Zaak C‑205/09
Strafzaak
tegen
Emil Eredics en Mária Vassné Sápi
(verzoek van de Szombathelyi Városi Bíróság om een prejudiciële beslissing)
„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2001/220/JBZ – Status van slachtoffers in strafprocedures – Begrip ‚slachtoffer’ – Rechtspersoon – Strafbemiddeling in strafprocedure – Toepassingsmodaliteiten”
Samenvatting van het arrest
1. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Uitlegging verzocht in geval van vaststelling van met recht van Unie conforme nationale regeling voor feiten die buiten werkingssfeer daarvan vallen
(Art. 35 EU)
2. Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Status van slachtoffers in strafprocedures – Kaderbesluit 2001/220 – Slachtoffer – Begrip – Rechtspersonen – Daarvan uitgesloten
(Kaderbesluit 2001/220 van de Raad, art. 1, sub a, en 10, lid 1)
3. Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Status van slachtoffers in strafprocedures – Kaderbesluit 2001/220 – Bemiddeling met betrekking tot bepaalde strafbare feiten die uitdrukkelijk in nationale regeling is voorzien
(Kaderbesluit 2001/220 van de Raad, art. 10)
1. Zelfs wanneer de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het recht van de Unie vallen, is het Hof bevoegd, op een in het kader van artikel 35 EU gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer de nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor een situatie waarop het recht van de Unie geen betrekking heeft, conformeert aan de in het recht van de Unie gekozen oplossingen. Voor de rechtsorde van de Unie is het immers overduidelijk van belang, dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen elke bepaling van Unierecht, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moet vinden, op eenvormige wijze wordt uitgelegd.
(cf. punt 33)
2. De artikelen 1, sub a, en 10 van kaderbesluit 2001/220 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure moeten aldus worden uitgelegd dat het begrip „slachtoffer” niet rechtspersonen omvat met het oog op de bevordering van bemiddeling in strafzaken als bedoeld in genoemd artikel 10, lid 1.
Uit de bewoordingen van artikel 1, sub a, van dat kaderbesluit, dat voor de toepassing daarvan het slachtoffer omschrijft als de natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat, schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden, volgt dat deze bepaling alleen betrekking heeft op natuurlijke personen die dergelijke schade hebben geleden.
De omstandigheid dat sommige lidstaten voorzien in strafbemiddeling wanneer het slachtoffer een rechtspersoon is, doet aan deze conclusie niet af. Daar genoemd kaderbesluit het betrokken gebied immers niet volledig harmoniseert, belet noch verplicht het de lidstaten om de bepalingen daarvan ook toe te passen wanneer het slachtoffer een rechtspersoon is. Het kaderbesluit in die zin uitleggen dat het alleen ziet op natuurlijke personen, levert ook geen discriminatie van rechtspersonen op, daar de wetgever van de Unie gerechtigd was een regeling ter bescherming van uitsluitend natuurlijke personen in te voeren, aangezien deze laatsten zich in een objectief andere situatie bevinden dan rechtspersonen vanwege hun grotere kwetsbaarheid en de aard van de belangen die alleen strafbare feiten gericht tegen natuurlijke personen kunnen aantasten, zoals het leven en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
(cf. punten 26, 28‑31, dictum 1)
3. Artikel 10 van kaderbesluit 2001/220 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht om het gebruik van de bemiddelingsprocedure toe te staan voor alle strafbare feiten waarvan het in de nationale regeling gedefinieerde materiële bestanddeel overeenkomt met dat van de strafbare feiten waarvoor zij uitdrukkelijk in bemiddeling voorziet.
Deze bepaling verplicht de lidstaten immers enkel om te zorgen voor de bevordering van bemiddeling met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor zij die maatregel passend achten, zodat de keuze van de strafbare feiten waarvoor bemiddeling openstaat, aan het oordeel van de lidstaten wordt overgelaten. Hieruit volgt dat een nationale wetgever de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid niet overschrijdt door te beslissen dat de bemiddelingsprocedure enkel kan worden toegepast voor bepaalde strafbare feiten, zoals die gericht tegen personen, tegen de veiligheid van het verkeer of tegen de eigendom, welke keuze hoofdzakelijk met rechtspolitieke motieven samenhangt.
(cf. punten 37‑38, 40, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
21 oktober 2010 (*)
„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2001/220/JBZ – Status van slachtoffers in strafprocedures – Begrip ‚slachtoffer’ – Rechtspersoon – Strafbemiddeling in strafprocedure – Toepassingsmodaliteiten”
In zaak C‑205/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 35 EU, ingediend door de Szombathelyi Városi Bíróság (Hongarije) bij beslissing van 22 april 2009, ingekomen bij het Hof op 8 juni 2009, in de strafzaak tegen
Emil Eredics,
Mária Vassné Sápi,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev, A. Rosas, U. Lõhmus, en A. Ó Caoimh, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door R. Somssich, M. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en B. Beaupère-Manokha als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. Bruni als gemachtigde, bijgestaan door F. Arena, avvocato dello Stato,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Simon en R. Troosters als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juli 2010,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, sub a, en 10, lid 1, van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PB L 82, blz. 1; hierna: „kaderbesluit”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen Eredics en Sápi wegens schending van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Toepasselijke bepalingen
De wettelijke regeling van de Unie
3 Artikel 1 van het kaderbesluit voorziet in het volgende:
„Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt verstaan onder:
a) slachtoffer: de natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden;
[...]
c) strafprocedure: strafprocedure in de zin van het toepasselijk nationaal recht;
[...]
e) bemiddeling in strafzaken: vóór of tijdens de strafprocedure, het zoeken naar een via onderhandelingen tot stand gebrachte schikking tussen het slachtoffer en degene die het strafbare feit heeft gepleegd, door bemiddeling van een bevoegde persoon.”
4 Artikel 10 van het kaderbesluit luidt:
„1. Elke lidstaat zorgt voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor hij die maatregel passend acht.
2. Elke lidstaat ziet erop toe dat elke overeenkomst die in een bemiddeling in strafzaken tussen het slachtoffer en de dader wordt bereikt, in aanmerking kan worden genomen.”
Nationale regeling
5 Artikel 221/A van de Büntető eljárási törvény (Hongaars wetboek van strafvordering; hierna: „BET”) bepaalt het volgende:
„1. De bemiddelingsprocedure is een procedure die kan worden toegepast op verzoek van de verdachte of van het slachtoffer, of met hun instemming, in strafprocedures ter zake van strafbare feiten gericht tegen personen (hoofdstuk XII, titels I en III, wetboek van strafrecht), de veiligheid van het verkeer (hoofdstuk XIII, wetboek van strafrecht) of de eigendom (hoofdstuk XVIII, wetboek van strafrecht) die worden bestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste vijf jaar.
2. De bemiddelingsprocedure beoogt de schade als gevolg van het strafbare feit te herstellen en de toekomstige naleving van het recht door de verdachte te bevorderen. In de bemiddelingsprocedure moet worden gestreefd naar een akkoord tussen de verdachte en het slachtoffer dat gebaseerd is op het door de verdachte getoonde berouw. Tijdens de strafprocedure geeft de zaak slechts eenmaal aanleiding tot het voeren van een bemiddelingsprocedure.
3. Het Openbaar Ministerie gelast ambtshalve of op verzoek van de verdachte, de advocaat of het slachtoffer, de schorsing van de procedure voor een duur van ten hoogste zes maanden en het voeren van de bemiddelingsprocedure in de zaak:
a) wanneer staking van de vervolging op basis van artikel 36 van het wetboek van strafrecht of een onbeperkte vermindering van de straf mogelijk is;
b) wanneer de verdachte de feiten tijdens het onderzoek bekent en aanvaardt en in staat is, de door het slachtoffer geleden schade te vergoeden of de schadelijke gevolgen van het strafbaar feit voor het slachtoffer op enige andere wijze teniet te doen;
c) wanneer de verdachte en het slachtoffer hebben ingestemd met het voeren van de bemiddelingsprocedure, en
d) wanneer, gelet op de aard van het strafbaar feit, de wijze waarop dit feit is gepleegd en de persoon van de verdachte, kan worden afgezien van de gerechtelijke procedure, of er reden is om aan te nemen dat de rechter het getoonde berouw bij de straftoemeting zal meewegen.
[...]
5. Verklaringen die de verdachte en het slachtoffer tijdens de bemiddelingsprocedure hebben afgelegd met betrekking tot de gedragingen die het onderwerp van de procedure vormen, kunnen niet worden gebruikt voor het bewijs. Het resultaat van de bemiddelingsprocedure kan niet ten laste van de verdachte worden gebruikt.
6. Bij bijzondere wet zal in nadere voorschriften betreffende de bemiddelingsprocedure worden voorzien.
7. Wanneer de bemiddelingsprocedure succesvol verloopt en er aanleiding bestaat om artikel 36, lid 1, van het wetboek van strafrecht toe te passen, beëindigt het Openbaar Ministerie de procedure; wanneer er aanleiding bestaat om artikel 36, lid 2, van het wetboek van strafrecht toe te passen, stelt het Openbaar Ministerie de verdachte in staat van beschuldiging. Wanneer de verdachte is begonnen met de uitvoering van de in de bemiddelingsprocedure bereikte overeenstemming, zonder dat dit gevolgen heeft voor de mogelijkheid om een strafrechtelijke sanctie op te leggen, kan het Openbaar Ministerie de inbeschuldigingstelling gedurende een of twee jaar uitstellen voor strafbare feiten die kunnen worden bestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaar.”
6 Artikel 36 van de Büntető törvénykönyv (Hongaars wetboek van strafrecht; hierna: „BT”) is als volgt verwoord:
„1. Niet strafbaar is hij die in het kader van een bemiddelingsprocedure het slachtoffer schadeloos stelt voor de schade die is veroorzaakt door een strafbaar feit gericht tegen personen (hoofdstuk XII, titels I en III, wetboek van strafrecht), de veiligheid van het verkeer (hoofdstuk XIII, wetboek van strafrecht) of de eigendom (hoofdstuk XVIII, wetboek van strafrecht) dat wordt bestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaar, of hij die de schadelijke gevolgen van het strafbaar feit op enige andere wijze teniet doet.
2. Wat de in lid 1 bedoelde strafbare feiten betreft die worden bestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste vijf jaar, kan de straf onbeperkt worden verminderd wanneer de dader het slachtoffer in het kader van een bemiddelingsprocedure schadeloos stelt voor de veroorzaakte schade, of de schadelijke gevolgen van het strafbaar feit op enige andere wijze teniet doet.
3. Toepassing van de leden 1 en 2 blijft achterwege indien de dader
a) een meervoudige of een bijzondere recidivist is,
b) het strafbare feit in georganiseerd verband heeft gepleegd,
c) met het strafbare feit de dood heeft toegebracht,
d) opzettelijk een strafbaar feit heeft gepleegd, hetzij in de loop van een proefperiode die leidt tot de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, hetzij, in geval van een veroordeling tot een vrijheidsstraf die ten uitvoer wordt gelegd vanwege een opzettelijk gepleegd strafbaar feit, voordat met de tenuitvoerlegging van de straf is begonnen, hetzij in de loop van een voorwaardelijke invrijheidstelling of bij uitstel van vervolging.”
7 Artikel 314 BT luidt:
„1. Hij die schade toebrengt aan de begroting van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot:
a) steun die afkomstig is uit door of namens de Europese Gemeenschappen beheerde fondsen;
b) betalingen die bestemd zijn voor de door of namens de Europese Gemeenschappen beheerde begroting,
door een valse verklaring af te leggen of een vals of vervalst document over te leggen, dan wel niet of niet in voldoende mate, zodanig dat een verkeerde voorstelling wordt gewekt, voldoet aan de informatieverplichtingen die zijn voorgeschreven, pleegt een strafbaar feit, dat wordt bestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste vijf jaar.
2. Hij die:
a) steun als bedoeld in lid 1, sub a, of
b) een voordeel in verband met de betaling als bedoeld in lid 1, sub b,
gebruikt voor een ander doel dan waarvoor goedkeuring is verleend, wordt eveneens overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid gestraft.”
8 Artikel 318 BT bepaalt het volgende:
„1. Hij die, met het oog op het behalen van een onwettig voordeel, bij een ander een verkeerde voorstelling wekt of laat bestaan, en aldus schade veroorzaakt, maakt zich schuldig aan oplichting.
[...]
4. Het strafbaar feit wordt bestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaar wanneer:
a) de oplichting een aanzienlijke schade veroorzaakt;
[...]”
9 Volgens artikel 138/A BT is schade „aanzienlijk wanneer deze hoger is dan 200 000 HUF, maar niet hoger dan 2 000 000 HUF”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Eredics, eerste verdachte in het hoofdgeding, is directeur van de algemene basisschool te Apátistvánfalva (hierna: „school”). Sápi, tweede verdachte in het hoofdgeding, is directrice van de vennootschap Apátistvánfalvi Hotel Apát Kereskedelmi és Szolgáltatási Korlátolt Felelősségű Társaság (vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Hongaars recht; hierna: „Hotel Apát kft”) en bedrijfsleidster van Hotel Apát, dat werd geëxploiteerd door de vennootschap Hotel Apát kft.
11 In de op 30 juni 2003 gesloten kaderovereenkomst tussen de school en het Hongaarse fonds voor kleine projecten in het kader van het PHARE CBC programma (Magyarország – PHARE CBC Program Kisprojekt Alap 2001 heeft dit laatste aan de school een bijdrage toegekend ter dekking van 80,15 % van het bedrag dat noodzakelijk was voor een project ter zake van de aanleg van een bospad, geleid door Eredics in de hoedanigheid van projectleider.
12 De steun is op 4 februari 2004 uitgekeerd. VÁTI Magyar Regionális Fejlesztési és Urbanisztikai Kiemelten Közhasznú Társaság (Hongaarse vennootschap van algemeen belang, belast met de landelijke en stedelijke ontwikkeling; hierna: „VÁTI kht”) heeft toezicht gehouden op de verwezenlijking van het project; zij was verantwoordelijk voor de afsluiting van de rekening.
13 Eredics en Sápi, die in het kader van een aanbestedingsprocedure is aangewezen, hebben een overeenkomst gesloten waarin Sápi zich ertoe heeft verbonden, tegen betaling van een bedrag van 1 200 000 HUF (ongeveer 4 270 EUR) een voorbereidende opleiding voor het basisexamen voor champignondeskundige te organiseren, voor te bereiden en te huisvesten, en studiereizen en ontmoetingen te organiseren.
14 Om te bewijzen dat de bepalingen van de overeenkomst waren uitgevoerd, heeft Sápi namens Hotel Apát kft een uitvoeringsverslag opgesteld, dat zij aan Eredics heeft toegezonden; deze laatste heeft de eindafrekening van de rekening-courant van de school betaald.
15 Daar niet kon worden vastgesteld dat de basiscursus mycologie die in het kader van de overeenkomst moest worden georganiseerd, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zijn de rekening en het gastenboek, die dienden tot bewijs van de uitvoering van de overeenkomst, als vervalst aangemerkt. Eredics heeft de vermeend vervalste documenten en het verslag over een studiereis die niet heeft plaatsgevonden, alsook een evaluatieverslag waarin een onbekende persoon de handtekening van de verantwoordelijke voor de groep heeft vervalst, aan het dossier van het project toegevoegd. Genoemd dossier is op 30 september 2004 aan VÁTI kht gezonden, teneinde de uitvoering van de in de eerder vermelde overeenkomst voorziene verplichtingen te bewijzen.
16 Op 20 juni 2006 heeft een particulier een aanklacht tegen Eredics en Sápi ingediend wegens ongerechtvaardigde betaling van een bedrag van ongeveer 1 200 000 HUF.
17 Er werd een onderzoek gelast in de loop waarvan Eredics meerdere malen als verdachte is verschenen, zonder dat hij echter de hem verweten feiten bekende.
18 Op 2 september 2008 heeft het Openbaar Ministerie van de Szombathelyi Városi Bíróság (stedelijke rechtbank te Szombathelyi) bij deze rechtbank een strafprocedure ingeleid bij een aan Eredics en Sápi gerichte telastelegging, waarin de handelingen van Eredics werden gekwalificeerd als „strafbaar feit van schending van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen” in de zin van artikel 314, lid 1, sub a, BT, eenmaal gepleegd in de hoedanigheid van dader.
19 Op 24 november 2008 heeft Eredics op uitnodiging van de verwijzende rechter, de hem ten laste gelegde feiten bekend en een verzoek tot bemiddeling ingediend om staking van de vervolging of een onbeperkte vermindering van de straf te verkrijgen, overeenkomstig artikel 221/A BET.
20 Ter terechtzitting van 9 april 2009 heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat de aan Eredics ten laste gelegde feiten eveneens konden worden gekwalificeerd als „strafbaar feit van oplichting”. Eredics heeft zijn verzoek tot bemiddeling gehandhaafd, evenals zijn daaraan voorafgaande verklaring waarbij hij de feiten had bekend.
21 Ter terechtzitting van 22 april 2009 heeft VÁTI kht, in haar hoedanigheid van slachtoffer, ingestemd met de bemiddeling. De verwijzende rechter heeft daarop de strafprocedure ten behoeve van de bemiddeling aangehouden tot 22 oktober 2009.
22 Het Openbaar Ministerie is tegen deze beschikking in beroep gegaan. Gelet op de kwalificatie van de feiten in de telastelegging, behoren de daden niet tot de strafbare feiten waarvoor de bemiddelingsprocedure naar Hongaars recht is voorzien. Bovendien vloeit de uitsluiting van die procedure voort uit het feit dat Eredics de feiten niet „tijdens het onderzoek” heeft bekend, zoals voorzien in eerder vermeld artikel 221/A BET. Daarenboven is het niet van belang dat VÁTI kht als slachtoffer bereid is deel te nemen aan de bemiddeling. Het uiteindelijke slachtoffer is de Europese Gemeenschap, zodat bemiddeling niet gerechtvaardigd is.
23 In die omstandigheden heeft de Szombathelyi Városi Bíróság de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Deze rechter wenst, ter precisering en aanvulling van het arrest [van het Hof van 28 juni 2007, Dell’Orto, C‑467/05, Jurispr. blz. I‑5557], in de bij hem aanhangige strafprocedure te vernemen of een ‚persoon anders dan een natuurlijke persoon’ onder het begrip ‚slachtoffer’ als bedoeld in artikel 1, sub a, van [het] kaderbesluit [...] valt, gelet op de bevordering van de bemiddeling in strafzaken tussen het slachtoffer en de dader, als bedoeld in artikel 10 van het kaderbesluit.
2) Deze rechter wenst in verband met artikel 10 van [het] kaderbesluit [...], dat bepaalt dat ‚[e]lke lidstaat [...] voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken [zorgt] met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor hij die maatregel passend’, te vernemen of het begrip ‚strafbare feiten’ aldus kan worden uitgelegd dat het alle strafbare feiten omvat waarvan het wettelijk omschreven materiële bestanddeel in wezen overeenkomt.
3) Kan de uitdrukking ‚[e]lke lidstaat zorgt voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken [...]’ in artikel 10, lid 1, van [het] kaderbesluit [...] aldus worden uitgelegd dat het scheppen van de voorwaarden voor bemiddeling tussen de dader en het slachtoffer ten minste mogelijk is totdat in eerste aanleg vonnis is gewezen, dat wil zeggen dat het vereiste van erkenning van de feiten tijdens de gerechtelijke procedure na de afronding van het onderzoek, voor zover aan de andere voorwaarden is voldaan, in overeenstemming is met de verplichting om bemiddeling te bevorderen?
4) Omtrent artikel 10, lid 1, van [het] kaderbesluit [...] vraagt deze rechter zich af of de uitdrukking ‚[e]lke lidstaat zorgt voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor hij die maatregel passend acht’ impliceert dat een algemene toegang tot de mogelijkheid van bemiddeling in strafzaken is gewaarborgd voor zover is voldaan aan de wettelijk bepaalde voorafgaande voorwaarden, zonder dat er ruimte voor uitlegging bestaat. Dat wil zeggen, wanneer de vraag bevestigend wordt beantwoord, is een voorwaarde inhoudend dat ‚gelet op de aard van het strafbare feit, de soort bemiddeling en de persoon van verdachte, kan worden afgezien van de gerechtelijke procedure indien er reden is om aan te nemen dat de rechter het getoonde berouw bij de straftoemeting zal meewegen’ in overeenstemming met de bepalingen (vereisten) van het eerder genoemde artikel 10?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
24 Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of de artikelen 1, sub a, en 10 van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat het begrip „slachtoffer” ook rechtspersonen omvat met het oog op de bevordering van bemiddeling in strafprocedures als bedoeld in genoemd artikel 10, lid 1.
25 Zoals de Hongaarse, de Franse en de Italiaanse regering, alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen terecht hebben opgemerkt, heeft het Hof reeds geoordeeld dat, gelet op de bewoordingen en de algemene opzet van het kaderbesluit, het begrip „slachtoffer”, zoals gedefinieerd in artikel 1 daarvan, alleen betrekking heeft op natuurlijke personen (zie in die zin onder meer arrest Dell’Orto, reeds aangehaald, punten 53‑56).
26 Zoals het Hof heeft geoordeeld in punt 53 van genoemd arrest Dell’Orto, volgt uit de bewoordingen van artikel 1, sub a, van het kaderbesluit, dat voor de toepassing daarvan het slachtoffer omschrijft als de „natuurlijke” persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden, dat deze bepaling alleen betrekking heeft op natuurlijke personen die dergelijke schade hebben geleden.
27 In de punten 55 en 56 van datzelfde arrest heeft het Hof opgemerkt dat geen andere bepaling van het kaderbesluit een aanwijzing bevat dat de wetgever van de Unie het begrip „slachtoffer” voor de toepassing van dat kaderbesluit had willen uitbreiden tot rechtspersonen en dat, integendeel, verschillende bepalingen daarvan bevestigen dat het doel van de wetgever was de werkingssfeer ervan te beperken tot uitsluitend natuurlijke personen die als gevolg van een strafbaar feit schade hebben geleden. Behalve artikel 1, sub a, van het kaderbesluit, dat als elementen van de schade lichamelijk of geestelijk letsel en geestelijke pijn vermeldt, heeft het Hof in dit verband artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit genoemd, dat de lidstaten verplicht al het nodige te doen om te waarborgen dat het slachtoffer met het gepaste respect voor zijn persoonlijke waardigheid wordt bejegend, artikel 2, lid 2, dat de specifieke behandeling noemt die bijzonder kwetsbare slachtoffers dienen te krijgen, evenals artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit, dat de lidstaten verplicht een passend niveau van bescherming te waarborgen voor de familieleden van het slachtoffer of daarmee gelijkgestelde personen.
28 De omstandigheid dat sommige lidstaten voorzien in strafbemiddeling wanneer het slachtoffer een rechtspersoon is, doet niet af aan de conclusie waartoe het Hof in het reeds aangehaalde arrest Dell’Orto is gekomen.
29 Daar het kaderbesluit het betrokken gebied immers niet volledig harmoniseert, belet noch verplicht het de lidstaten om de bepalingen daarvan ook toe te passen wanneer het slachtoffer een rechtspersoon is.
30 Het kaderbesluit in die zin uitleggen dat het alleen ziet op natuurlijke personen, levert ook geen discriminatie van rechtspersonen op. De wetgever van de Unie was immers gerechtigd een regeling ter bescherming van uitsluitend natuurlijke personen in te voeren, daar deze laatste zich in een objectief andere situatie bevinden dan rechtspersonen vanwege hun grotere kwetsbaarheid en de aard van de belangen die de strafbare feiten gericht tegen enkel natuurlijke personen kunnen aantasten, zoals het leven en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
31 Gelet op een en ander moeten de artikelen 1, sub a, en 10 van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat het begrip „slachtoffer” niet ook rechtspersonen omvat met het oog op de bevordering van bemiddeling in strafzaken als bedoeld in genoemd artikel 10, lid 1.
De tweede vraag
Bevoegdheid van het Hof
32 De Hongaarse regering merkt op dat de bemiddelingsprocedure krachtens het BET kan worden gebruikt wanneer het slachtoffer geen natuurlijke persoon is. Daar echter de werkingssfeer van het kaderbesluit zich enkel uitstrekt tot slachtoffers die natuurlijke personen zijn, is dit voor het hoofdgeding hoe dan ook irrelevant.
33 Blijkens vaste rechtspraak is het Hof, zelfs wanneer de feiten van het hoofdgeding zich buiten de werkingssfeer van het recht van de Unie bevinden, bevoegd te antwoorden, wanneer de nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor een interne situatie waarop het recht van de Unie geen betrekking heeft, conformeert aan de in het recht van de Unie gekozen oplossingen. Volgens de rechtspraak van het Hof is het voor de rechtsorde van de Unie immers van belang, dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen iedere bepaling van Unierecht, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moet vinden, op eenvormige wijze wordt uitgelegd (zie in die zin onder meer arresten van 17 juli 1997, Giloy, C‑130/95, Jurispr. blz. I‑4291, punten 19‑28; 11 oktober 2001, Adam, C‑267/99, Jurispr. blz. I‑7467, punten 23‑29; 15 januari 2002, Andersen og Jensen, C‑43/00, Jurispr. blz. I‑379, punten 15‑19, en 16 maart 2006, Poseidon Chartering, C‑3/04, Jurispr. blz. I‑2505, punten 14‑19).
34 Zoals de Hongaarse regering erkent, heeft artikel 221/A BET daarin met ingang van 1 januari 2007 een bemiddelingsprocedure ingevoegd die, wat de daarin opgesomde strafbare feiten betreft, geen onderscheid maakt al naargelang het slachtoffer een natuurlijke persoon of rechtspersoon is.
35 Het Hof is derhalve niet onbevoegd om op de tweede vraag te antwoorden vanwege het enkele feit dat het kaderbesluit alleen betrekking heeft op slachtoffers die natuurlijke personen zijn.
Ten gronde
36 Met deze vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of artikel 10 van het kaderbesluit aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten verplicht om het gebruik van bemiddeling toe te staan voor alle strafbare feiten waarvan het in de nationale wetgeving gedefinieerde materiële bestanddeel overeenkomt met dat van de strafbare feiten waarvoor zij uitdrukkelijk in bemiddeling voorziet.
37 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, behalve de omstandigheid dat artikel 34 EU de nationale instanties de bevoegdheid laat om de vorm en middelen te kiezen die voor de bereiking van het door de kaderbesluiten gewilde resultaat noodzakelijk zijn, artikel 10 van het kaderbesluit de lidstaten enkel verplicht om te zorgen voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor zij die maatregel „passend acht[en]”, zodat de keuze van de strafbare feiten waarvoor bemiddeling open staat, aan het oordeel van de lidstaten wordt overgelaten.
38 Uit de bewoordingen van artikel 10 en de ruime beoordelingsbevoegdheid die het kaderbesluit de nationale autoriteiten laat bij de concrete modaliteiten voor de uitvoering van de doelstellingen ervan (zie arrest van 9 oktober 2008, Katz, C‑404/07, Jurispr. blz. I‑7607, punt 46), volgt dat de Hongaarse wetgever niet de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden door te besluiten dat de bemiddelingsprocedure enkel kan worden toegepast voor strafbare feiten gericht tegen personen, de veiligheid van het verkeer of de eigendom, welke keuze hoofdzakelijk met rechtspolitieke motieven samenhangt.
39 Hoewel de beoordeling van de lidstaten uiteraard haar beperking kan vinden in de verplichting om objectieve criteria te hanteren voor de vaststelling van de betrokken types van strafbaar feit, wijst niets erop dat dit in casu niet het geval zou zijn.
40 Gelet op een en ander moet artikel 10 van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht om het gebruik van de bemiddelingsprocedure toe te staan voor alle strafbare feiten waarvan het in de nationale wetgeving gedefinieerde materiële bestanddeel overeenkomt met dat van de strafbare feiten waarvoor zij uitdrukkelijk in bemiddeling voorziet.
De derde en de vierde vraag
Bevoegdheid van het Hof
41 Vaststaat dat het Hongaarse recht niet voorziet in het gebruik van bemiddeling voor het strafbare feit van de schending van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. Uit het op de tweede vraag gegeven antwoord volgt bovendien dat uit het kaderbesluit niet kan worden afgeleid dat het de lidstaten verplicht om, ingeval het slachtoffer een natuurlijke persoon is, in het gebruik van bemiddeling te voorzien voor strafbare feiten ten aanzien waarvan de nationale regelgeving niet in een dergelijk gebruik voorziet, zelfs wanneer het materiële bestanddeel van dat strafbare feit hetzelfde is als dat van de strafbare feiten ten aanzien waarvan bemiddeling wel mogelijk is.
42 Daar het gebruik van bemiddeling klaarblijkelijk niet mogelijk is in een situatie zoals die aan de orde in het hoofdgeding, behoeft op de derde en de vierde vraag niet te worden geantwoord.
Kosten
43 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) De artikelen 1, sub a, en 10 van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, moeten aldus worden uitgelegd dat het begrip „slachtoffer” niet ook rechtspersonen omvat met het oog op de bevordering van bemiddeling in strafzaken als bedoeld in genoemd artikel 10, lid 1.
2) Artikel 10 van kaderbesluit 2001/220 moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht om het gebruik van de bemiddelingsprocedure toe te staan voor alle strafbare feiten waarvan het in de nationale wetgeving gedefinieerde materiële bestanddeel overeenkomt met dat van de strafbare feiten waarvoor zij uitdrukkelijk in bemiddeling voorziet.
ondertekeningen
* Procestaal: Hongaars.
Full & Egal Universal Law Academy