Zaak C‑213/09
Barsoum Chabo
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Hafen
(verzoek van het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing)
„Douane-unie – Verordening (EG) nr. 1719/2005 – Gemeenschappelijk douanetarief – Inning van invoerrechten – Invoer van verwerkte levensmiddelen – Conserven van paddenstoelen – Postonderverdeling GN 2003 10 30 – Heffing van extra bedrag – Evenredigheidsbeginsel”
Samenvatting van het arrest
Gemeenschappelijk douanetarief – Douanerechten – Communautaire tariefcontingenten
(Verordening nr. 2658/87 van de Raad, bijlage I; verordeningen nrs. 1864/2004 en 1719/2005 van de Commissie)
Het bedrag van het specifieke douanerecht van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat krachtens verordening nr. 1719/2005 tot wijziging van bijlage I bij verordening nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief wordt geheven over de invoer van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus die onder postonderverdeling 2003 10 30 van de in deze bijlage opgenomen gecombineerde nomenclatuur vallen, wanneer die invoer wordt verricht buiten het contingent dat is geopend bij verordening nr. 1864/2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddenstoelen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1995/2005, is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Om de geldigheid te beoordelen van het bedrag van dit specifieke douanerecht, dat zowel doelstellingen van gemeenschappelijke handelspolitiek als doelstellingen van gemeenschappelijk landbouwbeleid nastreeft, moet worden nagegaan of dit bedrag een maatregel vormt die kennelijk onevenredig is om bovengenoemde doelstellingen te bereiken. Dienaangaande kan, gelet op de complexiteit van de voorafgaande bepaling in het kader van de onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vanaf welk bedrag het specifieke douanerecht de betrokken invoer economisch minder aantrekkelijk maakt, niet op goede gronden worden gesteld dat de betrokken instellingen van de Unie bij de vastlegging van het hoogste bedrag van het douanerecht van de Unie op 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht hun ruime beoordelingsmarge ter zake hebben overschreden. Dit bedrag kan dus niet als kennelijk onevenredig worden beschouwd. Evenmin kan uit de omstandigheid dat het bedrag van het specifieke douanerecht tot gevolg zou kunnen hebben dat invoer buiten tariefcontingenten elk uitzicht op rentabiliteit verliest, worden geconcludeerd dat dit bedrag kennelijk onevenredig is aan de nagestreefde doelstellingen, aangezien het volgens het meestbegunstigingsbeginsel van artikel 1 van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 niet is toegestaan om het specifieke douanerecht ten aanzien van de afzonderlijke leden van de WTO telkens op een andere hoogte vast te stellen. Aldus blijkt uit het argument dat het bedrag van het specifieke douanerecht de verkoop in de Unie van paddenstoelen uit een bepaald derde land, gelet op de productiekosten ervan, verhindert, niet dat de wetgever van de Unie zijn ruime beoordelingsmarge te buiten is gegaan bij de vaststelling van het bedrag van het specifieke douanerecht op 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat geldt voor alle invoer buiten tariefcontingenten uit alle lidstaten van de WTO.
(cf. punten 27, 31‑35 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
25 november 2010 (*)
„Douane-unie – Verordening (EG) nr. 1719/2005 – Gemeenschappelijk douanetarief – Inning van invoerrechten – Invoer van verwerkte levensmiddelen – Conserven van paddenstoelen – Postonderverdeling GN 2003 10 30 – Heffing van extra bedrag – Evenredigheidsbeginsel”
In zaak C‑213/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissing van 13 mei 2009, ingekomen bij het Hof op 15 juni 2009, in de procedure
Barsoum Chabo
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Hafen,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász, G. Arestis (rapporteur) en J. Malenovský, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 april 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– B. Chabo, vertegenwoordigd door M. Ehninger, Rechtsanwalt,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio, avvocato dello Stato,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Simm en F. Florindo Gijón als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Bouyon en B.‑R. Killmann als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 juni 2010,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 286, blz. 1), wat de hoogte betreft van het extra bedrag dat wordt geheven bij invoer buiten de tariefcontingenten van goederen die zijn ingedeeld onder de postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur die in deze bijlage is opgenomen.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen B. Chabo en het Hauptzollamt Hamburg-Hafen (hoofddouanekantoor Hamburg-Hafen) met betrekking tot de verwerping door laatstgenoemde van een beroep gericht tegen de door dit Hauptzollamt krachtens verordening nr. 1719/2005 gevorderde betaling van extra bedragen.
Toepasselijke bepalingen
3 In het tweede deel, afdeling IV, hoofdstuk 20, van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1719/2005 (hierna: „verordening nr. 2658/87”), wordt de invoer buiten tariefcontingenten van paddenstoelen van het geslacht Agaricus, andere dan voorlopig verduurzaamde, volledig gekookte paddenstoelen, die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur, onderworpen aan de inning van een conventioneel ad-valoremrecht van 18,4 %, alsook aan de inning van een extra bedrag als specifiek recht van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht.
4 In het derde deel, afdeling III, van bijlage 7 bij bijlage I voorziet deze verordening in communautaire tariefcontingenten voor 62 660 ton netto-uitlekgewicht paddenstoelen van het geslacht Agaricus. Binnen de perken van deze hoeveelheid is de invoer van paddenstoelen die vallen onder de postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur uitsluitend onderworpen aan de inning van een ad-valoremrecht van 23 %. Deze contingenten zijn aldus tussen de leverancierslanden verdeeld dat de aan andere landen dan de Republiek Polen toegewezen hoeveelheid 28 780 ton netto-uitlekgewicht bedraagt.
5 Verordening (EG) nr. 1864/2004 van de Commissie van 26 oktober 2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddenstoelen (PB L 325, blz. 30), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1995/2005 van de Commissie van 7 december 2005 (PB L 320, blz. 34; hierna: „verordening nr. 1864/2004”), voert communautaire tariefcontingenten in voor conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus. Binnen de perken van deze contingenten wordt op conserven van paddenstoelen die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur in beginsel uitsluitend een ad-valoremrecht van 23 % geheven. Blijkens bijlage I bij deze verordening betreffen deze contingenten vanaf 1 januari 2006 een totale hoeveelheid van 30 702,5 ton netto-uitlekgewicht, waarvan 23 750 ton aan de Volksrepubliek China zijn toegewezen.
6 De inning van deze rechten en de opening van deze contingenten vormen de omzetting in het recht van de Unie van de internationale verbintenissen van de Europese Unie wat de invoer van deze goederen betreft. Deze zijn uitdrukkelijk vermeld in de communautaire lijst CXL van concessies en verbintenissen, die een integrerend bestanddeel uitmaakt van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (hierna: „GATT 1994”), opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994 en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1).
7 De Overeenkomst inzake landbouw (PB 1994, L 336, blz. 22) is eveneens opgenomen in genoemde bijlage 1 A. Artikel 4 („Markttoegang”) ervan luidt:
„1. De in de lijsten opgenomen concessies inzake markttoegang betreffen consolidaties en verlagingen van tarieven, en andere daarin gespecificeerde verbintenissen inzake markttoegang.
2. De leden handhaven geen, nemen geen en nemen evenmin opnieuw maatregelen van het type dat omgezet moet worden in gewone douanerechten [...], tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 en in bijlage 5.”
8 Dienaangaande luidt voetnoot nr. 1, waarvan melding is gemaakt in lid 2 van dit artikel, als volgt:
„Deze maatregelen omvatten kwantitatieve invoerbeperkingen, variabele invoerheffingen, minimuminvoerprijzen, discretionaire invoervergunningenregelingen, niet-tarifaire maatregelen die in stand worden gehouden via staatshandelsondernemingen, vrijwillige uitvoerbeperkingen, en andere dergelijke grensbescherming dan gewone douanerechten, ongeacht of het gaat om maatregelen in het kader van landgebonden uitzonderingen op de bepalingen [van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1947], maar zij omvatten niet maatregelen in het kader van betalingsbalansbepalingen of andere algemene, niet specifiek agrarische bepalingen van de GATT 1994 of van de andere Multilaterale Handelsovereenkomsten van bijlage 1 A bij de WTO-Overeenkomst.”
9 Krachtens artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 980/2005 van de Raad van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (PB L 169, blz. 1), is overigens het ad-valoremrecht van 18,4 % dat toepasselijk is op de invoer buiten tariefcontingenten van paddenstoelen die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur uit bijlage I bij verordening nr. 2658/87 en uit de Volksrepubliek China komen, verlaagd tot 14,9 %. Overeenkomstig lid 5 van dit artikel wordt het extra bedrag van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat desgevallend op een dergelijke invoer moet worden geheven, echter niet verlaagd.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Op 6 maart 2006 verzocht Chabo 1 000 kartons paddenstoelenconserven die buiten tariefcontingenten vanuit de Volksrepubliek China worden ingevoerd in het vrije verkeer te mogen brengen. Daar is verklaard dat deze goederen vielen onder postonderverdeling 2003 90 00 van de gecombineerde nomenclatuur uit bijlage I bij verordening nr. 2658/87, vond de inklaring overeenkomstig deze bijlage, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van verordening nr. 980/2005, plaats met uitsluitende toepassing van preferentiële rechten van 14,9 %.
11 Uit een rapport ter indeling van de goederen kwam naar voren dat deze conserven in werkelijkheid onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur vielen. Bijgevolg heeft het Hauptzollamt Hamburg-Hafen op basis van de toepassing van preferentiële rechten van 14,9 %, te vermeerderen met een extra bedrag van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht overeenkomstig bijlage I bij verordening nr. 2658/87, gelezen in samenhang met artikel 7, leden 2 en 5, van verordening nr. 980/2005, bij aanslag van 21 februari 2007 de navordering van invoerrechten gevorderd voor een totaalbedrag van 27 507,13 EUR.
12 Op 5 maart 2007 heeft Chabo bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Dit bezwaar is echter bij beschikking van 7 december 2007 afgewezen.
13 Op 9 januari 2008 heeft Chabo bij het Finanzgericht Hamburg beroep tot nietigverklaring van deze beschikking ingesteld. Chabo is van mening dat de in deze beschikking bedoelde heffing van invoerrechten onrechtmatig is, alleen al omdat het bedrag van die rechten neerkomt op een invoerverbod. Het Hauptzollamt Hamburg-Hafen voert aan dat dit bedrag gebaseerd is op het gemeenschappelijke douanetarief dat geldt voor goederen die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, en dat het normale douanerechten betreft die niet neerkomen op een invoerverbod, maar veeleer een rechtmatige tariefbescherming zijn.
14 Dienaangaande heeft het Finanzgericht Hamburg allereerst vastgesteld dat de betrokken conserven van paddenstoelen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur vallen, daar in feite sprake is van paddenstoelen van het geslacht Agaricus andere dan voorlopig verduurzaamde, volledig gekookte paddenstoelen.
15 Onder verwijzing voorts naar de arresten van 16 oktober 1991, Wünsche (C‑26/90, Jurispr. blz. I‑4961) en 4 juli 1996, Pietsch (C‑296/94, Jurispr. blz. I‑3409), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de hoogte van het extra bedrag dat toen gold voor de invoer van conserven van gekweekte paddenstoelen krachtens de regelgeving inzake de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, heeft het Finanzgericht Hamburg twijfels geuit over de geldigheid van het bedrag van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat wordt geheven bij invoer buiten de tariefcontingenten van goederen die zijn ingedeeld onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur uit bijlage I bij verordening nr. 2658/87.
16 Daar tot slot het Finanzgericht Hamburg van oordeel was dat de afloop van het hoofdgeding afhangt van de vraag of de hoogte van de preferentiële rechten van 14,9 %, te vermeerderen met een extra bedrag van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht geldig was, en dus in het hoofdgeding mocht worden toegepast, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is het uit het douanetarief voor derde landen en het preferentieel tarief voortvloeiende extra bedrag van 222 EUR per 100 kg nettoproductgewicht, dat wordt geheven bij de invoer van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus (code 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur), ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
17 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het bedrag van het specifieke recht van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat geldt krachtens verordening nr. 1719/2005 en wordt geheven op de invoer buiten het bij verordening nr. 1864/2004 geopende contingent van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur, uit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel geldig is.
18 Wat de rechterlijke toetsing van de wijze van uitvoering van het evenredigheidsbeginsel betreft, kan gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de wetgever van de Unie op een gebied als het thans aan de orde zijnde beschikt, waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig zijn wanneer de maatregel kennelijk onevenredig is ter bereiking van het door de bevoegde instellingen nagestreefde doel (zie arresten van 6 december 2005, ABNA e.a., C‑453/03, C‑11/04, C‑12/04 en C‑194/04, Jurispr. blz. I‑10423, punt 69, en van 12 januari 2006, Agrarproduktion Staebelow, C‑504‑04, Jurispr. blz. I‑679, punt 36).
19 Bijgevolg moet eerst worden onderzocht welk doel met de hier besproken regeling wordt nagestreefd, en vervolgens worden bepaald of het bedrag van het in het hoofdgeding aangevochten specifieke recht niet kennelijk onevenredig is ter bereiking van dit doel.
20 Meteen moet worden opgemerkt dat de betrokken regeling uit meerdere onderling van elkaar afhankelijke rechtsinstrumenten bestaat die een alomvattend stelsel vormen dat geldt voor de invoer van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur. Het bedrag van het in het hoofdgeding aangevochten specifieke recht is dus slechts een inherent bestanddeel van dit stelsel, dat niet los daarvan kan worden gezien.
21 Dit stelsel is namelijk het resultaat van interactie tussen enerzijds bijlage I bij verordening nr. 2658/87 en verordening nr. 980/2005, die respectievelijk het gemeenschappelijk douanetarief en het schema van algemene tariefpreferenties vaststellen, en anderzijds verordening nr. 1864/2004, die het tariefcontingent regelt. Op grond van deze bijlage worden slechts conventionele douanerechten en specifieke rechten zoals zij voortvloeien uit de toepassing van artikel 7, leden 2 en 5, van verordening nr. 980/2005 geheven over deze invoer van conserven, wanneer de invoer gebeurt buiten het tariefcontingent dat is geopend bij deze verordening nr. 1864/2004.
22 In het bijzonder, zoals met name blijkt uit de rechtsgrondslag op basis waarvan zij zijn vastgesteld, vallen bijlage I bij verordening nr. 2658/87 en verordening nr. 980/2005 onder het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie, en streven zij dus doelstellingen na die eigen zijn aan dit gebied.
23 Het in het hoofdgeding aangevochten bedrag van het specifieke recht dat in deze bijlage is opgenomen is dus de getrouwe omzetting in Unierecht van de internationale verbintenissen die de Unie in het kader van de WTO is aangegaan. Dit bedrag stemt in werkelijkheid overeen met het maximale toegelaten bedrag dat de Unie heeft aanvaard in de lijst van concessies en verbintenissen die is gehecht aan de GATT 1994. Deze lijst beantwoordt bovendien aan de door de Landbouwovereenkomst nagestreefde doelstelling om de leden van deze organisatie een betere toegang tot de landbouwmarkt te verschaffen, in het bijzonder het met artikel 4 van deze overeenkomst nagestreefde doel om deze toegang via een vaststellingsprocedure voor de tarieven transparanter en meer voorspelbaar te organiseren door te eisen dat alle niet-tarifaire handelsbelemmeringen aan de grens in de landbouwsector, die voortaan verboden zijn, worden vervangen door geconsolideerde douanerechten.
24 Zoals voorts eveneens blijkt uit de rechtsgrondslag op basis waarvan verordening nr. 1864/2004 tot instelling van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddenstoelen is vastgesteld, valt deze verordening onder het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en streeft zij dus doelstellingen na die eigen zijn aan dit gebied en samenhangen met de organisatie van de betrokken gemeenschappelijke markt. Zoals met name blijkt uit punt 10 van de considerans, beoogt deze verordening te garanderen dat de markt van de Unie in toereikende mate en tegen stabiele prijzen van de betrokken producten wordt voorzien, terwijl marktverstoringen in de vorm van hevige prijsschommelingen en negatieve gevolgen voor de producenten van de Unie, welke marktverstoringen veroorzaakt worden of kunnen worden door overmatige invoer van deze goederen uit derde landen, moeten worden voorkomen.
25 Daarnaast beantwoordt verordening nr. 1864/2004 eveneens aan doelstellingen van gemeenschappelijke handelspolitiek voor zover, zoals blijkt uit punt 1 van de considerans, zij de omzetting in Unierecht is van de internationale verbintenissen die de Unie is aangegaan ingevolge de Landbouwovereenkomst en die zijn vermeld in de communautaire lijst CXL van concessies en verbintenissen, om met ingang van 1 juli 1995 onder bepaalde voorwaarden communautaire tariefcontingenten voor conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 te openen. Met deze verbintenissen wordt overigens rekening gehouden in het derde deel, afdeling III, van bijlage 7 bij bijlage I bij verordening nr. 2658/87.
26 Blijkens punt 9 van de considerans wordt met verordening nr. 1864/2004 bovendien beoogd gedetailleerde voorschriften vast te stellen om ervoor te zorgen dat op de hoeveelheden boven de tariefcontingenten het volle recht wordt geheven dat in het gemeenschappelijk douanetarief is vastgesteld. Bijgevolg worden met het in het hoofdgeding aangevochten specifiek recht dat geldt voor de invoer van conserven uit derde landen boven de door deze verordening toegelaten hoeveelheid ook doelstellingen van gemeenschappelijk landbouwbeleid nagestreefd, die erin bestaan dergelijke invoer economisch te ontmoedigen en zo nutteloze verstoringen van de gemeenschappelijke markt ten gevolge van overmatige invoer van deze conserven te vermijden.
27 Bijgevolg streven het voormelde globale stelsel, en dus het bedrag van het in het hoofdgeding aangevochten specifieke recht, zowel doelstellingen van gemeenschappelijke handelspolitiek als doelstellingen van gemeenschappelijk landbouwbeleid na.
28 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de rechtspraak van het Hof in de zaken die hebben geleid tot de reeds aangehaalde arresten Wünsche en Pietsch, waarvan de verwijzende rechter melding maakt in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing, uitsluitend vrijwaringsmaatregelen betreft die destijds autonoom door de Unie zijn getroffen krachtens de regelgeving inzake de organisatie van de gemeenschappelijke marktordening in de sector verwerkte producten op basis van groenten en fruit die onder het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen. Deze zaken betroffen maatregelen die door de Europese Commissie zijn gekozen uit een breed gamma tarifaire en niet-tarifaire maatregelen waarmee de nagestreefde doelstelling van gemeenschappelijk landbouwbeleid kan worden bereikt.
29 De enige maatregel die de instellingen van de Unie in overeenstemming met de in het kader van de WTO door de Unie aangegane internationale verbintenissen konden nemen wat betreft de invoer van de betrokken goederen was daarentegen de heffing van een douanerecht als dat waarvan het bedrag het voorwerp uitmaakt van de door de verwijzende rechter gestelde geldigheidsvraag. Op grond van artikel 4 van de Landbouwovereenkomst moeten namelijk alle niet-tarifaire handelsbelemmeringen op het gebied van de landbouw worden afgeschaft en worden vervangen door douanerechten, waarbij de maximumtarieven van deze rechten zijn vastgelegd in de lijsten van de concessies van de leden van de WTO.
30 Voormelde rechtspraak houdt echter geenszins rekening met de doelstellingen van gemeenschappelijke handelspolitiek die eigen zijn aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling. Deze doelstellingen zijn het gevolg ervan dat de Unie in het kader van de multilaterale onderhandelingen van de Uruguay-Ronde internationale verbintenissen is aangegaan op basis waarvan het gemeenschappelijke douanetarief de enige beschikbare maatregel is om de markt van de Gemeenschap in deze sector te beschermen tegen invoer uit derde landen. Gelet op het concrete rechtskader is deze rechtspraak dus niet relevant voor het onderzoek van deze vraag betreffende de geldigheid.
31 Om de geldigheid van het bedrag van het in het hoofdgeding aangevochten specifieke recht te beoordelen, moet te dezen worden nagegaan of dit een maatregel is die kennelijk onevenredig is aan de nagestreefde doelstellingen van de betrokken regeling.
32 De voorafgaande bepaling in het kader van onderhandelingen binnen de WTO vanaf welk bedrag het specifieke recht deze invoer economisch minder aantrekkelijk maakt, is een complexe aangelegenheid. Daarom kan niet worden gesteld dat de betrokken instellingen van de Unie bij de vastlegging van het hoogste bedrag van de Unie op 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht hun ruime beoordelingsmarge dienaangaande hebben overschreden. Dit bedrag kan daarom niet als kennelijk onevenredig worden beschouwd.
33 Gelet op het concrete rechtskader kan uit de omstandigheid dat het bedrag van het in het hoofdgeding aangevochten specifieke recht zou kunnen betekenen dat invoer buiten tariefcontingenten elk uitzicht op rentabiliteit verliest, evenmin worden geconcludeerd dat dit bedrag kennelijk onevenredig is aan de nagestreefde doelstellingen.
34 Wat namelijk het argument van verzoeker in het hoofdgeding betreft dat het bedrag van het in het hoofdgeding aangevochten specifieke douanerecht gelet op de productiekosten ervan, de verkoop in de Unie van paddenstoelen uit de Volksrepubliek China verhindert, moet erop worden gewezen dat het op grond van het meestbegunstigingsbeginsel van artikel 1 van de GATT 1994 niet toegestaan is om het specifieke recht ten aanzien van de afzonderlijke leden van de WTO telkens op een andere hoogte vast te stellen. Uit dit argument betreffende de productiekosten van paddenstoelen uit een enkele lidstaat van de WTO, in casu de Volksrepubliek China, blijkt dus niet dat de wetgever van de Unie zijn ruime beoordelingsmarge te buiten is gegaan bij de vaststelling van het bedrag van het specifieke recht op 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat geldt voor invoer buiten tariefcontingenten uit alle lidstaten van de WTO.
35 Gelet op het voorgaande is bij het onderzoek van de vraag niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van het bedrag van het specifieke recht van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat geldt krachtens verordening nr. 1719/2005 en wordt geheven over de invoer buiten het bij verordening nr. 1864/2004 geopende contingent van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de gecombineerde nomenclatuur.
Kosten
36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Bij het onderzoek van de vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van het bedrag van het specifieke recht van 222 EUR per 100 kg netto-uitlekgewicht dat geldt krachtens verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief en wordt geheven over de invoer van conserven van paddenstoelen van het geslacht Agaricus die vallen onder postonderverdeling 2003 10 30 van de in deze bijlage opgenomen gecombineerde nomenclatuur, buiten het bij verordening nr. 1864/2004 van de Commissie van 26 oktober 2004 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor uit derde landen ingevoerde conserven van paddenstoelen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1995/2005 van de Commissie van 7 december 2005 geopende contingent.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy