Zaak C‑64/09
Europese Commissie
tegen
Franse Republiek
„Niet-nakoming – Richtlijn 2000/53/EG – Artikelen 5, leden 3 en 4, 6, lid 3, en 7, lid 1 – Niet-conforme omzetting in nationaal recht”
Samenvatting van het arrest
1. Milieu – Verwijdering van afvalstoffen – Richtlijn 2000/53 – Autowrakken – Definities
(Richtlijn 2000/53 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, punt 13, en 8, lid 3)
2. Milieu – Verwijdering van afvalstoffen – Richtlijn 2000/53 – Autowrakken – Inzameling
(Richtlijn 2000/53 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5, lid 3)
3. Milieu – Verwijdering van afvalstoffen – Richtlijn 2000/53 – Autowrakken – Inzameling
(Richtlijn 2000/53 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5, lid 4)
4. Milieu – Verwijdering van afvalstoffen – Richtlijn 2000/53 – Autowrakken – Inzameling
(Richtlijn 2000/53 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5, leden 2 en 4)
5. Milieu – Verwijdering van afvalstoffen – Richtlijn 2000/53 – Autowrakken – Afvalverwerkingshandelingen
(Richtlijn 2000/53 van het Europees Parlement en de Raad, art. 6, lid 3)
6. Milieu – Verwijdering van afvalstoffen – Richtlijn 2000/53 – Autowrakken – Hergebruik en nuttige toepassing van afvalstoffen
(Richtlijn 2000/53 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, lid 1)
1. Uit de bewoordingen van artikel 2, punt 13, van richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken blijkt duidelijk dat onder het begrip demontage-informatie alle informatie die voor een verwerking van een autowrak noodzakelijk is, wordt verstaan, en dat artikel 8, lid 3, van deze richtlijn in het licht van dat punt 13 moet worden gelezen wanneer het gaat om de modaliteiten voor de verstrekking van dergelijke informatie.
(cf. punt 25)
2. Artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken beschrijft de voor uitschrijving van een autowrak te volgen procedure nauwkeurig, teneinde, zoals punt 2 van de considerans van deze richtlijn wordt gezegd, voor samenhang tussen de nationale benaderingswijzen te zorgen. In het kader van deze procedure is een welomschreven functie toegekend aan een sleuteldocument genoemd certificaat van vernietiging.
Deze functie van voornoemd document kan niet worden gewijzigd. Zelfs indien wordt erkend dat een nationaal systeem een betere traceerbaarheid van autowrakken mogelijk maakt, brengt, indien dit systeem het certificaat van vernietiging een andere rol toebedeelt dan diegene die in artikel 5, lid 3, van die richtlijn is bepaald, een dergelijke wijziging de samenhang tussen de nationale benaderingswijzen en bijgevolg de goede werking van de interne markt in gevaar.
Evenzo kan het verstrekken van een ander document dan het in artikel 5, lid 3, bedoelde certificaat van vernietiging, dat de rol van dit certificaat vervult, leiden tot verwarring die de verwezenlijking van de doelstelling van deze bepaling in gevaar kan brengen.
(cf. punten 36‑38)
3. Uit de bewoordingen van artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken blijkt duidelijk dat de overdracht van een autowrak aan een erkende verwerker kosteloos moet zijn, aangezien de bijbehorende kosten worden gedragen door de producenten.
Daaruit volgt meteen al dat voor elke sloper die vrijwillig de overname van een autowrak voor vernietiging aanvaardt, de nationale regeling moet voorzien in een systeem van vergoeding van de verwerkingskosten, in dit geval hetzelfde als het systeem waarin is voorzien voor de verwerkers die door de nationale regeling tot een dergelijke overname worden verplicht.
(cf. punten 48‑49)
4. Noch uit de bewoordingen van artikel 5, lid 2, van richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken, volgens welke de lidstaten de nodige maatregelen dienen te nemen om ervoor te zorgen dat alle autowrakken aan erkende verwerkers worden overgedragen, noch uit de bewoordingen van artikel 5, lid 4, van deze richtlijn, volgens welke de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat het voertuig aan een door het bevoegd gezag erkende verwerker kan worden afgegeven zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar van het voertuig, volgt dat alle inrichtingen verplicht zijn om de overname van autowrakken te aanvaarden. Die richtlijn verzet zich er dus niet tegen dat sommige verwerkers louter de mogelijkheid tot overname wordt geboden, op voorwaarde dat het aantal verwerkers dat verplicht is om aangeboden autowrakken over te nemen, voldoende is om in de praktijk een overdracht aan een dergelijke inrichting mogelijk te maken.
Door shredders en inzamelcentra te verplichten om autowrakken over te nemen en strenge straffen op te leggen wanneer een dergelijk voertuig wordt achtergelaten, voert een lidstaat dan ook een systeem van overname van autowrakken in dat niet kan worden geacht onverenigbaar met artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53 te zijn.
(cf. punten 51‑52, 55‑57)
5. Ook al is er geen definitie van het in artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken opgenomen begrip selectief demonteren, slaat zowel het selectief demonteren als de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen op onderdelen van voertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten en die, om elke aantasting van het milieu te beperken, vóór elke andere verwerkingshandeling dienen te worden gedemonteerd. Die bepaling dient dan ook aldus te worden uitgelegd dat onder selectief demonteren moet worden verstaan de handeling waarmee de verwerkingshandelingen voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen aanvangen, die ook deel uitmaakt van deze verwerkingshandelingen.
Bijgevolg schendt een lidstaat de krachtens artikel 6, lid 3, van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet door te eisen dat gevaarlijke stoffen worden verwijderd vóór elke andere verwerkingshandeling, zonder evenwel aan de hand van de invoering van het begrip selectief demonteren te preciseren dat de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen aanvangt met de demontage van gemakkelijk te demonteren onderdelen.
(cf. punten 61, 63)
6. Met betrekking tot de inhoud van de verplichting tot recycling, die is neergelegd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken, kan de uitdrukking „voor zover milieuhygiënisch verantwoord” niet worden geacht gelijkwaardig te zijn aan die welke wordt gebruikt door een nationale uitvoeringsbepaling die voor dat verantwoord zijn uiteindelijk economische voorwaarden stelt, aangezien recycling pas kan worden overwogen indien dit technisch haalbaar is. De begrippen milieuhygiënisch verantwoord en economisch haalbaar kunnen weliswaar bepaalde aspecten gemeen hebben, maar het is duidelijk dat zij niet gelijkwaardig zijn.
(cf. punten 69, 72‑74)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
15 april 2010 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 2000/53/EG – Artikel 5, leden 3 en 4, artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 1 – Niet-conforme omzetting in nationaal recht”
In zaak C‑64/09,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 13 februari 2009,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Oliver en J.‑B. Laignelot als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A. Adam als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, E. Levits (rapporteur), M. Ilešič, J.‑J. Kasel en M. Safjan, rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de juiste en volledige omzetting van artikel 2, punt 13, artikel 4, lid 2, sub a, artikel 5, leden 3 en 4, artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 3, van richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PB L 269, blz. 34), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Regeling van de Unie
2 Overeenkomstig artikel 1 ervan, getiteld „Doelstellingen”, stelt richtlijn 2000/53 maatregelen vast die in de eerste plaats gericht zijn op de preventie van afvalstoffen van voertuigen, en daarenboven op hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing van autowrakken en onderdelen daarvan, teneinde de hoeveelheid te verwijderen afval te verminderen, alsmede op verbetering van de milieuprestatie van alle ondernemingen die betrokken zijn bij de levenscyclus van voertuigen, in het bijzonder die welke rechtstreeks betrokken zijn bij de verwerking van autowrakken.
3 Volgens artikel 2, punt 13, van deze richtlijn wordt onder „demontage-informatie” verstaan „alle informatie die voor een doelmatige en milieuvriendelijke verwerking van een autowrak noodzakelijk is. Zij wordt door voertuigfabrikanten en onderdelenproducenten beschikbaar gesteld aan officieel erkende verwerkingsinrichtingen in de vorm van handboeken of in elektronische vorm (bijvoorbeeld cd-rom, on-linediensten)”.
4 Artikel 4, lid 2, sub a, van deze richtlijn luidt als volgt:
„De lidstaten zien erop toe dat materialen en onderdelen van voertuigen die na 1 juli 2003 in de handel worden gebracht, geen lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten, behoudens in de gevallen genoemd in bijlage II, onder de aldaar vermelde voorwaarden.”
5 Artikel 5, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2000/53 stelt:
„2. De lidstaten nemen […] de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alle autowrakken aan door het bevoegd gezag erkende verwerkers worden overgedragen.
3. De lidstaten zetten een systeem op waarbij het voorleggen van een certificaat van vernietiging een voorwaarde voor de uitschrijving van het afgedankte voertuig is. Dit bewijs wordt aan de houder en/of eigenaar verstrekt, wanneer het afgedankte voertuig aan een verwerker wordt afgegeven. Verwerkers met een vergunning overeenkomstig artikel 6 mogen een certificaat van vernietiging verstrekken. De lidstaten kunnen toestaan dat producenten, handelaren en inzamelaars namens een door het bevoegd gezag erkende verwerker bewijzen van afgifte verstrekken, op voorwaarde dat zij garanderen dat het afgedankte voertuig aan een door het bevoegd gezag erkende verwerker wordt overgedragen en dat zij bij de overheid geregistreerd zijn.
Het verstrekken van een certificaat van vernietiging door verwerkers, dan wel door handelaren of inzamelaars die voor rekening van een door het bevoegd gezag erkende verwerker optreden, geeft deze partijen geen recht op financiële vergoeding, behoudens in gevallen waarin zulks uitdrukkelijk door de lidstaten geregeld is.
[…]
4. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het voertuig overeenkomstig lid 3 aan een door het bevoegd gezag erkende verwerker wordt overgedragen zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar vanwege het feit dat het voertuig geen of een negatieve marktwaarde heeft.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten alle of een aanzienlijk deel van de kosten voor de uitvoering van dit voorschrift voor hun rekening nemen en/of autowrakken terugnemen onder dezelfde voorwaarden als bepaald in de eerste alinea.
De lidstaten kunnen voorschrijven dat de overdracht van autowrakken niet geheel kosteloos is, indien het betrokken voertuig niet voorzien is van de essentiële voertuigonderdelen, met name motor en carrosserie, dan wel afval bevat dat aan het afgedankte voertuig is toegevoegd.
De Commissie controleert op gezette tijden de uitvoering van het bepaalde in de eerste alinea zodat er geen distorsies van de markt ontstaan, en stelt zo nodig een wijziging van deze bepaling aan het Europees Parlement en de Raad voor.”
6 Artikel 6, lid 3, van deze richtlijn bepaalt:
„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht, ten minste voldoen aan de volgende verplichtingen overeenkomstig bijlage I:
a) autowrakken worden vóór verdere verwerking selectief gedemonteerd, of er worden andere gelijkwaardige regelingen getroffen, om negatieve milieueffecten te beperken. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, gemerkte of anderszins herkenbaar gemaakte onderdelen of materialen worden selectief gedemonteerd vóór verdere verwerking;
b) gevaarlijke materialen en onderdelen worden weggenomen en selectief gescheiden, zodat het resterende shredderafval van autowrakken niet wordt verontreinigd;
c) het selectief demonteren en opslaan dient zodanig te geschieden dat hergebruik en terugwinning, en met name recycling van de voertuigonderdelen mogelijk is.
Verwerkingshandelingen voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen uit autowrakken als vermeld in bijlage I, punt 3, worden zo spoedig mogelijk uitgevoerd.”
7 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om aan te moedigen dat hergebruikbare onderdelen worden hergebruikt, niet hergebruikbare onderdelen nuttig worden toegepast en dat, voor zover milieuhygiënisch verantwoord, de voorkeur wordt gegeven aan recycling, onverminderd de voorschriften betreffende de veiligheid van voertuigen en milieuvoorschriften zoals luchtemissies en beheersing van geluidhinder.”
8 In artikel 8, lid 3, van richtlijn 2000/53 is bepaald:
„De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten voor elk nieuw voertuigtype binnen zes maanden nadat het in de handel is gebracht, demontage-informatie verstrekken. […]”
Nationale regeling
9 Richtlijn 2000/53 is in Frans recht omgezet bij Décret n° 2003-727, du 1er août 2003, relatif à la construction des véhicules et à l’élimination des véhicules hors d’usage (Frans decreet nr. 2003-727 van 1 augustus 2003 betreffende de vervaardiging van voertuigen en de verwijdering van autowrakken, JORF van 5 augustus 2003, blz. 13487; hierna: „decreet nr. 2003-727”), en bij de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten van 24 december 2004 betreffende de bepalingen inzake de vervaardiging van voertuigen, onderdelen en uitrusting gericht op de verwijdering van autowrakken (JORF van 31 december 2004, blz. 22743), van 15 maart 2005 betreffende de erkenning van exploitanten van inrichtingen voor opslag, demontage, versnijding of shredding van en verwijdering van gevaarlijke stoffen uit autowrakken (JORF van 14 april 2005, blz. 6688), van 6 april 2005 houdende voorschriften voor de opstelling van het bewijs van overname voor vernietiging en het certificaat van vernietiging van een autowrak (JORF van 24 mei 2005, blz. 8915) en van 13 mei 2005 betreffende de wijze van vergoeding van erkende shredders (JORF van 31 mei 2005, blz. 9716).
10 Artikel 2 van decreet nr. 2003-727 luidt:
„Voor de toepassing van onderhavig decreet:
[...]
3° Worden beschouwd als slopers, de personen die instaan voor de overname, de opslag en de demontage van en de verwijdering van gevaarlijke stoffen uit voertuigen;
4° Worden beschouwd als shredders, de personen die instaan voor de overname, de opslag, de versnijding, of de shredding van voertuigen, waarbij deze laatste twee handelingen indien nodig worden voorafgegaan door de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen uit en de demontage van die voertuigen;
[...]”
11 Artikel 4 van dit decreet bepaalt:
„Autowrakken kunnen door de houders ervan enkel worden overgedragen aan slopers of shredders die overeenkomstig artikel 9 van onderhavig decreet erkend zijn, of aan door de producenten opgerichte inzamelcentra.”
12 Artikel 5 van dit decreet luidt:
„De shredders en de inzamelcentra, evenals de slopers die de overname van de voertuigen hebben aanvaard, kunnen de houders die hun een autowrak overdragen aan de ingang van hun inrichtingen, geen kosten aanrekenen, tenzij het voertuig niet langer voorzien is van zijn essentiële onderdelen zoals de voortstuwingseenheid, de katalysator indien het voertuig ermee was uitgerust toen het op de markt kwam of de carrosserie, of indien het afval of niet-goedgekeurde uitrusting bevat die eraan is toegevoegd en, gezien de aard of hoeveelheid ervan, de kosten van de verwerking van het autowrak verhoogt.”
13 Artikel 6 van decreet nr. 2003-727 bepaalt als volgt:
„Elke producent dient voor de voertuigen van zijn merk het tekort dat de toepassing van artikel 5 voor een erkend sloper met zich kan brengen, te vergoeden, ofwel zijn voertuigen zelf terug te nemen volgens de voorwaarden die hij passend acht.
Het tekort wordt vastgesteld door een onafhankelijke derde instelling die door de producent en de erkende sloper gezamenlijk wordt aangeduid.
De gegevens van de vaststelling van het tekort worden, samen met de voorstellen van de producent voor de vergoeding, onverwijld aan de in artikel 18 van onderhavig decreet vermelde commissie overgemaakt.
Een gezamenlijk besluit van de ministers van Vervoer, Milieu, Economie en Industrie regelt de wijze van toepassing van de eerste twee leden van dit artikel, inzonderheid de regels inzake de boekhoudkundige scheiding van de verschillende activiteiten die door slopers kunnen worden uitgeoefend.”
14 Artikel 7 van dit decreet luidt:
„Indien hergebruik van de onderdelen van autowrakken mogelijk is, dient dit te gebeuren in overeenstemming met de eisen inzake de veiligheid van voertuigen en de bescherming van het milieu, inzonderheid inzake de strijd tegen luchtverontreiniging en geluidsoverlast. De traceerbaarheid van de hergebruikte onderdelen waarop deze eisen van toepassing zijn, dient, indien dit technisch mogelijk is, te worden verzekerd door het plaatsen van een passende merking overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 11 en 12 van onderhavig decreet.
De onderdelen en materialen van autowrakken worden, onder voorbehoud van het in vorig lid bepaalde, bij voorkeur hergebruikt, nuttig toegepast en in het bijzonder gerecycleerd eerder dan vernietigd, wanneer de technische en economische omstandigheden dit toelaten.”
15 In artikel 13 van dit decreet is bepaald:
„Artikel R. 322‑9 van de Code de la route [Franse wegcode] wordt vervangen door volgende bepalingen:
‚Artikel R. 322-9 – Bij verkoop of kosteloze overdracht van een voertuig voor vernietiging, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel L. 326‑11, overhandigt de eigenaar de „carte grise” [grijze kaart, het kentekenbewijs] aan een erkend sloper of shredder nadat hij er op zeer duidelijk leesbare en onveranderlijke wijze de vermelding „verkocht voor vernietiging op ../../.... (datum van de overdracht)” of „overgedragen voor vernietiging op ../../.... (datum van de overdracht)” op heeft aangebracht, gevolgd door zijn handtekening, en nadat hij het daartoe bestemde deel heeft afgeknipt.
Indien er geen „carte grise” is, overhandigt de eigenaar, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel L. 326‑11, ofwel een officieel document dat bewijst dat de „carte grise” niet kan worden bezorgd, ofwel een bewijs van eigendom indien het voertuig meer dan vijfentwintig jaar oud is.
De erkende sloper of shredder overhandigt de eigenaar op zijn beurt, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van overdracht van het voertuig, een bewijs van overname voor vernietiging.
Binnen dezelfde termijn maakt de erkende sloper of shredder een exemplaar van het bewijs van overname voor vernietiging over aan de prefect van het departement waar het voertuig is ingeschreven, alsook een van de in het eerste en het tweede lid van onderhavig artikel vermelde stukken.
Binnen de vijftien dagen na de versnijding of shredding van het voertuig bevestigt de erkende sloper de vernietiging ervan aan de prefect van het departement van inschrijving waar het voertuig is ingeschreven, door deze het desbetreffende certificaat van vernietiging over te maken. De prefect registreert vervolgens de vernietiging en schrijft het voertuig uit.
Een gezamenlijk besluit van de ministers van Vervoer, Milieu, Binnenlandse Zaken en Industrie bepaalt de voorschriften voor de opstelling van het bewijs van overname voor vernietiging en van het certificaat van vernietiging.”
16 Artikel 15 van decreet nr. 2003-727 bepaalt:
„Onverminderd de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële gegevens verstrekt elke producent, in samenwerking met de fabrikanten van in voertuigen gebruikte materialen en onderdelen, voor elk nieuw voertuigtype dat op nationaal of gemeenschapsniveau is goedgekeurd, binnen een termijn van zes maanden na de goedkeuring ervan, informatie over:
1° De voorwaarden voor de demontage van en de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen uit het voertuig;
2° De voorwaarden voor de demontage, de opslag en de controle van herbruikbare onderdelen;
3° De verschillende onderdelen en materialen waaruit het voertuig bestaat;
4° De plaats van de gevaarlijke stoffen die in het voertuig aanwezig zijn.”
Precontentieuze procedure
17 Naar aanleiding van verscheidene klachten heeft de Commissie de Franse Republiek op 12 oktober 2005 een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij stelde dat deze lidstaat artikel 1, artikel 4, lid 2, artikel 5, leden 3 en 4, artikel 6, lid 3, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2000/53 onjuist, artikel 7, lid 2, van deze richtlijn onvolledig, en ten slotte artikel 2, punten 12 en 13, artikel 4, lid 1, en artikel 8, lid 3, van deze richtlijn onjuist en onvolledig had omgezet.
18 Op 19 december 2005 heeft de Franse Republiek deze aanmaning beantwoord en uiteengezet waarom de grieven van de Commissie haar niet gegrond voorkwamen.
19 Op 12 december 2006 heeft de Commissie de Franse Republiek een met redenen omkleed advies doen toekomen waarin de grieven uit de aanmaningsbrief werden hernomen, met uitzondering van de grieven betreffende artikel 2, punt 12, en artikel 7, lid 2, van richtlijn 2000/53.
20 Op 14 februari 2007 heeft de Franse Republiek op dit met redenen omkleed advies geantwoord en gesteld dat de grieven van de Commissie ongegrond waren.
21 Aangezien de Commissie van mening was dat de grieven, met uitzondering van de grieven met betrekking tot artikel 1 en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/53, dienden te worden gehandhaafd, heeft zij onderhavig beroep ingesteld.
Beroep
22 Ter onderbouwing van haar beroep voert de Commissie zeven middelen aan, respectievelijk inzake:
– de onverenigbaarheid met artikel 2, punt 13, van richtlijn 2000/53 van de in het Franse recht ingevoerde definitie van het begrip „demontage-informatie”;
– de onverenigbaarheid met artikel 4, lid 2, sub a, van deze richtlijn van de datum waarop het verbod op gevaarlijke stoffen in werking treedt;
– de onverenigbaarheid met artikel 5, lid 3, van deze richtlijn van het Franse systeem van uitschrijving na het voorleggen van een certificaat van vernietiging;
– de onverenigbaarheid met artikel 5, lid 4, van deze richtlijn van het systeem van overname van autowrakken;
– de onverenigbaarheid met artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/53 van het niet-overnemen van het begrip „selectief demonteren” in de bepalingen die deze richtlijn in Frans recht omzetten;
– de onverenigbaarheid met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn van de in het Franse recht neergelegde uitlegging van de uitdrukking „milieuhygiënisch verantwoord”, en
– de onverenigbaarheid met artikel 8, lid 3, van deze richtlijn van het niet nauwkeurig aangeven van de technische dragers die de demontage-informatie verstrekken.
Eerste en zevende grief: onverenigbaarheid met artikel 2, punt 13, van richtlijn 2000/53 van de in het Franse recht ingevoerde definitie van het begrip „demontage-informatie” en, daarmee samenhangend, onverenigbaarheid met artikel 8, lid 3, van deze richtlijn van het niet nauwkeurig aangeven van de technische dragers die de demontage-informatie verstrekken
23 De Commissie stelt dat artikel 15 van decreet nr. 2003-727 een beperktere draagwijdte heeft dan artikel 2, punt 13, van richtlijn 2000/53, aangezien deze laatste bepaling voorschrijft dat „alle informatie”, en niet enkel een limitatieve lijst van gegevens zoals deze in artikel 15 van dit decreet, aan erkende verwerkers wordt verstrekt. Volgens de Commissie brengt deze onjuiste en onvolledige omzetting van artikel 2, punt 13, ipso facto een onjuiste en onvolledige omzetting mee van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2000/53, dat een verplichting inhoudt inzake het middel waarmee de informatie wordt verstrekt.
24 In haar verweerschrift geeft de Franse Republiek toe dat een algemene definitie van het begrip „demontage-informatie” noodzakelijk is om een juiste en volledige omzetting van artikel 2, punt 13, van richtlijn 2000/53 te verzekeren. Zij erkent eveneens dat het noodzakelijk is om nauwkeurig aan te geven welke de technische modaliteiten zijn van de op de producenten rustende verplichting om demontage-informatie te verstrekken, en verbindt zich ertoe om de relevante bepalingen van nationaal recht te wijzigen om de vereiste preciseringen aan te brengen.
25 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat duidelijk uit de bewoordingen van artikel 2, punt 13, van richtlijn 2000/53 blijkt dat onder het begrip „demontage-informatie” „alle informatie die voor een […] verwerking van een autowrak noodzakelijk is” wordt verstaan, en dat artikel 8, lid 3, van deze richtlijn in het licht van dat punt 13 moet worden gelezen wanneer het gaat om de modaliteiten voor de verstrekking van dergelijke informatie.
26 Bijgevolg zijn de eerste en de zevende grief gegrond.
Tweede grief: onverenigbaarheid met artikel 4, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/53 van de datum waarop het verbod op gevaarlijke stoffen in werking treedt
27 Met haar tweede grief merkt de Commissie op dat artikel 4, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/53 in Frans recht is omgezet bij artikel 3 van decreet nr. 2003-727 en bij het besluit van 24 december 2004 betreffende de bepalingen inzake de vervaardiging van voertuigen, onderdelen en uitrusting gericht op de verwijdering van autowrakken. Volgens de Commissie heeft de Franse Republiek artikel 4, lid 2, sub a, echter niet juist omgezet, doordat zij de verplichting, erop toe te zien dat de materialen en onderdelen van deze voertuigen geen lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten, behoudens in de gevallen genoemd in bijlage II bij richtlijn 2000/53, in strijd met voornoemde bepaling slechts heeft gesteld voor de voertuigen die vanaf 31 december 2004 in de handel worden gebracht, en niet voor de vanaf 1 juli 2003 op de markt gebrachte voertuigen.
28 In dit opzicht volstaat het op te merken dat, zoals de Franse Republiek trouwens zelf toegeeft, de bepalingen van voornoemd besluit van 24 december 2004 slechts vanaf 31 december 2004 van toepassing zijn, zodat de in artikel 4, lid 2, sub a, van richtlijn 2000/53 neergelegde verplichting gelet op de datum die in deze bepaling wordt gesteld, te laat is toegepast. Hieruit volgt dus dat artikel 4, lid 2, sub a, niet juist in Frans recht is omgezet.
29 Bijgevolg is de tweede grief gegrond.
Derde grief: onverenigbaarheid met artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53 van het Franse systeem van uitschrijving na het voorleggen van een certificaat van vernietiging
Argumenten van partijen
30 De Commissie merkt op dat artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53 de procedure voor uitschrijving van een autowrak nauwkeurig beschrijft. Zo bepaalt dit voorschrift, om te zorgen voor samenhang tussen de nationale benaderingswijzen om de goede werking van de interne markt te waarborgen en concurrentiebeperkingen in de Europese Unie te vermijden, welke personen bevoegd zijn om een certificaat van vernietiging te verstrekken, wie de bestemmeling(en) van dit certificaat is/zijn, alsook wanneer het certificaat moet worden verstrekt.
31 Volgens de Commissie voldeed het Franse systeem, dat overigens is afgeschaft sinds 15 september 2009, datum waarop een nieuw systeem van inschrijving is ingevoerd voor alle voertuigen die vanaf deze datum worden ingeschreven, niet aan deze nauwkeurige en gedetailleerde voorschriften van artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53. Door in artikel 13 van decreet nr. 2003-727 en in het in punt 9 van onderhavig arrest vermelde besluit van 6 april 2005 te bepalen dat enkel shredders bevoegd waren om een „certificaat van vernietiging” te verstrekken, en dat dit certificaat na de fysieke vernietiging van het voertuig werd overhandigd aan de prefect van het departement van de plaats waar het voertuig was ingeschreven, terwijl de houder van het autowrak een „bewijs van overname voor vernietiging” ontving, riep het Franse recht immers verwarring en een zekere administratieve complicatie in het leven, die indruisten tegen het doel en de nuttige werking van richtlijn 2000/53.
32 De Franse Republiek betwist het standpunt van de Commissie. Zij stelt dat zij, teneinde een grotere bescherming te verzekeren, een procedure in twee stappen heeft ingevoerd, die een betere traceerbaarheid van autowrakken mogelijk maakt.
33 In een eerste fase een „bewijs van overname voor vernietiging” aan de houder verstrekken bij de overdracht van het voertuig aan een verwerker, is immers een noodzakelijke voorwaarde voor de latere uitschrijving. Aan de hand van het document „certificaat van vernietiging”, dat wordt verstrekt door de shredders, kan in een tweede fase de vernietiging van het voertuig worden bevestigd en worden overgegaan tot definitieve uitschrijving.
34 Volgens de Franse Republiek vervult het „bewijs van overname voor vernietiging” bijgevolg de rol van het in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53 bedoelde „certificaat van vernietiging”, aangezien de verstrekking ervan waarborgt dat de latere vernietiging van het autowrak automatisch plaatsvindt en aan de hand van het document getiteld „certificaat van vernietiging” in de zin van het Franse recht daarentegen de daadwerkelijke vernietiging van een autowrak kan worden verzekerd alvorens het voertuig wordt uitgeschreven.
Beoordeling door het Hof
35 Richtlijn 2000/53, die overeenkomstig punt 1 van de considerans ervan in de eerste plaats tot doel heeft, aantasting van het milieu door autowrakken tot een minimum te beperken, houdt geen volledige harmonisatie in en staat dus de mogelijkheid voor de lidstaten om strengere beschermingsmaatregelen te treffen niet in de weg (zie met name arrest van 14 april 2005, Deponiezweckverband Eiterköpfe, C‑6/03, Jurispr. blz. I‑2753, punt 27). Dergelijke maatregelen dienen evenwel verenigbaar te zijn met de bepalingen van het EG‑Verdrag en mogen inzonderheid de verwezenlijking van de doelstelling die deze richtlijn in de tweede plaats nastreeft, te weten de goede werking van de interne markt te waarborgen en concurrentiebeperkingen in de Unie te vermijden, niet in gevaar brengen.
36 In dit opzicht dient te worden vastgesteld dat, zoals de Commissie opmerkt, artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53 de voor uitschrijving van een autowrak te volgen procedure nauwkeurig beschrijft, teneinde, zoals punt 2 van de considerans van deze richtlijn stelt, voor samenhang tussen de nationale benaderingswijzen te zorgen. In het kader van deze procedure is een welomschreven functie toegekend aan het sleuteldocument „certificaat van vernietiging”.
37 Deze functie van voornoemd document kan niet worden gewijzigd. Zelfs indien wordt erkend dat het Franse systeem een betere traceerbaarheid van autowrakken mogelijk maakt, moet worden vastgesteld dat dit systeem het „certificaat van vernietiging” een andere rol toebedeelde dan die welke in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53 is bepaald. Een dergelijke wijziging van de functie van dit certificaat brengt de in voorgaand punt vermelde samenhang tussen de nationale benaderingswijzen en bijgevolg de goede werking van de interne markt in gevaar.
38 Evenzo kan het verstrekken van een document genaamd „bewijs van overname voor vernietiging”, dat volgens de Franse Republiek de rol van het in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2000/53 bedoelde „certificaat van vernietiging” vervult, leiden tot verwarring die de verwezenlijking van de doelstelling van deze bepaling in gevaar kan brengen.
39 Bijgevolg is ook de derde grief gegrond.
Vierde grief: onverenigbaarheid met artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53 van het systeem van overname van autowrakken
Argumenten van partijen
40 De Commissie betoogt dat artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53, gelezen in samenhang met lid 2 van dit artikel, voorziet in een verplichting van kosteloze overname van autowrakken voor vernietiging door erkende verwerkers.
41 Volgens de Commissie moet dit beginsel van kosteloosheid van de overname van die voertuigen aldus worden uitgelegd dat alle verwerkers verplicht zijn om de door de laatste houder en/of eigenaar aangeboden voertuigen kosteloos over te nemen en dat al die verwerkers in aanmerking komen voor een mechanisme van vergoeding van de kosten van deze overname, welke kosten door de producenten worden gedragen.
42 Aangezien de slopers de mogelijkheid wordt gelaten om de overname van autowrakken voor vernietiging te weigeren en niet is voorzien in een vergoeding van de verwerkingskosten voor die slopers, is het Franse systeem van overname van deze kosten door de producenten niet in overeenstemming met richtlijn 2000/53 en druist het in tegen de nuttige werking ervan.
43 De Franse Republiek is het niet met die uitlegging van richtlijn 2000/53 eens. Volgens deze lidstaat had de wetgever van de Unie niet de bedoeling om alle verwerkers te verplichten autowrakken terug te nemen tegen een vergoeding.
44 Een van de doelstellingen van richtlijn 2000/53 is weliswaar dat alle autowrakken aan verwerkers worden overgedragen, maar voor de verwezenlijking ervan is de kosteloosheid van de overdracht slechts een aanmoediging, en slechts een van de middelen om deze doelstelling te bereiken.
45 Aldus berust de doelstelling, via een geschikt systeem van verwerkers de inzameling van alle autowrakken mogelijk te maken, in het Franse recht niet alleen op een aanmoediging, maar ook op repressieve maatregelen die het achterlaten van autowrakken bestraffen.
46 In die omstandigheden lijken de maatregelen die het Franse recht heeft vastgesteld in de geest van richtlijn 2000/53, voldoende om de beoogde doelstelling te bereiken, zonder dat het noodzakelijk is alle verwerkers, en bijgevolg de slopers, te verplichten om autowrakken terug te nemen.
47 Ten slotte is het vergoedingsmechanisme van het besluit van 13 mei 2005 betreffende de wijze van vergoeding van erkende shredders slechts de tegenhanger van hun verplichting tot overname. Bijgevolg stelt de Commissie onterecht dat aangezien niet is voorzien in een vergoeding voor slopers, de Franse regeling betreffende de overname van de verwerkingskosten door de producenten niet in overeenstemming is met de doelstellingen van richtlijn 2000/53.
Beoordeling door het Hof
48 Allereerst dient te worden vastgesteld dat uit de bewoordingen van artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53 duidelijk volgt dat de overdracht van een autowrak aan een erkende verwerker kosteloos moet zijn, aangezien de bijbehorende kosten worden gedragen door de producenten.
49 Daaruit volgt meteen al dat voor elke sloper die vrijwillig de overname van een autowrak voor vernietiging aanvaardt, de nationale regeling moet voorzien in een systeem van vergoeding van de verwerkingskosten, in dit geval hetzelfde als het systeem waarin is voorzien voor de verwerkers die door de nationale regeling tot een dergelijke overname worden verplicht.
50 Bijgevolg dient reeds te worden vastgesteld dat, door de slopers die de overname van een voertuig voor vernietiging hebben aanvaard uit te sluiten van het in artikel 6 van decreet nr. 2003‑727 bepaalde systeem van vergoeding, de Franse Republiek de krachtens artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
51 Wat betreft de vraag of richtlijn 2000/53 aldus moet worden uitgelegd dat slopers, als verwerkers, ipso facto verplicht zijn om de autowrakken die door de laatste houder en/of eigenaar worden aangeboden over te nemen, volstaat het eraan te herinneren dat volgens de bewoordingen van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, de lidstaten de nodige maatregelen dienen te nemen om ervoor te zorgen dat alle autowrakken aan erkende verwerkers worden overgedragen.
52 Noch uit deze bewoordingen, noch uit de bewoordingen van artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53 volgt dat deze overdracht aan „verwerkers” aldus moet worden uitgelegd dat alle inrichtingen verplicht zijn om de overname van autowrakken te aanvaarden.
53 Bovendien dient te worden vastgesteld dat in punt 7 van de considerans van richtlijn 2000/53, dat artikel 5, lid 4, van deze richtlijn inleidt, staat dat „de lidstaten […] ervoor [dienen] te zorgen dat het voertuig aan een door het bevoegd gezag erkende verwerker kan worden afgegeven zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar [...]”.
54 Dat punt van de considerans, dat de overdracht aan „een” en niet aan „elke” verwerker beoogt, en waarvan de bewoordingen overeenstemmen met de Engelse versie („‚an’ authorised treatment facility” en niet: „any”) en met de Duitse versie („bei ‚einer’ zugelassenen Verwertungsanlage” en niet: „jeder”), gaat eerder in de richting van de uitlegging die de Franse Republiek heeft gegeven.
55 Deze laatste uitlegging volgt eveneens uit de teleologische uitlegging van de aan de orde zijnde bepaling. Indien volgens artikel 5, lid 2, van richtlijn 2000/53 een van de doelstellingen van deze richtlijn is dat alle autowrakken aan verwerkers worden overgedragen en indien de daartoe getroffen maatregelen, naast deze inzake de door artikel 5, lid 4, van deze richtlijn opgelegde kosteloosheid van de overname, tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, volgt daaruit immers dat deze richtlijn zich er niet tegen verzet dat sommige verwerkers louter de mogelijkheid tot overname wordt geboden op voorwaarde dat het aantal verwerkers dat verplicht is om aangeboden autowrakken over te nemen, voldoende is om in de praktijk een overdracht aan een dergelijke inrichting mogelijk te maken.
56 Het Franse recht heeft dus, door shredders en inzamelcentra te verplichten om autowrakken over te nemen en, zoals de Franse Republiek in punt 65 van haar verweerschrift vermeldt, strenge straffen op te leggen wanneer een dergelijk voertuig wordt achtergelaten, een systeem van overname van autowrakken ingevoerd dat niet kan worden geacht onverenigbaar met artikel 5, lid 4, van richtlijn 2000/53 te zijn.
57 De vierde grief is bijgevolg gegrond voor zover slopers die de overname van een autowrak voor vernietiging hebben aanvaard, worden uitgesloten van het in artikel 6 van decreet nr. 2003‑727 bepaalde systeem van vergoeding, en moet worden afgewezen voor het overige.
Vijfde grief: onverenigbaarheid met artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/53 van het niet-overnemen van het begrip „selectief demonteren” in de bepalingen die deze richtlijn in Frans recht omzetten
Argumenten van partijen
58 Ter onderbouwing van deze grief merkt de Commissie op dat decreet nr. 2003‑727 het begrip „selectief demonteren” („déshabillage”), zoals dit in artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/53 wordt gebruikt om de eerste fase van verwerking aan te duiden, niet overneemt. Zelfs indien de Commissie inziet dat dit begrip, dat het resultaat is van een ongetwijfeld onhandige vertaling van het Engelse woord „stripping”, in het Frans vrij moeilijk kan gelden voor een voertuig, beschrijft de verrichting de minimumdemontage die elke andere verwerkingshandeling, in het bijzonder het verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen, voorafgaat.
59 De Franse Republiek stelt dat elke definitie van het begrip „selectief demonteren” ontbreekt. Vervolgens merkt zij op dat de verwerkingshandelingen die in artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/53 worden opgesomd, enkel de minimumverplichtingen inzake verwerking zijn waaraan inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht, ten minste moeten kunnen voldoen. Derhalve beschrijft deze bepaling het verwerkingsproces niet in zijn geheel en legt zij de lidstaten evenmin een precieze opeenvolging van verwerkingshandelingen op.
60 De Franse Republiek besluit dat het begrip „verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen”, dat betrekking heeft op alle verwerkingshandelingen die in artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/53 zijn opgesomd, op een juiste wijze is omgezet in het Franse recht, dat eist dat gevaarlijke stoffen worden verwijderd vóór elke andere verwerkingshandeling.
Beoordeling door het Hof
61 In de eerste plaats staat, ook al is er geen definitie van het begrip „selectief demonteren”, vast dat zowel het selectief demonteren als de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen slaat op onderdelen van voertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten en die, om elke aantasting van het milieu te beperken, vóór elke andere verwerkingshandeling dienen te worden gedemonteerd.
62 In de tweede plaats zij opgemerkt dat volgens de Commissie het criterium van onderscheid tussen de onderdelen van voertuigen die gevaarlijke stoffen bevatten en die volgens haar het voorwerp dienen uit te maken van het „selectief demonteren”, en de onderdelen die het voorwerp moeten uitmaken van de „verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen”, is, het gemak waarmee deze onderdelen kunnen worden gedemonteerd zonder het milieu in gevaar te brengen. Zo zijn accu’s die gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd het voorwerp van het „selectief demonteren”, en accu’s die niet eenvoudig kunnen worden gedemonteerd het voorwerp van de „verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen”.
63 Gelet op het voorgaande dient artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/53 aldus te worden uitgelegd dat onder „selectief demonteren” moet worden verstaan de handeling waarmee de „verwerkingshandelingen voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen” aanvangen, die ook deel uitmaakt van deze verwerkingshandelingen. Bijgevolg heeft de Franse Republiek, door te eisen dat gevaarlijke stoffen worden verwijderd vóór elke andere verwerkingshandeling, zonder evenwel aan de hand van de invoering van het begrip „selectief demonteren” te preciseren dat de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen aanvangt met de demontage van gemakkelijk te demonteren onderdelen, hetgeen noodzakelijk lijkt te zijn, de krachtens artikel 6, lid 3, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet geschonden.
64 Bijgevolg moet de vijfde grief worden afgewezen.
Zesde grief: onverenigbaarheid met artikel 7, lid 1, van richtlijn 2000/53 van de uitlegging van de uitdrukking „milieuhygiënisch verantwoord”
Argumenten van partijen
65 De Commissie vestigt er de aandacht op dat artikel 7 van decreet nr. 2003-727, dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2000/53 omzet, bepaalt dat de onderdelen en materialen van autowrakken hergebruikt, teruggewonnen en gerecycleerd worden eerder dan vernietigd, „wanneer de technische en economische omstandigheden dit toelaten”, terwijl in artikel 7 van deze richtlijn de voorkeur wordt gegeven aan recycling „voor zover milieuhygiënisch verantwoord”.
66 De Commissie is van mening dat de verwijzing naar de „technische en economische” omstandigheden een andere doelstelling nastreeft dan diegene die de wetgever van de Unie heeft gewild, aangezien bij de keuze tussen recycling en een andere handeling de nadruk niet wordt gelegd op de bescherming van het milieu, maar op de economische rentabiliteit of de technische haalbaarheid tegen zo gering mogelijke kosten.
67 De Franse Republiek stelt dat aan het begrip recycling „voor zover milieuhygiënisch verantwoord”, geen normatieve strekking kan worden verleend, aangezien de normatieve werking van een rechtsregel afhangt van de duidelijkheid en de nauwkeurigheid van de verplichting die eruit voortvloeit.
68 Volgens deze lidstaat kunnen slopers en shredders echter niet inschatten of hun handelingen milieuhygiënisch verantwoord zijn en kunnen zij bijgevolg niet bepalen in welke omstandigheden zij de voorkeur dienen te geven aan recycling. Derhalve heeft het Franse recht een subjectieve benadering ingevoerd van de voorkeur die aan recyclage dient te worden gegeven, aangezien deze voorkeur slechts van geval tot geval kan worden bepaald.
Beoordeling door het Hof
69 Er dient meteen al te worden opgemerkt dat de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2000/53 gebruikte uitdrukking „voor zover milieuhygiënisch verantwoord” juist in Frans recht is omgezet indien de uitdrukking „wanneer de technische en economische omstandigheden dit toelaten”, die in artikel 7, lid 2, van decreet nr. 2003‑727 wordt gebruikt, kan worden geacht gelijkwaardig te zijn aan de eerste uitdrukking.
70 In dit opzicht dient te worden opgemerkt dat bij beide uitdrukkingen elk geval afzonderlijk dient te worden beoordeeld, wat uiteraard een zekere subjectiviteit met zich brengt.
71 Bovendien moet worden opgemerkt dat beide uitdrukkingen niet verschillen wat betreft de normatieve werking ervan, die, zoals de Franse Republiek naar voren brengt, het gevolg is van de duidelijkheid en de nauwkeurigheid van de verplichting die eruit voortvloeit.
72 Betreffende de inhoud van de verplichting tot recycling, die is neergelegd in artikel 7 van richtlijn 2000/53 en in artikel 7 van decreet nr. 2003‑727, moet worden opgemerkt dat de voorwaarden die deze laatste bepaling stelt, uiteindelijk economische voorwaarden zijn, aangezien recycling duidelijk pas kan worden overwogen indien dit technisch haalbaar is.
73 Hieruit volgt dat de inhoud van de twee in punt 69 van onderhavig arrest vermelde uitdrukkingen slechts kan worden geacht gelijkwaardig te zijn indien de begrippen „milieuhygiënisch verantwoord” en „economisch haalbaar” gelijkwaardig zijn.
74 Zelfs indien kan worden erkend dat deze twee begrippen bepaalde aspecten gemeen hebben, is het duidelijk dat zij niet gelijkwaardig zijn.
75 De zesde grief is dan ook gegrond.
76 Gelet op al het voorgaande moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de juiste en volledige omzetting van artikel 2, punt 13, artikel 4, lid 2, sub a, artikel 5, leden 3 en 4, wat dit laatste lid betreft voor zover slopers die de overname van een autowrak voor vernietiging hebben aanvaard, worden uitgesloten van het systeem van vergoeding van de verwerkingskosten, artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 3, van richtlijn 2000/53, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
77 Overeenkomstig artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
78 Aangezien in de onderhavige zaak de Commissie en de Franse Republiek elk op bepaalde punten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij in hun eigen kosten worden verwezen.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) Door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de juiste en volledige omzetting van artikel 2, punt 13, artikel 4, lid 2, sub a, artikel 5, leden 3 en 4, wat dit laatste lid betreft voor zover slopers die de overname van een autowrak voor vernietiging hebben aanvaard, worden uitgesloten van het systeem van vergoeding van de verwerkingskosten, artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 3, van richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Europese Commissie en de Franse Republiek dragen elk hun eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy