Zaak C‑102/09
Camar Srl
tegen
Presidenza del Consiglio dei Ministri
(verzoek van het Tribunale di Firenze om een prejudiciële beslissing)
„Internationale overeenkomsten – Overeenkomst van Yaoundé – Vierde ACS‑EEG-overeenkomst van Lomé – ‚Standstillclausule’ – Binnenlandse belasting – Bananen”
Samenvatting van het arrest
1. Internationale overeenkomsten – Eerste overeenkomst van Yaoundé – Algemene regeling van handelsverkeer
(Art. 90 EG; Eerste overeenkomst van Yaoundé van 20 juli 1963, art. 14)
2. Internationale overeenkomsten – Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé – Algemene regeling van handelsverkeer
(Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 15 december 1989, protocol nr. 5, art. 1)
1. Artikel 14 van de op 20 juli 1963 te Yaoundé ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse staten en Madagaskar verzette zich niet tegen een belasting van bananen afkomstig uit Somalië. Deze bepaling voorziet, volgens de bewoordingen ervan, immers alleen in een verbod op discriminerende belasting van gelijksoortige producten in soortgelijke bewoordingen als artikel 90, eerste alinea, EG, en heeft derhalve geen betrekking op concurrerende niet-soortgelijke producten.
Indien de Gemeenschap en de hiermee geassocieerde Afrikaanse staten en Madagaskar het probleem van de binnenlandse belastingen op niet‑soortgelijke, maar concurrerende producten hadden willen regelen, zouden zij in plaats van een bepaling die alleen met de eerste alinea van artikel 90 EG overeenkomt, een bepaling hebben aangenomen die ook met artikel 90, tweede alinea, EG overeenkomt.
(cf. punten 24‑25, 37‑38, dictum 1)
2. Een nationale rechter is niet verplicht de concrete weerslag van verhogingen van een belasting op de invoer van bananen afkomstig uit Somalië in vergelijking met de situatie vóór 1 april 1976, de datum waarop de eerste ACS‑EEG‑overeenkomst van Lomé van kracht werd, te onderzoeken ter beoordeling van de verenigbaarheid van deze verhogingen met de „standstillclausule” van artikel 1 van het als Bijlage bij de vierde ACS‑EEG‑overeenkomst van Lomé gevoegde protocol nr. 5 betreffende bananen.
Die verhogingen leiden immers tot een stijging van de prijs van de betrokken bananen en bemoeilijken daardoor de afzet ervan op de betrokken markt. Derhalve onderstelt het onderzoek van een dergelijke verhoging uit het oogpunt van deze „standstillclausule” normalerwijze geen onderzoek van de concrete weerslag van deze verhoging op de invoer.
Verhogingen van deze belasting waarbij de belasting alleen maar wordt aangepast aan de inflatie, zijn echter niet in strijd met artikel 1 van protocol nr. 5.
(cf. punten 43, 45, 47‑48, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
29 april 2010 (*)
„Internationale overeenkomsten – Overeenkomst van Yaoundé – Vierde ACS‑EEG-overeenkomst van Lomé – ‚Standstillclausule’ – Binnenlandse belasting – Bananen”
In zaak C‑102/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale di Firenze (Italië) bij beslissing van 20 februari 2009, ingekomen bij het Hof op 13 maart 2009, in de procedure
Camar Srl
tegen
Presidenza del Consiglio dei Ministri,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, J. Malenovský, T. von Danwitz (rapporteur) en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 februari 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– Camar Srl, vertegenwoordigd door W. Viscardini en G. Donà, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Prete en A. Bordes als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 14 van de op 20 juli 1963 in Yaoundé ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse staten en Madagaskar (PB 1964, nr. 93, blz. 1431; hierna: „eerste overeenkomst van Yaoundé”), en artikel 1 van het aan de op 15 december 1989 in Lomé ondertekende vierde ACS-EEG-overeenkomst gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen (PB 1991, L 229, blz. 3; hierna: „vierde overeenkomst van Lomé”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep tot schadevergoeding dat Camar Srl (hierna: „Camar”) heeft ingesteld tegen de Presidenza del Consiglio dei Ministri (voorzitterschap van de Raad van Ministers) wegens schade die deze vennootschap verklaart te hebben geleden wegens beweerde schending van het gemeenschapsrecht door de Corte suprema di cassazione (Italiaanse Hof van Cassatie).
Toepasselijke bepalingen
Internationale overeenkomsten
3 Artikel 1 van de eerste overeenkomst van Yaoundé, dat deel uitmaakt van titel I, „Handelsverkeer”, luidt:
„Teneinde de uitbreiding van het handelsverkeer tussen de geassocieerde Staten en de Lidstaten te bevorderen, hun economische betrekkingen en de economische onafhankelijkheid der geassocieerde Staten te verstevigen en aldus bij te dragen tot de ontwikkeling van de internationale handel, hebben de Hoge Overeenkomstsluitende Partijen overeenstemming bereikt omtrent de navolgende bepalingen tot regeling van hun wederzijdse handelsbetrekkingen.”
4 Artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé luidt:
„Onverminderd de bijzondere bepalingen waarin deze Overeenkomst voorziet, en met name die van artikel 3, onthoudt elke Partij zich van iedere maatregel of handelwijze van intern fiscale aard, die rechtstreeks dan wel zijdelings tot discriminatie tussen haar producten en gelijksoortige producten van oorsprong uit de overige Partijen voert.”
5 De eerste overeenkomst van Yaoundé is vervangen door de op 29 juli 1969 in Yaoundé ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze Gemeenschap geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar (PB 1970, L 282, blz. 2; hierna: „tweede overeenkomst van Yaoundé”). Artikel 5 van deze overeenkomst luidt in nagenoeg identieke bewoordingen als artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé:
„Onverminderd de bijzondere bepalingen waarin deze Overeenkomst voorziet, onthoudt elke Partij zich van iedere maatregel of handelwijze van intern fiscale aard, die rechtstreeks dan wel zijdelings tot discriminatie tussen haar producten en gelijksoortige producten van oorsprong uit de overige Partijen bij de Overeenkomst voert.”
6 De op 28 februari 1975 ondertekende ACS-EEG-overeenkomst van Lomé (PB 1976, L 25, blz. 2; hierna: „eerste overeenkomst van Lomé”) heeft de tweede overeenkomst van Yaoundé vervangen. Punt 1 van het aan de eerste overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 6 betreffende bananen, luidt:
„1. Voor zijn uitvoer van bananen naar de Gemeenschap wordt geen enkele [staat in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS)], voor wat de toegang tot de markten en de voordelen daarvan betreft, in een minder gunstige positie geplaatst dan vroeger of thans.”
7 Artikel 1 van het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen luidt in nagenoeg gelijke bewoordingen:
„Bij uitvoer van bananen naar de markten van de Gemeenschap wordt geen enkele ACS-Staat ten aanzien van de toegang tot en de voordelen op zijn traditionele markten minder gunstig behandeld dan vroeger of thans.”
8 De bewoordingen van artikel 1 van het aan de op 31 oktober 1979 in Lomé ondertekende tweede ACS-EEG-overeenkomst (JO 1980, L 347, blz. 140), en aan de op 8 december 1984 in Lomé ondertekende derde ACS-EEG-overeenkomst (PB 1986, L 86, blz. 3) gehechte protocol nr. 4 betreffende bananen, zijn ook nagenoeg gelijkluidend.
9 Overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub f, van besluit nr. 2/90 van de ACS-EEG-Raad van Ministers van 27 februari 1990 betreffende de overgangsmaatregelen die gelden vanaf 1 maart 1990 (PB L 84, blz. 2), en de artikelen 1 en 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 714/90 van de Raad van 5 maart 1990 inzake de toepassing van besluit nr. 2/90 (PB L 84, blz. 1), was het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen van toepassing vanaf 1 maart 1990.
Nationale regeling
10 Bij wet nr. 986/1964 van 9 oktober 1964 (GURI nr. 264 van 27 oktober 1964) werd een nationale verbruiksbelasting op verse bananen ingevoerd. Deze wet is ingetrokken bij wet nr. 428/1990 van 29 december 1990 (GURI nr. 10 van 12 januari 1991). In de loop van de jaren was het bedrag van deze belasting geleidelijk verhoogd en bedroeg op het moment van de afschaffing ervan 525 ITL per kilogram. Destijds was er geen sprake van verbruiksbelasting op traditioneel in Italië geproduceerd fruit.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Camar heeft in het kader van twee procedures de haar krachtens wet nr. 986/1964 opgelegde belasting met betrekking tot invoer van bananen afkomstig uit Somalië betwist. Deze procedures werden afgesloten met twee arresten van de Corte suprema di cassazione.
12 In het beroep dat zij vervolgens bij het Tribunale di Firenze heeft ingesteld, betoogt Camar dat de Corte suprema di cassazione het gemeenschapsrecht, met name de verplichting van artikel 234 EG, heeft geschonden door de bij haar ingestelde beroepen te verwerpen zonder het Hof bepaalde prejudiciële vragen te hebben gesteld.
13 Blijkens de door Camar ter terechtzitting verstrekte inlichtingen vond de invoer in het hoofdgeding plaats na 1 maart 1990. Destijds was de Italiaanse bananenproductie erg gering of zelfs onbestaand.
14 De verwijzende rechter geeft te kennen dat het onderzoek naar de verenigbaarheid van wet nr. 986/1964 met de verplichtingen die voortvloeien uit de in de punten 3 tot en met 8 van het onderhavige arrest vermelde internationale overeenkomsten, een preliminair karakter heeft in het kader van de beoordeling van de door Camar bij hem ingestelde aansprakelijkheidsvordering. Volgens hem stelt dit onderzoek ingewikkelde rechtsvragen aan de orde die nog niet volledig werden beslecht door rechtspraak van het Hof op dit gebied.
15 Daarop heeft het Tribunale di Firenze de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Stond artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé in de weg aan de invoering door een lidstaat van een binnenlandse belasting op bananen afkomstig uit Somalië, die feitelijk niet werd geheven op inheemse bananen (die in het geheel niet of in onbeduidende mate werden geproduceerd) en niet op andere soorten inheems fruit van toepassing was?
Zo de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
2) Stond het bij de toentertijd geldende overeenkomst van Lomé gevoegde [protocol betreffende bananen] in de weg aan de heffing van een met artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé strijdige belasting op in 1990 in Italië ingevoerde Somalische bananen, gelet op de bepalingen van dat protocol gelezen in samenhang met de bepalingen van de analoge protocollen bij de vorige overeenkomsten van Lomé alsmede met artikel 5 van de tweede overeenkomst van Yaoundé?
Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
3) Moet ervan worden uitgegaan dat de bij de overeenkomsten van Lomé gevoegde protocollen betreffende bananen in de weg stonden aan verhogingen van een belasting als de Italiaanse verbruiksbelasting op bananen afkomstig uit Somalië na 1 april 1976, ongeacht de concrete weerslag van die verhogingen op de export van die bananen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
16 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé in de weg stond aan de invoering van een belasting als die welke bij wet nr. 986/1964 is ingevoerd, zodat zelfs nadat de overeenkomsten van Yaoundé niet langer van toepassing zijn, een lidstaat niet op grond van een dergelijke wet een belasting kan heffen op de invoer van bananen afkomstig uit een geassocieerde staat.
17 Ter beantwoording van deze vraag dient in de eerste plaats te worden onderzocht of dit artikel 14 zich verzette tegen de heffing van een verbruiksbelasting op bananen afkomstig uit Somalië door een lidstaat krachtens een wet als wet nr. 986/1964 ten tijde van de invoering van deze maatregel. Daartoe moet de draagwijdte van artikel 14 worden onderzocht, zonder dat hoeft te worden nagegaan of deze bepaling rechtstreekse werking heeft. Zoals immers blijkt uit de bewoordingen van de eerste vraag, wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de draagwijdte van genoemd artikel is, ongeacht de eventuele rechtstreekse werking ervan.
18 Volgens artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé onthoudt elke overeenkomstsluitende partij zich van iedere maatregel of handelwijze van intern fiscale aard die rechtstreeks dan wel zijdelings tot discriminatie tussen haar producten en gelijksoortige producten van oorsprong uit de overige overeenkomstsluitende partijen voert.
19 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de bananenproductie in Italië in de voor het hoofdgeding relevante periode uiterst gering of zelfs onbestaand was en dus te verwaarlozen. Voor de beoordeling van de gelijksoortigheid waarop het verbod van artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé volgens de bewoordingen ervan is gebaseerd, dient derhalve een vergelijking te worden gemaakt met inheems tafelfruit van de betrokken lidstaat (zie, naar analogie, arrest van 7 mei 1987, Commissie/Italië, 184/85, Jurispr. blz. 2013, punt 8).
20 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof zich in het kader van geschillen over de uitlegging van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag (nadien artikel 95, eerste alinea, EG-Verdrag en artikel 90, eerste alinea, EG) had uit te spreken over de overeenkomst tussen bananen en ander in Italië geproduceerd tafelfruit. Het heeft geoordeeld dat deze twee categorieën producten niet gelijksoortig zijn in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, aangezien zij andere kenmerken vertonen en vanuit gebruikersoogpunt niet aan dezelfde behoeften voldoen (zie arresten Commissie/Italië, reeds aangehaald, punten 9 en 10, en 7 mei 1987, Cooperativa Co-Frutta, 193/85, Jurispr. blz. 2085, punten 17 en 18).
21 Het Hof heeft immers vastgesteld dat de organoleptische eigenschappen en het watergehalte van deze categorieën producten verschillen en dat bananen, althans op de Italiaanse markt, als een bijzonder voedzaam en energierijk voedingsmiddel worden beschouwd, dat erg geschikt is voor jonge kinderen (zie arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 10).
22 Die beoordeling van de feiten wordt door Camar niet betwist. Zij voert daarentegen argumenten aan die pleiten voor een ruimere uitlegging van artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé in vergelijking met de uitlegging die, gelet op de hierboven bedoelde arresten, moet worden gegeven aan artikel 90, eerste alinea, EG.
23 Camar is immers van mening dat artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé aldus moet worden uitgelegd dat niet alleen een discriminerende belasting op gelijksoortige producten is verboden, maar ook, als synthese van de bepalingen van de eerste en de tweede alinea van artikel 90 EG, elke vorm van zijdelings fiscaal protectionisme ten gunste van nationale producten die met ingevoerde producten concurreren. Een zodanige uitlegging van artikel 14, dat het onderstelt dat ingevoerde producten dezelfde kenmerken hebben als nationale producten, zou die bepaling elk nuttig effect ontnemen, aangezien de onder de eerste overeenkomst van Yaoundé vallende producten uit Afrikaanse landen alle tropische producten met afwijkende kenmerken ten opzichte van de producten van de lidstaten zouden zijn.
24 Vastgesteld moet evenwel worden dat de door Camar bepleite uitlegging geen enkele steun vindt in de tekst van artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé. Deze bepaling voorziet immers enkel in een verbod op een discriminerende belasting van gelijksoortige producten in soortgelijke bewoordingen als artikel 90, eerste alinea, EG. Overeenkomstig de rechtspraak betreffende laatstgenoemde bepaling staat vast dat gelijksoortige producten waarop dit verbod van toepassing is, producten zijn die soortgelijke eigenschappen vertonen en uit verbruikersoogpunt aan dezelfde behoeften voldoen (zie in die zin arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punten 9 en 10).
25 Indien de Gemeenschap en de hiermee geassocieerde Afrikaanse staten en Madagaskar het probleem van de binnenlandse belastingen op niet-soortgelijke, maar concurrerende producten hadden willen regelen, zouden zij dus, in plaats van een bepaling die enkel met de eerste alinea van artikel 90 EG overeenkomt, een bepaling hebben aangenomen die ook met artikel 90, tweede alinea, EG overeenkomt (zie, naar analogie, arrest van 12 december 1995, Chiquita Italia, C‑469/93, Jurispr. blz. I‑4533, punt 43).
26 Er moet dus worden vastgesteld dat de uitlegging van artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé die Camar bepleit, onverenigbaar blijkt met de bewoordingen van dit artikel.
27 Rest nog na te gaan of de doelstelling van de eerste overeenkomst van Yaoundé ertoe noopt artikel 14, ondanks de beperkte bewoordingen ervan, aldus uit te leggen dat het eveneens betrekking heeft op maatregelen van intern fiscale aard die vergelijkbaar zijn met de door artikel 90, tweede alinea, EG verboden maatregelen.
28 In dat verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat een uitlegging van artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé die verder gaat dan de bewoordingen ervan, anders dan Camar stelt, niet noodzakelijk is om het nuttige effect ervan te verzekeren.
29 De woorden „gelijksoortige producten” moeten immers niet aldus worden uitgelegd dat de producten identiek moeten zijn, maar enkel aldus dat, zoals in punt 20 van dit arrest in herinnering is gebracht, producten die andere kenmerken hebben en vanuit gebruikersoogpunt niet aan dezelfde behoeften voldoen, worden uitgesloten. Bijgevolg kunnen zelfs typisch tropische producten niet op algemene wijze als niet-gelijksoortig met producten afkomstig uit lidstaten worden beschouwd.
30 Voorts is artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé, overeenkomstig de bewoordingen ervan, van toepassing op producten afkomstig uit overeenkomstsluitende partijen in het algemeen, en niet alleen op tropische producten.
31 In de tweede plaats moet in een breder perspectief worden vastgesteld dat een uitlegging van artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé die aan dit artikel een strekking geeft waaronder ook het verbod op nationale belastingmaatregelen als bedoeld in artikel 90, tweede alinea, EG valt, niet kan worden aanvaard. Bij deze twee bepalingen dienen immers verschillende streefdoelen als uitgangspunt, zodat zij niet kunnen worden gelijkgesteld door uitlegging.
32 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat artikel 90 EG tot doel heeft het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren door elke vorm van protectionisme te verbieden die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn voor producten uit andere lidstaten, en de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en ingevoerde producten (zie in die zin arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 7).
33 Evenzo moet bij de uitlegging van deze bepaling rekening worden gehouden met de in de artikelen 2 EG, 3 EG en 14 EG genoemde doelstellingen, waaronder in de eerste plaats het tot stand brengen van een gemeenschappelijke markt waarop het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd (zie in die zin arrest van 25 februari 1988, Drexl, 299/86, Jurispr. blz. 1213, punt 24).
34 Vastgesteld moet evenwel worden dat deze aan artikel 90 EG ten grondslag liggende doelstellingen in de eerste overeenkomst van Yaoundé niet worden genoemd. Volgens artikel 1 van de eerste overeenkomst van Yaoundé, dat zoals artikel 14 ervan deel uitmaakt van titel I, „Handelsverkeer”, heeft deze overeenkomst tot doel de uitbreiding van het handelsverkeer tussen de geassocieerde staten en de lidstaten te bevorderen, hun economische betrekkingen en de economische onafhankelijkheid der geassocieerde staten te verstevigen en aldus bij te dragen tot de ontwikkeling van de internationale handel.
35 De conclusie dat ter verwezenlijking van het doel van de eerste overeenkomst van Yaoundé geen uitlegging van artikel 14 noodzakelijk is die verder gaat dan de bewoordingen ervan, en die aan deze bepaling een met die van artikel 90, tweede alinea, EG, analoge strekking zou toekennen, vindt bovendien steun in de uitlegging door het Hof van nagenoeg identieke bepalingen als artikel 14 in het kader van gedingen over overeenkomsten die ertoe strekken een vrijhandelsregeling in te voeren. Het Hof heeft immers geoordeeld dat deze bepalingen de overeenkomstsluitende partijen een non-discriminatiegebod op fiscaal gebied opleggen, voor de gelding waarvan als enige voorwaarde geldt, dat wordt vastgesteld dat de onder een bepaalde belastingregeling vallende producten gelijksoortig zijn (zie arresten van 26 oktober 1982, Kupferberg, 104/81, Jurispr. blz. 3641, punt 26, en 17 juli 1997, Texaco en Olieselskabet Danmark, C‑114/95 en C‑115/95, Jurispr. blz. I‑4263, punt 31).
36 Bovendien heeft het Hof uitdrukkelijk geoordeeld dat de draagwijdte van een bepaling van een vrijhandelsovereenkomst als artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé, niet verder gaat dan het verbod op een discriminerende belasting van gelijksoortige producten. Met betrekking tot artikel 21, eerste alinea, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 301, blz. 164), heeft het Hof in punt 42 van het reeds aangehaalde arrest Kupferberg immers geoordeeld dat wanneer een lidstaat een belastingverlaging die voor bepaalde groepen producenten of soorten producten is voorzien, niet toepast op uit het betrokken derde land afkomstige producten, zulks geen discriminatie vormt in de zin van artikel 21 indien er op de markt van de betrokken lidstaat geen enkel gelijksoortig product bestaat waarop die verlaging daadwerkelijk wordt toegepast.
37 Derhalve moet worden geconcludeerd dat het verbod van artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé overeenkomstig de bewoordingen ervan beperkt is tot een discriminerende belasting van gelijksoortige producten, en derhalve geen betrekking heeft op concurrerende niet-soortgelijke producten.
38 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 14 van de eerste overeenkomst van Yaoundé zich niet verzette tegen een belasting van bananen afkomstig uit Somalië zoals die welke bij wet nr. 986/1964 is ingevoerd.
39 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Derde vraag
40 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de toepassing door de nationale rechter van de „standstillclausule” die is neergelegd in de aan de overeenkomsten van Lomé gehechte protocollen betreffende bananen, een onderzoek van de concrete weerslag van de verhogingen van een belasting als de bij wet nr. 986/1964 ingestelde belasting onderstelt om te beoordelen of deze verhogingen verenigbaar zijn met de „standstillclausule”.
41 Aangezien de verwijzende rechter niet preciseert welke overeenkomst van Lomé hij op het oog heeft, moet eerst worden nagegaan welke van de vier overeenkomsten van Lomé in aanmerking moet worden genomen gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding. Dienaangaande blijkt uit de gegevens die door Camar ter terechtzitting zijn verstrekt, dat de invoer die heeft geleid tot de belastingheffing waarom het gaat in het onderhavige geval, plaatsvond na 1 maart 1990. Aangezien het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub f, van besluit nr. 2/90 en de artikelen 1 en 2, tweede alinea, van verordening nr. 714/90, van toepassing was vanaf 1 maart 1990, moet derhalve naar deze laatste overeenkomst worden verwezen.
42 Artikel 1 van het genoemde protocol is geformuleerd als een „standstillclausule”. Anders gezegd, deze bepaling strekt ertoe de toegang van bananen afkomstig uit de ACS-staten tot hun traditionele markt te waarborgen onder voorwaarden en volgens modaliteiten die niet ongunstiger zijn dan bij de inwerkingtreding van de bepaling. Deze waarborg voor bananen afkomstig uit de ACS‑staten geldt evenwel slechts ten belope van de hoeveelheden die werden ingevoerd op het ogenblik waarop die bepaling in werking trad (arrest Chiquita Italia, reeds aangehaald, punt 59).
43 De eerste drie overeenkomsten van Lomé bevatten alle een „standstillclausule”, geformuleerd in soortgelijke bewoordingen als artikel 1 van het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen (arrest Chiquita Italia, reeds aangehaald, punt 62). Aangezien de eerste overeenkomst van Lomé op 1 april 1976 in werking is getreden, dient deze datum als referentiepunt voor de toepassing van de „standstillclausule” (zie in die zin arrest Chiquita Italia, reeds aangehaald, punt 63).
44 Derhalve staat het aan de verwijzende rechter om vast te stellen of het bij de invoer in het hoofdgeding ging om ingevoerde bananen ten belope van de hoeveelheden die werden ingevoerd op het ogenblik van de inwerkingtreding van de eerste overeenkomst van Lomé op 1 april 1976.
45 Wat meer bepaald de vraag van de verwijzende rechter inzake het onderzoek ter beoordeling van de verenigbaarheid van verhogingen van een belasting als die in het hoofdgeding met de „standstillclausule” van artikel 1 van het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen betreft, dient te worden vastgesteld dat die verhogingen leiden tot een stijging van de prijs van de betrokken bananen en dus de afzet ervan op de betrokken markt bemoeilijken (arrest Chiquita Italia, reeds aangehaald, punt 60). Derhalve onderstelt het onderzoek van een dergelijke verhoging vanuit het oogpunt van deze „standstillclausule” normalerwijze geen onderzoek van de concrete weerslag van deze verhoging op de invoer.
46 Wat het door de partijen besproken geval betreft waarin deze verhogingen alleen tot doel hebben een belasting als die welke bij wet nr. 986/1964 is ingesteld, aan de inflatie aan te passen, dient echter te worden vastgesteld dat de genoemde „standstillclausule” ertoe strekt te voorkomen dat de uitvoer van bananen ongunstiger wordt behandeld dan voordien ten aanzien van de toegang tot de traditionele markten en de voordelen op die markten (zie in zin arrest Chiquita Italia, reeds aangehaald, punt 63), zodat zij de werkelijke situatie op die markten betreft.
47 Bijgevolg zijn verhogingen van een belasting als in het hoofdgeding aan de orde, voor zover de belasting hierbij alleen maar wordt aangepast aan de inflatie om de effectieve belasting over het goed op een constant peil te handhaven, niet in strijd met artikel 1 van het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen.
48 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat de nationale rechter niet verplicht is de concrete weerslag van verhogingen van een belasting op de invoer van bananen afkomstig uit Somalië, zoals die welke bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling is ingesteld, in vergelijking met de situatie vóór 1 april 1976 te onderzoeken, ter beoordeling van de verenigbaarheid van deze verhogingen met de „standstillclausule” van artikel 1 van het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen. Verhogingen van een dergelijke belasting waarbij de belasting alleen maar wordt aangepast aan de inflatie, zijn echter niet in strijd met deze clausule.
Kosten
49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 14 van de op 20 juli 1963 in Yaoundé ondertekende Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de met deze gemeenschap geassocieerde Afrikaanse staten en Madagaskar verzette zich niet tegen een belasting van bananen afkomstig uit Somalië zoals die welke bij wet nr. 986/1964 van 9 oktober 1964 is ingevoerd.
2) De nationale rechter is niet verplicht is de concrete weerslag van verhogingen van een belasting op de invoer van bananen afkomstig uit Somalië, zoals die welke bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling is ingesteld, in vergelijking met de situatie vóór 1 april 1976 te onderzoeken, ter beoordeling van de verenigbaarheid van deze verhogingen met de „standstillclausule” van artikel 1 van het aan de vierde overeenkomst van Lomé gehechte protocol nr. 5 betreffende bananen. Verhogingen van een dergelijke belasting waarbij de belasting alleen maar wordt aangepast aan de inflatie, zijn echter niet in strijd met deze clausule.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy