BESLISSING VAN HET HOF (Speciale kamer bedoeld in artikel 123 ter van het Reglement voor de procesvoering)
24 juni 2009
„Heroverweging”
In zaak C‑197/09 RX,
betreffende een voorstel tot heroverweging dat de eerste advocaat-generaal op 4 juni 2009 krachtens artikel 62 van het Statuut van het Hof van Justitie heeft gedaan,
neemt
HET HOF VAN JUSTITIE (Speciale kamer bedoeld in artikel 123 ter van het Reglement voor de procesvoering),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, A. Rosas en K. Lenaerts (rapporteur), kamerpresidenten,
gelet op artikel 225, lid 2, tweede alinea, EG,
gelet op artikel 62 van het Statuut van het Hof van Justitie,
gelet op het voorstel van de eerste advocaat-generaal, E. Sharpston,
de navolgende
Beslissing
1 Het door de eerste advocaat-generaal gedane voorstel tot heroverweging betreft het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Kamer voor hogere voorzieningen) van 6 mei 2009, M/EMEA (T‑12/08 P; hierna: „arrest van 6 mei 2009”), waarbij deze rechterlijke instantie enerzijds de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 19 oktober 2007, M/EMEA (F‑23/07), heeft vernietigd en nietig heeft verklaard het besluit van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) van 25 oktober 2006 voor zover daarbij afwijzend was beslist op het verzoek van M van 8 augustus 2006 om zijn geval aan een invaliditeitscommissie voor te leggen (hierna: „besluit van 25 oktober 2006”), en anderzijds het EMEA heeft veroordeeld tot betaling van 3 000 EUR als schadevergoeding aan rekwirant.
Antecedenten de zaak
2 Uit het arrest van 6 mei 2009 blijkt dat M, die in oktober 1996 als tijdelijk functionaris in dienst van het EMEA was getreden, in maart 2005 een arbeidsongeval heeft gehad, en sindsdien met ziekteverlof is. Zijn overeenkomst met het EMEA is geëindigd op 15 oktober 2006.
3 Op 17 februari 2006 heeft M om instelling van een invaliditeitscommissie verzocht, wat hem door het EMEA bij brief van 31 maart 2006 is geweigerd.
4 Op 3 juli 2006 heeft M tegen deze weigering een klacht ingediend, die bij het besluit van 25 oktober 2006 is afgewezen.
5 Intussen had M op 8 augustus 2006 een nieuw verzoek tot instelling van een invaliditeitscommissie ingediend en daarbij een medisch rapport van dokter W gevoegd.
6 Bij brief van 29 november 2006 heeft het EMEA M laten weten dat dit verzoek niet als een nieuw verzoek in de zin artikel 59, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen kon worden aangemerkt en bijgevolg moest worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke in het besluit van 25 oktober 2006 waren uiteengezet.
7 Bij brief van 25 januari 2007 heeft M een klacht ingediend waarbij hij verzocht om intrekking van het besluit van 25 oktober 2006 voor zover bij dat besluit zijn verzoek van 8 augustus 2006 was afgewezen. De dag nadien heeft hij het EMEA om vergoeding van zijn materiële en immateriële schade verzocht.
8 Bij brief van 31 januari 2007 heeft het EMEA deze klacht en dit verzoek afgewezen.
9 Op 19 maart 2007 heeft M bij het Gerecht voor ambtenarenzaken een beroep ingesteld strekkende tot, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006, en anderzijds, veroordeling van het EMEA tot betaling van 100 000 EUR als schadevergoeding voor dienstfouten.
10 Nadat het EMEA een exceptie van niet-ontvankelijkheid had opgeworpen, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken bij de reeds aangehaalde beschikking M/EMEA het beroep niet-ontvankelijk verklaard, zowel wat de vordering tot nietigverklaring als wat de vorderingen tot schadevergoeding betreft. Het heeft met name geoordeeld dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit van 25 oktober 2006 voor zover bij dat besluit het verzoek van M van 8 augustus 2006 is afgewezen, niet-ontvankelijk is omdat dat besluit slechts de bevestiging is van het in de brief van het EMEA van 31 maart 2006 besloten liggende besluit.
11 Nadat M tegen deze beschikking hogere voorziening had ingesteld, heeft het Gerecht van eerste aanleg bij arrest van 6 mei 2009 deze beschikking vernietigd op grond dat deze op een onjuiste rechtsopvatting berust voor zover de door M geformuleerde vorderingen tot nietigverklaring en schadevergoeding daarbij niet-ontvankelijk zijn verklaard.
12 Van oordeel dat de zaak in staat van wijzen was, heeft het Gerecht van eerste aanleg vervolgens met name de door M geformuleerde vorderingen tot schadevergoeding ontvankelijk verklaard. Ten gronde heeft het Gerecht het EMEA veroordeeld tot betaling van 3 000 EUR ter vergoeding van de door M gestelde immateriële schade.
Beoordeling
13 Vaststaat dat in het onderhavige geval het procesincident in de zin van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, dat destijds van toepassing was op het Gerecht voor ambtenarenzaken, namelijk de door het EMEA voor het Gerecht voor ambtenarenzaken opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, tot gevolg heeft gehad dat het debat in eerste aanleg voor deze rechterlijke instantie en de beoordeling door deze rechterlijke instantie uitsluitend betrekking hebben gehad op de ontvankelijkheid van het door M ingestelde beroep en van de daaraan ten grondslag liggende vorderingen.
14 Over de door M geformuleerde vorderingen tot schadevergoeding, die er onder meer op waren gericht vergoeding van de door hem gestelde immateriële schade te verkrijgen, is in die omstandigheden ten gronde schriftelijk noch mondeling een debat op tegenspraak gevoerd voor het Gerecht voor ambtenarenzaken. Die vorderingen zijn door deze rechterlijke instantie evenmin ten gronde beoordeeld en afgedaan.
15 Verder blijkt uit de door de partijen in het kader van de hogere voorziening voor het Gerecht van eerste aanleg ingediende memories niet dat over die vorderingen ten gronde een schriftelijk debat op tegenspraak heeft plaatsgevonden alvorens die rechterlijke instantie over de gegrondheid van de door M geformuleerde vordering tot vergoeding van de immateriële schade uitspraak heeft gedaan en M daarbij een door het EMEA te betalen bedrag van 3 000 EUR ter vergoeding van die schade heeft toegekend. Bovendien bevat het proces-verbaal van de terechtzitting van het Gerecht van eerste aanleg van 23 januari 2009 noch het arrest van 6 mei 2009 enige aanwijzing dat de gegrondheid van die vordering, inzonderheid de juiste omvang van het recht van M op vergoeding voor immateriële schade, ter terechtzitting is besproken.
16 Hieruit volgt dat het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest van 6 mei 2009 ten gronde de vordering tot vergoeding van de door M gestelde schade ten dele heeft toegewezen, terwijl enerzijds ten gevolge van het procesincident voor het Gerecht voor ambtenarenzaken geen schriftelijk of mondeling debat ten gronde voor laatstgenoemde rechterlijke instantie heeft kunnen plaatsvinden, en anderzijds niets erop wijst dat een dergelijk debat heeft plaatsgevonden voor het Gerecht van eerste aanleg.
17 In die omstandigheden bestaat er een ernstig risico dat de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht wordt aangetast doordat in het arrest van 6 mei 2009 ten gronde uitspraak is gedaan over de vordering tot vergoeding van de door M gestelde immateriële schade.
18 Bijgevolg dient het arrest van 6 mei 2009 te worden heroverwogen.
19 In dit verband dient allereerst te worden onderzocht wat onder „zaak in staat van wijzen” in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dat Statuut moet worden verstaan wanneer de verwerende partij de rechter in eerste aanleg, in casu het Gerecht voor ambtenarenzaken, heeft verzocht om uitspraak te doen over een exceptie van niet-ontvankelijkheid zonder op de zaak ten gronde in te gaan, en de beschikking van de rechter in eerste aanleg waarbij die exceptie van niet-ontvankelijkheid is aanvaard, door de rechter in hogere voorziening, in casu het Gerecht van eerste aanleg, wordt vernietigd.
20 In de tweede plaats moet worden onderzocht of er sprake is van niet-inachtneming van de eisen van het recht op een eerlijk proces, en inzonderheid van de eis van inachtneming van de rechten van de verdediging, wanneer de rechter in hogere voorziening, in casu het Gerecht van eerste aanleg, na bovengenoemde beschikking te hebben vernietigd en het beroep, met de name de daaraan ten grondslag liggende vorderingen tot schadevergoeding, ontvankelijk te hebben verklaard, ten gronde uitspraak doet op een vordering tot vergoeding van de door de rekwirant gestelde immateriële schade zonder dat daarover een schriftelijk of mondeling debat op tegenspraak is gevoerd voor de rechter in eerste aanleg, in casu het Gerecht voor ambtenarenzaken, en niets erop wijst dat een dergelijk debat heeft plaatsgevonden voor de rechter in hogere voorziening.
21 In derde plaats dient, voor het geval dat zou worden vastgesteld dat het arrest van 6 mei 2009 inbreuk maakt op artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dat Statuut, en/of niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces en inzonderheid aan de eis van inachtneming van de rechten van de verdediging, te worden onderzocht of, en in voorkomend geval in welke mate, dat arrest de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantast.
Het Hof van Justitie (Speciale kamer bedoeld in artikel 123 ter van het Reglement voor de procesvoering) beslist:
1) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Kamer voor hogere voorzieningen) van 6 mei 2009, M/EMEA (T‑12/08 P), dient te worden heroverwogen.
2) De heroverweging zal betrekking hebben op de vraag of het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 6 mei 2009, M/EMEA (T‑12/08 P), de eenheid of de samenhang van het gemeenschapsrecht aantast doordat dit Gerecht als rechter in hogere voorziening het begrip „zaak in staat van wijzen” in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 13, lid 1, van de bijlage bij dat Statuut aldus heeft uitgelegd dat het hem is toegestaan een zaak aan zich te houden en uitspraak te doen over de grond van de zaak, ook al had de hogere voorziening waarvan het kennis diende te nemen, alleen betrekking op de behandeling in eerste aanleg van een exceptie van niet-ontvankelijkheid en al was over het aspect van de zaak dat het aan zich houdt, voor hem noch voor het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie als rechter in eerste aanleg een debat op tegenspraak gevoerd.
3) De belanghebbenden bedoeld in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie en de partijen in de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen wordt verzocht, binnen een termijn van een maand vanaf de betekening van de onderhavige beslissing hun schriftelijke opmerkingen over deze vraag bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in te dienen.
ondertekeningen
Full & Egal Universal Law Academy