5 % voor de winst van LECO en WWS, die prijzen heeft teruggebracht tot een niveau dat overeenkomt met dat waarop zij zich bevonden aan het einde van de productieketen in China, dat wil zeggen voordat de verkoopkosten daarin waren begrepen.
38 Ten slotte stelt verzoekster dat de instellingen, bij de vaststelling van de normale waarde, de verkoop-, de administratieve en de andere algemene kosten van WWS niet alleen op haar uitvoeractiviteiten, maar ook op haar verkoopactiviteiten in China hadden moeten aanrekenen. Zij voegt daaraan toe dat zij in China geen verkoopkosten heeft, aangezien zij aldaar enkel op verzoek van WWS produceert.
39 De Raad, de Commissie en de andere interveniërende partijen betwisten verzoeksters argumenten.
– Beoordeling door het Gerecht
40 Inleidend zij eraan herinnerd dat de instellingen ter zake van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (arrest Hof van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, Jurispr. blz. I‑7723, punt 40, en arrest Gerecht van 8 juli 2008, Huvis/Raad, T‑221/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38).
41 Verder is het vaste rechtspraak dat de gemeenschapsrechter op het gebied van beschermende handelsmaatregelen bij zijn toezicht op de beoordelingen van de instellingen alleen dient na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arresten Gerecht van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad, T‑35/01, Jurispr. blz. II‑3663, punten 48 en 49, en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2006, Moser Baer India/Raad, T‑300/03, Jurispr. blz. II‑3911, punt 28, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze beperkte rechterlijke toetsing geldt in het bijzonder voor de keuze tussen verschillende methoden voor de berekening van de dumpingmarge en voor de beoordeling van de normale waarde van een product (zie arrest Ikea Wholesale, punt 40 supra, punt 41, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Volgens de rechtspraak blijkt voorts zowel uit de letter als uit de structuur van artikel 2, lid 10, van de basisverordening dat een correctie van de uitvoerprijs of van de normale waarde alleen mag worden toegepast om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan (arrest Gerecht van 21 november 2002, Kundan en Tata/Raad, T‑88/98, Jurispr. blz. II‑4897, punt 94). Met andere woorden is de bestaansreden van een correctie het herstellen van de symmetrie tussen normale waarde en uitvoerprijs van een product, zodat, wanneer de correctie terecht is toegepast, dit impliceert dat de symmetrie tussen normale waarde en uitvoerprijs is hersteld. Wanneer de correctie daarentegen ten onrechte is toegepast, impliceert dit het creëren van asymmetrie tussen normale waarde en uitvoerprijs (arrest Gerecht van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad, T‑249/06, [Jurispr. blz. II‑383], punten 194 en 195).
43 In dit kader moet het Gerecht onderzoeken of het door de instellingen gekozen vergelijkingsstadium consequent is aangehouden bij de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs, en vervolgens nagaan of de toegepaste correctie de symmetrie in de vergelijking van deze twee factoren heeft hersteld of integendeel tot een vergelijking in verschillende handelsstadia heeft geleid.
44 In casu blijkt uit punt 22 van de considerans van de definitieve verordening dat de normale waarde en de uitvoerprijs van de HM’s uit China door de instellingen in hetzelfde handelsstadium zijn vergeleken, te weten af fabriek. Wat in het bijzonder de door verzoekster geproduceerde HM’s betreft, is in de brief van 3 juli 2006 aangegeven dat zowel de normale waarde als de uitvoerprijs van deze producten is bepaald alvorens een mogelijke tussenhandelaar in het verkoopproces werd betrokken, dat wil zeggen, alvorens LECO en WWS aan de verkoop van verzoeksters HM’s te pas kwamen.
45 Wat voorts enerzijds de uitvoerprijs betreft, zij erop gewezen dat verzoekster niet betwist dat die conform artikel 2, lid 8, van de basisverordening is berekend. Net als de instellingen erkent zij namelijk dat de uitvoerprijs van haar HM’s overeenstemt met de prijzen die WWS onafhankelijke afnemers op de gemeenschapsmarkt in rekening brengt, zoals in punt 21 van de considerans van de definitieve verordening en, door verwijzing van laatstgenoemde bepaling, in de punten 41 en 42 van de considerans van de voorlopige verordening is uiteengezet.
46 Wat anderzijds de normale waarde betreft, is verzoekster daarentegen van mening dat die overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 3, van de basisverordening had moeten worden vastgesteld, en bijgevolg had moeten overeenkomen met de prijs van haar HM’s die door WWS op de Chinese nationale markt werd gehanteerd.
47 Dienaangaande zij in herinnering gebracht dat blijkens de bewoordingen van artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening de vaststelling van de normale waarde van producten uit China volgens de regels neergelegd in artikel 2, leden 1 tot en met 6, daarvan, beperkt is tot specifieke individuele gevallen, waarin de betrokken producenten elk voor zich een met bewijsmateriaal gestaafd verzoek overeenkomstig de criteria en de procedures van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening hebben ingediend om aan te tonen, dat zij op marktvoorwaarden opereren (zie in die zin arrest Gerecht van 23 oktober 2003, Changzhou Hailong Electronics & Light Fixtures en Zhejiang Yankon/Raad, T‑255/01, Jurispr. blz. II‑4741, punt 40).
48 In het onderhavige geval zij evenwel vastgesteld dat volgens punt 14 van de considerans van de definitieve verordening het door verzoekster op grond van artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening ingediende verzoek is afgewezen. Bijgevolg kon de normale waarde van verzoeksters HM’s niet worden bepaald op basis van de prijzen van die producten op haar nationale markt, dat wil zeggen de door WWS op de Chinese markt toegepaste prijzen, aangezien was vastgesteld dat de betrokken producten niet in het kader van normale handelstransacties werden verkocht.
49 Bovendien zij erop gewezen dat verzoeksters verwijzing in dit verband naar de punten 15 tot en met 18 van het arrest Brother Industries/Raad, punt 36 supra, in casu irrelevant is. In dat arrest heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat de instellingen de normale waarde van de producten uit Japan terecht aan de hand van de wederverkoopprijzen van de distributeur op de nationale markt hadden berekend, maar die beoordeling steunde op het feit dat Japan een land met een markteconomie was.
50 Verder zij vastgesteld dat volgens punt 17 van de considerans van de definitieve verordening de normale waarde van de door verzoekster geproduceerde HM’s overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening op een redelijke grondslag is berekend. Volgens de rechtspraak beoogt deze bepaling juist te voorkomen dat rekening wordt gehouden met de – gewoonlijk niet uit de wetten van vraag en aanbod voortvloeiende – prijzen en kosten in landen die geen markteconomie hebben (zie naar analogie arresten Hof van 11 juli 1990, Neotype Techmashexport/Commissie en Raad, C‑305/86 en C‑160/87, Jurispr. blz. I‑2945, r.o. 26, en 22 oktober 1991, Nölle, C‑16/90, Jurispr. blz. I‑5163, r.o. 10). Wat in het bijzonder verzoeksters HM’s betreft, blijkt uit de brief van 3 juli 2006 dat de normale waarde is berekend op basis van de productiekosten, de administratieve en andere algemene uitgaven van vergelijkbare gemeenschapsproducenten, vermeerderd met een redelijke winst. Bij die berekening kon echter geen rekening worden gehouden met de kosten voor rechtstreekse verkoop, aangezien, zoals verzoekster meermaals – met name in haar antwoorden op de vragenlijst die zij de Commissie tijdens het onderzoek heeft toegezonden en in de brief van 5 juni 2006 – erkent, LECO en WWS met de verkoop van haar producten waren belast.
51 Uit de wijze waarop de normale waarde van verzoeksters HM’s is berekend en met name uit het feit dat bij die berekening geen rekening is gehouden met de verkoopkosten, volgt dus dat bij de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs van verzoeksters HM’s een onevenwichtigheid zou zijn ontstaan, zo de instellingen niet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie hadden toegepast bestaande in het in mindering brengen op de uitvoerprijs van de kosten voor de verkoop van verzoeksters HM’s op de gemeenschapsmarkt.
52 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de instellingen geen kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt waar zij overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie hebben toegepast op de uitvoerprijs van de door verzoekster geproduceerde HM’s.
53 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van verzoeksters eerste middel worden afgewezen.”
40. Uiteindelijk heeft het Gerecht bij het bestreden arrest rekwirantes beroep verworpen en haar verwezen in haar eigen kosten en die van de Raad alsmede in die van de interveniërende ondernemingen IML Industria Meccanica Lombarda Srl, Interkov spol. sr.o., MI.ME.CA. Srl en NIKO – kovinarsko podjetje, d.d., Železniki.
II – Hogere voorziening
A – Verzoeken
41. Met deze hogere voorziening verzoekt rekwirante om vernietiging van het bestreden arrest voor zover het eerste onderdeel van haar eerste middel daarbij wordt afgewezen en zij wordt verwezen in de kosten van de Raad en de interveniërende partijen.
42. Zij verzoekt ook om nietigverklaring van de definitieve verordening voor zover die een recht op de door haar geproduceerde HM’s instelt dat hoger is dan het recht dat had moeten worden betaald indien de betwiste correctie van de uitvoerprijs niet had plaatsgevonden.
43. De Raad concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en, subsidiair, tot verwerping van het beroep. Hij verzoekt verder om verwijzing van rekwirante in de kosten.
B – Argumenten van partijen
1. Rekwirante
44. Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante één enkel middel aan, dat is ontleend aan schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening en aan schending van het begrip „normale waarde” in de zin van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening.
45. Rekwirante betoogt dat het Gerecht in het bestreden arrest niet het juiste rechtsgevolg heeft verbonden aan het begrip „normale waarde” in de zin van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening.
46. In dat arrest wordt meermaals erkend dat de verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten van LECO en WWS in Hong Kong kosten voor de exportverkoop en voor de verkoop in China waren, en niet is betwist dat zij geen verkoopkosten in China had.
47. In punt 50 van het bestreden arrest erkent het Gerecht dat de normale waarde is berekend op basis van de productie-, de administratieve en andere algemene kosten van vergelijkbare gemeenschapsproducenten, vermeerderd met een redelijke winst.
48. In datzelfde punt van het bestreden arrest zet het Gerecht verder uiteen dat „bij die berekening geen rekening kon worden gehouden met de kosten voor rechtstreekse verkoop, aangezien, zoals verzoekster meermaals – met name in haar antwoorden op de vragenlijst die zij de Commissie tijdens het onderzoek heeft toegezonden en in de brief van 5 juni 2006 – erkent, LECO en WWS met de verkoop van haar producten waren belast”.
49. Daarmee maakt het Gerecht om twee redenen een beoordelingsfout.
50. Ten eerste houdt het feit dat LECO en WWS met de verkoop van rekwirantes producten waren belast geen verband met de vaststelling van de normale waarde, aangezien die waarde een analoge normale waarde is en dus niet berust op rekwirantes kosten.
51. Ten tweede is de verklaring dat LECO en WWS met de verkoop van rekwirantes producten waren belast, relevant om uit te maken voor welk stadium van rekwirantes distributieketen de op grond van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening vastgestelde normale waarde, een daadwerkelijke analoge normale waarde was.
52. Bij zijn onderzoek van deze vraag in de punten 46 tot en met 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de door rekwirante in eerste aanleg aangevoerde argumenten verkeerd begrepen.
53. Zo heeft rekwirante, anders dan het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest uiteenzet, altijd erkend dat de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening moest worden vastgesteld. Om het stadium van rekwirantes distributieketen te bepalen waarmee de analoge normale waarde overeenkwam, moest integendeel artikel 2, leden 1 en 3, van de basisverordening worden onderzocht.
54. Voorts is, anders dan in punt 49 van het bestreden arrest is geoordeeld, het voormelde arrest Brother Industries/Raad relevant, omdat het aantoont dat een conform artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening vastgestelde normale waarde moet overeenkomen met een normale waarde die is vastgesteld onder de in een markteconomie heersende voorwaarden, dat wil zeggen met de prijs waartegen het product aan de eerste niet-verbonden persoon wordt geleverd. Zij moet bijgevolg alle verkoop-, administratieve en andere algemene kosten van alle verbonden ondernemingen omvatten die bij de distributie van het product zijn betrokken.
55. Daaruit volgt dat, zo de producent in de staat zonder markteconomie beschikt over verbonden ondernemingen die het product op de nationale markt verkopen, de conform artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening vastgestelde analoge normale waarde moet overeenkomen met de normale waarde van de economische eenheid van de producent, dat wil zeggen de normale prijs waartegen het product voor het eerst aan een niet-verbonden persoon op de nationale markt wordt geleverd. In rekwirantes geval is dat stadium het stadium „af WWS”.
56. In punt 44 van het bestreden arrest doet het Gerecht evenwel een vaststelling die strijdt met artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening, aangezien het ervan uitgaat dat de analoge normale waarde overeenstemt met de waarde die de goederen hebben wanneer zij de productieketen in China verlaten.
57. Rekwirante verbindt daaraan de conclusie dat het Gerecht ook artikel 2, lid 10, van de basisverordening heeft geschonden, waar het in de punten 51, in fine, en 52 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de instellingen geen kennelijke beoordelingsfout hadden gemaakt door op grond van die bepaling een correctie toe te passen op de uitvoerprijs van de HM’s waarbij van deze prijs de door LECO en WWS in het kader van de exportverkoop gedragen verkoop-, administratieve en andere algemene kosten werden afgetrokken.
2. Raad
58. De Raad wijst erop dat de normale waarde af fabriek is berekend, op basis van de productie-, de verkoop‑, de administratieve en andere algemene kosten die waren gedragen tot op het ogenblik dat de producten de fabriek hebben verlaten, vermeerderd met een redelijke winst.
59. Wat de verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten betreft, is uit de geverifieerde gegevens van de gemeenschapsproducenten gebleken dat het totaalbedrag daarvan nagenoeg 16 % bedroeg, waarvan 5 % verkoopkosten waren.
60. Aangezien rekwirante geen dergelijke kosten droeg, hebben de instellingen voor de berekende normale waarde slechts een bedrag meegeteld van ongeveer 11 %, in wezen voor administratieve en algemene kosten.
61. De berekende normale waarde is naar behoren af fabriek vastgesteld voor een onderneming die voor de verkoop van haar producten op de nationale markt geen kosten voor rechtstreekse verkoop draagt.
62. Voorts hebben de instellingen de uitvoerprijs vastgesteld aan de hand van de prijzen die door WWS aan de eerste onafhankelijke afnemer in rekening werden gebracht. Overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening hebben de instellingen de door rekwirante toegepaste uitvoerprijs evenwel gecorrigeerd, omdat zij haar producten niet rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers verkocht, maar voor al haar exportverkopen een beroep deed op haar twee verbonden handelsondernemingen met zetel in Hong Kong, LECO en WWS. De instellingen zijn tot de conclusie gekomen dat de verhouding tussen enerzijds rekwirante en anderzijds haar verbonden ondernemingen LECO en WWS vergelijkbaar was met die van een op commissiebasis werkende agent.
63. In de procedure voor het Gerecht heeft rekwirante de op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening toegepaste correctie betwist, maar niet ontkend dat haar verhouding met LECO en WWS vergelijkbaar was met die van een op commissiebasis werkende agent. Zij heeft enkel gesteld dat de correctie ongerechtvaardigd was omdat LECO en WWS zowel bij haar exportverkoop als bij haar verkoop op de Chinese nationale markt betrokken waren.
64. De Raad herinnert eraan, in de procedure voor het Gerecht te hebben uitgelegd dat rekwirantes argument onjuist was om twee redenen. Ten eerste hadden de instellingen de normale waarde niet vastgesteld op basis van de door rekwirante in China gehanteerde verkoopprijzen, maar overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening. Ten tweede waren in de berekende normale waarde die voor rekwirante overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening was vastgesteld, geen kosten voor rechtstreekse verkoop begrepen. Er was dus een verschil tussen enerzijds de normale waarde en anderzijds de uitvoerprijs die was berekend aan de hand van de door WWS aan de eerste onafhankelijke afnemer gefactureerde prijzen. De normale waarde omvatte enkel de kosten in het stadium af rekwirantes fabriek, geen kosten voor rechtstreekse verkoop. In de uitvoerprijs was ook de winstmarge van LECO en WWS begrepen, die functies uitoefenden die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent. Om dat verschil weg te werken is de litigieuze correctie overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening verricht.
65. De Raad wijst erop dat het Gerecht in het bestreden arrest zijn betoog heeft gevolgd. Rekwirantes stelling dat het Gerecht aan het begrip „normale waarde” in de zin van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening niet het juiste rechtsgevolg heeft verbonden, is ongegrond.
66. Rekwirantes bewering dat de normale waarde in casu overeenstemt met de waarde van het product in het stadium „af WWS”, gaat eraan voorbij dat onbetwist is dat de berekende normale waarde in onderhavig geval geen verkoopkosten omvatte. Voornoemde bewering vormt bovendien een niet-ontvankelijke betwisting van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht.
67. Voorts betwistte rekwirante met haar eerste, in de procedure voor het Gerecht aangevoerde middel niet de wijze waarop de instellingen de berekende normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening hadden vastgesteld. In het bijzonder heeft rekwirante niet gesteld dat de instellingen die bepaling hebben geschonden omdat zij de verkoopkosten niet in de berekende normale waarde hebben meegeteld.
68. Ten slotte moet ook de stelling dat artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening is geschonden, worden afgewezen omdat die uitsluitend berust op de kennelijk onjuiste bewering dat de normale waarde overeenkomt met de waarde van de producten in het stadium „af WWS”.
C – Beoordeling
69. Net als de Raad ben ik van mening dat de onderhavige hogere voorziening moet worden afgewezen op gronden die enerzijds verband houden met het voorwerp ervan en anderzijds met de bij artikel 2, lid 10, van de basisverordening aan de instellingen opgelegde verplichting tot toepassing van de correcties die nodig zijn om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken.
70. Met betrekking tot het eerste punt, te weten het voorwerp van de onderhavige hogere voorziening, moet mijns inziens worden vastgesteld dat het om een zeer beperkt voorwerp gaat.
71. Met haar enige middel stelt rekwirante in wezen namelijk dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, waar het heeft geoordeeld dat de normale waarde is vastgesteld in het stadium waarin de producten rekwirantes productieketen verlaten, zodat een correctie van de uitvoerprijs gerechtvaardigd was om deze prijs en die waarde op billijke wijze, dat wil zeggen in hetzelfde handelsstadium, te kunnen vergelijken.
72. Door zich tot dit middel te beperken geeft rekwirante om te beginnen aan dat zij niet wil bewijzen dat de feitelijke vaststelling in punt 44 van het bestreden arrest onjuist is, dat de normale waarde in de onderhavige zaak is vastgesteld alvorens een tussenhandelaar in het verkoopproces werd betrokken, dat wil zeggen, alvorens LECO en WWS eraan te pas kwamen. Vastgesteld zij dat zij nergens in haar hogere voorziening stelt dat het Gerecht met die vaststelling de feiten verkeerd voorstelt.
73. Voorts betwist zij mijns inziens evenmin de juridische beoordeling door het Gerecht dat de berekende normale waarde van de HM’s in de definitieve verordening conform artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening is bepaald.
74. In de punten 9 en 10 van zijn verweerschrift voor het Gerecht heeft de Raad de volgende bijzonderheden over de wijze van berekening van die normale waarde verstrekt:
„9. [...] De berekende normale waarde is vastgesteld af fabriek en bestond uit de productie-, de verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten die waren gedragen tot op het ogenblik dat de producten de fabriek verlieten, vermeerderd met een redelijke winstmarge. De instellingen hebben deze bedragen vastgesteld als volgt:
– productiekosten: de instellingen hebben de kosten voor grondstoffen (hoofdzakelijk staalplaten, stalen spoelen, galvanoplastiek en elektriciteit), die goed zijn voor ongeveer twee derde van de totale productiekosten, vastgesteld op basis van de Chinese prijzen, en de overige posten op basis van de gegevens in de klacht en de informatie die beschikbaar was van producenten in andere, potentieel vergelijkbare landen;
– verkoop-, administratieve en andere algemene kosten: de instellingen hebben deze kosten bepaald aan de hand van geverifieerde gegevens van de gemeenschapsproducenten, die voor de verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten een totaalbedrag van ongeveer 16 % vermeldden. Daarvan hebben de instellingen evenwel 5 % voor de verkoopkosten afgetrokken, omdat uit het onderzoek is gebleken dat rekwirante dit soort kosten niet droeg. De verkoop-, de administratieve en andere algemene kosten bedroegen in totaal dus ongeveer 11 %, en bestonden hoofdzakelijk uit administratieve en andere algemene kosten;
– winst: tot slot hebben de instellingen daaraan een redelijke winst van 5 % toegevoegd.
10. Bijgevolg hebben de instellingen in feite een berekende normale waarde af fabriek vastgesteld voor een onderneming die op de nationale markt geen kosten voor rechtstreekse verkoop heeft.”
75. Zoals ik het begrijp, en zoals ook de Raad het uitlegt, stelt rekwirante met de onderhavige hogere voorziening niet de beoordeling in punt 50 van het bestreden arrest ter discussie, dat de normale waarde, voor zover die geen kosten voor rechtstreekse verkoop omvat, conform artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening is vastgesteld.
76. Met andere woorden betwist rekwirante met deze hogere voorziening niet het bedrag van deze normale waarde, en in het bijzonder evenmin het feit dat deze waarde met 5 % voor kosten voor rechtstreekse verkoop is verminderd.
77. Het komt mij voor dat deze analyse wordt bevestigd door het feit dat rekwirante in haar conclusies in het verzoekschrift tot instelling van de onderhavige hogere voorziening het Hof uitdrukkelijk verzoekt om, ingeval het haar middel gegrond zou verklaren en het bestreden arrest zou vernietigen, de definitieve verordening enkel nietig te verklaren „voor zover die een antidumpingrecht op de door haar geproduceerde HM’s instelt dat hoger is dan het recht dat had moeten worden betaald indien de betwiste correctie van de uitvoerprijs niet had plaatsgevonden”.
78. Met de onderhavige hogere voorziening beoogt rekwirante dus slechts te verkrijgen dat de verlaging van de uitvoerprijs als gevolg van de litigieuze correctie nietig wordt verklaard, en niet dat de dumpingmarge opnieuw wordt vastgesteld op basis van een herberekening van de normale waarde en van de uitvoerprijs.
79. Samenvattend wil rekwirante met haar enige middel, betreffende „niet-toekenning van het juiste rechtsgevolg aan het begrip ‚normale waarde’ in de zin van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening”, niet ter discussie stellen dat de normale waarde die is vastgesteld op basis van de prijs die voor het betrokken product op de gemeenschapsmarkt moet worden betaald, met het bedrag van de kosten voor rechtstreekse verkoop is verlaagd.
80. Mijns inziens moet dit middel aldus worden begrepen dat het Gerecht, niettegenstaande het feit dat de Raad die kosten had afgetrokken, had moeten oordelen dat de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening en het voormelde arrest Brother Industries/Raad noodzakelijkerwijze overeenkwam met de prijs waartegen de HM’s op de Chinese markt zouden zijn verkocht, zo die verkoop in een markteconomie had plaatsgevonden, en dat een dergelijke prijs noodzakelijkerwijze de verkoopkosten van ondernemingen als LECO en WWS omvatte, die de verkoop van het product verzekeren, aangezien deze ondernemingen en de productieonderneming één en dezelfde economische eenheid vormen.
81. Ik meen dat dit middel niet kan slagen.
82. In het voormelde arrest Brother Industries/Raad heeft het Hof inderdaad geoordeeld dat de scheiding van productie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige, maar nauw verbonden vennootschappen bestaat, niets afdoet aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, zodat de normale waarde van het product niet moet worden vastgesteld op basis van de verkoopprijs die de productieonderneming de distributieonderneming in rekening brengt, maar aan de hand van de verkoopprijs die de distributieonderneming aan een onafhankelijke marktdeelnemer factureert.
83. De vraag had dus kunnen rijzen of de Raad, gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening en dat arrest, de berekende normale waarde van de HM’s mocht verlagen met de kosten voor rechtstreekse verkoop op grond dat rekwirante de kosten voor de verkoop van haar producten op haar nationale markt niet zelf droeg.
84. Evenwel wordt deze vraag, zoals gezegd, in de onderhavige hogere voorziening niet opgeworpen. Zoals uiteengezet, betwist rekwirante niet dat de normale waarde van de HM’s conform artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening is berekend.
85. Het zij nogmaals gezegd dat rekwirantes betoog louter erop neerkomt dat het Gerecht overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening en het voormelde arrest Brother Industries/Raad had moeten oordelen dat de normale waarde overeenkwam met de waarde die de producten hebben in het stadium waarin zij door WWS in de handel worden gebracht.
86. Dit betoog kan niet slagen omdat het mijns inziens onvolledig en zelfs tegenstrijdig is. Rekwirante kan niet stellen dat het Gerecht artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening heeft geschonden, zonder zijn beoordeling in vraag te stellen, dat de normale waarde, voor zover de kosten voor de rechtstreekse verkoop daar niet in zijn begrepen, in overeenstemming met die bepaling is vastgesteld.
87. Anders dan rekwirantes betoog laat doorschemeren, mocht het Gerecht niet buiten beschouwing laten dat de normale waarde van de HM’s door de Raad was berekend in het stadium waarin die producten rekwirantes productieketen verlieten. Toen het vervolgens oordeelde dat een dergelijke raming in overeenstemming was met artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening, moest het bij zijn controle of was voldaan aan de voorwaarde van artikel 2, lid 10, van de basisverordening inzake het maken van een billijke vergelijking, daaraan alle passende gevolgen verbinden.
88. Daarmee kom ik tot het tweede punt van mijn betoog, dat de strekking van artikel 2, lid 10, van de basisverordening betreft.
89. Deze bepaling verlangt namelijk dat de instellingen een billijke vergelijking maken tussen de uitvoerprijs en de normale waarde. Zij schrijft uitdrukkelijk voor dat die vergelijking, om aan deze voorwaarde te voldoen, in hetzelfde handelsstadium moet plaatsvinden.
90. Aangezien de normale waarde is vastgesteld in het stadium waarin de HM’s rekwirantes productieketen verlaten, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting waar het heeft geoordeeld dat de correctie van de uitvoerprijs, inhoudende dat de kosten en de winsten van de ondernemingen die de verkoop van die producten verzekerden, in mindering werden gebracht, in overeenstemming was met artikel 2, lid 10, van de basisverordening.(10) Teneinde de normale waarde en de uitvoerprijs in hetzelfde handelsstadium te vergelijken, dat wil zeggen het stadium waarin de HM’s rekwirantes productieketen verlaten, diende immers de uitvoerprijs wel degelijk te worden gecorrigeerd door hem te verminderen met het bestanddeel dat de betrokkenheid van de verbonden ondernemingen weerspiegelde die de verkoop van de producten op de gemeenschapsmarkt verzekerden.
91. Om die reden stel ik het Hof voor, de onderhavige hogere voorziening ongegrond te verklaren.
92. Zo het Hof zich achter mijn standpunt schaart, zal rekwirante, die in de onderhavige procedure dus in het ongelijk wordt gesteld, overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof haar eigen kosten en die van de Raad moeten dragen.
93. De Commissie zal overeenkomstig artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten dragen.
III – Conclusie
94. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
– de hogere voorziening van Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co. Ltd tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 23 september 2009, Dongguan Nanzha Leco Stationery/Raad (T‑296/06), ongegrond te verklaren;
– Dongguan Nanzha Leco Stationery Mfg. Co. Ltd te verwijzen in haar eigen kosten en in die van de Raad van de Europese Unie, en
– te verstaan dat de Europese Commissie haar eigen kosten zal dragen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Verordening van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd door verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (PB L 77, blz. 12; hierna: „basisverordening”).
3 – Verordening van de Raad van 24 juli 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op hefboommechanismen uit de Volksrepubliek China (PB L 205, blz. 1; hierna: „definitieve verordening”).
4 – T‑296/06; hierna: „bestreden arrest”.
5 – Hierna: „HM’s”.
6 – Hierna: „WWS”.
7 – Hierna: „LECO”.
8 – PB C 103, blz. 18.
9 – PB L 23, blz. 13; hierna: „voorlopige verordening”.
10 – Zie in die zin arrest van 10 maart 1992, Sharp Corporation/Raad (C‑179/87, Jurispr. blz. I‑1635, punten 16‑19).
Full & Egal Universal Law Academy