Zaak C‑199/09
Schenker SIA
tegen
Valsts ieņēmumu dienests
(verzoek van de Augstākās tiesas Senāta Administratīvo lietu departaments om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Bepalingen ter uitvoering van communautair douanewetboek – Artikel 6, lid 2 – Verzoek om bindende tariefinlichting – Begrip ‚één soort goederen’”
Samenvatting van het arrest
Gemeenschappelijk douanetarief – Indeling van goederen – Bindende tariefinlichting – Voorwerp – Eén soort goederen – Begrip
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad; verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 6, lid 2)
Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1602/2000, moet aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om een bindende tariefinlichting betrekking mag hebben op verschillende goederen, mits zij tot één soort goederen behoren. Enkel goederen die soortgelijke eigenschappen hebben en waarvan de verschillen irrelevant zijn voor de tariefindeling, kunnen worden geacht tot één soort goederen in de zin van die bepaling te behoren.
(cf. punt 24 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
2 december 2010 (*)
„Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Bepalingen ter uitvoering van communautair douanewetboek – Artikel 6, lid 2 – Verzoek om bindende tariefinlichting – Begrip ‚één soort goederen’”
In zaak C‑199/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Augstākās tiesas Senāta Administratīvo lietu departaments (Letland) bij beslissing van 30 april 2009, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2009, in de procedure
Schenker SIA
tegen
Valsts ieņēmumu dienests,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur), E. Juhász, G. Arestis en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Schenker SIA, vertegenwoordigd door A. Tauriņš, valdes loceklis,
– de Valsts ieņēmumu dienests, vertegenwoordigd door A. Drulle als gemachtigde,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door K. Drēviņa en K. Krasovska als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Sauka en L. Bouyon als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1602/2000 van de Commissie van 24 juli 2000 (PB L 188, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening van het douanewetboek”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Schenker SIA (hierna: „Schenker”) en de Valsts ieņēmumu dienests (Letse belastingdienst; hierna: „VID”) inzake de weigering van laatstgenoemde om aan Schenker een bindende tariefinlichting te verstrekken voor de goederen „beeldschermen van vloeibare kristallen (LCD)”, op grond dat er slechts één verzoek om een bindende tariefinlichting was ingediend voor verschillende soorten goederen.
Toepasselijke bepalingen
3 Artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van de Raad van 19 december 1996 (PB 1997 L 17, blz. 1; hierna: „douanewetboek”), bepaalt:
„Indien een persoon de douaneautoriteiten verzoekt een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving te nemen, verstrekt hij deze autoriteiten alle gegevens en bescheiden die zij behoeven om het besluit te nemen.”
4 Artikel 11, lid 1, van het douanewetboek luidt:
„Iedere persoon kan de douaneautoriteiten om inlichtingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving verzoeken.
Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen indien het geen verband houdt met een daadwerkelijk voorgenomen in‑ of uitvoertransactie.”
5 In artikel 12 van het douanewetboek wordt bepaald:
„1. De douaneautoriteiten verstrekken, op schriftelijk verzoek en overeenkomstig de volgens de procedure van het comité vastgestelde nadere regels, bindende tariefinlichtingen of bindende inlichtingen betreffende de oorsprong.
2. De bindende tariefinlichting of de bindende inlichting betreffende de oorsprong binden de douaneautoriteiten tegenover de verkrijger van de inlichting slechts voor de tariefindeling, respectievelijk de vaststelling van de oorsprong van de goederen.
[...]
3. De verkrijger van de inlichting moet kunnen aantonen dat er in elk opzicht overeenstemming is tussen:
– wat het tarief betreft: het aangegeven en het in de inlichting omschreven goed;
[...]
4. Een bindende inlichting is, gerekend vanaf de datum waarop zij wordt verstrekt, gedurende zes jaar geldig indien zij op het tarief, en gedurende drie jaar geldig indien zij op de oorsprong betrekking heeft. In afwijking van artikel 8 wordt zij met terugwerkende kracht ingetrokken indien zij is verstrekt op de grondslag van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager.
[...]”
6 Artikel 5 van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek bepaalt:
„In de zin van deze titel wordt verstaan onder:
1) bindende inlichting: een tariefinlichting of een inlichting inzake de oorsprong die de administraties van alle lidstaten [...] bindt wanneer de in de artikelen 6 en 7 omschreven voorwaarden zijn vervuld;
[...]”
7 In artikel 6 van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek wordt bepaald:
„1. Het verzoek om een bindende inlichting geschiedt schriftelijk en wordt gericht aan hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de lidstaat respectievelijk lidstaten waar de betreffende inlichting dient te worden gebruikt, hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de lidstaat waar de aanvrager gevestigd is.
Voor het aanvragen van een bindende tariefinlichting wordt een formulier gebruikt dat overeenkomt met het model in bijlage 1 ter.
2. Het verzoek om een bindende tariefinlichting mag slechts op één soort goederen, dat om een bindende oorsprongsinlichting slechts op één soort goederen en op één type oorsprongverlenende omstandigheden betrekking hebben.
3. A. Het verzoek om een bindende tariefinlichting dient met name de volgende gegevens te bevatten:
a) de naam en het adres van de rechthebbende;
b) de naam en het adres van de aanvrager, wanneer deze niet tevens de rechthebbende is;
c) de douanenomenclatuur waarin de goederen dienen te worden ingedeeld. Wanneer de aanvrager de indeling van goederen in een van de in artikel 20, lid 3, sub b, en lid 6, sub b, van het [douanewetboek] bedoelde nomenclaturen wenst te kennen, dient de betreffende nomenclatuur uitdrukkelijk in zijn verzoek om een bindende tariefinlichting te worden vermeld;
d) een gedetailleerde omschrijving van de goederen waardoor zij kunnen worden geïdentificeerd en in de douanenomenclatuur kunnen worden ingedeeld;
e) de samenstelling van de goederen en de onderzoekmethoden die eventueel worden gebruikt om deze samenstelling te bepalen, indien de indeling hiervan afhankelijk is;
f) de eventuele beschikbaarstelling in de vorm van bijlagen, van monsters, fotografische afbeeldingen, blauwdrukken, catalogi of andere documentatie, die de douaneautoriteiten bij het vaststellen van de juiste indeling van de goederen in de douanenomenclatuur van nut kunnen zijn;
g) de beoogde indeling;
h) een verklaring dat de aanvrager bereid is de douaneautoriteiten desgevraagd van de eventueel bijgevoegde documentatie een vertaling in de officiële taal of in een van de officiële talen van de betrokken lidstaat te bezorgen;
i) de vermelding van de gegevens die als vertrouwelijk zijn te beschouwen;
j) de vermelding door de aanvrager of bij zijn weten reeds een bindende tariefinlichting voor identieke of gelijkaardige goederen in de [Unie] is gevraagd of verstrekt;
[...]
4. Indien bij de ontvangst van het verzoek de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat het niet alle benodigde gegevens bevat om zich met kennis van zaken te kunnen uitspreken, verzoeken zij de aanvrager hen de ontbrekende gegevens te verstrekken. [...]
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8 Op 15 februari 2005 heeft Schenker bij de VID verzocht om een bindende tariefinlichting voor „beeldschermen van vloeibare kristallen (LCD)”, die, volgens haar, moesten worden ingedeeld onder postonderverdeling 9013 80 20 van de gecombineerde nomenclatuur, welke is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1810/2004 van de Commissie van 7 september 2004 (PB L 327, blz. 1; hierna: „GN”). Ter beschrijving van de betrokken goederen verklaarde Schenker dat het ging om beeldschermen van vloeibare kristallen die worden gebruikt als onderdelen in de productie van elektronische apparaten en dat het betrokken product niet zelfstandig informatie kon ontvangen en verwerken.
9 Van mening dat het verzoek van Schenker niet in overeenstemming was met artikel 6, lid 1, van het douanewetboek en artikel 6, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek, weigerde de VID een bindende tariefinlichting te verstrekken. Hij overwoog enerzijds dat Schenker niet voldoende gegevens had verstrekt om de VID in staat te stellen de betrokken goederen in te delen en, anderzijds, dat Schenker geen afzonderlijke verzoeken had ingediend naargelang van de verschillende kenmerken van de betrokken goederen, daar de beeldschermen van vloeibare kristallen verschillende afmetingen hadden, te weten 26, 29 en 32 inch.
10 Schenker is tegen het besluit van de VID opgekomen bij de Administratīvā rajona tiesa, en haar argumenten werden zowel in eerste aanleg door die rechter als in hoger beroep door de Apgabaltiesa aanvaard. De Apgabaltiesa was van oordeel dat geen enkele bepaling van het douanewetboek of van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek zich ertegen verzette dat verschillende goederen die moesten worden ingedeeld onder dezelfde GN-post, werden opgenomen in één enkel verzoek om een bindende tariefinlichting.
11 De VID heeft daarop beroep in cassatie ingesteld bij de Augstākās tiesas Senāta Administratīvo lietu departaments, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:
„Moet artikel 6, lid 2, van [de uitvoeringsverordening van het douanewetboek] in die zin worden uitgelegd dat in verband met een verzoek om een bindende tariefinlichting een bindende inlichting moet worden verstrekt voor identieke goederen, die dezelfde handelsbenaming en hetzelfde artikelnummer hebben of enig ander criterium gemeen hebben dat de desbetreffende goederen onderscheidt of identificeert?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
12 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de voorwaarde van artikel 6, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek, volgens welke een verzoek om een bindende tariefinlichting slechts betrekking mag hebben op één soort goederen, aldus moet worden uitgelegd dat een dergelijk verzoek beperkt moet blijven tot één enkel goed en, bijgevolg, geen betrekking mag hebben op verschillende goederen, ondanks het feit dat de verschillen tussen die goederen minimaal zijn.
13 De vraag van de verwijzende rechter komt erop neer dat moet worden onderzocht of beeldschermen van vloeibare kristallen (LCD), zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, „één soort goederen” vormen in de zin van artikel 6, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek.
14 Meteen al moet worden vastgesteld dat het douanewetboek en de uitvoeringsverordening van het douanewetboek geen definitie bevatten van het begrip „één soort goederen” in artikel 6, lid 2, van deze verordening. Derhalve moet voor de uitlegging daarvan rekening worden gehouden met de bewoordingen, de context en de doelstellingen van deze bepaling (zie in die zin arrest van 6 maart 2008, Nordania Finans en BG Factoring, C‑98/07, Jurispr. blz. I‑1281, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 In dit verband dient ten eerste te worden vastgesteld dat volgens de bewoordingen van voornoemd artikel 6, lid 2, die verwijzen naar „één soort goederen”, een verzoek om een bindende tariefinlichting betrekking mag hebben op verschillende goederen, voor zover zij tot eenzelfde soort behoren. Gelet op de gebruikelijke betekenis van deze laatste term kunnen enkel goederen die soortgelijke eigenschappen hebben „één soort goederen” vormen.
16 Ten tweede zij eraan herinnerd dat, teneinde te bepalen welke verschillen in de weg staan aan de mogelijkheid om goederen die soortgelijke eigenschappen hebben, te beschouwen als één soort goederen in de zin van artikel 6, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek, het stelsel van bindende tariefinlichtingen tot doel heeft de marktdeelnemer rechtszekerheid te verschaffen wanneer zich twijfel voordoet omtrent de tariefindeling van een goed (zie arrest van 29 januari 1998, Lopex Export, C‑315/96, Jurispr. blz. I‑317, punt 28). Aldus verzekert de bindende tariefinlichting aan de houder ervan dat de goederen worden ingedeeld onder een welomschreven tariefpost, hetgeen het mogelijk maakt om het bedrag van de bij inklaring voor die goederen verschuldigde rechten van tevoren te kennen.
17 Bovendien vergemakkelijkt dit stelsel de werking van de douanediensten zelf, doordat de tariefindeling van de goederen waarvoor de bindende tariefinlichting is afgegeven, wordt vastgesteld voor elke toekomstige douaneaangifte van deze goederen gedurende de geldigheidsduur van die inlichting (zie reeds aangehaald arrest Lopex Export, punt 19).
18 Om de doelstelling van het stelsel van bindende tariefinlichtingen te bereiken, verplicht artikel 6, lid 3, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek degene die om een bindende tariefinlichting verzoekt, om in zijn verzoek een gedetailleerde omschrijving te verstrekken van de goederen alsmede alle gegevens te verschaffen die de betrokken douaneautoriteiten in staat kunnen stellen de juiste indeling van die goederen in de douanenomenclatuur vast te stellen.
19 Gelet op de door de betrokken regeling nagestreefde doelstelling, kunnen goederen, zelfs indien zij soortgelijke eigenschappen hebben, niet worden beschouwd als één soort goederen, in de zin van artikel 6, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek, wanneer zij kunnen worden ingedeeld onder verschillende posten of onderverdelingen van de douanenomenclatuur. Het opnemen van verscheidene goederen, die onder verschillende posten of onderverdelingen kunnen vallen, in één en hetzelfde verzoek om een bindende tariefinlichting, leidt, behalve dat het het werk van de douanediensten complexer maakt, tot een verhoogd risico op fouten bij de beoordeling van de in het verzoek verstrekte informatie, en, bijgevolg, bij de vaststelling van de indeling van die goederen.
20 In die omstandigheden kan een verzoek om een bindende tariefinlichting geen betrekking hebben op verschillende goederen, zelfs indien zij soortgelijke eigenschappen hebben, wanneer de verschillen tussen die goederen enige invloed kunnen hebben op de tariefindeling ervan.
21 In het hoofdgeding heeft verzoekster verzocht om een bindende tariefinlichting, teneinde elke twijfel omtrent de tariefindeling van de verschillende beeldschermen van vloeibare kristallen (LCD) op te heffen. Blijkens de verwijzingsbeslissing had dat verzoek betrekking op beeldschermen van verschillende afmetingen, te weten respectievelijk 26, 29 en 32 inch. Ook wanneer, zoals verzoekster beweert, de afmeting van de beeldschermen van vloeibare kristallen (LCD) het enige verschil zou zijn tussen de verschillende goederen waarop het verzoek betrekking heeft, is dat verschil niet irrelevant voor de tariefindeling van die schermen.
22 Ook al betrof de door verzoekster in het hoofdgeding in haar verzoek om een bindende tariefinlichting voorgenomen indeling GN-post 9013, die de afmeting niet vermeldt als een van de factoren die relevant zijn voor de indeling ervan onder een van de onderverdelingen van die post, dan nog is een dergelijke voorgestelde indeling immers niet bindend voor de douaneautoriteiten. Zoals blijkt uit het arrest van 11 juni 2009, Schenker (C‑16/08, Jurispr. blz. I‑5015, punten 19, 20 en 30), betrof de ten tijde van de feiten in het hoofdgeding bestaande twijfel omtrent de tariefindeling van beeldschermen van vloeibare kristallen (LCD) in wezen de vraag of zij moesten worden ingedeeld in GN-post 8528, 8529 dan wel 9013. De afmeting van een onder GN-post 8528 vallend goed kan wel een relevante factor vormen voor de indeling ervan in een van de onderverdelingen van die post.
23 In die omstandigheden kunnen beeldschermen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die verschillen vertonen die niet volledig irrelevant zijn voor hun tariefindeling, niet worden beschouwd als één soort goederen in de zin van artikel 6, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek.
24 Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om een bindende tariefinlichting betrekking mag hebben op verschillende goederen, mits zij tot één soort goederen behoren. Enkel goederen die soortgelijke eigenschappen hebben en waarvan de verschillen irrelevant zijn voor hun tariefindeling, kunnen worden geacht tot één soort goederen in de zin van die bepaling te behoren.
Kosten
25 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1602/2000 van de Commissie van 24 juli 2000, moet aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om een bindende tariefinlichting betrekking mag hebben op verschillende goederen, mits zij tot één soort goederen behoren. Enkel goederen die soortgelijke eigenschappen hebben en waarvan de verschillen irrelevant zijn voor hun tariefindeling, kunnen worden geacht tot één soort goederen in de zin van die bepaling te behoren.
ondertekeningen
* Procestaal: Lets.
Full & Egal Universal Law Academy