Gevoegde zaken C‑201/09 P en C‑216/09 P
ArcelorMittal Luxembourg SA
tegen
Europese Commissie
en
Europese Commissie
tegen
ArcelorMittal Luxembourg SA, voorheen Arcelor Luxembourg SA, e.a.
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Gemeenschapsmarkt van stalen balken – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 65 KS na aflopen van EGKS-Verdrag, gegeven op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 – Bevoegdheid van Commissie – Toerekenbaarheid van inbreuk opleverend gedrag – Gezag van gewijsde – Rechten van verdediging – Verjaring – Begrip ‚schorsing’ van verjaring – Werking erga omnes of inter partes – Ontoereikende motivering”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Mededingingsregelingen die ratione materiae en ratione temporis aan rechtsstelsel van EGKS-Verdrag zijn onderworpen – Aflopen van EGKS-Verdrag – Behoud door Commissie van toezicht op grond van verordening nr. 1/2003
(Art. 65, lid 1, KS; verordening nr. 1/2003 van de Raad)
2. Handelingen van de instellingen – Toepassing ratione temporis – Aflopen van EGKS-Verdrag – Beschikking na aflopen van EGKS-Verdrag door Commissie jegens onderneming gegeven betreffende feiten die zich vóór aflopen van dat verdrag hebben voorgedaan – Beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van gewettigd vertrouwen – Strekking – Aansprakelijkheid van ondernemingen voor hun met mededingingsregels strijdige gedragingen in context van opvolging van rechtskader van EGKS-Verdrag door rechtskader van EG-Verdrag – Regels van materieel recht – Procedureregels
(Art. 65, lid 1, KS; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 7, lid 1, en 23, lid 2)
3. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria – Vermoeden dat moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar 100 %-dochterondernemingen
(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
4. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Buitensporig lange duur van administratieve procedure – Verdwijning van voor uitoefening van rechten van verdediging relevante bewijselementen – Bewijslast
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad)
5. Mededinging – Administratieve procedure – Verjaring van recht van vervolging – Schorsing – Beschikking van Commissie die onderwerp vormt van procedure bij Hof van Justitie – Draagwijdte
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, 25, leden 3 en 6, en 26, lid 2; algemene beschikking nr. 715/78, art. 2, 3 en 4, lid 2)
1. Overeenkomstig een aan de rechtsstelsels van de lidstaten gemeenschappelijk beginsel, waarvan de oorsprong teruggaat tot het Romeinse recht, moet bij wijziging van wettelijke voorschriften de bestendigheid van het rechtsbestel worden verzekerd, tenzij de wetgever uitdrukkelijk een tegenovergestelde wens kenbaar maakt. Dit beginsel geldt ook bij wijziging van het primaire recht van de Unie.
In dit verband wijst niets erop dat de wetgever van de Unie heeft gewenst dat de onder vigeur van het EKGS-Verdrag verboden onderling afgestemde gedragingen na afloop van dit verdrag aan elke sanctie kunnen ontsnappen. De opvolging van het EGKS-Verdrag door het EG-Verdrag en later door het VWEU beoogt de vrije mededinging te waarborgen door ervoor te zorgen dat alle gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, KS, ongeacht of zij voor dan wel na afloop van het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 hebben plaatsgevonden, door de Commissie konden en kunnen worden bestraft.
In die omstandigheden zou het indruisen tegen het doel en de samenhang van de Verdragen en onverenigbaar zijn met de continuïteit van de rechtsorde van de Unie, dat de Commissie niet bevoegd zou zijn om een eenvormige toepassing te verzekeren van de regels van het EGKS-Verdrag die ook na afloop van dat verdrag nog effect blijven sorteren. Bijgevolg geeft het Gerecht niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting door verordening nr. 1/2003 aldus uit te leggen dat het de Commissie toestaat om na afloop van het EKGS-Verdrag mededingingsregelingen vast te stellen en te bestraffen die tot stand zijn gebracht in sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen.
(cf. punten 62‑66)
2. Het rechtszekerheidsbeginsel eist dat een regeling van de Unie de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatste ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen. Aangezien de verdragen een duidelijke omschrijving bevatten van de inbreuken en van de aard en de omvang van de sancties die aan ondernemingen voor een inbreuk op de mededingingsregels kunnen worden opgelegd, zijn het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen in dit verband niet erop gericht te garanderen dat de ondernemingen ten gevolge van latere wijzigingen van de rechtsgrondslagen en van de procedurevoorschriften aan elke sanctie voor hun inbreuk opleverend gedrag uit het verleden kunnen ontsnappen.
Aangaande enerzijds een beschikking van de Commissie betreffende een vóór het aflopen van het EGKS-Verdrag definitief ontstane rechtssituatie die na afloop van dat verdrag jegens een onderneming is vastgesteld, geeft het Gerecht niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de inachtneming van de beginselen betreffende de werking van de wet in de tijd en de eisen van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen gebieden dat de materiële bepalingen van artikel 65, leden 1 en 5, KS worden toegepast op feiten die zich vóór het aflopen van het EGKS hebben voorgedaan en ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van dit verdrag vielen. In dit verband voorzag artikel 65, leden 1 en 5, KS in een duidelijke rechtsgrondslag voor oplegging van een sanctie voor een inbreuk op de mededingingsregels, zodat een zorgvuldige onderneming op geen enkel ogenblik onwetend kon zijn van de gevolgen van haar gedrag en er ook niet op mocht vertrouwen dat zij ten gevolge van de opvolging van het EGKS-Verdrag door het EG-Verdrag aan elke sanctie voor haar in het verleden gepleegde inbreuken op artikel 65 KS zou ontsnappen.
Aangaande anderzijds de toepasselijke procedurevoorschriften heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat de Commissie bevoegd is om de procedure overeenkomstig de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 te voeren. De bepaling die de rechtsgrondslag van een handeling vormt en de instelling van de Unie machtigt om de betrokken handeling vast te stellen, moet immers van kracht zijn op het moment van de vaststelling van die handeling en de procedureregels worden in het algemeen geacht te gelden vanaf het ogenblik waarop zij in werking treden.
(cf. punten 67‑70, 73‑75)
3. Het begrip onderneming omvat elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. In dit verband heeft het Hof enerzijds gepreciseerd dat in de context van het mededingingsrecht van de Unie onder het begrip onderneming moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd, en anderzijds dat wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid voor die inbreuk moet dragen.
Het gedrag van een dochteronderneming kan met name dan aan haar moedermaatschappij worden toegerekend wanneer die dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoon is, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, vooral gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen beide juridische entiteiten. In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal bezit van haar dochteronderneming die een inbreuk op de communautaire mededingingsregels heeft gepleegd, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochteronderneming en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming.
In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van de moedermaatschappij, om te vermoeden dat deze laatste beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van de dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt dat haar dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt. Andere omstandigheden, zoals de niet-betwisting van de invloed van de moedermaatschappij op het commerciële beleid van haar dochteronderneming en de gemeenschappelijke vertegenwoordiging van de twee vennootschappen tijdens de administratieve procedure, kunnen door de rechter van de Unie in aanmerking worden genomen, doch vormen geen voorwaarde voor toepassing van genoemd vermoeden.
(cf. punten 95‑99)
4. Het staat aan de onderneming die betoogt dat de buitensporig lange duur van de administratieve procedure gevolgen heeft gehad voor de uitoefening van haar rechten van verdediging, om rechtens genoegzaam aan te tonen zij wegens die buitensporig lange duur moeilijkheden heeft ondervonden om zich tegen de aantijgingen van de Commissie te verdedigen.
Zo zou een zorgvuldige vennootschap, adressaat van een beschikking van de Commissie waartegen zij is opgekomen en die de hoedanigheid van partij in een eerste procedure voor de rechter van de Unie had, de voor haar verdediging noodzakelijke documenten hebben bewaard. Indien dat niet het geval is, zou zij omstandig moeten aangeven welke specifieke bewijselementen zijn verdwenen, of althans welke voorvallen, gebeurtenissen of omstandigheden haar tijdens de betrokken periode hebben belet om haar zorgvuldigheidplicht na te komen en hebben geleid tot het verdwijnen van de bewijselementen waarop zij zinspeelt. Slechts door een onderzoek van dergelijke specifieke gegevens kan de rechter van de Unie immers beoordelen of de onderneming rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat zij wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure de aangevoerde moeilijkheden heeft ondervonden om zich tegen de aantijgingen van de Commissie te verdedigen, dan wel of die moeilijkheden voortvloeien uit de niet-nakoming van haar zorgvuldigheidsplicht.
(cf. punten 118, 120‑122)
5. Het feit zelf dat bij het Gerecht of het Hof een beroep aanhangig is, rechtvaardigt de schorsing van de verjaring. Wanneer een adressaat van een beschikking van de Commissie waarbij een geldboete wegens een inbreuk op de mededingingsregels wordt opgelegd, een beroep tot nietigverklaring instelt, kan de rechter van de Unie alleen oordelen over de onderdelen van de beschikking die deze adressaat betreffen. De onderdelen die betrekking hebben op andere adressaten en die niet worden betwist, behoren daarentegen niet tot het voorwerp van het door de rechter van de Unie te beslechten geschil.
Volgens artikel 4, lid 2, van algemene beschikking nr. 715/78 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het toepassingsgebied van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 26, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vangt de verjaring van het recht van tenuitvoerlegging overigens aan op de dag waarop de beschikking niet meer kan worden aangevochten. Het Hof heeft gepreciseerd dat deze termijn dus met name ingaat vanaf het verstrijken van de termijn voor beroep tegen de beschikking waarbij de Commissie zich heeft uitgesproken over de inbreuk en de boete, wanneer er geen beroep is ingesteld. Uit het voorgaande blijkt enerzijds dat ten aanzien van de ondernemingen die geen beroep hebben ingesteld tegen een eindbeschikking van de Commissie waarbij hun krachtens artikel 65 KS of artikel 23 van verordening nr. 1/2003 een geldboete is opgelegd, deze beschikking definitief wordt, en anderzijds dat door het definitief worden van die beschikking ten aanzien van die ondernemingen de in artikel 4 van beschikking nr. 715/78 en artikel 26 van verordening nr. 1/2003 bedoelde termijn van tenuitvoerlegging van die beschikking ingaat. Bijgevolg kan het beroep dat een andere onderneming tegen diezelfde eindbeschikking instelt, geen schorsende werking hebben ten aanzien van die ondernemingen.
Bovendien dekken zowel de tekst van artikel 3 van beschikking nr. 715/78 en van artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 als de doelstellingen van die artikelen niet alleen de beroepen ingesteld tegen de voor beroep vatbare handelingen bedoeld in artikel 2 van beschikking van nr. 715/78 en artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1/2003, maar ook de tegen de eindbeschikking van de Commissie ingestelde beroepen. Aangezien in artikel 3 van beschikking van nr. 715/78 en artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 geen onderscheid wordt gemaakt tussen de beslissingen met schorsende werking, dient dus geen werking erga omnes te worden toegekend aan de beroepen die worden ingesteld tegen de voor beroep vatbare handelingen bedoeld in artikel 2 van beschikking van nr. 715/78 en artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1/2003.
(cf. punten 141‑147)
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
29 maart 2011 (*)
„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Gemeenschapsmarkt van stalen balken – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 65 KS na aflopen van EGKS-Verdrag, gegeven op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 – Bevoegdheid van Commissie – Toerekenbaarheid van inbreuk opleverend gedrag – Gezag van gewijsde – Rechten van verdediging – Verjaring – Begrip ‚schorsing’ van verjaring – Werking erga omnes of inter partes – Ontoereikende motivering”
Inhoud
I – Toepasselijke bepalingen
A – Bepalingen van het EGKS-Verdrag
B – Bepalingen van het EG-Verdrag
C – Verordening (EG) nr. 1/2003
D – Bepalingen betreffende de verjaring van het recht van vervolging
II – Voorgeschiedenis van het geding
III – Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
IV – Procedure voor het Hof
V – Conclusies van partijen
VI – Vordering tot heropening van de mondelinge behandeling
VII – Hogere voorzieningen
A – Hogere voorziening van ARBED (C‑201/09 P)
1. Eerste middel: schending van artikel 97 KS en van verordening nr. 1/2003, misbruik van bevoegdheid, onjuiste rechtsopvatting en ontoereikende motivering
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
2. Tweede middel: schending van de rechtspersoonlijkheid van de vennootschappen en van het persoonlijke karakter van straffen en sancties, ontoereikende motivering, onjuiste uitlegging en toepassing van de rechtspraak van het Hof over de toerekenbaarheid van het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aan de moedermaatschappij en schending van het gezag van gewijsde
a) Ontvankelijkheid en werkzaamheid van het middel
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
b) Ten gronde
i) Argumenten van partijen
ii) Beoordeling door het Hof
3. Derde middel: schending van de verjaringsregels en van het gezag van gewijsde alsmede ontoereikende motivering
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
4. Vierde middel: ontoereikende motivering en schending van de rechten van de verdediging en van het gezag van gewijsde
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling door het Hof
B – Hogere voorziening van de Commissie (C‑216/09 P) met als enig middel onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van beschikking nr. 715/78
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling door het Hof
VIII – Kosten
In de gevoegde zaken C‑201/09 P en C‑216/09 P,
betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op respectievelijk 5 en 10 juni 2009,
ArcelorMittal Luxembourg SA, voorheen Arcelor Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door A. Vandencasteele en C. Falmagne, avocats (C‑201/09 P),
rekwirante,
andere partijen bij de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en E. Gippini Fournier als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
ArcelorMittal Belval & Differdange SA, voorheen Arcelor Profil Luxembourg SA, gevestigd te Esch-sur-Alzette (Luxemburg),
ArcelorMittal International SA, voorheen Arcelor International SA, gevestigd te Luxemburg,
verzoeksters in eerste aanleg,
en
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, X. Lewis en E. Gippini Fournier als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg (C‑216/09 P),
rekwirante,
andere partijen bij de procedure:
ArcelorMittal Luxembourg SA, voorheen Arcelor Luxembourg SA, gevestigd te Luxemburg,
ArcelorMittal Belval & Differdange SA, voorheen Arcelor Profil Luxembourg SA, gevestigd te Esch-sur-Alzette, vertegenwoordigd door A. Vandencasteele, avocat,
ArcelorMittal International SA, voorheen Arcelor International SA, gevestigd te Luxemburg, vertegenwoordigd door A. Vandencasteele, avocat,
verzoeksters in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, A. Tizzano, J. N. Cunha Rodrigues, K. Lenaerts, J.‑C. Bonichot, K. Schiemann, A. Arabadjiev (rapporteur) en J.‑J. Kasel, kamerpresidenten, E. Juhász, G. Arestis, A. Borg Barthet, T. von Danwitz en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 juni 2010,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 oktober 2010,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorzieningen verzoeken ArcelorMittal Luxembourg SA, voorheen Arcelor Luxembourg SA (C‑201/09 P), en de Europese Commissie (C‑216/09 P) en met hun incidentele hogere voorziening verzoeken ArcelorMittal Belval & Differdange SA, voorheen Arcelor Profil Luxembourg SA, en ArcelorMittal International SA, voorheen Arcelor International SA (C‑216/09 P), het Hof om gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 2009, ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie (T‑405/06, Jurispr. blz. II‑771; hierna „bestreden arrest”), houdende gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 5342 def. van de Commissie van 8 november 2006 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van Europese balkenproducenten (Zaak COMP/F/38.907 – Stalen balken), waarvan een samenvatting is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 september 2008 (PB C 235, blz. 4; hierna: „litigieuze beschikking”).
2 Bij de litigieuze beschikking heeft de Commissie geoordeeld dat de onderneming die bestaat uit ArcelorMittal Luxembourg SA, ArcelorMittal Belval & Differdange SA en ArcelorMittal International SA, in strijd met artikel 65, lid 1, KS van 1 juli 1988 tot en met 16 januari 1991 had deelgenomen aan een aantal overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen, die het vaststellen van prijzen, het toewijzen van quota en een uitgebreide uitwisseling van informatie op de markt voor stalen balken in de Gemeenschap tot doel of tot gevolg hebben gehad, en heeft zij die vennootschappen voor deze inbreuken hoofdelijk een geldboete van 10 miljoen EUR opgelegd.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Bepalingen van het EGKS-Verdrag
3 Artikel 65 KS bepaalde:
„1. Verboden zijn: alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van verenigingen van ondernemingen en alle onderling samenhangende gedragingen, welke er direct of indirect toe zouden kunnen leiden om op de gemeenschappelijke markt de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen en in het bijzonder:
a) de prijzen vast te leggen of te bepalen;
b) de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken of te beheersen;
c) de markten, producten, afnemers of voorzieningsbronnen te verdelen.
[...]
4. De krachtens het eerste lid van dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig; voor geen enkele rechterlijke instantie van de deelnemende staten kan op dezelve een beroep gedaan worden.
Alleen de Commissie heeft de bevoegdheid, onder voorbehoud van beroep bij het Hof, om zich uit te spreken over het al of niet strijdig zijn van de genoemde overeenkomsten of besluiten met de bepalingen van dit artikel.
5. De Commissie kan aan ondernemingen, die een van rechtswege nietige overeenkomst hebben gesloten, die door arbitrage, uitkoop, boycot of enig ander middel een van rechtswege nietige overeenkomst of een zodanig besluit of een overeenkomst, waarvoor de ontheffing is geweigerd of ingetrokken, hebben toegepast of gepoogd hebben toe te passen, of die door middel van willens en wetens onjuist of misleidend gestelde inlichtingen een ontheffing hebben verkregen, of die zich aan gedragingen schuldig maken, welke in strijd zijn met de bepalingen van het eerste lid, boeten en dwangsommen opleggen tot ten hoogste het dubbele van de bereikte omzet van de producten, welke het voorwerp uitmaken van de overeenkomst, het besluit of de gedraging, strijdig met de bepalingen van het onderhavige artikel, onverminderd een verhoging van dit aldus bepaalde maximum tot een bedrag van 10 % van de jaaromzet der betrokken ondernemingen voor zover het de boete betreft en tot een bedrag van 20 % van de dagomzet, voor zover het de dwangsommen betreft, indien de bedoeling heeft voorgezeten de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken.”
4 Overeenkomstig artikel 97 KS is het EGKS-Verdrag geëxpireerd op 23 juli 2002.
B – Bepalingen van het EG-Verdrag
5 Artikel 305, lid 1, EG bepaalde:
„De bepalingen van dit Verdrag brengen geen wijziging in die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met name wat betreft de rechten en verplichtingen der lidstaten, de bevoegdheden der instellingen van die Gemeenschap en de in dat Verdrag gestelde regels voor de werking van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal.”
C – Verordening (EG) nr. 1/2003
6 Volgens artikel 4 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het [EG]-Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1) „beschikt [de Commissie] met het oog op de toepassing van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] over de bevoegdheden waarin deze verordening voorziet.”
7 Artikel 7, „Vaststelling en beëindiging van inbreuken”, van verordening nr. 1/2003 bepaalt:
„1. Wanneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG] vaststelt, kan zij bij beschikking de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken. [...] De Commissie kan ook een reeds beëindigde inbreuk vaststellen, indien zij hierbij een legitiem belang heeft.
[...]”
8 Krachtens artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 kan de Commissie bij beschikking geldboeten opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer deze opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op de artikelen 81 EG of 82 EG.
D – Bepalingen betreffende de verjaring van het recht van vervolging
9 Volgens artikel 1, lid 1, van beschikking nr. 715/78/EGKS van de Commissie van 6 april 1978 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het toepassingsgebied van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (PB L 94, blz. 22), en artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1/2003 is de bevoegdheid van de Commissie om wegens inbreuken op het mededingingsrecht geldboeten op te leggen, in beginsel onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar.
10 Artikel 1, lid 2, van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepalen dat de verjaringstermijn ingaat op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
11 Volgens artikel 2, lid 1, van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1/2003 wordt de verjaring gestuit door elke handeling van de Commissie ter instructie of vervolging van de inbreuk. De stuiting van de verjaring treedt in op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming die aan de inbreuk heeft deelgenomen. Handelingen die de verjaring stuiten, zijn met name:
– schriftelijke verzoeken om inlichtingen van de Commissie, alsmede beschikkingen van de Commissie waarbij de gevraagde inlichtingen worden verlangd;
– door de Commissie aan haar functionarissen verstrekte schriftelijke opdrachten om inspecties of verificaties te verrichten alsmede beschikkingen van de Commissie waarbij verificaties worden gelast;
– de inleiding van een procedure door de Commissie, en
– de mededeling van de punten van bezwaar door de Commissie.
12 Artikel 2, lid 2, van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 4, van verordening nr. 1/2003 bepalen dat de stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
13 Volgens artikel 2, lid 3, van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003 begint na elke stuiting een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een sanctie heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaring is geschorst.
14 Artikel 3 van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 bepalen dat de verjaring van het recht van vervolging is geschorst zolang de beschikking van de Commissie het voorwerp vormt van een procedure bij het Hof.
15 Uit artikel 4 van beschikking nr. 715/78 en artikel 26, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003 blijkt dat de bevoegdheid van de Commissie tot tenuitvoerlegging van de beschikkingen waarbij op grond van de bepalingen van het EGKS-Verdrag of van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 geldboeten zijn opgelegd, na vijf jaar verjaart, en dat die termijn ingaat op de dag waarop de beschikking niet meer kan worden aangevochten.
II – Voorgeschiedenis van het geding
16 De aan het onderhavige geding ten grondslag liggende feiten, zoals uiteengezet in de punten 16 tot en met 37 van het bestreden arrest, kunnen worden samengevat als volgt.
17 ARBED SA, die haar handelsnaam achtereenvolgens heeft veranderd in Arcelor Luxembourg SA en ArcelorMittal Luxembourg SA (hierna: „ARBED”), was werkzaam op het gebied van de vervaardiging van staalproducten.
18 TradeARBED SA, die haar handelsnaam achtereenvolgens heeft veranderd in Arcelor International SA en ArcelorMittal International SA (hierna: „TradeARBED”), was opgericht als een 100 %-dochteronderneming van ARBED en hield zich bezig met de verkoop van de door ARBED vervaardigde staalproducten.
19 ProfilARBED SA, die haar handelsnaam achtereenvolgens heeft veranderd in Arcelor Profil Luxembourg SA en ArcelorMittal Belval & Differdange SA (hierna: „ProfilARBED”), is op 27 november 1992 opgericht als 100 %-dochteronderneming van ARBED teneinde vanaf die datum de economische en industriële activiteiten van ARBED in de balkensector voort te zetten.
20 In 1991 heeft de Commissie op basis van krachtens artikel 47 KS vastgestelde beschikkingen verificaties uitgevoerd in de kantoren van verschillende ondernemingen, waaronder TradeARBED. Op 6 mei 1992 heeft zij een mededeling van punten van bezwaar gericht aan de betrokken ondernemingen, waaronder TradeARBED, maar niet aan ARBED en ProfilARBED. TradeARBED heeft deelgenomen aan een hoorzitting die heeft plaatsgevonden van 11 tot en met 14 januari 1993.
21 Bij beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1; hierna: „aanvankelijke beschikking”), heeft de Commissie vastgesteld dat 17 Europese staalondernemingen, waaronder TradeARBED, in strijd met artikel 65, lid 1, KS hadden deelgenomen aan een aantal overeenkomsten, besluiten en onderling samenhangende gedragingen ter vaststelling van prijzen, verdeling van markten en uitwisseling van vertrouwelijke informatie op de communautaire markt voor balken, en heeft zij wegens de tussen 1 juli 1988 en 31 december 1990 gepleegde inbreuken geldboeten opgelegd aan 14 ondernemingen uit deze sector, waaronder ARBED (11 200 000 ecu).
22 Bij arrest van 11 maart 1999, ARBED/Commissie (T‑137/94, Jurispr. blz. II‑303), heeft het Gerecht het door ARBED ingestelde beroep tot nietigverklaring van de aanvankelijke beschikking verworpen, maar het bedrag van de aan die onderneming opgelegde geldboete verlaagd tot 10 000 000 EUR.
23 Bij arrest van 2 oktober 2003, ARBED/Commissie (C‑176/99 P, Jurispr. blz. I‑10687), heeft het Hof wegens schending van de rechten van de verdediging dat arrest van het Gerecht vernietigd en de aanvankelijke beschikking nietig verklaard voor zover zij betrekking had op ARBED.
24 Ten vervolge op deze nietigverklaring heeft de Commissie besloten om een nieuwe procedure in te leiden met betrekking tot de tegen de mededinging gerichte gedragingen die het voorwerp van de aanvankelijke beschikking waren geweest. Op 8 maart 2006 heeft zij aan ARBED, TradeARBED en ProfilARBED een mededeling van punten van bezwaar gestuurd, waarbij zij hen in kennis stelde van haar voornemen om een beschikking vast te stellen waarbij deze ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk zouden worden gesteld voor de betrokken inbreuken. Op 20 april 2006 hebben die vennootschappen daarop geantwoord.
25 Op 8 november 2006 heeft de Commissie de litigieuze beschikking vastgesteld. De artikelen 1 en 2 van deze beschikking luiden als volgt:
„Artikel 1
De onderneming die bestaat uit [ARBED, TradeARBED en ProfilARBED], heeft in strijd met artikel 65, lid 1, [KS] deelgenomen aan een reeks overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen, die het vaststellen van prijzen, het toewijzen van quota en een uitgebreide uitwisseling van informatie op de markt voor balken in de Gemeenschap tot doel of tot gevolg hebben gehad. Vastgesteld is dat de aldus samengestelde onderneming van 1 juli 1988 tot en met 16 januari 1991 aan deze inbreuken heeft deelgenomen.
Artikel 2
Aan [ARBED, TradeARBED en ProfilARBED] wordt voor de in artikel 1 bedoelde inbreuken een geldboete van 10 miljoen EUR opgelegd, tot betaling waarvan die vennootschappen hoofdelijk gehouden zijn.”
III – Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
26 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 december 2006, hebben ARBED, TradeARBED en ProfilARBED op grond van de artikelen 33 KS en 36 KS en de artikelen 229 EG en 230 EG een beroep ingesteld tegen de litigieuze beschikking.
27 ARBED, TradeARBED en ProfilARBED voerden als eerste middel aan dat de litigieuze beschikking geen rechtsgrondslag had en dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. Het tweede middel betrof schending van de regels betreffende de toerekening van de inbreuken, het derde middel schending van de regels betreffende de verjaring van het recht van vervolging en het vierde middel schending van de rechten van de verdediging.
28 Onder meer op grond dat de gemeenschapsverdragen één enkele rechtsorde tot stand hebben gebracht, dat de handhaving van een stelsel van vrije mededinging het gemeenschappelijke doel van het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag is en dat volgens een aan de rechtsstelsels van de lidstaten gemeenschappelijk beginsel bij de wijziging van wettelijke voorschriften de continuïteit van de rechtsorde moet worden verzekerd tenzij de wetgever uitdrukkelijk anders heeft beslist, heeft het Gerecht het eerste middel afgewezen door te oordelen dat de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 aldus moeten worden uitgelegd dat zij toestaan dat de Commissie na 23 juli 2002 mededingingsregelingen tussen ondernemingen vaststelt en bestraft die tot stand zijn gebracht in sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen.
29 Het Gerecht heeft ook het tweede middel afgewezen door enerzijds te oordelen dat TradeARBED dit middel niet had aangevoerd, en anderzijds dat uit de overwegingen van de Commissie niet bleek van een onjuiste rechtsopvatting voor zover de Commissie daarin de door TradeARBED gepleegde inbreuk aan ARBED en aan ProfilARBED als „economische opvolger” van laatstgenoemde had toegerekend op grond dat ARBED 100 % van het kapitaal van TradeARBED bezat en dat er bewijzen waren dat zij beslissende invloed had op het gedrag van TradeARBED en daarvan ook gebruik heeft gemaakt.
30 Aangaande het derde middel heeft het Gerecht de stelling dat met betrekking tot ARBED inbreuk was gemaakt op de regels betreffende de verjaring van het recht van vervolging, van de hand gewezen op grond dat de litigieuze beschikking, wegens de schorsing van de verjaring tijdens de eerste procedure voor het Gerecht en voor het Hof, zowel binnen de verjaringstermijn van vijf jaar als binnen die van tien jaar was gegeven. Op grond van de overweging dat die schorsing werking had inter partes, maar niet erga omnes, heeft het Gerecht geoordeeld dat ten aanzien van ProfilARBED en TradeARBED de verjaringstermijn van tien jaar was verstreken, en heeft het de litigieuze beschikking dus nietig verklaard zover deze betrekking had op die twee vennootschappen.
31 Het Gerecht heeft het vierde middel, voor zover het was aangevoerd door ARBED, afgewezen op grond dat deze laatste alleen had aangevoerd dat de bewijsmiddelen die in 1990 tot haar beschikking hadden kunnen staan, door het tijdsverloop waren verdwenen, en dus niet had aangetoond op welke wijze de duur van de administratieve procedure schade had kunnen berokkenen aan de uitoefening van haar rechten van verdediging.
32 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de litigieuze beschikking dan ook nietig verklaard voor zover deze betrekking had op ProfilARBED en TradeARBED, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
IV – Procedure voor het Hof
33 Bij beschikking van 10 september 2009 heeft de president van het Hof besloten de zaken C‑201/09 P en C‑216/09 P te voegen voor de mondelinge behandeling en het arrest.
V – Conclusies van partijen
34 Met haar hogere voorziening (C‑201/09 P) verzoekt ARBED het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de litigieuze beschikking handhaaft ten aanzien van ARBED, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige instantie alsmede in die van de procedure voor het Gerecht.
35 In haar memorie van antwoord op die hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
– de hogere voorziening af te wijzen, en
– ARBED te verwijzen in de kosten.
36 Met haar hogere voorziening (C‑216/09 P) verzoekt de Commissie het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de bij de litigieuze beschikking aan ProfilARBED en TradeARBED opgelegde geldboeten nietig verklaart;
– het beroep van ProfilARBED en TradeARBED te verwerpen, en
– ProfilARBED en TradeARBED te verwijzen in de kosten.
37 In hun memorie van antwoord op die hogere voorziening hebben ProfilARBED en TradeARBED incidentele hogere voorziening ingesteld en verzoeken zij het Hof:
– op grond van de relatieve werking van de schorsing van de verjaring het bestreden arrest te handhaven voor zover het de hen bij de litigieuze beschikking opgelegde geldboeten nietig verklaart;
– subsidiair en in reconventie, het bestreden arrest te vernietigen voor zover het:
– het EGKS-Verdrag en verordening nr. 1/2003 op hen toepast;
– het gedrag van TradeARBED aan ProfilARBED toerekent;
– niet erkent dat het recht van vervolging ten aanzien van ProfilARBED is verjaard op grond van de regels betreffende de stuiting van de verjaring;
– niet erkent dat ProfilARBED zich, gelet op de bijzonder lange duur van de procedure, op schending van de rechten van verdediging kan beroepen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
38 In haar memorie van antwoord op die incidentele hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
– de incidentele hogere voorziening af te wijzen, en
– ProfilARBED en TradeARBED te verwijzen in de kosten.
VI – Vordering tot heropening van de mondelinge behandeling
39 Bij akte, ingekomen ter griffie van het Hof op 27 oktober 2010, heeft de Commissie het Hof krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten ingeval het zou willen ingaan op de kwestie van de aansprakelijkheid die voor ProfilARBED voortvloeit uit het feit dat deze vennootschap de economische activiteiten van ARBED voortzet. Volgens haar heeft de advocaat-generaal deze kwestie immers behandeld in de punten 224 tot en met 235 van zijn conclusie, maar vormt deze niet het voorwerp van het geding en heeft daarover geen discussie tussen partijen plaatsgevonden.
40 Overeenkomstig genoemde bepaling is de advocaat-generaal daarover gehoord.
41 Het Hof kan krachtens artikel 61 van zijn reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen heropenen indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie arrest van 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C‑42/07, Jurispr. blz. I‑7633, punt 31 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Het Hof is van oordeel dat het in het onderhavige geval beschikt over alle gegevens die het nodig heeft om het geding te beslechten, en dat in deze zaak geen argument moet worden behandeld waarover voor het Hof geen discussie heeft plaatsgevonden.
43 Bijgevolg dient geen heropening van de mondelinge behandeling te worden gelast.
VII – Hogere voorzieningen
44 In haar hogere voorziening (C‑201/09 P) voert ARBED vier middelen aan. Als eerste middel voert ARBED schending van artikel 97 KS en van verordening nr. 1/2003, misbruik van bevoegdheid, onjuiste rechtsopvattingen en ontoereikende motivering aan.
45 Het tweede middel betreft schending van de rechtspersoonlijkheid van de vennootschappen en van het persoonlijke karakter van straffen en sancties, ontoereikende motivering, onjuiste uitlegging en toepassing van de rechtspraak van het Hof over de toerekenbaarheid van het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aan de moedermaatschappij en schending van het gezag van gewijsde en van de hiërarchie der normen.
46 Het derde middel betreft schending van de verjaringsregels en van het gezag van gewijsde van de aanvankelijke beschikking en ontoereikende motivering. Als vierde middel verwijt ARBED het Gerecht ontoereikende motivering en schending van de rechten van de verdediging en van het gezag van gewijsde van het reeds aangehaalde arrest van 2 oktober 2003, ARBED/Commissie.
47 In haar hogere voorziening (C‑216/09 P) voert de Commissie als enig middel onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van beschikking nr. 715/78 aan.
A – Hogere voorziening van ARBED (C‑201/09 P)
1. Eerste middel: schending van artikel 97 KS en van verordening nr. 1/2003, misbruik van bevoegdheid, onjuiste rechtsopvatting en ontoereikende motivering
a) Argumenten van partijen
48 ARBED wijst er allereerst op dat in artikel 97 KS was bepaald dat het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 zou expireren, en dat de op artikel 65 KS gebaseerde litigieuze beschikking is vastgesteld op 8 november 2006. Door te oordelen dat de betrokken praktijken terecht op basis van artikel 65 KS zijn vervolgd, zou het Gerecht artikel 97 KS hebben geschonden en niet hebben geantwoord op de argumenten van ARBED betreffende het ontbreken van een rechtsgrondslag voor die beschikking.
49 Volgens ARBED heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de gemeenschapsverdragen één enkele rechtsorde tot stand hebben gebracht. Volgens artikel 305, lid 1, EG vormde het EGKS-Verdrag een specifieke regeling die afweek van de bij het EG-Verdrag vastgestelde algemene regels, en zou de vervanging van het rechtskader van het EGKS-Verdrag door dat van het EG-Verdrag vanaf 24 juli 2002 hebben geleid tot een wijziging van de geldende rechtsgrondslagen, procedures en materiële regels. De verplichting voor de instellingen om de verschillende verdragen op een samenhangende wijze uit te leggen zou alleen kunnen worden nagekomen indien de door de verdragen zelf gestelde grenzen worden nageleefd, en zou er dus niet toe kunnen leiden dat de instellingen een bepaling van een verdrag dat op 23 juli 2002 zou aflopen, na die datum handhaven.
50 De door het Gerecht ter ondersteuning van zijn opvatting aangehaalde arresten van 25 februari 1969, Klomp (23/68, Jurispr. blz. 43), en 18 juli 2007, Lucchini (C‑119/05, Jurispr. blz. I‑6199), zouden niet met succes kunnen worden aangevoerd om tot een andere conclusie te komen. Het eerste arrest zou immers betrekking hebben op een wijziging van het primaire gemeenschapsrecht als gevolg van het Fusieverdrag en niet op het aflopen van een verdrag, en het tweede arrest zou betrekking hebben op een beschikking die krachtens het EGKS-Verdrag was vastgesteld vóór het aflopen daarvan en niet erna.
51 In de tweede plaats is ARBED van mening dat het Gerecht, door de bevoegdheid van de Commissie op verordening nr. 1/2003 te baseren, zijn bevoegdheid heeft misbruikt en niet heeft geantwoord op haar argumenten. Zij wijst erop dat verordening nr. 1/2003 na het aflopen van het EGKS-Verdrag is vastgesteld, en zij is van mening dat, gelet op artikel 4 van die verordening en bij ontbreken van enige verwijzing naar het EGKS-Verdrag, de Commissie volgens die verordening slechts bevoegd is om inbreuken op de artikelen 81 EG en 82 EG te vervolgen.
52 Zelfs al zou verordening nr. 1/2003 de Commissie de bevoegdheid verlenen om schendingen van artikel 65, lid 1, KS te bestraffen, dan nog zou deze verordening het EGKS-Verdrag schenden aangezien zij, ofschoon uitsluitend vastgesteld krachtens het EG-Verdrag, een wijziging van het EGKS-Verdrag zou meebrengen. Uit de rechtspraak zou immers blijken dat een samenhangende uitlegging van de materieelrechtelijke bepalingen van de verschillende verdragen geen enkele invloed heeft op de bevoegdheden die deze verdragen aan de verschillende instellingen toekennen, aangezien de instellingen in het kader van elk verdrag slechts de bevoegdheden mogen uitoefenen die hun door dat verdrag zijn toegekend.
53 Volgens ARBED heeft de opvatting van het Gerecht enerzijds tot gevolg dat de Raad van de Europese Unie de bevoegdheid krijgt om te beslissen welke autoriteiten bevoegd zijn om artikel 65 KS ten uitvoer te leggen, terwijl die bevoegdheid door de opstellers van het EGKS-Verdrag is uitgeoefend, en anderzijds dat de aard van de door het EGKS-Verdrag aan de Commissie toegekende bevoegdheid wordt gewijzigd, aangezien deze bevoegdheid volgens de bewoordingen van artikel 65 KS een exclusieve bevoegdheid is, terwijl zij in kader van verordening nr. 1/2003 een bevoegdheid is die met de nationale mededingingsautoriteiten en de nationale rechterlijke instanties wordt gedeeld.
54 De uitlegging die het Gerecht van de regels betreffende de werking van de wet in de tijd heeft gegeven, zou dus afbreuk doen aan de juridische identiteit die elk verdrag kenmerkt, en aan de regels inzake de hiërarchie der normen. Bovendien zou het Gerecht procedurevoorschriften, materiële regels en toekenning van bevoegdheid door elkaar halen. Uit de rechtspraak zou enerzijds blijken dat de vraag naar de bevoegdheid van een instelling voorafgaat aan de vraag welke materiële regels en procedurevoorschriften van toepassing zijn, en anderzijds dat de rechtsgrondslag voor de bevoegdheid van de instelling van de Unie om een handeling vast te stellen, ten tijde van de vaststelling van die handeling van kracht moet zijn.
b) Beoordeling door het Hof
55 Om te beginnen dient allereerst te worden vastgesteld dat elke vóór het aflopen van het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 gesloten of ten uitvoer gelegde overeenkomst in de zin van artikel 65, lid 1, KS, tot en met die datum aanleiding kon geven tot een op artikel 65, lid 5, KS gebaseerde beschikking waarbij de Commissie geldboeten oplegt aan de ondernemingen die bij die overeenkomst of bij de tenuitvoerlegging daarvan betrokken waren.
56 Vervolgens dient te worden vastgesteld dat elke tussen 24 juli 2002 en 30 november 2009 gesloten of ten uitvoer gelegde overeenkomst in de zin van artikel 65, lid 1, KS, aanleiding kon geven tot een dergelijke op artikel 81 EG en artikel 15, lid 2, sub a, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het [EG‑]Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), of artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 gebaseerde beschikking van de Commissie.
57 Ten slotte staat ook vast dat elke vanaf 1 december 2009 gesloten of ten uitvoer gelegde overeenkomst in de zin van artikel 65, lid 1, KS aanleiding kan geven tot een dergelijke op artikel 101 VWEU en artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 gebaseerde beschikking van de Commissie.
58 In het onderhavige geval komt ARBED echter in wezen op tegen de vaststelling door het Gerecht dat de Commissie haar bij de na 23 juli 2002 vastgestelde litigieuze beschikking op grond van artikel 65, leden 1 en 5, KS junctis de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 een geldboete kon opleggen voor het feit dat zij vóór 23 juli 2002 betrokken was geweest bij het sluiten en ten uitvoer leggen van een overeenkomst in de zin van artikel 65, lid 1, KS.
59 Wat in de eerste plaats de bevoegdheid van de Commissie betreft, heeft het Gerecht in de punten 57 en 58 van het bestreden arrest geoordeeld dat ingevolge artikel 305, lid 1, EG het EGKS-Verdrag een lex specialis vormde die derogeerde aan de lex generalis, het EG-Verdrag, en dat als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 de werkingssfeer van de algemene regeling van het EG-Verdrag op 24 juli 2002 is uitgebreid tot de sectoren die aanvankelijk onder het EGKS-Verdrag vielen.
60 In de punten 59 tot en met 61 van het bestreden arrest heeft het Gerecht gepreciseerd dat de vervanging van het rechtskader van het EGKS-Verdrag door dat van het EG-Verdrag deel uitmaakt van de continuïteit van de rechtsorde van de Unie en van de doelstellingen daarvan, waarbij de invoering en de handhaving van een stelsel van vrije mededinging een van de wezenlijke doelstellingen van zowel het EG-Verdrag als het EGKS-Verdrag is en was. In dit verband heeft het erop gewezen dat de begrippen overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen onder vigeur van artikel 65, lid 1, KS overeenstemden met de begrippen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG, en dat deze twee bepalingen door de rechter van de Unie op dezelfde wijze werden uitgelegd.
61 In punt 62 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat volgens een beginsel dat de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, bij wijziging der wettelijke voorschriften, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel door de wetgever, de continuïteit van het rechtsbestel moet worden verzekerd, en dat dit beginsel van toepassing is op wijzigingen van het primaire recht van de Unie.
62 In de punten 63 en 64 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaruit geconcludeerd dat de continuïteit van de rechtsorde van de Unie vereist dat de Commissie met betrekking tot onder het EGKS-Verdrag ontstane situaties de naleving verzekert van de rechten en plichten die in die tijd krachtens het EGKS-Verdrag voor zowel de lidstaten als de particulieren golden, en dat artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bijgevolg aldus moet worden uitgelegd dat het de Commissie toestaat om na 23 juli 2002 mededingingsregelingen te bestraffen die tot stand zijn gebracht in sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen.
63 Deze overwegingen bevatten geen onjuiste rechtsopvattingen. Uit de rechtspraak blijkt immers enerzijds dat overeenkomstig een aan de rechtsstelsels der lidstaten gemeenschappelijk beginsel, waarvan de oorsprong reeds in het Romeinse recht te vinden is, bij wijziging der wettelijke voorschriften, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel door de wetgever, de continuïteit van het rechtsbestel moet worden verzekerd, en anderzijds dat dit beginsel van toepassing is op wijzigingen van het primaire recht van de Unie (zie in die zin arrest Klomp, reeds aangehaald, punt 13).
64 Gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, wijst niets erop dat de wetgever van de Unie heeft gewenst dat onder vigeur van het EGKS-Verdrag verboden onderling afgestemde gedragingen na afloop van dit verdrag aan elke sanctie kunnen ontsnappen.
65 Bovendien blijkt uit de in de punten 55 tot en met 57 van het onderhavige arrest gedane vaststellingen dat de opvolging van het EGKS-Verdrag door het EG-Verdrag en later door het VWEU de vrije mededinging beoogt te waarborgen door ervoor te zorgen dat alle gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, KS, ongeacht of zij voor dan wel na 23 juli 2002 hebben plaatsgevonden, door de Commissie konden en kunnen worden bestraft.
66 In die omstandigheden zou het indruisen tegen het doel en de samenhang van de Verdragen en onverenigbaar zijn met de continuïteit van de rechtsorde van de Unie, dat de Commissie niet bevoegd zou zijn om een eenvormige toepassing te verzekeren van de regels van het EGKS-Verdrag die ook na expiratie van dat verdrag nog effect blijven sorteren (zie in die zin arrest Lucchini, reeds aangehaald, punt 41).
67 In de tweede plaats heeft het Gerecht dienaangaande in de punten 65, 66 en 68 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de inachtneming van de beginselen betreffende de werking van de wet in de tijd en de eisen van het rechtszekerheidsbeginsel en van het beginsel van bescherming van het gewettigde vertrouwen gebieden dat de materiële bepalingen van artikel 65, leden 1 en 5, KS toepassing vinden op de feiten van de onderhavige zaak, die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer ervan vallen.
68 Inzonderheid dient eraan te worden herinnerd dat het rechtszekerheidsbeginsel eist dat een regeling van de Unie de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arrest van 10 maart 2009, Heinrich, C‑345/06, Jurispr. blz. I‑1659, punt 44 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Dienaangaande zij erop gewezen dat artikel 65, leden 1 en 5, KS ten tijde van de feiten in een duidelijke rechtsgrondslag voor de in het onderhavige geval opgelegde geldboete voorzag, zodat TradeARBED niet onwetend kon zijn van de gevolgen van haar gedrag. Uit de vaststellingen in de punten 55 tot en met 57 van het onderhavige arrest blijkt overigens dat de Commissie ook op elk later tijdstip een dergelijke sanctie had kunnen opleggen voor datzelfde gedrag.
70 Aangezien de verdragen reeds vóór de feiten een duidelijke omschrijving bevatten van de inbreuken en van de aard en de omvang van de sancties die daarvoor konden worden opgelegd, zijn die beginselen er niet op gericht te garanderen dat de ondernemingen ten gevolge van latere wijzigingen van de rechtsgrondslagen en de procedurevoorschriften kunnen ontsnappen aan elke sanctie voor hun inbreuk opleverend gedrag uit het verleden.
71 Hieraan dient te worden toegevoegd dat de Commissie er reeds vóór de expiratie van het EGKS-Verdrag op had gewezen dat ontsnappen aan een dergelijke sanctie onmogelijk was, door in punt 31 van haar mededeling van 18 juni 2002 betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag (PB C 152, blz. 5) te verklaren dat indien zij een inbreuk vaststelt op een gebied dat onder toepassing van het EGKS-Verdrag valt, het materiële recht, ongeacht het tijdstip waarop het wordt toegepast, het recht is dat van kracht was op het tijdstip waarop de inbreuk opleverende feiten plaatsvonden, en dat na de expiratie van het EGKS-Verdrag de uit het EG-Verdrag voortvloeiende procedurevoorschriften van toepassing zijn.
72 Het beginsel van de lex mitior staat in het onderhavige geval overigens niet in de weg aan de toepassing van artikel 65, lid 5, KS, aangezien de bij de litigieuze beschikking opgelegde geldboete in elk geval lager is dan het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalde maximum voor het opleggen van een geldboete wegens schending van de mededingingsregels van de Unie.
73 Uit het samenstel van deze omstandigheden volgt dat een zorgvuldige onderneming in de situatie van ARBED op geen enkel ogenblik onwetend kon zijn van de gevolgen van haar gedrag en er ook niet op mocht vertrouwen dat zij aan elke sanctie voor haar in het verleden gepleegde inbreuken op artikel 65 KS zou ontsnappen doordat de rechtsregeling van het EG-Verdrag in de plaats van die van het EGKS-Verdrag is gekomen.
74 Wat de rechtsgrondslag en de toepasselijke procedurevoorschriften betreft, heeft het Gerecht in de punten 64 en 67 van het bestreden arrest eveneens terecht geoordeeld dat de bevoegdheid van de Commissie om bij de litigieuze beschikking de betrokken geldboete op te leggen, voortvloeide uit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, en dat de procedure overeenkomstig die verordening diende te worden gevoerd.
75 Uit de rechtspraak blijkt immers dat de bepaling die de rechtsgrondslag van een handeling vormt en de instelling van de Unie machtigt om de betrokken handeling vast te stellen, van kracht moet zijn op het moment van de vaststelling van die handeling (zie in die zin arrest van 4 april 2000, Commissie/Raad, C‑269/97, Jurispr. blz. I‑2257, punt 45), en dat procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden vanaf het ogenblik waarop zij in werking treden (zie in die zin arresten van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., 212/80–217/80, Jurispr. blz. 2735, punt 9, en 23 februari 2006, Molenbergnatie, C‑201/04, Jurispr. blz. I‑2049, punt 31).
76 Hieraan dient te worden toegevoegd dat de toepassing van verordening nr. 1/2003 door de Commissie de in het kader van het EGKS-Verdrag aan vervolgde ondernemingen geboden procedurele waarborgen niet heeft verminderd, maar deze veeleer heeft uitgebreid, hetgeen ARBED overigens niet betwist.
77 Hieruit volgt dat het Gerecht zonder blijk te geven van onjuiste rechtsopvattingen in de punten 67 en 68 van het bestreden arrest heeft kunnen concluderen dat, enerzijds, de bevoegdheid van de Commissie om bij de litigieuze beschikking de betrokken geldboete op te leggen voortvloeide uit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en de procedure volgens die verordening diende te worden gevoerd, en anderzijds, artikel 65, leden 1 en 5, KS het materiële recht vormt dat in de toepasselijke sanctie voorziet.
78 In de derde plaats dient, voor zover ARBED betoogt dat het Gerecht niet uitdrukkelijk heeft geantwoord op al haar argumenten, eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de ingevolge de artikelen 36 en 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, niet inhoudt dat het Gerecht bij zijn redenering alle door de partijen bij het geding uiteengezette argumenten één voor één uitputtend dient te behandelen. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen, en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen (arrest van 2 april 2009, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie, C‑431/07 P, Jurispr. blz. I‑2665, punt 42, alsmede beschikking van 21 januari 2010, Iride en Iride Energia/Commissie, C‑150/09 P, punt 42).
79 Welnu, de door het Gerecht gevolgde redenering is duidelijk en begrijpelijk, zodat ARBED de redenen kan kennen waarom het Gerecht het betrokken middel heeft afgewezen en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen. Bijgevolg is het bestreden arrest niet ontoereikend gemotiveerd.
80 Gelet op een en ander dient het eerste middel te worden afgewezen.
2. Tweede middel: schending van de rechtspersoonlijkheid van de vennootschappen en van het persoonlijke karakter van straffen en sancties, ontoereikende motivering, onjuiste uitlegging en toepassing van de rechtspraak van het Hof over de toerekenbaarheid van het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aan de moedermaatschappij en schending van het gezag van gewijsde
a) Ontvankelijkheid en werkzaamheid van het middel
i) Argumenten van partijen
81 In haar memorie van antwoord op de hogere voorziening in zaak C‑201/09 P voert de Commissie aan dat dit middel, voor zover daarmee wordt opgekomen tegen de toerekening – in de punten 106 tot en met 119 van het bestreden arrest – van het gedrag van TradeARBED aan ProfilARBED, niet-ontvankelijk is omdat het verzoekschrift geen middel mag bevatten dat betrekking heeft op een andere partij bij de procedure.
82 Bovendien is de Commissie van mening dat het tweede middel faalt omdat het alleen ziet op de toepassing van het uit het bezit van 100 % van het kapitaal van een dochteronderneming voortvloeiende vermoeden van de uitoefening van daadwerkelijke controle en niet op de vaststelling door het Gerecht dat de Commissie had aangetoond dat ARBED daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefende op TradeARBED zodat kon worden aangenomen dat deze vennootschappen een economische eenheid vormden.
ii) Beoordeling door het Hof
83 Wat de ontvankelijkheid van het op de toerekening van het gedrag van TradeARBED aan ProfilARBED betrekking hebbende onderdeel van het middel betreft, staat vast dat met dit middel niet tegen het bestreden arrest wordt opgekomen voor zover dit de rechtspositie van ARBED aantast. Zoals de Commissie terecht aanvoert, kan een rekwirante echter geen middel ten behoeve van een andere partij bij de procedure aanvoeren. Bijgevolg moet het onderhavige middel niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het ziet op de toerekening van het gedrag van TradeARBED aan ProfilARBED.
84 Wat de werkzaamheid van het tweede middel betreft, blijkt uit punt 99 van het bestreden arrest dat het Gerecht zich voor zijn conclusie dat ARBED en TradeARBED een economische eenheid vormen, op het samenstel van de aan dat punt voorafgaande overwegingen heeft gebaseerd, daaronder begrepen dus het weerlegbare vermoeden dat een moedermaatschappij die haar dochteronderneming 100 % controleert, daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van deze laatste.
85 In die omstandigheden dient het tweede middel ten gronde te worden onderzocht.
b) Ten gronde
i) Argumenten van partijen
86 ARBED wijst er allereerst op dat het Gerecht zijn conclusie dat het gedrag van TradeARBED aan ARBED kan worden toegerekend, heeft gebaseerd op de in het mededingingsrecht ontwikkelde opvatting dat juridisch zelfstandige ondernemingen een economische eenheid kunnen vormen. Tot op heden zou die opvatting echter alleen zijn aangewend om de ondernemingen te behoeden voor de gevolgen van het bestaan van juridisch zelfstandige rechtspersonen door te bepalen dat het in artikel 81 EG geformuleerde verbod van overeenkomsten tussen ondernemingen niet van toepassing is op ondernemingen die tot eenzelfde groep behoren, en dat de regeling inzake concentraties van ondernemingen niet van toepassing is op de overname van ondernemingen binnen eenzelfde groep.
87 Door te oordelen dat de ondernemingen van een groep collectief aansprakelijk zijn voor het gedrag van een van hen, zou het Gerecht zijn voorbijgegaan aan het aan particulieren toegekende recht om hun economische activiteiten uit te oefenen in de vorm van juridisch zelfstandige entiteiten die eigen rechtspersoonlijkheid hebben en individueel aansprakelijk zijn.
88 Bovendien zou de door het Gerecht gekozen aanpak een onsamenhangend resultaat opleveren. De dubbele omstandigheid dat het inbreuk opleverende gedrag van een vennootschap die tot een groep behoort, zowel aan de moedermaatschappij als aan een zusteronderneming kan worden toegerekend, en dat alleen de moedermaatschappij een vermoeden van beslissende invloed kan weerleggen, zou er immers op neerkomen dat voor de zusteronderneming een strengere regeling geldt.
89 Volgens ARBED schendt het bestreden arrest daardoor de rechtpersoonlijkheid en het persoonlijke karakter van straffen en sancties en vertoont de in het arrest gevolgde redenering een gebrek aan interne samenhang dat gelijkstaat met ontoereikende motivering.
90 In de tweede plaats is ARBED van mening dat het Gerecht, door te oordelen dat een weerlegbaar vermoeden dat de moedermaatschappij een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar 100 %-dochteronderneming, rechtvaardigt dat het gedrag van de dochteronderneming aan de moedermaatschappij wordt toegerekend, de algemene rechtsbeginselen heeft geschonden en is afgeweken van de rechtspraak van zowel het Hof als het Gerecht. Die rechtspraak zou eisen dat de Commissie aantoont dat aan elk van de ondernemingen waarop de betrokken boetebeschikking betrekking heeft, specifieke verwijten kunnen worden gemaakt.
91 De arresten van 25 oktober 1983, AEG-Telefunken/Commissie (107/82, Jurispr. blz. 3151), en 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C‑286/98 P, Jurispr. blz. I‑9925), zouden het standpunt van het Gerecht niet kunnen rechtvaardigen, omdat het eerste niet ter zake dienend is en het tweede onjuist is uitgelegd.
92 Volgens ARBED diende het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het reeds aangehaalde arrest AEG-Telefunken/Commissie, immers geen uitspraak te doen over de mogelijkheid om een door een dochteronderneming gepleegde inbreuk aan de moedermaatschappij toe te rekenen, maar over het bewijs dat die moedermaatschappij aan een inbreuk had deelgenomen. Anders dan in die zaak zou het in de onderhavige zaak toepasselijke nationale recht ook niet eisen dat de statutaire organen van een dochteronderneming 100 % identiek zijn aan die van de moedermaatschappij.
93 Met betrekking tot de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie heeft geleid, betoogt ARBED dat het Hof nooit heeft verklaard dat een 100 %-controle van een vennootschap volstond om de moedermaatschappij aansprakelijk te achten voor het gedrag van haar dochteronderneming. Anders dan ARBED had de moedermaatschappij in die zaak tijdens de administratieve procedure de aansprakelijkheid voor het gedrag van haar dochteronderneming op zich genomen. Bovendien had de Commissie in de beschikking die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, de sanctie aan de moedermaatschappij opgelegd wanneer er uitdrukkelijke bewijzen waren dat deze moedermaatschappij aan de inbreuk had deelgenomen.
94 In de derde plaats betoogt ARBED dat het Gerecht, door zowel het bestaan van een beslissende invloed van ARBED op TradeARBED als de uitoefening van die invloed vast te stellen ofschoon zowel in de litigieuze beschikking als in de aanvankelijke beschikking wordt erkend dat ARBED niet aan de inbreuk heeft deelgenomen door die invloed uit te oefenen, het gezag van gewijsde van de aanvankelijke beschikking heeft geschonden, met overschrijding van zijn bevoegdheid zijn eigen oordeel in de plaats heeft gesteld van dat van de Commissie en de reeds aangehaalde arresten AEG-Telefunken/Commissie en Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie onjuist heeft toegepast.
ii) Beoordeling door het Hof
95 Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip onderneming elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. In dit verband heeft het Hof enerzijds gepreciseerd dat in deze context onder het begrip onderneming moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd, en anderzijds dat wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor moet dragen (arrest van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 34 en 36 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
96 Het gedrag van een dochteronderneming kan met name dan aan de moedermaatschappij worden toegerekend wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen (arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 58 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
97 In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal bezit van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochteronderneming en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 60 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
98 In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat de moedermaatschappij het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit, om aan te nemen dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van deze dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt dat haar dochteronderneming zich autonoom gedraagt op de markt (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 61 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
99 In de punten 28 en 29 van het reeds aangehaalde arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie heeft het Hof weliswaar naast het bezit van 100 % van het kapitaal van de dochteronderneming, andere omstandigheden, zoals de niet-betwisting van de invloed van de moedermaatschappij op het commerciële beleid van haar dochteronderneming en de gemeenschappelijke vertegenwoordiging van de twee vennootschappen tijdens de administratieve procedure, genoemd maar dat neemt niet weg dat het Hof die omstandigheden slechts heeft vermeld teneinde alle elementen uiteen te zetten waarop het Gerecht zijn redenering had gebaseerd, en niet om de toepassing van het in punt 97 van het onderhavige arrest genoemde vermoeden afhankelijk te stellen van het overleggen van extra aanwijzingen betreffende de daadwerkelijke uitoefening van invloed door de moedermaatschappij (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 62).
100 Uit een en ander volgt enerzijds dat het Gerecht niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat wanneer een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal van haar dochteronderneming bezit, er een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, en anderzijds dat, anders dan ARBED stelt, de rechtspersoonlijkheid van de vennootschappen noch het persoonlijke karakter van de sancties eraan in de weg staat dat de Commissie aan een moedermaatschappij een geldboete oplegt voor een inbreuk die is gepleegd door een 100 %-dochteronderneming van die moedermaatschappij.
101 Wanneer de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming en met name op het tegen de mededinging gerichte gedrag van deze laatste, is volgens de in punt 95 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak immers de uit de moedermaatschappij en de dochteronderneming bestaande onderneming aansprakelijk voor de uit dit gedrag voortvloeiende inbreuk op de mededingingsregels van het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag.
102 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 94 en 96 tot en met 98 van het bestreden arrest erop gewezen dat de Commissie in de litigieuze beschikking had vastgesteld dat bewezen noch aangevoerd was dat TradeARBED haar commerciële beleid los van ARBED bepaalde, en dat aanvullend bewijs de beslissende invloed van ARBED op het gedrag van TradeARBED en de daadwerkelijke uitoefening van die invloed had bevestigd.
103 In die omstandigheden moet afwijzend worden beslist op de argumenten van ARBED dat de rechtspraak betreffende de toerekenbaarheid van het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aan de moedermaatschappij onjuist is toegepast, en dat het Gerecht zijn oordeel in de plaats van dat van de Commissie heeft gesteld.
104 Met betrekking tot het argument dat toerekening van het inbreuk opleverende gedrag aan een zusteronderneming op grond van het begrip economische entiteit incoherent is omdat dit erop zou neerkomen dat voor deze vennootschap strengere aansprakelijkheidsregels gelden dan voor de moedermaatschappij, behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat de Commissie dat gedrag in het onderhavige geval aan de zusteronderneming heeft toegerekend omdat deze de economische activiteiten van de moedermaatschappij had overgenomen, en dat, aangezien de aansprakelijkheid van de zusteronderneming afhing van die van de moedermaatschappij, voor de zusteronderneming geen strengere aansprakelijkheidsregels golden dan voor de moedermaatschappij.
105 Aangaande het argument inzake schending van het gezag van gewijsde behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat in elk geval een beschikking van de Commissie die bovendien, zoals de aanvankelijke beschikking, nietig is verklaard voor zover zij betrekking had op ARBED, geen gezag van gewijsde heeft.
106 Met betrekking tot de ontoereikende motivering die zou voortvloeien uit de gestelde onsamenhangendheid van de redenering van het Gerecht, volgt uit het voorgaande dat de gestelde onsamenhangendheid voortvloeit uit een onjuiste lezing door ARBED van de rechtspraak betrekkende de toerekenbaarheid van het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aan de moedermaatschappij. Dit argument moet dus in elk geval worden afgewezen.
107 Mitsdien moet het tweede middel worden afgewezen.
3. Derde middel: schending van de verjaringsregels en van het gezag van gewijsde alsmede ontoereikende motivering
a) Argumenten van partijen
108 ARBED is van mening dat het Gerecht, door te oordelen dat ARBED aan de inbreuk had deelgenomen omdat de door TradeARBED gepleegde inbreuk aan ARBED kon worden toegerekend, ten eerste zichzelf heeft tegengesproken daar het in punt 100 van het bestreden arrest onderscheid heeft gemaakt tussen aansprakelijkheid door toerekening en aansprakelijkheid door deelneming, ten tweede niet heeft aangetoond dat ARBED voldeed aan de voorwaarden waaronder handelingen die de verjaring stuiten of schorsen, aan haar konden worden tegengeworpen, ten derde de verjaringsregels onjuist heeft toegepast, en ten vierde het gezag van gewijsde heeft geschonden.
b) Beoordeling door het Hof
109 Met betrekking tot het argument inzake tegenstrijdigheid in de redenering van het Gerecht is er reeds in punt 106 van het onderhavige arrest op gewezen dat de gestelde onsamenhangendheid voortvloeit uit een onjuiste lezing door ARBED van de rechtspraak betrekkende de toerekenbaarheid van het gedrag van een 100 %-dochteronderneming aan de moedermaatschappij. Dit argument moet dus worden afgewezen.
110 Hieruit volgt ook dat, anders dan ARBED stelt, wegens die toerekenbaarheid en de omstandigheid dat TradeARBED en ARBED een economische eenheid vormden, de handelingen die de verjaring stuiten, aan ARBED konden worden tegengeworpen.
111 Ten slotte is er met betrekking tot het argument inzake schending van het gezag van gewijsde in punt 105 van het onderhavige arrest reeds op gewezen dat in elk geval een beschikking van de Commissie die bovendien, zoals de aanvankelijke beschikking, nietig is verklaard voor zover zij betrekking had op ARBED, geen gezag van gewijsde heeft.
112 Uit een en ander volgt dat het derde middel moet worden afgewezen.
4. Vierde middel: ontoereikende motivering en schending van de rechten van de verdediging en van het gezag van gewijsde
a) Argumenten van partijen
113 ARBED wijst erop dat zij voor het Gerecht had aangevoerd dat de relevante bewijsmiddelen die haar in de loop van 1990 ter weerlegging van het vermoeden van toerekenbaarheid van de door TradeARBED gepleegde inbreuk ter beschikking hadden kunnen staan, na zestien jaar niet meer voorhanden waren, en dat zij de relevantie van potentieel nuttige informatie tijdens de procedure niet had kunnen beoordelen. Het argument van ARBED zou dus betrekking hebben gehad op de onmogelijkheid om de bewijzen te verzamelen die voor de weerlegging van dat vermoeden noodzakelijk waren.
114 Door te oordelen dat het aan ARBED stond aan te tonen dat de bewijzen van de ware aard van haar betrekkingen met haar dochteronderneming niet meer voorhanden waren, zou het Gerecht een per definitie onmogelijk te leveren negatief bewijs hebben geëist, waardoor het bestreden arrest een motiveringsgebrek vertoont dat een schending van de rechten van de verdediging oplevert.
115 Met betrekking tot de omstandigheid dat het Gerecht in punt 169 van bestreden arrest daaraan heeft toegevoegd dat het vermoeden van aansprakelijkheid reeds in de aanvankelijke beschikking voorkwam, betoogt ARBED dat deze beschikking geen redenering over de toerekenbaarheid van een inbreuk van een vennootschap aan een andere vennootschap bevat, maar alleen vermeldt dat TradeARBED balken verkocht voor ARBED en dat de aanvankelijke beschikking tot ARBED was gericht om het beginsel van gelijke behandeling in acht te nemen.
116 Aangaande de overweging in punt 171 van het bestreden arrest dat het vermoeden van aansprakelijkheid in de aanvankelijke beschikking door aanvullend bewijs werd onderbouwd, wijst ARBED erop dat punt 96 van het reeds aangehaalde arrest van het Gerecht van 11 maart 1999, ARBED/Commissie, ziet op het gedrag van ARBED na de inbreuk, en dat het Gerecht in punt 98 van laatstgenoemd arrest heeft gewezen op de onzekerheid omtrent de aansprakelijkheid van ARBED en TradeARBED.
117 Daarbij komt dat, aangezien de aanvankelijke beschikking door het Hof nietig is verklaard voor zover zij ARBED in geding bracht, het gezag van gewijsde tot gevolg heeft dat het door het Gerecht gekozen argument faalt. Volgens ARBED schendt de redenering van het Gerecht immers het gezag van gewijsde van het reeds aangehaalde arrest van 2 oktober 2003, ARBED/Commissie, en is zij gebaseerd op een onjuiste lezing van zowel de aanvankelijke beschikking als het reeds aangehaalde arrest van 11 maart 1999, ARBED/Commissie, hetgeen ontoereikende motivering oplevert.
b) Beoordeling door het Hof
118 Met betrekking tot het argument inzake de onmogelijkheid om de bewijzen te verzamelen die noodzakelijk zijn voor de weerlegging van het vermoeden van toerekenbaarheid van het gedrag van TradeARBED aan ARBED, en inzake het eisen van een negatief bewijs, blijkt uit de rechtspraak dat op de onderneming die betoogt dat de buitensporig lange duur van de administratieve procedure gevolgen heeft gehad voor de uitoefening van de rechten van verdediging, de last rust om rechtens genoegzaam aan te tonen zij wegens die buitensporig lange duur moeilijkheden heeft ondervonden om zich tegen de aantijgingen van de Commissie te verdedigen (zie in die zin arrest van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, Jurispr. blz. I‑8831, punten 60 en 61).
119 In punt 168 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat ARBED in het onderhavige geval niet had aangetoond hoe de duur van de administratieve procedure de uitoefening van haar rechten van verdediging heeft kunnen schaden, aangezien zij alleen had aangevoerd dat de bewijsmiddelen die in 1990 tot haar beschikking hadden kunnen staan, na een zo lange tijd waren verdwenen.
120 Deze vaststelling geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Er zij immers aan herinnerd dat ARBED de adressaat van de aanvankelijke beschikking was en dat zij de hoedanigheid van partij had in een eerste procedure voor het Gerecht en voor het Hof. Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, zou elke voorzichtige vennootschap in dergelijke omstandigheden de voor haar verdediging noodzakelijke documenten hebben bewaard.
121 Hieruit volgt dat een onderneming in de situatie van ARBED omstandig moet aangeven welke specifieke bewijselementen zijn verdwenen, of althans welke voorvallen, gebeurtenissen of omstandigheden haar tijdens de betrokken periode hebben belet haar zorgvuldigheidplicht na te komen en hebben geleid tot het verdwijnen van de bewijselementen waarop zij zinspeelt.
122 Slechts door een onderzoek van dergelijke specifieke gegevens kunnen het Gerecht en het Hof immers beoordelen of de onderneming rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat zij wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure de aangevoerde moeilijkheden heeft ondervonden om zich tegen de aantijgingen van de Commissie te verdedigen, dan wel of die moeilijkheden voortvloeien uit de niet-nakoming van haar zorgvuldigheidsplicht.
123 Het Gerecht heeft dus op goede gronden kunnen oordelen dat een zo algemene verklaring als die van ARBED niet volstond om rechtens genoegzaam aan te tonen dat de duur van de procedure gevolgen heeft gehad voor de uitoefening van de rechten van de verdediging.
124 Gelet op deze vaststelling falen de argumenten die ARBED tegen de door het Gerecht in de punten 169 tot en met 171 van het bestreden arrest geformuleerde aanvullende overwegingen heeft aangevoerd.
125 Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen.
126 Mitsdien moet de hogere voorziening van ARBED in zaak C‑201/09 P worden afgewezen.
B – Hogere voorziening van de Commissie (C‑216/09 P) met als enig middel onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van beschikking nr. 715/78
1. Argumenten van partijen
127 De Commissie is van mening dat het Gerecht zich op een onjuiste letterlijke en al te restrictieve uitlegging van de artikelen 2, lid 3, en 3 van beschikking nr. 715/78 baseert wanneer het ter rechtvaardiging van een onderscheid tussen de werking van stuiting van verjaring en die van schorsing van verjaring wijst op het verschil tussen de bepalingen ter zake van de werking erga omnes. Het ontbreken van een uitdrukkelijke vermelding van werking erga omnes in de tekst van artikel 3 van beschikking nr. 715/78 zou niet uitsluiten dat deze bepaling een dergelijke werking toekent aan de schorsing, aangezien zowel de stuiting als de schorsing van de verjaring tot doel heeft, het verstrijken van de termijn voor alle betrokken ondernemingen stop te zetten.
128 In zijn arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 144), zou het Hof een letterlijke en restrictieve uitlegging van de bepalingen betreffende de verjaringstermijnen van de hand hebben gewezen door niet alleen de tekst van de bepaling betreffende de schorsing van de verjaring, maar ook het doel ervan, in aanmerking te nemen voor het aanvaarden van een ruime uitlegging van het begrip „beschikking van de Commissie” in artikel 3 van beschikking nr. 715/78.
129 In dat arrest zou het Hof erop hebben gewezen dat de schorsing de Commissie beschermt tegen de werking van de verjaring in situaties waarin zij de beslissing van de rechter van de Unie moet afwachten. Zowel de stuiting als de schorsing van de verjaring zouden haar dus in staat stellen de inbreuken op de mededingingsregels doeltreffend te vervolgen en te bestraffen.
130 Volgens de Commissie kan ook uit de door het Gerecht in punt 154 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak geen restrictieve uitlegging van de werking van de schorsing van de verjaring worden afgeleid. Inzonderheid in zijn arrest van 24 juni 2004, Handlbauer (C‑278/02, Jurispr. blz. I‑6171, punt 40), zou het Hof zijn uitlegging op het met de verjaringsregels nagestreefde doel hebben gebaseerd.
131 Aangaande de verwijzing door het Gerecht naar het arrest van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a. (C‑310/97 P, Jurispr. blz. I‑5363), is de Commissie van mening dat de in dat arrest gevolgde redenering niet kan worden toegepast op onderzoeksmaatregelen, zoals verificaties en inspecties, waarvan de betwisting de verjaring stuit of schorst.
132 Anders dan voor het instellen van beroep tegen eindbeschikkingen, waarvoor de door het Gerecht gekozen oplossing misschien wel kan worden aanvaard, zou de betwisting van dergelijke maatregelen gevolgen kunnen hebben voor het vermogen van de Commissie om de zaak voort te zetten tegen alle bij de inbreuk betrokken ondernemingen, ook al zijn die maatregelen formeel slechts tegen een enkele onderneming gericht. De toepassing van dat arrest op de schorsing van de verjaring zou dus de goede toepassing van het mededingingsrecht schaden, terwijl een uitlegging waarbij werking erga omnes wordt aangenomen, het nuttige effect van dat recht zou kunnen vrijwaren.
133 De Commissie preciseert dat het bestreden arrest haar zou verplichten om, wanneer een vennootschap is opgekomen tegen een tot haar gerichte onderzoeksmaatregel, het onderzoek tegen de andere betrokken ondernemingen en vennootschappen voort te zetten en in haar eindbeschikking gebruik te maken van documenten waarvan juridisch niet zeker is dat zij mogen worden gebruikt, op gevaar dat die beschikking nietig wordt verklaard. Aangezien de verjaring jegens de andere ondernemingen loopt, zou de Commissie immers de afloop van de procedure in rechte over die onderzoeksmaatregel niet kunnen afwachten.
134 Hieruit volgt enerzijds dat de Commissie en de betrokken ondernemingen, in afwachting van de beslissing van de rechter van de Unie over de rechtmatigheid van het onderzoek, middelen moeten blijven inzetten voor de voortzetting van dit onderzoek, en anderzijds dat de ondernemingen die geen beroep hebben ingesteld tegen de onderzoeksmaatregel, beroep moeten instellen tegen de eindbeschikking en daarin de onrechtmatigheid van die maatregel moeten aanvoeren in verschillende beroepen in rechte over eenzelfde kwestie. Aangezien deze ondernemingen juridisch worden geraakt door die onderzoeksmaatregel, ook al is deze tegen een andere onderneming gericht, zouden zij immers de onrechtmatigheid van die maatregel moeten kunnen opwerpen voor die rechter.
135 De Commissie is ook van mening dat deze situatie niet vergelijkbaar is met die van de onderzoeksmaatregelen waartegen geen beroep kan worden ingesteld, aangezien zij tijdens de latere procedure eventuele procedureproblemen kan verhelpen en er geen geding aanhangig is bij de rechter van de Unie.
136 Verder is de Commissie van mening dat het bestreden arrest het gemakkelijker maakt aan betaling van de geldboete te ontsnappen. Aangezien de schorsing slechts gevolgen heeft voor de vennootschap die het beroep heeft ingesteld, kan deze tien jaar na beëindiging van de inbreuk worden geherstructureerd of haar goederen overdragen aan een andere vennootschap waarvoor de schorsing niet gold, waardoor de groep aan een geldboete zou kunnen ontsnappen.
137 Verder zou ook de verwevenheid van de artikelen 2 en 3 van beschikking nr. 715/78, die enerzijds voortvloeit uit het feit dat artikel 2, lid 3, voor het opnieuw aanvangen van de verjaringstermijn na stuiting verwijst naar artikel 3, en anderzijds uit het feit dat artikel 3 verwijst naar de in artikel 2, lid 3, bedoelde beschikking van de Commissie, tegen het door het Gerecht gemaakte onderscheid pleiten.
138 Volgens de Commissie bevestigen de voorstukken van verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers‑ en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1) haar uitlegging van beschikking nr. 715/78. Zij wijst erop dat reeds in het aanvankelijke voorstel was bepaald dat de stuiting van de verjaring erga omnes zou werken. Dit gaf blijk van een aanpak in rem van de verjaring, terwijl bepaalde delegaties een aanpak in personam bepleitten. Bij wege van een vergelijk zou uiteindelijk voor eerstgenoemde aanpak zijn gekozen. De bepaling betreffende de schorsing van de verjaring zou pas in het kader van het tweede herziene voorstel op initiatief van een delegatie zijn ingevoegd.
139 De Commissie leidt daaruit af dat de Raad voor alle verjaringsregels, daaronder begrepen die betreffende de schorsing, voor de aanpak in rem heeft geopteerd. De Raad zou dienaangaande geen nadere preciseringen hebben verricht, omdat eenmaal dat deze keuze betreffende de aard van de verjaring was gemaakt, het niet nodig was specifiek aan te geven dat deze ook voor de schorsing van de verjaring gold.
140 Volgens de Commissie is de verjaring een uitzondering die slechts bestaat indien dit uitdrukkelijk is bepaald, zodat de door haar verdedigde stelling ook steun vindt in het beginsel dat uitzonderingen restrictief moeten worden uitgelegd. De verjaringsregels zouden dus niet op een ruime, voor de ondernemingen voordelige wijze mogen worden uitgelegd. De regels betreffende de schorsing van de verjaring zouden in de rechtspraak van het Hof immers nooit restrictief zijn uitgelegd.
2. Beoordeling door het Hof
141 Volgens de rechtspraak rechtvaardigt het feit zelf dat bij het Gerecht of het Hof een beroep aanhangig is, de schorsing van de verjaring (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 153).
142 Het Hof heeft ook geoordeeld dat wanneer een adressaat van een beschikking een beroep tot nietigverklaring instelt, de rechter van de Unie alleen kan oordelen over de onderdelen van de beschikking die deze adressaat betreffen. De onderdelen die betrekking hebben op andere adressaten en die niet worden betwist, behoren daarentegen niet tot het voorwerp van het door de rechter van de Unie te beslechten geschil (arrest Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., reeds aangehaald, punt 53).
143 Volgens artikel 4, lid 2, van beschikking nr. 715/78 en artikel 26, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vangt de verjaring van het recht van tenuitvoerlegging overigens aan op de dag waarop de beschikking niet meer kan worden aangevochten. Het Hof heeft gepreciseerd dat deze termijn dus met name ingaat vanaf het verstrijken van de termijn voor beroep tegen de beschikking waarbij de Commissie zich heeft uitgesproken over de inbreuk en de boete, wanneer er geen beroep is ingesteld (zie naar analogie arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 137).
144 Uit het voorgaande blijkt enerzijds dat ten aanzien van de ondernemingen die geen beroep hebben ingesteld tegen een eindbeschikking van de Commissie waarbij hun krachtens artikel 65 KS of artikel 23 van verordening nr. 1/2003 een geldboete is opgelegd, deze beschikking definitief wordt, en anderzijds dat door het definitief worden van die beschikking ten aanzien van die ondernemingen de in artikel 4 van beschikking nr. 715/78 en artikel 26 van verordening nr. 1/2003 bedoelde termijn van tenuitvoerlegging van die beschikking ingaat.
145 Bijgevolg kan het beroep dat een andere onderneming tegen diezelfde eindbeschikking instelt, geen schorsende werking hebben ten aanzien van die ondernemingen.
146 Bovendien dekken zowel de tekst van artikel 3 van beschikking nr. 715/78 en van artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 als de doelstellingen van die artikelen niet alleen de beroepen ingesteld tegen de voor beroep vatbare handelingen bedoeld in artikel 2 van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1/2003, maar ook de tegen de eindbeschikking van de Commissie ingestelde beroepen (zie naar analogie arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 146).
147 Aangezien in artikel 3 van beschikking nr. 715/78 en in artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 geen onderscheid wordt gemaakt tussen de beschikkingen met schorsende werking, dient dus, anders dan de Commissie stelt, geen werking erga omnes te worden toegekend aan de beroepen die worden ingesteld tegen de voor beroep vatbare handelingen bedoeld in artikel 2 van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1/2003.
148 Gelet op een en ander dient te worden vastgesteld dat het Gerecht niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de de verjaring schorsende werking die artikel 3 van beschikking nr. 715/78 en artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 aan de procedures in rechte toekennen, slechts inter partes werkt.
149 In het onderhavige geval had de aanvankelijke beschikking echter, zoals ProfilARBED en TradeARBED terecht hebben aangevoerd, uitsluitend betrekking op ARBED en werd de procedure in rechte die heeft geleid tot nietigverklaring van die beschikking voor zover deze betrekking had op ARBED, uitsluitend tussen ARBED en de Commissie gevoerd. Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat deze procedure schorsende werking had ten aanzien van ProfilARBED of TradeARBED.
150 Mitsdien moet de hogere voorziening van de Commissie in zaak C‑216/09 P worden afgewezen.
151 Aangezien ProfilARBED en TradeARBED hun incidentele hogere voorziening in zaak C‑216/09 P subsidiair hadden ingesteld voor het geval dat het Hof de hogere voorziening van de Commissie zou toewijzen, dient die incidentele hogere voorziening niet te worden behandeld.
VIII – Kosten
152 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dat reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 69, lid 3, van dat reglement kan het Hof beslissen dat elke partij haar eigen kosten draagt, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, of wegens bijzondere redenen.
153 Aangezien ARBED met betrekking tot haar middelen in het kader van de hogere voorziening in zaak C‑201/09 P in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van deze hogere voorziening.
154 Met betrekking tot de hogere voorziening in zaak C‑216/09 P is het Hof van oordeel dat, gelet op de specifieke omstandigheden van het concrete geval, de Commissie alsmede TradeARBED en ProfilARBED dienen te worden verwezen in hun eigen kosten.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
1) De hogere voorzieningen worden afgewezen.
2) ArcelorMittal Luxembourg SA draagt haar eigen kosten alsook die van de Europese Commissie in verband met de hogere voorziening in zaak C‑201/09 P.
3) De Europese Commissie, ArcelorMittal Belval & Differdange SA en ArcelorMittal International SA dragen hun eigen kosten in verband met de hogere voorziening in zaak C‑216/09 P.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy