Zaak C‑67/09 P
Nuova Agricast Srl en Cofra Srl
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Staatssteun – Steunregeling voor investeringen in minder ontwikkelde gebieden in Italië – Beschikking van Commissie waarbij deze regeling met gemeenschappelijke markt verenigbaar wordt verklaard – Verzoeken om vergoeding van schade die beweerdelijk is geleden als gevolg van vaststelling van deze beschikking – Overgangsmaatregelen tussen deze regeling en voorafgaande regeling – Werkingssfeer ratione temporis van beschikking van Commissie om geen bezwaar te maken tegen voorafgaande regeling – Beginselen van rechtszekerheid, bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling”
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Middelen – Noodzaak van precieze kritiek op onderdeel van redenering van Gerecht
(Art. 225 EG, Statuut van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2. Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek door Commissie – Verenigbaarheid van steunmaatregel met gemeenschappelijke markt – Onverenigbaarheid van steunmaatregel die in strijd is met algemene beginselen van gemeenschapsrecht
(Art. 88 EG)
3. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking van Commissie om geen bezwaar te maken tegen steunregeling – Bescherming van gewettigd vertrouwen
(Art. 87, lid 1 en 3, EG en 88, lid 3 EG)
4. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking van Commissie om geen bezwaar te maken tegen steunregeling – Beperking van gevolgen van beschikking in tijd
(Art. 87, lid 1 en 3, EG en 88, lid 3 EG)
1. Een hogere voorziening moet duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, daar de hogere voorziening of het betrokken middel anders niet-ontvankelijk is.
Een hogere voorziening waaruit het betoog van de rekwirante in zijn geheel beschouwd voldoende duidelijk blijkt om daaruit met de vereiste precisie te kunnen afleiden tegen welke onderdelen van het bestreden arrest de kritiek is gericht en welke juridische argumenten ter ondersteuning van die kritiek worden aangevoerd, zodat het Hof van Justitie in staat is zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren, is ontvankelijk, ook al missen sommige onderdelen van dat betoog nauwkeurigheid.
(cf. punten 48‑49)
2. Een steunmaatregel die wegens enkele van zijn modaliteiten indruist tegen de algemene beginselen van het recht van de Unie, zoals de beginselen van rechtszekerheid, bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling, kan door de Commissie niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard.
(cf. punt 65)
3. Het recht om zich op het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen te beroepen strekt zich uit tot iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie gegronde verwachtingen heeft gewekt. Wat de opheffing van een regeling betreft, schendt de Commissie een hogere rechtsregel indien zij, bij gebreke van een dwingend algemeen belang, bij die opheffing niet tegelijkertijd overgangsmaatregelen vaststelt ter bescherming van het vertrouwen dat een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer in de regeling van de Unie mocht hebben. Daarentegen kan niemand schending van het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen stellen, wanneer deze instelling hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan. Daarbij komt dat, wanneer een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel kan voorzien, hij zich niet op genoemd beginsel kan beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld.
Op het gebied van staatssteun kan een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer uit een beschikking waarin de Commissie aangeeft tot aan een precieze datum geen bezwaar te hebben tegen een steunregeling, en die hij geacht wordt te kennen, uit de woorden „duur” in de beschikking afleiden dat de mogelijkheid om aan een procedure voor de toekenning van subsidies deel te nemen, wordt beperkt door de geldigheidsduur van de voor die steunregeling verleende goedkeuring.
Daar waar de Commissie immers met de goedkeuring van een steunregeling derogeert aan het algemene beginsel dat staatsteun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, dat is verankerd in artikel 87, lid 1, EG, kan een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer er niet redelijkerwijs op vertrouwen dat deze beschikking, in strijd met het beginsel dat dergelijke afwijkingen eng moeten worden uitgelegd, toestaat dat zelfs na de daarin vermelde datum steun wordt toegekend.
(cf. punten 69, 71‑74)
4. Het beginsel van gelijke behandeling verzet zich er onder meer tegen dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld.
Een beschikking van de Commissie om overeenkomstig artikel 87, lid 3, EG geen bezwaar te maken tegen een steunregeling is een afwijking van het algemene beginsel dat deze steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Bijgevolg moet de toepassing ervan worden beperkt in de tijd. Elke goedkeuring die beperkt is in de tijd, houdt per definitie een ongelijke behandeling in, naargelang een situatie al of niet binnen de werkingssfeer ratione temporis van de goedkeuringsbeschikking valt.
In dat verband is de ongelijke behandeling van ondernemingen die de gelegenheid hebben gehad om aan een procedure voor de toekenning van subsidies deel te nemen vóór het verstrijken van de geldigheid van de goedkeuring die bij de beschikking werd verleend, en ondernemingen die deze gelegenheid niet hebben gehad, objectief gerechtvaardigd.
(cf. punten 78‑80)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
14 oktober 2010 (*)
„Hogere voorziening – Staatssteun – Steunregeling voor investeringen in minder ontwikkelde gebieden in Italië – Beschikking van Commissie waarbij deze steunregeling met gemeenschappelijke markt verenigbaar wordt verklaard – Verzoeken om vergoeding van schade die beweerdelijk is geleden als gevolg van vaststelling van deze beschikking – Overgangsmaatregelen tussen deze regeling en voorafgaande regeling – Werkingssfeer ratione temporis van beschikking van geen bezwaar tegen voorafgaande regeling van Commissie – Beginselen van rechtszekerheid, bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling”
In zaak C‑67/09 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 12 februari 2009,
Nuova Agricast Srl, gevestigd te Cerignola (Italië),
Cofra Srl, gevestigd te Barletta (Italië),
vertegenwoordigd door A. Calabrese, avvocato,
rekwirantes,
andere partij bij de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Di Bucci en E. Righini als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet, M. Ilešič (rapporteur), M. Safjan en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 april 2010,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening verzoeken Nuova Agricast Srl (hierna: „Nuova Agricast”) en Cofra Srl (hierna: „Cofra”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 2 december 2008, Nuova Agricast en Cofra/Commissie (T‑362/05 en T‑363/05; hierna: „bestreden arrest”), waarbij dit hun verzoeken heeft afgewezen om vergoeding van de schade die beweerdelijk is geleden als gevolg van de vaststelling door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de beschikking van 12 juli 2000 om geen bezwaar te maken tegen de steunregeling voor investeringen in minder ontwikkelde gebieden in Italië (steunmaatregel N 715/99 – Italië) (hierna: „litigieuze beschikking”), waarover een beknopte mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 278, blz. 26) is bekendgemaakt, alsook als gevolg van de houding van de Commissie in de loop van de procedure die aan de vaststelling van deze beschikking is voorafgegaan.
Toepasselijke bepalingen
De steunregelingen voor investeringen in minder ontwikkelde gebieden in Italië die tot en met 31 december 1999 waren toegestaan
2 Bij wetsbesluit nr. 415 inzake de herfinanciering van wet nr. 64 van 1 maart 1986 houdende organieke regeling van de buitengewone interventie in de Mezzogiorno (rifinanziamento della legge 1° marzo 1986, n. 64, recante disciplina organica dell’intervento straordinario nel Mezzogiorno) van 22 oktober 1992 (GURI nr. 249 van 22 oktober 1992, blz. 3), na wijziging omgezet in wet, bij wet nr. 488 van 19 december 1992 (GURI nr. 299 van 21 december 1992, blz. 3, met rectificatie in GURI nr. 301 van 23 december 1992, blz. 40), op haar beurt gewijzigd bij wetsbesluit nr. 96 van 3 april 1993 (GURI nr. 79 van 5 april 1993, blz. 5; hierna: „wet nr. 488/1992”), heeft de Italiaanse wetgever voorzien in financiële maatregelen om ondernemingen ertoe aan te zetten om in de minder ontwikkelde gebieden van het land productieve activiteiten te ontplooien.
3 Op 1 maart 1995 en op 21 mei 1997 heeft de Commissie twee beschikkingen gegeven om geen bezwaar te maken tegen de opeenvolgende steunregelingen die op de wet nr. 488/1992 en de verschillende uitvoeringsbepalingen ervan zijn gebaseerd (staatssteun nrs. N 40/95 en N 27/A/97), in eerste instantie tot en met 31 december 1996, daarna tot en met 31 december 1999. Deze beschikkingen hebben het voorwerp uitgemaakt van beknopte mededelingen in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, op 18 juli 1995 voor de beschikking van 1 maart 1995 (PB C 184, blz. 4) en op 8 augustus 1997 voor de beschikking van 21 mei 1997 (PB C 242, blz. 4; hierna: „beschikking van 1997”).
4 De nadere regels voor de toepassing van de bij de beschikking van 1997 toegestane steunregeling (hierna: „steunregeling 1997‑1999”) zijn vastgesteld, in de eerste plaats bij besluit van het Comitato interministeriale per la programmazione economica (Interministerieel comité voor economische programmering) houdende richtlijnen voor de toekenning van subsidies in de zin van artikel 1, lid 2, van wet nr. 488/1992 (direttive per la concessione di agevolazioni ai sensi dell’art. 1, comma 2, del decreto-legge 22 ottobre 1992, n. 415, convertito nella legge 19 dicembre 1992, n. 488, in tema di disciplina organica dell’intervento straordinario nel Mezzogiorno) van 27 april 1995 (GURI nr. 142 van 20 juni 1995, blz. 17), zoals gewijzigd bij besluit van genoemd Comité van 18 december 1996 (GURI nr. 70 van 25 maart 1997, blz. 35); in de tweede plaats bij verordening nr. 527 van de Ministero dell’Industria, del Commercio e dell’Artigianato (ministerie van Industrie, Handel en Ambacht; hierna: „MICA”) houdende de uitvoeringsbepalingen en procedures voor de toekenning en verdeling van subsidies voor productieve activiteiten in de minder ontwikkelde gebieden van het land (regolamento recante le modalità e le procedure per la concessione ed erogazione delle agevolazioni in favore delle attività produttive nelle aree depresse del Paese) van 20 oktober 1995 (GURI nr. 292 van 15 december 1995, blz. 3), zoals gewijzigd bij besluit nr. 319 van genoemd ministerie van 31 juli 1997 (GURI nr. 221 van 22 september 1997, blz. 31); en, in de derde plaats, bij circulaire nr. 234363 van het MICA van 20 november 1997 (gewone bijlage bij GURI nr. 291 van 15 december 1997).
5 Deze toepassingsbepalingen voorzagen onder meer in het volgende:
– de financiële middelen van elk jaar werden verdeeld in twee gelijke delen die elk werden toegekend door middel van een inschrijvingsprocedure. Op basis van de beschikbare kredieten voor het jaar waarop de middelen betrekking hadden, konden de regels voor de verdeling van de fondsen bij ministerieel besluit worden gewijzigd en kon met name worden voorzien in verdeling van de fondsen op basis van één enkele inschrijvingsprocedure;
– de in een inschrijvingsprocedure ingediende aanvragen werden onderzocht door daartoe aangewezen banken, die daaraan punten toekenden op basis van wettelijke criteria, genaamd „indicatori” (hierna: „indicatoren”);
– het MICA stelde, op basis van de bevindingen van deze onderzoeken door de banken, regionale ranglijsten op waarin de aanvragen in dalende volgorde op basis van de toegekende punten werden ingeschreven, en stelde een decreet vast houdende toewijzing van de subsidies aan de ingeschreven aanvragen, te beginnen met de eerste, totdat de voor de betrokken inschrijvingsprocedure bestemde fondsen waren uitgeput;
– voor subsidie kwamen in aanmerking de uitgaven vanaf de dag volgend op de sluitingstermijn van de inschrijvingsprocedure voorafgaand aan die waarop de steunaanvraag betrekking had, met uitzondering van de uitgaven voor technische ontwerpen en andere studies en voor de aankoop en het inrichten van industriegrond, die in aanmerking kwamen vanaf twaalf maanden vóór de datum van indiening van de aanvraag;
– de ondernemingen waarvan de steunaanvraag op een regionale lijst was geplaatst, maar die geen subsidies kregen omdat de voor de betrokken inschrijvingsprocedure bestemde fondsen geringer waren dan het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies, konden ofwel hetzelfde project éénmaal opnieuw indienen in de dienstige inschrijvingsprocedure die onmiddellijk volgde op die waarin hun aanvraag in eerste instantie was ingediend, zonder wijziging van de gegevens die bepalend waren voor de indicatoren (het zogenaamde mechanisme van de „automatische inschrijving” van de aanvraag), ofwel afzien van deze automatische inschrijving en hetzelfde project opnieuw indienen in de eerste dienstige inschrijvingsprocedure die volgde op die waarvoor zij hadden afgezien van de voornoemde automatische inschrijving, met wijziging van enkele of alle gegevens die bepalend waren voor de indicatoren teneinde de steunaanvraag competitiever te maken, zonder dat deze wijziging echter de wezenlijke elementen van het project mocht raken (het mechanisme van de zogenaamde „herziening” van de aanvraag). In beide gevallen bleven de voorwaarden voor de inaanmerkingneming van de uitgaven dezelfde als voor de oorspronkelijke aanvragen.
De litigieuze beschikking en de steunregeling voor investeringen in minder ontwikkelden gebieden in Italië die van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006 was toegestaan
6 Overeenkomstig artikel 88, lid 3, EG hebben de Italiaanse autoriteiten op 18 november 1999 bij de Commissie een ontwerpsteunregeling aangemeld die op basis van de wet nr. 488/1992 was vastgesteld en vanaf 1 januari 2000 van toepassing zou zijn. De Commissie heeft deze regeling onder nummer N 715/99 geregistreerd.
7 Op deze melding volgden briefwisseling tussen de Commissie en de Italiaanse autoriteiten en een bijeenkomst van de vertegenwoordigers van de Italiaanse regering met de diensten van de Commissie op 16 mei 2000.
8 Onderdeel van de briefwisseling is een brief van de Italiaanse autoriteiten van 3 april 2000. In deze brief geeft het MICA te kennen dat, ingeval de Commissie zou vasthouden aan haar standpunt dat het beginsel dat uitgaven voor subsidie in aanmerking kwamen vanaf de dag volgend op de sluitingstermijn van de inschrijvingsprocedure voorafgaand aan die waarop de steunaanvraag betrekking had, in strijd was met het beginsel van noodzakelijkheid van staatssteun, het absoluut noodzakelijk zou zijn, gelet op de aanzienlijke wijziging die dan in de steunregeling zou worden aangebracht in vergelijking met zoals die in het verleden is toegepast, dat er een overgangsmaatregel zou komen die het mogelijk zou maken om enkel bij de eerste toepassing van de nieuwe regeling met terugwerkende kracht rekening te houden met uitgaven die zijn gedaan vanaf de sluitingsdatum van de voorafgaande inschrijvingsprocedure.
9 Onderdeel van de briefwisseling is ook een brief van de Commissie van 29 mei 2000 (hierna: „brief van 29 mei 2000”).
10 In die brief verwijst de Commissie naar de bijeenkomst van 16 mei daarvoor, in het kader waarvan de Italiaanse autoriteiten „het voorstel [hadden gedaan] om te voorzien in een overgangsbepaling voor de betrokken regeling, enkel voor de eerste fase van de toepassing van die regeling, op grond waarvan terugwerkende kracht zou worden erkend voor uitgaven die vanaf de dag na de sluitingsdatum van de voorafgaande inschrijvingsprocedure voor subsidie in aanmerking kwamen”. Deze bepaling beoogde „discontinuïteit tussen de voorgaande en de nieuwe regeling te voorkomen, hoofdzakelijk vanwege gewettigde verwachtingen van de ondernemingen (initiatieven) op wie deze overgangsregeling betrekking zou hebben en die in één van twee verschillende categorieën zouden vallen: a) zij die op grond van de laatste dienstige inschrijvingsprocedure een verzoek hadden ingediend, die een gunstig oordeel hadden gekregen in het onderzoek door de aangewezen banken en opgenomen waren in de regionale lijsten, maar die geen steun hadden gekregen omdat de financiële middelen ontbraken; b) zij die nog geen verzoek hadden ingediend, hoewel de uitvoering van het investeringsproject reeds in gang was gezet”.
11 Aangaande deze categorie sub a verzocht de Commissie de Italiaanse autoriteiten bij brief van 29 mei 2000 „om zich ertoe te verbinden om, uitsluitend voor de eerste fase van de toepassing van de nieuwe regeling, de verzoeken in aanmerking te nemen die in het kader van de laatste inschrijvingsprocedure nog hangende waren, die bepaald gunstig waren beoordeeld in het vooronderzoek en opgenomen waren in de laatste ranglijsten”. Aangaande genoemde categorie sub b, riep zij bedoelde autoriteiten ertoe op om de voorgestelde subsidiabiliteit van het investeringsproject in te trekken indien de uitvoering van het project vóór de steunaanvraag was aangevangen, aangezien dit voorstel niet in overeenstemming was met de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen (PB 1998, C 74, blz. 9).
12 De Italiaanse autoriteiten hebben hun voorgenomen steunregeling vervolgens aangepast.
13 Bij de litigieuze beschikking, die bij brief van 2 augustus 2000 aan de Italiaanse Republiek is betekend, heeft de Commissie besloten om geen bezwaar te maken tegen de steunregeling tot en met 31 december 2006 (hierna: „steunregeling 2000‑2006”).
14 De litigieuze beschikking bevat een bepaling die in het bijzonder strekt tot goedkeuring van de in de voornoemde steunregeling vervatte maatregelen ter regeling van de overgang met de steunregeling 1997‑1999 (hierna: „overgangsbepaling”). Deze bepaling luidt als volgt:
„Enkel bij de eerste toepassing van de betrokken regeling, dat wil zeggen bij de eerste inschrijvingsprocedure die volgens deze regeling wordt georganiseerd – met dien verstande dat de steunaanvragen in elk geval vóór de aanvang van de uitvoering van het investeringsproject moeten worden ingediend – worden bij uitzondering de aanvragen toegelaten die zijn ingediend bij de laatste inschrijvingsprocedure onder de [steunregeling 1997‑1999] en die als voor steun in aanmerking komend zijn beschouwd, maar niet zijn ingewilligd wegens de ontoereikendheid van de voor deze procedure beschikbare middelen.”
15 Na deze beschikking heeft het MICA het decreet vastgesteld inzake de maximale goedgekeurde maatregelen met betrekking tot de subsidies voor activiteiten in de minder ontwikkelde regio’s van het land die zijn bepaald in de wet nr. 488/1992 voor de regio’s Basilicata, Calabrië, Campania, Apulië, Sardinië en Sicilië (misure massime consentite relative alle agevolazioni in favore delle attività produttive nelle aree depresse del Paese di cui alla legge n. 488/1992 per le regioni Basilicata, Calabria, Campania, Puglia, Sardegna e Sicilia) van 14 juli 2000 (GURI nr. 166 van 18 juli 2000, blz. 49) en in circulaire nr. 9003 van 14 juli 2000 (normale bijlage bij GURI nr. 175 van 28 juli 2000), met nadere regels voor de toepassing van de steunregeling 2000‑2006.
16 Krachtens de eerste alinea van het tweede lid van het enige artikel van dit decreet konden de steunmaatregelen worden toegekend voor „uitgaven die [waren] aanvaard voor projecten die tijdens de laatste geschikte inschrijvingsprocedure met gunstig resultaat [waren] onderzocht, maar die niet [waren] gesubsidieerd bij gebreke van financiële middelen”.
Voorgeschiedenis van het geding
17 In het kader van de steunregeling 1997‑1999 heeft het MICA op 1 december 1997 de derde inschrijvingsprocedure voor steunaanvragen in de sector industrie bekendgemaakt, met betrekking tot het eerste semester van 1998 (hierna: „derde inschrijvingsprocedure”).
18 De geïnteresseerde ondernemingen konden hun steunaanvragen tot en met 16 maart 1998 indienen. Zij konden financiering aanvragen voor uitgaven die waren gedaan vanaf de dag volgend op het verstrijken van de termijn voor indiening van de steunaanvragen die werden gedaan in het kader van de voorafgaande inschrijvingsprocedure (tweede inschrijvingsprocedure), dus vanaf 1 januari 1997.
19 Nuova Agricast en Cofra hebben elk in het kader van de derde inschrijvingsprocedure een steunaanvraag voor een investeringsproject ingediend. Het totale bedrag van de voorziene uitgaven beliep 9 516 000 000 ITL en 8 062 000 000 ITL, respectievelijk. Elk van deze bedragen omvatte uitgaven die waren gedaan vóór de indiening van de betrokken steunaanvraag, maar na de sluiting van de vorige inschrijvingsprocedure.
20 Deze aanvragen, waarvan was geoordeeld dat zij voor subsidie in aanmerking kwamen, zijn bij twee decreten van het MICA van 14 augustus 1998 op de ranglijst van aanvragen voor de regio Apulië ingeschreven. Gelet op de plaats van genoemde aanvragen op de ranglijst, hebben rekwirantes de aangevraagde steun bij gebreke van voldoende fondsen echter niet ontvangen.
21 Overeenkomstig decreet nr. 527/95 van 20 oktober 1995, zoals gewijzigd bij decreet nr. 319 van 31 juli 1997, gaven deze decreten aan dat de aanvragen die waren ingedeeld in een zodanige rang dat daaraan in het kader van de derde inschrijvingsprocedure geen steun kon worden toegekend, automatisch in ongewijzigde vorm zouden worden ingeschreven op de ranglijst betreffende de vierde inschrijvingsprocedure, sector industrie, met betrekking tot het tweede semester van 1998 (hierna: „vierde inschrijvingsprocedure”), waarbij, met het oog op de subsidiabiliteit van de uitgaven, dezelfde voorwaarden als voor de oorspronkelijke aanvraag geldig bleven. Daarin werd eveneens gepreciseerd dat indien een onderneming de geldigheid van de voorwaarden voor subsidiabiliteit van de uitgaven wilde behouden, en tegelijkertijd haar steunaanvraag wilde herformuleren, zij moest afzien van deze automatische inschrijving en haar aanvraag opnieuw moest indienen binnen de termijnen voor inschrijving die voor enkel de vijfde inschrijvingsprocedure golden, met betrekking tot het eerste semester 1999, die bij decreet zouden worden vastgesteld.
22 In de tussentijd is de vierde inschrijvingsprocedure bekendgemaakt. Nuova Agricast en Cofra hebben besloten geen gebruik te maken van hun recht op automatische inschrijving van hun aanvragen op de ranglijst betreffende de vierde inschrijvingsprocedure, teneinde opnieuw een herziene aanvraag te kunnen indienen in het kader van de eerstvolgende dienstige inschrijvingsprocedure.
23 De Italiaanse autoriteiten hebben evenwel geen dienstige inschrijvingsprocedure meer bekendgemaakt vóór 31 december 1999, de datum waarop de goedkeuring van de Commissie voor de steunregeling 1997‑1999 verliep.
24 Op 14 juli 2000, dus na de inwerkingtreding van de steunregeling 2000‑2006, hebben de Italiaanse autoriteiten de achtste inschrijvingsprocedure voor steunaanvragen in de sector industrie bekendgemaakt (hierna: „achtste inschrijvingsprocedure”).
25 Gezien de voorwaarden die in het kader van de steunregeling 2000‑2006 golden, zijn rekwirantes’ herziene aanvragen – die niet onder de overgangsbepaling van de litigieuze beschikking vielen – afgewezen en bijgevolg niet ingeschreven op de ranglijst betreffende de achtste inschrijvingsprocedure.
26 Samen met andere Italiaanse ondernemingen die zich in dezelfde situatie bevonden, hebben rekwirantes vervolgens een eerste beroep ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, strekkende tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking. Bij beschikking van 15 juni 2005, SIMSA e.a./Commissie (T‑98/04), heeft het Gerecht dit beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat het was ingesteld na het verstrijken van de termijn van twee maanden waarin artikel 230, vijfde alinea, EG voorziet.
27 Daarenboven heeft Nuova Agricast een beroep ingesteld bij de Tribunale ordinario di Roma teneinde het Ministero delle Attività Produttive, dat de bevoegdheden van het MICA heeft overgenomen, te doen veroordelen tot vergoeding van de schade die zij beweert te hebben geleden ten gevolge van het niet ontvangen van de aangevraagde steun. Zij heeft in die context in het bijzonder gesteld dat de Italiaanse staat tijdens het overleg met de Commissie met het oog op de hernieuwing van de steunregeling na 31 december 1999, niet naar behoren de verworven rechten heeft beschermd van de ondernemingen die, zoals zij, ten tijde van de derde inschrijvingsprocedure hadden afgezien van hun recht op automatische inschrijving op de ranglijst van de vierde inschrijvingsprocedure, teneinde een herziene aanvraag te kunnen indienen in het kader van de eerstvolgende dienstige inschrijvingsprocedure.
28 In het kader van die procedure heeft het Tribunale ordinario di Roma, bij beslissing van 14 juni 2006, een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend, dat betrekking had op de geldigheid van de litigieuze beschikking in het licht van het beginsel van gelijke behandeling en de motiveringsplicht. Bij arrest van 15 april 2008, Nuova Agricast (C‑390/06, Jurispr. blz. I‑2577), heeft het Hof geantwoord dat bij onderzoek van de gestelde vraag niets is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de litigieuze beschikking aantasten.
29 In zijn analyse van de geldigheid van de litigieuze beschikking in het licht van het beginsel van gelijke behandeling, heeft het Hof in punt 62 van genoemd arrest vastgesteld dat de Commissie noodzakelijkerwijs op de hoogte was van het bestaan van zowel de ondernemingen zoals Nuova Agricast, waarvan de steunvraag was ingeschreven op de ranglijst van de derde inschrijvingsprocedure, die de aangevraagde steun in het kader van deze procedure wegens ontoereikendheid van de beschikbare fondsen niet hebben ontvangen en vervolgens hebben afgezien van hun recht op automatische inschrijving op de ranglijst van de vierde inschrijvingsprocedure teneinde een herziene aanvraag in te dienen in het kader van de eerstvolgende dienstige inschrijvingsprocedure (hierna: „ondernemingen van de eerste categorie”), als die waarvan de aanvraag was ingeschreven op de ranglijst van de vierde inschrijvingsprocedure, die de aangevraagde steun wegens ontoereikendheid van de beschikbare fondsen niet hebben ontvangen (hierna: „ondernemingen van de tweede categorie”).
30 Het Hof heeft evenwel in de punten 77 en 78 van datzelfde arrest geconcludeerd dat de Commissie door goedkeuring van de steunregeling 2000‑2006, krachtens welke enkel de ondernemingen van de tweede categorie het voordeel van de overgangsbepaling in de litigieuze beschikking konden genieten, het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden, aangezien ondernemingen van de eerste categorie en die van de tweede categorie zich niet in een vergelijkbare situatie bevonden.
Procesverloop bij het Gerecht en bestreden arrest
31 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 september 2005, hebben Nuova Agricast en Cofra ieder een beroep ingesteld dat ertoe strekt de Commissie te doen veroordelen tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de vaststelling van de litigieuze beschikking. Beide zaken zijn voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
32 Bij beslissingen van 1 maart 2006 heeft het Gerecht gedeeltelijk bewilligd in een verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang van de Commissie en deze laatste verzocht zich in haar schriftelijke conclusies enerzijds toe te spitsen op de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep en anderzijds op de vragen betreffende het bestaan van onrechtmatige gedragingen die aan deze instelling kunnen worden toegerekend en het bestaan en de aard van de beweerde schade, alsook het causale verband tussen bedoelde verweten gedragingen en die schade.
33 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen en rekwirantes in de kosten verwezen.
34 In de punten 48 tot en met 51 van het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen de vorderingen van de Commissie niet-ontvankelijk verklaard die ertoe strekten de uitdrukking „falso ideologico” (valselijk opgemaakte akte), die door rekwirantes werd gebruikt om de brief van 29 mei 2000 te kwalificeren, uit hun memories te doen schrappen.
35 Het Gerecht heeft in dat verband opgemerkt dat verzoeksters in wezen beweren dat de Commissie in die brief bewust het feit heeft verhuld dat de Italiaanse autoriteiten niet alleen de situatie wilden beschermen van de ondernemingen die aan de vierde inschrijvingsprocedure hebben deelgenomen, maar ook die van de ondernemingen die aan de derde inschrijvingsprocedure hebben deelgenomen. Het heeft dienaangaande vastgesteld dat de „valsheid” die verzoeksters in die brief menen te kunnen onderkennen, daarin niet voorkomt aangezien daarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de ruime werkingssfeer van de overgangsmaatregel zoals de Italiaanse autoriteiten die voorzagen en het verzoek van de Commissie aan deze autoriteiten om de werkingssfeer van die maatregel te beperken tot enkel de ondernemingen die aan de laatste inschrijvingsronde hadden deelgenomen. Het Gerecht heeft evenwel geoordeeld dat het niet aan hem stond om de vrijheid van meningsuiting waarover partijen binnen de gedragsrechtelijke grenzen beschikten, aan banden te leggen, nu deze grens in de onderhavige zaak niet was overschreden, aangezien verzoeksters uitdrukkelijk hadden aangegeven dat de Commissie niet een valselijk opgemaakte akte in de zin van het Italiaanse strafrecht had opgesteld.
36 Aangaande het verzoek om schadevergoeding heeft het Gerecht vervolgens, na te hebben vastgesteld dat eerst over de gegrondheid van het beroep uitspraak moest worden gedaan en dan pas over de door de Commissie bestreden niet-ontvankelijkheid ervan, in de punten 76 tot en met 96 van het bestreden arrest onderzocht of was voldaan aan de voorwaarde van onrechtmatigheid van het aan deze instelling verweten gedrag.
37 Rekwirantes’ hoofdbetoog om aan te tonen dat de Commissie zich in meerdere opzichten onrechtmatig had gedragen als gevolg van het feit dat zij de Italiaanse autoriteiten in de brief van 29 mei 2000 had verzocht om de overgangsmaatregel aan te passen en dat zij de litigieuze beschikking had vastgesteld, wordt in de punten 80 tot en met 84 van het bestreden arrest in de volgende bewoordingen afgewezen:
„80 Wat verzoeksters’ hoofdbetoog [...] betreft, is dit in wezen gebaseerd op de premisse dat de Commissie bij de beschikking [van] 1997 heeft besloten om geen bezwaar te maken tegen de tweede deelname van verzoeksters aan een op wet nr. [488/1992] gebaseerde inschrijvingsronde die na 31 december 1999 zou worden uitgeschreven. Dienaangaande dient te worden herinnerd aan het in artikel 87, lid 1, EG neergelegde algemene beginsel dat staatssteun verboden is. Volgens de rechtspraak dienen afwijkingen van dit verbod eng te worden uitgelegd (arrest [Gerecht van 14 januari 2004,] Fleuren Compost/Commissie, [T‑109/01, Jurispr. blz. II‑127,] punt 75). Om te bepalen of een steunmaatregel binnen de werkingssfeer ratione temporis van een beschikking van geen bezwaar tegen een steunregeling valt, dient te worden onderzocht of deze steun kan worden geacht te zijn verleend vóór de datum waarop de geldigheid van deze beschikking verstrijkt, waarbij het juridisch bindende besluit waarmee de bevoegde nationale instantie steun toezegt het doorslaggevende criterium is (zie in die zin arrest Fleuren Compost/Commissie, [reeds aangehaald], punten 68 en 71 tot en met 74). Hieruit volgt dat de beschikking van geen bezwaar tegen een steunregeling enkel betrekking heeft op de daadwerkelijke toekenning van onder die regeling vallende steun, waarbij de betrokken nationale instantie zich er vóór het verstrijken van de geldigheid van die beschikking toe moet verbinden de steun toe te kennen.
81 Zelfs wanneer de Commissie zich in de beschikking [van] 1997 niet ertegen heeft verzet dat de steunregeling [1997‑1999] verzoeksters in staat stelde om een herziene steunaanvraag in een dienstige inschrijvingsronde na de vierde inschrijvingsprocedure in te dienen, is het in de onderhavige zaak dus noodzakelijk dat de tweede deelname, opdat deze binnen de werkingssfeer van die beschikking zou vallen, om te beginnen plaatsvindt alvorens de geldigheid van de bij deze beschikking verleende goedkeuring verstrijkt, en vervolgens dat de Italiaanse autoriteiten eveneens vóór het verstrijken ervan zich ertoe verbinden om de in het kader van die tweede deelname aanvraagde steun toe te kennen. Vaststaat dat de Commissie bij de beschikking [van] 1997 heeft besloten om geen bezwaar te maken tegen de steunregeling [1997‑1999] tot en met 31 december 1999. Vaststaat ook dat er vóór 1 januari 2000 geen inschrijvingsronde bekend is gemaakt die verzoeksters tot de tweede deelname in staat zou hebben gesteld en dat de Italiaanse autoriteiten vóór die datum geen juridisch bindend besluit hebben vastgesteld waarbij zij zich ertoe verbonden om verzoeksters de aangevraagde steun toe te kennen.
82 Zoals de Commissie op goede gronden heeft aangegeven, is het bovendien uitgesloten dat de enkele mogelijkheid van een tweede deelname aan een inschrijvingsronde, in het kader waarvan eventueel steun kan worden toegekend, zou volstaan om zich op het standpunt te kunnen stellen dat de aangevraagde steun is toegekend toen die mogelijkheid werd geboden. Zowel de bewoordingen van de beschikking [van] 1997 als de regel dat uitzonderingen op het algemene verbod van staatssteun zoals neergelegd in artikel 87, lid 1, EG strikt moeten worden uitgelegd, verzetten zich ertegen dat de werkingssfeer ratione temporis van de goedgekeurde steunregeling zodanig wordt uitgebreid. Bovendien staat vast dat verzoeksters geen enkele zekerheid hadden dat de gevraagde steun zou worden toegekend indien zij een herziene aanvraag indienden.
83 Bijgevolg is het ‚recht op herziening’, waarnaar verzoeksters verwijzen, gesteld dat dit bestaat, enkel door de beschikking [van] 1997 gevrijwaard voor zover dit vóór 1 januari 2000 werd uitgeoefend en voor zover de Italiaanse autoriteiten zich vóór die datum ertoe verbonden hadden om verzoeksters de steun die zij een tweede maal hadden aangevraagd, toe te kennen. Zoals reeds hierboven is aangegeven, is dit niet het geval.
84 Aangezien de beschikking [van] 1997 niet kan worden geacht verzoeksters te hebben toegestaan om een herziene aanvraag in te dienen in het kader van een inschrijvingsprocedure die na het verstrijken van de geldigheid van die beschikking is bekendgemaakt, is de premisse van verzoeksters’ betoog onjuist. Bijgevolg dienen alle argumenten die verzoeksters rond deze premisse hebben opgebouwd, te worden afgewezen.”
38 In de punten 85 tot en met 87 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat aan deze conclusie niet wordt afgedaan door de oplossing die is gekozen in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 en C‑217/03, Jurispr. blz. I‑5479), dat door rekwirantes was ingeroepen, aangezien de omstandigheden van beide zaken wezenlijk verschillen.
39 Na in de punten 88 tot en met 95 van het bestreden arrest rekwirantes’ subsidiair aangevoerde argumenten te hebben afgewezen, heeft het Gerecht uiteindelijk, in de punten 96 en 97 van dat arrest, geconcludeerd dat zij niet hebben aangetoond dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending die tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Gemeenschappen kon leiden en dat hun beroepen bijgevolg moesten worden afgewezen.
Conclusie van partijen bij het Hof
40 Nuova Agricast en Cofra verzoeken het Hof primair:
– het bestreden arrest te vernietigen, ook voor zover daarin wordt geoordeeld dat de brief van 29 mei 2000 geen enkele valsheid bevat, en dus de reconventionele vordering van de Commissie strekkende tot schrapping van de uitdrukking „valselijk opgemaakte akte” af te wijzen;
– in de uitspraak over de kwesties die zijn vervat in de maatregelen tot organisatie van de procesgang die bij beslissingen van 1 maart 2006 door het Gerecht zijn gelast, vast te stellen dat de Commissie, met de gedragingen die in de verzoekschriften in eerste aanleg zijn aangegeven, het recht van de Unie ernstig en klaarblijkelijk heeft geschonden en hun vermogensschade heeft toegebracht;
– de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening van de kwesties die niet in de maatregelen tot organisatie van de procesgang zijn vervat,
– en, aangaande de kosten:
i) indien het arrest van het Hof als definitief kan worden beschouwd, althans voor zover het de kwesties betreft die zijn vervat in de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het Gerecht bij beslissingen van 1 maart 2006 heeft gelast, de Commissie te verwijzen in de kosten in eerste en tweede aanleg, of
ii) voor het geval dit arrest, hoewel daarin uitspraak wordt gedaan over alle kwesties die zijn vervat in die maatregelen tot organisatie van de procesgang, niet als definitief kan worden beschouwd omdat een verwijzing naar het Gerecht in ieder geval noodzakelijk is voor de oplossing van de kwesties die niet in die maatregelen tot organisatie van de procesgang zijn vervat, de beslissing over de kosten aan te houden.
41 Nuova Agricast en Cofra verzoeken subsidiair, voor zover het Hof oordeelt dat de zaak nog niet in staat van wijzen is, deze terug te verwijzen naar het Gerecht.
42 De Commissie verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, deze af te wijzen;
– alternatief, het in eerste aanleg gedane verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren;
– meer subsidiair, de zaak voor verdere afdoening te verwijzen naar het Gerecht overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie, en
– rekwirantes te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
43 Rekwirantes voeren ter ondersteuning van hun hogere voorziening drie middelen aan. Met hun eerste en tweede middel geven zij te kennen dat het Gerecht in de punten 80 tot en met 84 van het bestreden arrest ten onrechte de premisse van hun hoofdbetoog heeft verworpen, dat de beschikking van 1997 moet worden uitgelegd als een toelating voor de ondernemingen die zich in hun situatie bevinden om een herziene aanvraag in te dienen in het kader van een inschrijvingsprocedure, zelfs wanneer deze na 31 december 1999 wordt bekendgemaakt. Het derde middel is eraan ontleend dat het Gerecht in de punten 50 en 51 van genoemd arrest de inhoud van de brief van 29 mei 2000 onjuist heeft weergegeven.
Ontvankelijkheid
– Argumenten van partijen
44 De Commissie werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening op, op grond dat de drie door rekwirantes ingeroepen middelen niet-ontvankelijk zijn.
45 Het eerste en het tweede middel zijn niet-ontvankelijk omdat daarin niet voldoende duidelijk is aangegeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest de kritiek zich richt. Deze middelen zijn bovendien niet-ontvankelijk omdat zij geen schending van het recht van de Unie stellen, maar betrekking hebben op vragen van Italiaans recht, althans de houding van de Italiaanse autoriteiten. Een eventuele blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de uitlegging van het nationale recht levert geen schending van het recht van de Unie op, maar is te vergelijken met een feitelijke onjuistheid die, behoudens verdraaiing daarvan, niet kan worden ingeroepen in het stadium van de hogere voorziening.
46 Het derde middel is niet-ontvankelijk omdat het gericht is tegen een beslissing waartegen geen hogere voorziening openstaat en omdat daarin feitelijke beoordelingen van het Gerecht worden betwist. Bovendien hebben rekwirantes geen belang bij het instellen van een hogere voorziening dienaangaande, nu zij op dit punt niet in het ongelijk zijn gesteld.
47 Rekwirantes menen dat de hogere voorziening ontvankelijk is en lichten onder meer toe dat met het eerste en het tweede middel wordt opgekomen tegen de onjuiste beoordeling van het Gerecht van de beschikking van 1997, en meer bepaald de bepaling waaruit de datum voortvloeit waarop de geldigheid van de bij deze beschikking verleende toestemming voor de steunregeling 1997‑1999 verstrijkt.
– Beoordeling door het Hof
48 Uit artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, eerste alinea, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, daar de hogere voorziening of het betrokken middel anders niet-ontvankelijk is (zie arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punt 34; 8 januari 2002, Frankrijk/Monsanto en Commissie, C‑248/99 P, Jurispr. blz. I‑1, punt 68, en 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 426).
49 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat sommige passages in het door rekwirantes ontwikkelde betoog in het kader van het eerste en het tweede middel weliswaar nauwkeurigheid missen, maar dat dit betoog in zijn geheel beschouwd evenwel voldoende duidelijk is om daaruit met de vereiste precisie te kunnen afleiden tegen welke onderdelen van het bestreden arrest de kritiek zich richt en welke juridische argumenten ter ondersteuning van die kritiek worden aangevoerd, zodat het Hof in staat is zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren.
50 Wat de tweede niet-ontvankelijkheidsgrond betreft, die eraan is ontleend dat met het eerste en het tweede middel wordt beoogd een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de uitlegging van het nationale recht te doen vaststellen, namelijk de steunregeling 1997‑1999, volstaat het vast te stellen dat dit niet het geval is. Zoals rekwirantes immers hebben benadrukt, roepen zij met deze middelen een beweerdelijk onjuiste uitlegging van de werkingssfeer ratione temporis van de beschikking van 1997 in, en dus van een handeling van de Commissie.
51 Hieruit volgt dat het eerste en het tweede middel ontvankelijk zijn. Bijgevolg, en zonder dat het in dit stadium noodzakelijk is de grieven ter zake van de ontvankelijkheid van het derde middel te onderzoeken, dient de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie, voor zover betrekking hebbend op de hogere voorziening in haar geheel, te worden afgewezen.
Ten gronde
Eerste en tweede middel
– Argumenten van partijen
52 Met het eerste middel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de beschikking van 1997 uit te leggen op een wijze die in strijd is met de beginselen van de rechtszekerheid, de bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling. Zij menen meer bepaald dat wanneer de beschikking van 1997 wordt uitgelegd zoals het Gerecht heeft gedaan, in die zin dat daarin geen toestemming wordt verleend voor het uitschrijven van een ad-hoc-inschrijvingsronde voor steunaanvragen na 31 december 1999, voorbehouden voor de ondernemingen die onder de steunregeling 1997‑1999 de toezegging hebben gekregen dat zij opnieuw zouden kunnen deelnemen aan een latere inschrijvingsronde, hetzij door automatische inschrijving hetzij door herziening, deze beschikking onrechtmatig is omdat daarin een steunregeling wordt goedgekeurd die in strijd is met genoemde beginselen. Een steunregeling die, wat haar duur betreft, aldus wordt uitgelegd door het Gerecht, is er naar haar wezen op gericht om gunstige rechtsposities die op grond van op regelmatige wijze goedgekeurde maatregelen zijn verkregen, op te offeren.
53 Rekwirantes verwijzen in dit verband naar de hypothese dat een inschrijvingsronde voor steunaanvragen zou zijn uitgeschreven in de tweede helft van 1999. De ondernemingen die voor het eerst aan deze inschrijvingsronde zouden hebben deelgenomen, maar zouden zijn ingeschreven op een plaats in de ranglijst waarbij zij geen steun zouden kunnen ontvangen, zouden, net als de ondernemingen die aan een voorafgaande inschrijvingsronde hadden deelgenomen, de toezegging hebben gekregen dat zij de mogelijkheid zouden hebben een tweede keer deel te nemen door middel van automatische inschrijving of herziening. Het was echter van meet af aan al onmogelijk dat deze tweede deelname vóór 31 december 1999 zou plaatsvinden.
54 Rekwirantes concluderen dat een steunregeling die nauwkeurige toezeggingen doet ten aanzien van de mogelijkheid voor een onderneming om opnieuw een steunaanvraag te doen, maar die wordt uitgelegd en toegepast op een wijze dat het logisch onmogelijk is om die in te dienen, niet kan worden geacht verenigbaar te zijn met de beginselen van de rechtszekerheid en de bescherming van gewettigd vertrouwen. Bovendien is een dergelijke regeling in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, omdat enkel bepaalde ondernemingen, namelijk die welke voor het eerst hebben deelgenomen aan een inschrijvingsronde die in de tweede helft van 1999 is uitgeschreven, niet de mogelijkheid zouden hebben gekregen een tweede maal deel te nemen.
55 Ten slotte menen rekwirantes dat het Hof, in de punten 50 en 51 van het arrest Nuova Agricast, reeds aangehaald, indirect reeds het argument van de Commissie heeft afgewezen dat het vertrouwen dat wordt gewekt door nationale bepalingen die op een steunregeling van toepassing zijn, niet aan haar kan worden toegerekend, door onder meer te oordelen dat een steunmaatregel die wegens enkele van haar modaliteiten indruist tegen de algemene beginselen van het recht van de Unie, door de Commissie niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden verklaard. De modaliteiten waarnaar het Hof verwijst zijn immers noodzakelijkerwijs die in de nationale bepalingen die op een steunregeling van toepassing zijn. De Commissie dient de verantwoordelijkheid die uit haar goedkeuring van deze bepalingen voortvloeit, te nemen.
56 Met hun tweede middel geven rekwirantes te kennen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door verzuim van zijn plicht om de voorkeur te geven aan een uitlegging van de beschikking van 1997 die met de beginselen van de rechtszekerheid, de bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling in overeenstemming is. Zij menen dat deze beschikking voldoende ambigu is om daaraan een uitlegging te kunnen geven in de door hen voorgestelde zin, die de enige is die genoemde beginselen eerbiedigt.
57 Volgens rekwirantes is het enkele feit dat in genoemde beschikking, zonder nadere preciseringen, wordt aangegeven dat de datum waarop de goedkeuring voor de steunregeling 1997‑1999 verstrijkt 31 december 1999 is, onvoldoende om, in de specifieke context van die regeling, elke onduidelijkheid weg te nemen over de vraag of de ondernemingen die de toezegging hebben gekregen dat zij hun steunaanvraag een tweede maal mochten indienen, hetzij door automatische inschrijving hetzij door herziening, dit recht mochten uitoefenen in het kader van een inschrijvingsronde die na die datum zou worden uitgeschreven ingeval er daarvóór geen dienstige inschrijvingsronde zou zijn geweest. Een beschikking van geen bezwaar tegen een steunregeling moet immers in samenhang met de bijzondere modaliteiten voor de uitvoering van de regeling in kwestie worden gelezen. Wanneer, zoals in casu, die modaliteiten erin voorzien dat een tweede keer kan worden deelgenomen met behoud van de voorwaarden voor subsidiabiliteit van de uitgaven die bij de eerste deelname waren voorzien, zonder daarbij een vervaldatum aan te geven, moet met deze omstandigheid rekening worden gehouden bij de uitlegging van de werkingssfeer ratione temporis van die beschikking.
58 Rekwirantes betogen daarenboven dat de Italiaanse regering in een brief van 15 september 2006, in antwoord op een verzoek van de Commissie om verduidelijkingen ten aanzien van de vanaf 2007 toepasselijke steunregeling waarvoor om goedkeuring werd verzocht, rekwirantes’ stelling heeft omarmd dat de eerste steunaanvraag bepalend is voor de procedure en de regelgeving die ook op de tweede aanvraag moet worden toegepast, welke laatste aanvraag enkel de voortzetting van de ten aanzien van de eerste aanvraag ingeleide procedure is. De Commissie heeft zich tegen deze stelling niet verzet en heeft de regeling goedgekeurd.
59 De Commissie meent dat het eerste en het tweede middel ongegrond zijn.
60 Volgens haar drong de oplossing waartoe het Gerecht is gekomen zich op in het licht van het reeds aangehaalde arrest Nuova Agricast, hoewel het dit niet uitdrukkelijk heeft vermeld bij zijn onderzoek van rekwirantes’ premisse. Immers, zelfs indien het Hof ambtshalve slechts de beweerde schending van het beginsel van gelijke behandeling en de motiveringsplicht heeft onderzocht, steunt de redenering die in de punten 66 tot en met 78 van dit arrest is ontwikkeld op de uitlegging van de beschikking van 1997 en de goedkeuring van de steunregeling 1997‑1999 die uit die beschikking voortvloeit. Het Hof heeft overwogen dat enkel de ondernemingen van de tweede categorie een absoluut recht op automatische inschrijving van hun aanvraag bij de volgende inschrijvingsronde hadden. Enkel ten aanzien van deze ondernemingen diende de Commissie dus, bij wijze van overgang, de deelname aan de eerstvolgende inschrijvingsronde goed te keuren, zelfs indien deze werd uitgeschreven na 31 december 1999, de datum waarop de geldigheid van de aan de beschikking van 1997 verleende goedkeuring verstreek.
61 Onder verwijzing naar punt 75 van genoemd arrest betoogt de Commissie bovendien dat indien de aanvragen van de ondernemingen uit de eerste categorie, zoals rekwirantes, zouden zijn toegelaten tot de eerste inschrijvingsronde onder de nieuwe steunregeling, deze betere kansen op het verkrijgen van de gevraagde steun zouden hebben gehad dan de ondernemingen die voor de eerste maal deelnamen, voor wie de noodzaak van de steun niet twijfelachtig was. Ter vermijding van dergelijke onaanvaardbare consequenties zou de Commissie verplicht zijn geweest, onder toepassing van het noodzakelijkheidsbeginsel, om de nieuwe steunregeling onverenigbaar te verklaren indien op grond daarvan herziene aanvragen van ondernemingen die aan de derde inschrijvingsronde hadden deelgenomen, konden worden toegelaten. Uit ditzelfde arrest vloeit dus voort dat het rekwirantes in geen geval kon worden toegestaan om aan een inschrijvingsronde onder de nieuwe regeling deel te nemen. Een oplossing die zich rechtens opdringt kan niet tegelijkertijd onrechtmatig zijn, waardoor de aansprakelijkheid van de Commissie van meet af aan is uitgesloten.
– Beoordeling door het Hof
62 Met hun eerste en tweede middel geven rekwirantes in wezen te kennen dat het Gerecht, ter eerbiediging van de beginselen van de rechtszekerheid, de bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling, gehouden was om de beschikking van 1997 aldus uit te leggen dat daarin de toestemming besloten lag om een ad-hoc-inschrijvingsronde voor steunaanvragen uit te schrijven na 31 december 1999, de datum waarop de geldigheid van de bij deze beschikking aan de steunregeling 1997‑1999 verleende goedkeuring verstreek, die was voorbehouden aan de ondernemingen uit de eerste en de tweede categorie, zodat rekwirantes geacht moesten worden toelating te hebben verkregen voor de indiening van hun herziene aanvragen in de eerste dienstige inschrijvingsronde onder de steunregeling 2000‑2006, te weten de achtste inschrijvingsronde.
63 Om de gegrondheid van die middelen te beoordelen, moet worden onderzocht of de beschikking van 1997, wanneer zij aldus wordt uitgelegd dat daarin geen toestemming voor het uitschrijven van een dergelijke ad-hoc-inschrijvingsronde besloten ligt, een schending van genoemde beginselen oplevert, zoals rekwirantes beweren.
64 In het kader van dit onderzoek dient niet alleen acht te worden geslagen op de bewoordingen van genoemde beschikking, waarvan enkel een beknopte mededeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt, maar ook rekening te worden gehouden met de steunregeling 1997‑1999, zoals aangemeld (zie in die zin arrest van 20 mei 2010, Todaro Nunziatina & C., C‑138/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31).
65 Bovendien moet er in die context aan worden herinnerd dat staatssteun die wegens enkele van haar modaliteiten indruist tegen de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals de beginselen van de rechtszekerheid, de bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling, door de Commissie niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden verklaard (zie arrest Nuova Agricast, reeds aangehaald, punt 51).
66 Bovendien volgt, anders dan de Commissie betoogt, de verenigbaarheid van de beschikking van 1997 en de steunregeling 1997‑1999 met die beginselen, niet uit het arrest Nuova Agricast, reeds aangehaald.
67 Ofschoon, immers, het Hof in dit arrest heeft vastgesteld dat de litigieuze beschikking, waarbij de overgangsmaatregelen in het kader van de steunregeling 2000‑2006 zijn goedgekeurd, niet het beginsel van gelijke behandeling schendt omdat ondernemingen van de eerste en de tweede categorie daarin anders worden behandeld, heeft het zich geenszins uitgesproken over de verenigbaarheid van die beslissing of van de beschikking van 1997 met andere beginselen, zoals onder meer de beginselen van de bescherming van gewettigd vertrouwen en de rechtszekerheid. Het heeft, integendeel, in punt 44 van genoemd arrest benadrukt dat, zelfs indien Nuova Agricast in het hoofdgeding andere ongeldigheidsgronden voor de in geding zijnde beschikking heeft aangevoerd, er geen termen aanwezig zijn, de toetsing van de geldigheid daarvan uit te breiden tot deze andere ongeldigheidsgronden, die de verwijzende rechter niet op het oog heeft.
68 Bovendien staan de vaststellingen van het Hof in de punten 67 tot en met 78 van het arrest Nuova Agricast, reeds aangehaald, dat de ondernemingen van de eerste categorie en die van de tweede categorie zich niet in een vergelijkbare situatie bevonden ten aanzien van de noodzakelijkheid van de staatsteun, als zodanig niet in de weg aan een eventuele verplichting van de Commissie, de overgangsmaatregelen ook voor de ondernemingen van de eerste categorie goed te keuren, teneinde met name het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen te eerbiedigen.
69 Voor zover de ondernemingen van de eerste categorie zich daadwerkelijk op genoemd beginsel kunnen beroepen, zou de goedkeuring van dergelijke overgangsbepalingen zich in voorkomend geval kunnen opdringen, zelfs indien deze ondernemingen zich niet in een vergelijkbare positie bevonden als de ondernemingen van de tweede categorie. Het Hof heeft met name geoordeeld dat waar de Commissie zonder een dwingend algemeen belang bij de opheffing van een regeling niet tegelijkertijd overgangsmaatregelen vaststelt ter bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen dat de marktdeelnemer mocht hebben in de regeling van de Unie, zij een hogere rechtsregel heeft geschonden (zie in die zin arrest België en Forum 187/Commissie, reeds aangehaald, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Daarenboven dient eraan te worden herinnerd dat het Hof heeft vastgesteld dat de Commissie noodzakelijkerwijs op de hoogte was van het bestaan van zowel de ondernemingen van de eerste categorie als van die van de tweede categorie (arrest Nuova Agricast, reeds aangehaald, punt 62).
71 Aangaande de vraag naar de verenigbaarheid van de beschikking van 1997 en de steunregeling 1997‑1999 met het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen heeft het Hof bij herhaling geoordeeld dat iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie met door haar gedane precieze toezeggingen gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich daarop kan beroepen. Daarentegen kan niemand schending van dit beginsel stellen, wanneer deze instellingen hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan. Wanneer voorts een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel kan voorzien, kan hij zich niet op genoemd beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (zie in die zin arrest België en Forum 187/Commissie, reeds aangehaald, punt 147 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 17 september 2009, Commissie/ Koninklijke FrieslandCampina, C‑519/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 84).
72 In casu werd in de beschikking van 1997, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, onder „Looptijd” de datum van 31 december 1999 vermeld.
73 Anders dan rekwirantes te kennen geven, kon een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer, die geacht wordt deze beschikking te kennen, uit die vermelding afleiden dat de mogelijkheid om, hetzij door automatische inschrijving hetzij door herziening onder toepassing van de modaliteiten van de steunregeling 1997‑1999, aan een latere inschrijvingsronde deel te nemen dan die in het kader waarvan de steunaanvraag werd ingediend, beperkt werd door de geldigheidsduur van de voor die regeling verleende goedkeuring.
74 In dit verband moet met name worden opgemerkt dat, gelet op het feit dat de beschikking van 1997, door die regeling toe te laten, derogeerde aan het algemene beginsel dat staatsteun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, zoals verankerd in artikel 87, lid 1, EG, een dergelijke marktdeelnemer er niet redelijkerwijs op kon vertrouwen dat deze beschikking, in strijd met het beginsel dat dergelijke afwijkingen eng moeten worden uitgelegd, zou toestaan dat zelfs na de daarin vermelde datum steun werd toegekend (zie arresten van 29 april 2004, Duitsland/Commissie, C‑277/00, Jurispr. blz. I‑3925, punt 20, en 23 februari 2006, Atzeni e.a., C‑346/03 en C‑529/03, Jurispr. blz. I‑1875, punt 79).
75 In ieder geval kan niet staande worden gehouden, in het zicht van de vermelding in de beschikking van 1997 van een datum waarop de goedkeuring voor de steunregeling 1997‑1999 verstreek, dat rekwirantes van de zijde van de Commissie de nauwkeurige toezegging hebben gekregen dat zij hun herziene aanvraag zouden kunnen indienen in het kader van een inschrijvingsronde die na die datum werd uitgeschreven. Bovendien konden rekwirantes er niet gewettigd op vertrouwen dat de Commissie na genoemde datum een nieuwe goedkeuring zou verlenen voor een staatsteunregeling met dezelfde modaliteiten als die welke bij de steunregeling 1997‑1999 waren voorzien.
76 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat zelfs wanneer de nationale bepalingen waarin de modaliteiten van die regeling zijn neergelegd en de handelingen die in het kader van de derde inschrijvingsronde zijn vastgesteld, niet uitdrukkelijk melding maakten van een uiterste datum waarvóór van de mogelijkheid tot nieuwe deelname aan een latere inschrijvingsronde, hetzij door automatische inschrijving hetzij door herziening, gebruik moest worden gemaakt, rekwirantes er geen gewettigd vertrouwen in konden hebben dat zij die mogelijkheid na 31 december 1999 zouden hebben.
77 Het rechtszekerheidsbeginsel, vervolgens, impliceert dat de regelgeving van de Unie duidelijk is en dat de toepassing ervan voorzienbaar is (arresten van 15 december 1987, Ierland/Commissie, 325/85, Jurispr. blz. 5041, punt 18, en 15 februari 1996, Duff e.a., C‑63/93, Jurispr. blz. I‑569, punt 20, en arrest België en Forum 187/Commissie, reeds aangehaald, punt 69). Uit de punten 73 tot en met 75 van het onderhavige arrest volgt dat als gevolg van de vermelding van een afloopdatum in de beschikking van 1997, het voor de ondernemingen die voor de steunregeling 1997‑1999 in aanmerking kwamen, voorzienbaar was dat er na die datum geen inschrijvingsronde voor steunaanvragen onder die regeling kon worden uitgeschreven.
78 Aangaande, ten slotte, de verenigbaarheid van de beschikking van 1997 en van de steunregeling 1997‑1999 met het beginsel van gelijke behandeling, dient eraan te worden herinnerd dat dit beginsel zich met name ertegen verzet dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld (zie onder meer arrest van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C‑413/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 In de onderhavige zaak geven rekwirantes te kennen dat, indien de beschikking van 1997 aldus wordt uitgelegd dat zij geen toestemming verleent voor de uitschrijving van een ad-hoc-inschrijvingsronde na 31 december 1999 die is voorbehouden aan de ondernemingen die de gevraagde steun niet onder de steunregeling 1997‑1999 hebben ontvangen vanwege het ontbreken van voldoende fondsen en die vóór die datum niet hebben kunnen deelnemen aan een latere inschrijvingsronde, hetzij door automatische inschrijving hetzij door herziening, deze regeling het beginsel van gelijke behandeling schendt omdat dan aan sommige ondernemingen de mogelijkheid van een tweede deelname wordt geboden, terwijl die mogelijkheid voor andere van meet af aan zou zijn uitgesloten.
80 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat een dergelijke ongelijke behandeling van de ondernemingen die de gelegenheid hebben gehad om van deze mogelijkheid gebruik te maken vóór het verstrijken van de geldigheid van de goedkeuring die bij de beschikking van 1997 werd verleend en van die welke deze gelegenheid niet hebben gehad, objectief gerechtvaardigd is. Daar immers een beschikking van de Commissie van geen bezwaar tegen een steunregeling uit hoofde van artikel 87, lid 3, EG een afwijking vormt van het algemene beginsel dat deze steun met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is, moet de geldigheidsduur ervan beperkt worden in de tijd. Elke goedkeuring die beperkt is in de tijd houdt per definitie een ongelijke behandeling in, al naargelang een situatie al of niet binnen de werkingssfeer ratione temporis van de goedkeuringsbeschikking valt.
81 Uit een en ander volgt dat het Gerecht niet in strijd met de beginselen van de rechtszekerheid, de bescherming van gewettigd vertrouwen en gelijke behandeling heeft gehandeld door te oordelen dat de beschikking van 1997 niet kon worden geacht rekwirantes toestemming te verlenen voor de indiening van een herziene steunaanvraag in het kader van een inschrijvingsronde voor steunaanvragen die na het verstrijken van de geldigheidsdatum van die beschikking werd bekendgemaakt.
82 Bijgevolg moeten het eerste en het tweede middel worden afgewezen.
Derde middel
– Argumenten van partijen
83 Met hun derde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht de inhoud van de brief van 29 mei 2000 heeft verdraaid door in de punten 50 en 51 van het bestreden arrest uit te sluiten dat daarin een valsheid is opgenomen.
84 Rekwirantes menen meer bepaald dat het Gerecht in punt 12 van het bestreden arrest, waarnaar punt 50 verwijst, de bewoordingen van die brief onjuist weergeeft. Het is onjuist dat het de Commissie is die daarin de twee categorieën van ondernemingen waarop de overgangsmaatregel betrekking heeft, zou hebben onderscheiden. Door het gebruik van de voorwaardelijke wijs schrijft zij de vaststelling van de twee enige categorieën van ondernemingen in het voorstel voor een overgangsmaatregel aan de Italiaanse autoriteiten toe.
85 Het Gerecht heeft derhalve onjuist gehandeld door ervan uit te gaan dat de Commissie in die brief stelt dat de Italiaanse autoriteiten haar een overgangsmaatregel met een ruime werkingssfeer hebben uiteengezet, die ook ondernemingen van de eerste categorie omvatte. De Commissie heeft, integendeel, de brief van 29 mei 2000 bewust zo opgesteld dat daarin wordt gesteld dat de Italiaanse autoriteiten haar enkel de twee sub a en b in die brief vermelde categorieën van ondernemingen hadden aangegeven, om zo te doen alsof zij niet van het bestaan van de eerste categorie van ondernemingen op de hoogte was.
86 Rekwirantes menen dat zij ook wat dit aspect betreft nog steeds een belang bij vernietiging van het bestreden arrest hebben, aangezien sommige van de argumenten waarop hun beroepen steunen, ontleend zijn aan het bestaan van een valselijk door de Commissie opmaakte akte. Indien, bijgevolg, de hogere voorziening wordt toegewezen, zou het nodig kunnen blijken om na te gaan of de brief van 29 mei 2000 een dergelijke valsheid bevat.
87 De Commissie stelt dat het derde middel niet-ontvankelijk, althans ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
88 Uit rekwirantes’ betoog, dat in punt 86 van het onderhavige arrest is samengevat, volgt dat zij enkel voor het geval dat hun hogere voorziening zou worden toegewezen, een belang onderkennen bij vernietiging van de vaststellingen op grond waarvan het Gerecht tot de conclusie is gekomen dat de brief van 29 mei 2000 geen valsheid bevat.
89 Aangezien het eerste en het tweede middel zijn afgewezen, en voor zover het derde middel, zelfs gesteld dat het slaagt, niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden nu het gericht is tegen vaststellingen die van geen invloed zijn op het dispositief van genoemd arrest, moet worden vastgesteld dat dit middel hoe dan ook faalt en dat dit dus moet worden afgewezen, zonder dat de ontvankelijkheid ervan behoeft te worden onderzocht.
90 Bijgevolg moet de hogere voorziening worden afgewezen.
Kosten
91 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Nuova Agricast Srl en Cofra Srl worden verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy