Zaak C‑118/09
Robert Koller
(verzoek van de Oberste Berufungs- und Disziplinarkommission om een prejudiciële beslissing)
„Begrip ‚nationale rechterlijke instantie’ in zin van artikel 234 EG – Erkenning van diploma’s – Richtlijn 89/48/EEG – Advocaat – Inschrijving op tableau van beroepsorde in andere lidstaat dan die waar diploma is gehomologeerd”
Samenvatting van het arrest
1. Prejudiciële vragen – Voorlegging aan Hof – Nationale rechterlijke instantie in zin van artikel 234 EG – Begrip
(Art. 234 EG)
2. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Werknemers – Erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten – Richtlijn 89/48 – Begrip „diploma”
(Richtlijn 2001/19 van het Europees Parlement en de Raad; richtlijn 89/48 van de Raad)
3. Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Werknemers – Erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten – Richtlijn 89/48 – Proeve van bekwaamheid
(Richtlijn 2001/19 van het Europees Parlement en de Raad; richtlijn 89/48 van de Raad)
1. Om te beoordelen of een verwijzend orgaan een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 234 EG is – hetgeen uitsluitend door het recht van de Unie wordt bepaald, – houdt het Hof rekening met een geheel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, de procedure op tegenspraak, de toepassing door het orgaan van de rechtsregels en de onafhankelijkheid van het orgaan. De Oberste Berufungs- und Disziplinarkommission (hoogste tuchtcommissie van de advocaten in Oostenrijk), waarvan vaststaat dat zij verplichte rechtsmacht heeft, bezit alle eigenschappen die noodzakelijk zijn om als rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG te kunnen worden gekwalificeerd.
(cf. punten 22‑23)
2. Voor de toegang – onder voorbehoud van slagen voor een proeve van bekwaamheid – tot het gereglementeerde beroep van advocaat in de ontvangende lidstaat kan de houder van een in die lidstaat afgegeven titel waarmee een postsecundaire studiecyclus van meer dan drie jaar wordt afgesloten en van een gelijkwaardige titel die in een andere lidstaat is afgegeven na het volgen van een aanvullende opleiding van minder dan drie jaar welke hem het recht geeft om in laatstbedoelde staat het gereglementeerde beroep van advocaat uit te oefenen – dat hij op het tijdstip waarop hij om toelating tot de proeve van bekwaamheid heeft verzocht aldaar ook daadwerkelijk uitoefende –, zich beroepen op de bepalingen van richtlijn 89/48 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19.
Een dergelijke persoon is namelijk wel degelijk in het bezit van een „diploma” in de zin van artikel 1, sub a, van de gewijzigde richtlijn 89/48. In het bijzonder bevestigt de in de andere lidstaat verkregen titel waarop die houder zich beroept, dat deze een aanvullende kwalificatie heeft behaald ten opzichte van die welke hij in de ontvangende lidstaat heeft verkregen. Hoewel een titel die de beroepskwalificaties aantoont, niet kan worden gelijkgesteld met een „diploma” in de zin van de gewijzigde richtlijn 89/48 wanneer de kwalificaties niet geheel of gedeeltelijk zijn verworven in het kader van het onderwijsstelsel van de lidstaat waar de betrokken titel is afgegeven, geldt dat dus niet voor de betrokken titel. Bovendien is het feit dat die titel niet bevestigt dat in de andere lidstaat een beroepsopleiding van drie jaar is gevolgd, in dit verband irrelevant. Artikel 1, sub a, eerste alinea, van die richtlijn verlangt namelijk niet dat de postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie in een andere dan de ontvangende lidstaat wordt gevolgd.
(cf. punten 32‑36, dictum 1)
3. Richtlijn 89/48 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/19, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat een houder van een aldaar afgegeven titel waarmee een postsecundaire studiecyclus van meer dan drie jaar wordt afgesloten en van een gelijkwaardige titel die in een andere lidstaat is afgegeven na het volgen van een aanvullende opleiding van minder dan drie jaar welke hem het recht geeft om in laatstbedoelde staat het gereglementeerde beroep van advocaat uit te oefenen – dat hij aldaar ook daadwerkelijk uitoefende – bij gebreke van bewijs dat de naar het recht van de ontvangende lidstaat vereiste stage is vervuld, toelating tot de proeve van bekwaamheid voor het beroep van advocaat weigeren.
(cf. punten 36, 41, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
22 december 2010 (*)
„Begrip ‚nationale rechterlijke instantie’ in zin van artikel 234 EG – Erkenning van diploma’s – Richtlijn 89/48/EEG – Advocaat – Inschrijving op tableau van beroepsorde in andere lidstaat dan die waar diploma is gehomologeerd”
In zaak C‑118/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Oberste Berufungs- und Disziplinarkommission (Oostenrijk) bij beslissing van 16 maart 2009, ingekomen bij het Hof op 1 april 2009, in de procedure ingeleid door
Robert Koller,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, K. Schiemann en L. Bay Larsen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– R. Koller, die zichzelf vertegenwoordigt, abogado,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Skandalou en S. Vodina als gemachtigden,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J. López-Medel Báscones als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Hermes en H. Støvlbæk als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juni 2010,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), zoals gewijzigd door richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 (PB L 206, blz. 1; hierna: „gewijzigde richtlijn 89/48).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen R. Koller en de Rechtsanwaltsprüfungskommission van het Oberlandesgericht Graz (commissie, belast met de proef die toegang verleent tot het beroep van advocaat, bij de hoogste regionale rechtbank Graz) over de weigering van de voorzitter van deze commissie om hem toe te laten tot de proeve van bekwaamheid om het beroep van advocaat in Oostenrijk uit te oefenen, dan wel hem van die proeve vrij te stellen.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3 Artikel 1, sub a, b, en g, van de gewijzigde richtlijn 89/48 luidt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) diploma: alle diploma’s, certificaten en andere titels dan wel elk geheel van dergelijke diploma’s, certificaten en andere titels:
– afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat die is aangewezen overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen,
– waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling van gelijkwaardig opleidingsniveau en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en
– waaruit blijkt dat de houder de vereiste beroepskwalificaties bezit om tot een gereglementeerd beroep in die lidstaat te worden toegelaten of om dat uit te oefenen,
wanneer de met het diploma, het certificaat of de andere titel afgesloten opleiding overwegend in de Gemeenschap is genoten [...]
Alle diploma’s, certificaten en andere titels, dan wel elk geheel van dergelijke diploma’s, certificaten en andere titels die door een bevoegde autoriteit in een lidstaat zijn afgegeven, worden gelijkgesteld met een diploma in de zin van de eerste alinea, indien daarmee een in de Gemeenschap gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door een bevoegde autoriteit in die lidstaat als gelijkwaardig wordt erkend, en daaraan dezelfde rechten inzake toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep zijn verbonden;
b) ontvangende lidstaat: de lidstaat waar een onderdaan van een lidstaat een aldaar gereglementeerd beroep wenst uit te oefenen, zonder daar zijn diploma te hebben behaald of het betrokken beroep daar voor het eerst te hebben uitgeoefend;
[...]
g) proeve van bekwaamheid: een controle, uitsluitend de beroepskennis van de aanvrager betreffende, die door de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat wordt verricht en die tot doel heeft te beoordelen of deze de bekwaamheid bezit om in deze lidstaat een gereglementeerd beroep uit te oefenen.
Ten behoeve van deze controle stellen de bevoegde autoriteiten op basis van een vergelijking tussen de in deze lidstaat vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, een lijst op van de vakgebieden die niet bestreken worden door het diploma of de titel(s) die de aanvrager overlegt.
Bij de proeve van bekwaamheid moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de lidstaat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die welke op de lijst staan en waarvan de kennis een wezenlijke voorwaarde is om het beroep in de ontvangende lidstaat te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die in de ontvangende lidstaat op de betrokken activiteiten van toepassing is. De voorschriften betreffende de proeve van bekwaamheid worden door de bevoegde autoriteiten van die Staat vastgesteld met inachtneming van het gemeenschapsrecht.
[...]”
4 Artikel 3, sub a, van de gewijzigde richtlijn 89/48 bepaalt:
„Wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een diploma, mag de bevoegde autoriteit een onderdaan van een lidstaat de toegang tot of de uitoefening van dat beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, niet weigeren wegens onvoldoende kwalificaties, indien:
a) de aanvrager in het bezit is van het diploma dat door een andere lidstaat is voorgeschreven om tot het betrokken beroep op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lidstaat behaald is [...]”
5 Artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn luidt:
„1. Artikel 3 belet niet dat de ontvangende lidstaat van de aanvrager eveneens verlangt:
a) dat hij beroepservaring aantoont, wanneer de duur van de opleiding waarvan hij melding maakt, krachtens artikel 3, sub a en b, ten minste één jaar korter is dan die welke in de ontvangende lidstaat vereist is. [...]
[...]
b) dat hij een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar volbrengt of een proeve van bekwaamheid aflegt:
– wanneer de door hem ontvangen opleiding volgens artikel 3, sub a en b, betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door het in de ontvangende lidstaat voorgeschreven diploma, of
– wanneer, in het in artikel 3, sub a, bedoelde geval, het in de ontvangende lidstaat gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde beroepsactiviteiten omvat die niet bestaan in het beroep dat gereglementeerd is in de lidstaat van oorsprong of van herkomst van de aanvrager, en dit verschil gekenmerkt wordt door een specifieke opleiding die in de ontvangende lidstaat vereist is en betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door het diploma waarnaar de aanvrager verwijst, of
[...]
Indien de ontvangende lidstaat overweegt om van de aanvrager te verlangen dat deze een aanpassingsstage volbrengt of een proeve van bekwaamheid aflegt, moet hij eerst nagaan of de kennis die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring heeft verworven, van dien aard is dat het wezenlijke verschil als bedoeld in de eerste alinea daardoor geheel of ten dele wordt ondervangen.
Indien de ontvangende lidstaat van deze mogelijkheid gebruikmaakt, moet hij de aanvrager het recht laten om te kiezen tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid. Voor beroepen voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht vereist is en waarvoor het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van beroepsactiviteit is, kan de ontvangende lidstaat, in afwijking van dit beginsel, ofwel een aanpassingsstage, ofwel een proeve van bekwaamheid voorschrijven. [...]
2. De ontvangende lidstaat mag evenwel de bepalingen van lid 1, sub a en b, niet cumulatief toepassen.”
Nationaal recht
6 Hoofdstuk 3 van het Bundesgesetz über den freien Dienstleistungsverkehr und die Niederlassung von europäischen Rechtsanwälten in Österreich (Oostenrijkse federale wet inzake het vrije verkeer van diensten en de vestiging van Europese advocaten in Oostenrijk, BGBl. I, 27/2000, in de in het BGBl. I, 59/2004, bekendgemaakte versie; hierna: „EuRAG”) omvat met name de §§ 24 tot en met 29. § 24 EuRAG luidt:
„1. Staatsburgers van de lidstaten van de Europese Unie [...] die een diploma hebben behaald waaruit blijkt dat de houder voldoet aan de professionele voorwaarden die moeten zijn vervuld voor de rechtstreekse toegang tot een in de bijlage bij deze federale wet genoemd beroep, worden op hun verzoek ingeschreven op het tableau van de advocaten [...] indien zij zijn geslaagd voor een proeve van bekwaamheid.
2. Diploma’s in de zin van lid 1 zijn diploma’s, certificaten en andere titels in de zin van richtlijn 89/48 [...]”
7 § 25 EuRAG bepaalt:
„De proeve van bekwaamheid is een door de overheid georganiseerd onderzoek van de beroepskennis van de aanvrager, waarmee wordt getoetst of hij geschikt is om in Oostenrijk het beroep van advocaat uit te oefenen. De proeve van bekwaamheid moet rekening houden met de omstandigheid dat de aanvrager in een lidstaat van de Europese Unie [...] beschikt over de kwalificatie voor de uitoefening van het beroep van advocaat.”
8 § 27 EuRAG bepaalt:
„De voorzitter van de Rechtsanwaltsprüfungskommission beslist op verzoek van de aanvrager en na overleg met de balie van de zetel van het Oberlandesgericht, uiterlijk vier maanden nadat de aanvrager alle documenten heeft ingediend, over de toelating tot de proeve van bekwaamheid.”
9 § 29 EuRAG luidt:
„De voorzitter van de Rechtsanwaltsprüfungskommission verleent op verzoek van de aanvrager en in overleg met de krachtens § 26 bevoegde balie vrijstelling van onderdelen van de proef, wanneer de aanvrager aantoont dat hij met betrekking tot dat vak in zijn eerdere opleiding of beroepswerkzaamheid de voor de uitoefening van het beroep van advocaat in Oostenrijk noodzakelijke kennis van het Oostenrijkse materiële en procesrecht heeft verworven.”
10 § 1 van de Rechtsanwaltsordnung (Oostenrijks reglement betreffende het beroep van advocaat, RGBl. 96/1868, in de in het BGBl. I, 128/2004, bekendgemaakte versie; hierna: „RAO”) luidt als volgt:
„1) Voor de uitoefening van het beroep van advocaat in [Oostenrijk] is geen aanstelling door de autoriteiten vereist, maar enkel het bewijs dat is voldaan aan de volgende eisen en aan inschrijving op het tableau van de advocaten [...]
2) Deze eisen zijn:
[...]
d) een stage waarvan de aard en de duur bij de wet zijn bepaald;
e) een met succes afgelegd advocatenexamen;
[...]”
11 Volgens § 2, lid 2, RAO duurt de stage vijf jaar. Daarvan moeten in Oostenrijk ten minste negen maanden bij een rechterlijke instantie of het openbaar ministerie, en ten minste drie jaar bij een advocaat worden vervuld.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 Op 25 november 2002 behaalde Koller, een Oostenrijks staatsburger, aan de universiteit van Graz (Oostenrijk) de titel „Magister der Rechtswissenschaften”, dat wil zeggen een diploma waarmee een universitaire rechtenstudie van ten minste acht semesters wordt afgesloten.
13 Bij besluit van het Spaanse ministerie van Onderwijs en Wetenschap van 10 november 2004 werd de titel „Magister der Rechtswissenschaften” overeenkomstig de in het Spaanse recht voorziene homologatieprocedure gelijkwaardig verklaard aan de titel „Licenciado en Derecho”, daar de aanvrager les had gevolgd aan de universiteit van Madrid (Spanje) en met goed gevolg aanvullende examens had afgelegd.
14 Op grond van de vaststelling dat Koller de titel „Licenciado en Derecho” bezat, verleende de orde van de advocaten van de balie van Madrid hem op 14 maart 2005 de toestemming om de titel „abogado” te voeren.
15 Op 5 april 2005 vroeg Koller de Rechtsanwaltsprüfungskommission van het Oberlandesgericht Graz om toelating tot de proeve van bekwaamheid voor het beroep van advocaat. Tezelfdertijd verzocht hij om overeenkomstig § 29 EuRAG te worden vrijgesteld van alle vakken waarop de proeve van bekwaamheid betrekking had.
16 Bij besluit van de voorzitter van de Rechtsanwaltsprüfungskommission van 11 augustus 2005 werd het verzoek om toelating tot de proeve van bekwaamheid op grond van § 27 EuRAG afgewezen. In die periode oefende Koller het beroep van advocaat uit in Spanje. Tegen dat besluit stelde hij beroep in bij de Oberste Berufungs- und Disziplinarkommission (hoogste tuchtcommissie van de advocaten; hierna: „OBDK”).
17 Bij besluit van 31 januari 2006 wees de OBDK Kollers vorderingen af. Voornoemde commissie steunde daarvoor ten eerste op het feit dat naar Spaans recht, anders dan in Oostenrijk, voor de uitoefening van het beroep van advocaat geen stage is vereist. De OBDK concludeerde daaruit dat Kollers verzoek ertoe strekte, de naar Oostenrijks recht vereiste stage van vijf jaar te omzeilen.
18 Ten tweede volstaat volgens de OBDK de titel „Licenciado en Derecho” niet voor toelating tot de proeve van bekwaamheid overeenkomstig hoofdstuk 3 EuRAG. Artikel 1, sub a, tweede streepje, van de gewijzigde richtlijn 89/48 maakt onderscheid tussen het met succes gevolgd hebben van een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar en de in aanvulling op die studiecyclus vereiste beroepsopleiding. Derhalve moet worden aangenomen dat de proeve van bekwaamheid van het EuRAG uitsluitend een proef is ter toetsing van de beroepskennis van de aanvrager. Aangezien Koller geen beroepskennis heeft, kan hij niet tot de proeve van bekwaamheid worden toegelaten. Tot slot loopt de combinatie van een verzoek om toelating tot de proeve van bekwaamheid en een verzoek om vrijstelling daarvan uiteindelijk uit in het willens en wetens omzeilen van het Oostenrijkse recht.
19 Dat besluit is op verzoek van Koller nietig verklaard bij arrest van het Verfassungsgerichtshof (constitutioneel hof, Oostenrijk) van 13 maart 2008. Motivering daarvoor was met name dat er geen aanwijzingen voor misbruik van Kollers zijde waren. Bijgevolg moet de OBDK opnieuw uitspraak doen over diens verzoek om toelating tot de proeve van bekwaamheid voor het beroep van advocaat.
20 Daarop heeft de OBDK de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Is richtlijn 89/48 [...] van toepassing op het geval van een Oostenrijks staatsburger,
a) die in Oostenrijk met succes een rechtenstudie heeft afgesloten en de academische graad ‚Magister der Rechtswissenschaften’ heeft gekregen,
b) die, nadat hij aan een Spaanse universiteit aanvullende examens heeft afgelegd na een opleiding die echter minder dan drie jaar heeft geduurd, vervolgens bij besluit van het [Spaanse] ministerie van Onderwijs en Wetenschappen het recht heeft gekregen om de aan de Oostenrijkse titel gelijkwaardige Spaanse titel ‚Licenciado en Derecho’ te voeren, en
c) die door inschrijving bij de balie van Madrid het recht heeft gekregen om de beroepstitel ‚abogado’ te voeren en in Spanje ook daadwerkelijk het beroep van advocaat heeft uitgeoefend, en wel drie weken voordat hij de aanvraag heeft ingediend en hoogstens vijf maanden voordat het besluit in eerste aanleg is genomen?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Is de uitlegging van § 24 EuRAG volgens welke het afsluiten van een rechtenstudie in Oostenrijk en het na het afleggen van aanvullende examens aan een Spaanse universiteit binnen een tijdspanne van minder dan drie jaar verkregen recht om de Spaanse titel ‚Licenciado en Derecho’ te voeren, ook dan niet volstaan om te mogen deelnemen aan de proeve van bekwaamheid in Oostenrijk overeenkomstig § 24, lid 1, EuRAG zonder dat het bewijs is geleverd van de naar nationaal recht (§ 2, lid 2, RAO) vereiste stage, wanneer de aanvrager in Spanje zonder vergelijkbaar stagevereiste is toegelaten als ‚abogado’ en daar dat beroep heeft uitgeoefend gedurende drie weken voordat hij zijn aanvraag heeft ingediend en gedurende hoogstens vijf maanden voordat het besluit in eerste aanleg is genomen, verenigbaar met richtlijn 89/48 [...]?
Bevoegdheid van het Hof
21 Allereerst moet worden nagegaan of de OBDK een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 234 EG en of bijgevolg het Hof bevoegd is om uitspraak te doen over de vragen die hem door die commissie worden gesteld.
22 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het Hof, om te beoordelen of het verwijzende orgaan een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 234 EG is – hetgeen uitsluitend door het recht van de Unie wordt bepaald –, rekening houdt met een geheel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, de procedure op tegenspraak, de toepassing door het orgaan van de rechtsregels en de onafhankelijkheid van het orgaan (zie met name arresten van 17 september 1997, Dorsch Consult, C‑54/96, Jurispr. blz. I‑4961, punt 23; 31 mei 2005, Syfait e.a., C‑53/03, Jurispr. blz. 1‑4609, punt 29, en 14 juni 2007, Häupl, C‑246/05, Jurispr. blz. 1‑4673, punt 16).
23 De OBDK, waarvan vaststaat dat zij verplichte rechtsmacht heeft, beschikt, zoals door de advocaat-generaal in punt 52 van haar conclusie uiteengezet, over alle noodzakelijke eigenschappen om te kunnen worden gekwalificeerd als rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG.
24 Bijgevolg is het Hof bevoegd om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, met het oog op de toegang – onder voorbehoud van slagen voor een proeve van bekwaamheid – tot het gereglementeerde beroep van advocaat in de ontvangende lidstaat, de houder van een in die lidstaat afgegeven titel waarmee een postsecundaire studiecyclus van meer dan drie jaar wordt afgesloten en van een gelijkwaardige titel die in een andere lidstaat is afgegeven na het volgen van een aanvullende opleiding van minder dan drie jaar, dewelke hem het recht geeft om in laatstbedoelde staat het gereglementeerde beroep van advocaat uit te oefenen – dat hij op het tijdstip waarop hij om toelating tot de proeve van bekwaamheid heeft verzocht aldaar ook daadwerkelijk uitoefende –, zich kan beroepen op de bepalingen van de gewijzigde richtlijn 89/48.
26 Er zij aan herinnerd dat het in artikel 1, sub a, van de gewijzigde richtlijn 89/48 omschreven begrip „diploma” de hoeksteen vormt van het in deze richtlijn neergelegde algemene stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s (zie met name arrest van 23 oktober 2008, Commissie/Spanje, C‑286/06, Jurispr. blz. I‑8025, punt 53).
27 Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 4 van de gewijzigde richtlijn 89/48, geeft artikel 3, eerste alinea, sub a, daarvan aan elke aanvrager die in het bezit is van een „diploma” in de zin van deze richtlijn, op grond waarvan hij een gereglementeerd beroep in een lidstaat kan uitoefenen, het recht om het betrokken beroep in elke andere lidstaat uit te oefenen (zie arrest Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 54).
28 Met betrekking tot kwalificaties als die waarop Koller zich beroept, zij erop gewezen dat het „diploma” in de zin van artikel 1, sub a, van de gewijzigde richtlijn 89/48 uit een geheel van titels kan bestaan.
29 Wat de voorwaarde van artikel 1, sub a, eerste streepje, van de gewijzigde richtlijn 89/48 betreft, zij vastgesteld dat het Hof in punt 48 van zijn arrest van 29 januari 2009, Consiglio Nazionale degli Ingegneri (C‑311/06, Jurispr. blz. I‑415), heeft geoordeeld dat daaraan was voldaan ten aanzien van de titels waarop een persoon zich beriep die had verzocht om inschrijving in het register van ingenieurs in Italië, aangezien elk van die titels was afgegeven door een bevoegde autoriteit die was aangewezen overeenkomstig, respectievelijk, de Italiaanse en Spaanse wettelijke bepalingen. Aan die voorwaarde is ook voldaan wat titels betreft als die waarop Koller zich beroept, nu elk daarvan is afgegeven door een bevoegde autoriteit die is aangewezen overeenkomstig, respectievelijk, de Oostenrijkse en Spaanse wettelijke bepalingen.
30 Wat de voorwaarde van artikel 1, sub a, tweede streepje, van de gewijzigde richtlijn 89/48 betreft, zij vastgesteld dat iemand als Koller, net als het Hof in punt 49 van het voormelde arrest Consiglio Nazionale degli Ingegneri ook heeft geoordeeld ten aanzien van de persoon over wie het in dat arrest ging, voldoet aan de voorwaarde dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar aan een universiteit moet hebben gevolgd. Dit blijkt immers uitdrukkelijk uit de door de universiteit van Graz aan de betrokkene afgegeven opleidingstitel.
31 Wat nog de voorwaarde van artikel 1, sub a, derde streepje, van de gewijzigde richtlijn 89/48 betreft, blijkt uit het door het Spaanse ministerie van Onderwijs en Wetenschappen opgestelde homologatiecertificaat en hoe dan ook uit de inschrijving van Koller op het tableau van de advocaten van de balie van Madrid, dat deze de vereiste beroepskwalificaties bezit om tot een gereglementeerd beroep in Spanje te worden toegelaten (zie in die zin arrest Consiglio Nazionale degli Ingegneri, reeds aangehaald, punt 50).
32 Anders dan het homologatiecertificaat waarnaar de persoon verwees over wie het ging in het voormelde arrest Consiglio Nazionale degli Ingegneri, dat niet de afsluiting vormde van enige opleiding onder het Spaanse onderwijsstelsel en noch op een examen noch op in Spanje opgedane beroepservaring berustte, bevestigt voorts de Spaanse titel waarop Koller zich beroept, dat hij een aanvullende kwalificatie heeft behaald ten opzichte van die welke hij in Oostenrijk heeft verkregen.
33 Hoewel een titel die de beroepskwalificaties aantoont, niet kan worden gelijkgesteld met een „diploma” in de zin van de gewijzigde richtlijn 89/48 wanneer de kwalificaties niet geheel of gedeeltelijk werden verworven in het kader van het onderwijsstelsel van de lidstaat waar de betrokken titel is afgegeven (zie in die zin arrest Consiglio Nazionale degli Ingegneri, reeds aangehaald, punt 55), geldt dat dus niet voor de titel die Koller in het hoofdgeding aanvoert.
34 Bovendien is het feit dat die Spaanse titel niet aantoont dat in Spanje een beroepsopleiding van drie jaar is gevolgd, in dit verband irrelevant. Artikel 1, sub a, eerste alinea, van voornoemde richtlijn verlangt namelijk niet dat de postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie in een andere dan de ontvangende lidstaat wordt gevolgd.
35 Een persoon als Koller is dus wel degelijk in het bezit van een „diploma” in de zin van artikel 1, sub a, van de gewijzigde richtlijn 89/48.
36 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat, met het oog op de toegang – onder voorbehoud van slagen voor een proeve van bekwaamheid – tot het gereglementeerde beroep van advocaat in de ontvangende lidstaat, de houder van een in die lidstaat afgegeven titel waarmee een postsecundaire studiecyclus van meer dan drie jaar wordt afgesloten en van een gelijkwaardige titel die in een andere lidstaat is afgegeven na het volgen van een aanvullende opleiding van minder dan drie jaar, dewelke hem het recht geeft om in laatstbedoelde staat het gereglementeerde beroep van advocaat uit te oefenen – dat hij op het tijdstip waarop hij om toelating tot de proeve van bekwaamheid heeft verzocht aldaar ook daadwerkelijk uitoefende –, zich kan beroepen op de bepalingen van de gewijzigde richtlijn 89/48.
Tweede vraag
37 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de gewijzigde richtlijn 89/48 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat een persoon in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding, bij gebreke van bewijs dat de naar het recht van die lidstaat vereiste stage is vervuld, toelating weigeren tot de proeve van bekwaamheid voor het beroep van advocaat.
38 Als houder van een „diploma” in de zin van artikel 1, sub a, van de gewijzigde richtlijn 89/48 heeft iemand als Koller, conform artikel 3, eerste alinea, sub a, daarvan, toegang tot het gereglementeerde beroep van advocaat in de ontvangende lidstaat.
39 Aangezien het gaat om een beroep voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht is vereist en waarvoor het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van beroepsactiviteit is, verzet artikel 3 van de gewijzigde richtlijn 89/48 zich overeenkomstig artikel 4, lid 1, sub b, daarvan evenwel niet ertegen dat de ontvangende lidstaat van de aanvrager eveneens verlangt dat hij een proeve van bekwaamheid aflegt, mits hij eerst nagaat of de kennis die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring heeft verworven, van dien aard is dat het wezenlijke verschil als bedoeld in de eerste alinea van laatstgenoemde bepaling daardoor geheel of ten dele wordt ondervangen.
40 Aangezien de aanvrager in de ontvangende lidstaat wordt onderworpen aan een proeve van bekwaamheid, die het juist mogelijk moet maken, zich ervan te verzekeren of hij geschikt is om het gereglementeerde beroep aldaar uit te oefenen, mag die lidstaat ingevolge artikel 4 van de gewijzigde richtlijn 89/48 een persoon in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding niet de toestemming weigeren om een dergelijke proef af te leggen op grond dat hij niet de naar het recht van die lidstaat vereiste stage heeft vervuld.
41 Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de gewijzigde richtlijn 89/48 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat een persoon in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding, bij gebreke van bewijs dat de naar het recht van die lidstaat vereiste stage is vervuld, toelating weigeren tot de proeve van bekwaamheid voor het beroep van advocaat.
Kosten
42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Met het oog op de toegang – onder voorbehoud van slagen voor een proeve van bekwaamheid – tot het gereglementeerde beroep van advocaat in de ontvangende lidstaat kan de houder van een in die lidstaat afgegeven titel waarmee een postsecundaire studiecyclus van meer dan drie jaar wordt afgesloten en van een gelijkwaardige titel die in een andere lidstaat is afgegeven na het volgen van een aanvullende opleiding van minder dan drie jaar, dewelke hem het recht geeft om in laatstbedoelde staat het gereglementeerde beroep van advocaat uit te oefenen – dat hij op het tijdstip waarop hij om toelating tot de proeve van bekwaamheid heeft verzocht aldaar ook daadwerkelijk uitoefende –, zich beroepen op de bepalingen van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals gewijzigd door richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001.
2) Richtlijn 89/48, zoals gewijzigd door richtlijn 2001/19, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat een persoon in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding, bij gebreke van bewijs dat de naar het recht van die lidstaat vereiste stage is vervuld, toelating weigeren tot de proeve van bekwaamheid voor het beroep van advocaat.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy