Zaak C‑371/09
Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
tegen
Isaac International Limited
[verzoek van de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division, om een prejudiciële beslissing]
„Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Douanewetboek – Artikel 212 bis –Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Artikel 292 –Verordening (EG) nr. 88/97 – Artikel 14 – Antidumpingrecht – Rijwielframes”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 82, lid 1; verordeningen van de Commissie nr. 2454/93, art. 292, lid 3, en nr. 88/97, art. 14, sub c)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 212 bis; verordeningen van de Commissie nr. 2454/93, art. 292, en nr. 88/97, art. 14, sub c)
1. De procedure waarin is voorzien bij artikel 292, lid 3, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1602/2000, kan niet worden opgevat als een vergunning voor een importeur die in twee lidstaten is gevestigd en activiteiten verricht en die goederen die hij in de ene lidstaat invoert onmiddellijk naar de andere lidstaat vervoert, waardoor deze voor vrijstelling van de antidumpingrechten in aanmerking komt overeenkomstig artikel 14, sub c, van verordening nr. 88/97 tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij verordening nr. 71/97 van het bij verordening nr. 2474/93 van de Raad ingestelde antidumpingrecht.
Laatstgenoemde bepaling voorziet immers in een maandelijkse kwantitatieve limiet die niet voldoende kan worden gecontroleerd door de douaneadministratie van de invoerstaat alleen. Enerzijds zouden de kwantitatieve limieten gemakkelijk kunnen worden omzeild door de zowel in de lidstaat van invoer als in de lidstaat van de eindbestemming verrichte importen. Anderzijds moet het toezicht op de bijzondere bestemming overeenkomstig artikel 82, lid 1, van het douanewetboek worden gehandhaafd gedurende het volledige referentietijdvak, te weten een maand, teneinde te verifiëren of de kwantitatieve limiet niet is overschreden. Ingeval de goederen onmiddellijk naar een tweede lidstaat worden verzonden, zijn de douaneautoriteiten van de eerste lidstaat alleen evenwel niet in staat om te controleren of deze limiet in acht is genomen, maar zijn zij afhankelijk van de medewerking van de autoriteiten van de andere lidstaat, zodat daarbij noodzakelijkerwijs meer dan één douaneadministratie betrokken is, hetgeen in strijd is met de in artikel 292, lid 3, van verordening nr. 2454/93 gestelde voorwaarde volgens welke de vereenvoudigde procedure eist dat slechts één douaneadministratie bij de aanvraag betrokken is.
(cf. punten 34‑37, dictum 1)
2. Op basis van artikel 212 bis van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, kan geen vrijstelling van antidumpingrechten worden verleend aan een importeur aan wie niet eerst de vergunning is verleend waardoor hij in aanmerking komt voor vrijstelling van deze rechten overeenkomstig artikel 14, sub c, van verordening nr. 88/97 tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij verordening nr. 71/97 van het bij verordening nr. 2474/93 van de Raad ingestelde antidumpingrecht.
Bovenop andere voorwaarden verwijst artikel 14, sub c, van verordening nr. 88/97 immers uitdrukkelijk naar de voorwaarde van afgifte van een voorafgaande vergunning, bedoeld in artikel 292 van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92. Zich voor toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek tevreden stellen met vervulling van één van de door dat artikel 14, sub c, gestelde voorwaarden, om te concluderen dat „de overige voorwaarden” van artikel 212 bis van het douanewetboek zijn vervuld, zou er evenwel op neerkomen dat het opleggen van de bij dat artikel 292 gestelde voorwaarde van een voorafgaande vergunning elke betekenis verliest. Aangezien dit artikel in vrijstelling van de antidumpingrechten voorziet en derhalve strikt moet worden uitgelegd, dient bij de uitlegging van dat artikel 212 bis rekening te worden gehouden met deze voorwaarde, temeer daar die voorafgaande vergunning van bijzonder belang is in het kader van de in verordening nr. 88/97 vastgestelde regeling, aangezien de douaneautoriteiten aan de hand daarvan op het tijdstip van de feiten kunnen verifiëren of aan alle vereisten voor de vrijstelling van de betrokken antidumpingrechten is voldaan.
(cf. punten 41‑43, 45, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
29 juli 2010 (*)
„Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Douanewetboek – Artikel 212 bis –Verordening (EEG) nr. 2454/93 – Artikel 292 –Verordening (EG) nr. 88/97 – Artikel 14 – Antidumpingrecht – Rijwielframes”
In zaak C‑371/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division (Verenigd Koninkrijk), bij beslissing van 6 juli 2009, ingekomen bij het Hof op 17 september 2009, in de procedure
Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
tegen
Isaac International Limited,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, E. Juhász, G. Arestis, T. von Danwitz (rapporteur) en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ossowski als gemachtigde, bijgestaan door M. Angiolini, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal en L. Bouyon als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 212 bis van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17; hierna: „douanewetboek”), en van artikel 292 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1602/2000 van de Commissie van 24 juli 2000 (PB L 188, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs en Isaac International Limited (hierna: „Isaac”) betreffende de navordering van douanerechten en belasting over de toegevoegde waarde.
Rechtskader
Recht van de Unie
3 Bij verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad van 8 september 1993 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer in de Gemeenschap van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht (PB L 228, blz. 1), is een antidumpingrecht ingesteld.
4 Dit antidumpingrecht is uitgestrekt tot een aantal rijwielonderdelen bij verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van 10 januari 1997 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 2474/93 voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China op de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China en tot heffing van het uitgebreide recht op dergelijke uit hoofde van verordening (EG) nr. 703/96 geregistreerde invoer (PB L 16, blz. 55).
5 Verordening (EG) nr. 88/97 van de Commissie van 20 januari 1997 tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van het bij verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad ingestelde antidumpingrecht (PB L 17, blz. 17; hierna: „vrijstellingsverordening”), bevat nauwkeurige aanwijzingen voor de belanghebbende partijen inzake de werking van het systeem van vrijstelling van het antidumpingrecht.
6 Artikel 14 van deze verordening, met als opschrift „Aan toezicht op [de bijzondere bestemming] onderworpen vrijstelling”, luidt als volgt:
„Indien op of na de datum van inwerkingtreding van [...] verordening [nr. 71/97] de invoer van hoofdbestanddelen van rijwielen voor het vrije verkeer wordt aangegeven door een ander dan door een vrijgestelde partij, wordt deze invoer van de toepassing van het uitgebreide recht vrijgesteld indien de aangifte in overeenstemming met de in bijlage III weergegeven Taric-structuur geschiedt en voldoet aan de voorwaarden van artikel 82 van [het douanewetboek] en van de artikelen 291 tot en met 304 van [de uitvoeringsverordening] die van overeenkomstige toepassing zijn, en indien:
a) de hoofdbestanddelen van rijwielen aan een overeenkomstig artikel 7 of artikel 12 vrijgestelde partij worden geleverd, of
b) die bestanddelen aan een andere houder van een vergunning in de zin van artikel 291 van [de uitvoeringsverordening] worden geleverd, of
c) per maand minder dan 300 eenheden per soort hoofdbestanddelen van rijwielen hetzij door een partij voor het vrije verkeer worden aangegeven dan wel aan die partij worden geleverd. Het aantal bestanddelen dat wordt aangegeven door of wordt geleverd aan een partij, wordt berekend met verwijzing naar het aantal bestanddelen dat is aangegeven door of is geleverd aan alle partijen die met die partij zijn geassocieerd of die met die partij compensatieovereenkomsten hebben.”
7 Artikel 82, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Indien goederen, uit hoofde van hun bijzondere bestemming, onder toepassing van een verlaagd recht of van een nulrecht bij invoer in het vrije verkeer worden gebracht, blijven zij onder douanetoezicht. Het douanetoezicht eindigt wanneer de voor toekenning van het verlaagde recht of van het nulrecht vastgestelde voorwaarden niet meer van toepassing zijn, wanneer de goederen worden uitgevoerd of vernietigd, dan wel wanneer tegen betaling van de verschuldigde rechten wordt toegestaan dat de goederen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn voorgeschreven voor de toepassing van het verlaagde recht bij invoer of van het nulrecht.”
8 Artikel 204, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of
b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.”
9 De aanvankelijke versie van artikel 212 bis van het douanewetboek is ingevoegd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1997, L 17, blz. 1).
10 De twaalfde overweging van de considerans van verordening nr. 82/97 preciseert:
„Overwegende dat, waar de communautaire wetgeving in volledige of gedeeltelijke vrijstelling van in- of uitvoerrechten voorziet, deze vrijstelling in alle gevallen moet kunnen worden toegepast, ongeacht de omstandigheden waarin de douaneschuld ontstaat; dat, indien onder dergelijke omstandigheden de procedurevoorschriften van de douanewetgeving niet worden nageleefd, de toepassing van het normale recht geen passende sanctie blijkt te zijn”.
11 Voornoemd artikel 212 bis bepaalt:
„Wanneer de douanewetgeving in een gunstige tariefbehandeling van bepaalde goederen uit hoofde van hun aard of bijzondere bestemming of in een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de in- of uitvoerrechten krachtens de artikelen 21, 82, 145 of 184 tot en met 187 voorziet, is deze gunstige behandeling of vrijstelling eveneens van toepassing in de gevallen waarin uit hoofde van de artikelen 202 tot en met 205, 210 of 211 een douaneschuld ontstaat, indien het gedrag van de belanghebbende niet van frauduleus handelen of van manifeste nalatigheid getuigt en deze laatste aantoont dat aan de overige voorwaarden voor de toekenning van de gunstige tariefbehandeling of de vrijstelling is voldaan.”
12 Artikel 292 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„1. Wanneer goederen uit hoofde van hun bijzondere bestemming aan douanetoezicht zijn onderworpen, wordt de toekenning van een gunstige tariefbehandeling overeenkomstig artikel 21 van het Wetboek van een schriftelijke vergunning afhankelijk gesteld.
Wanneer goederen uit hoofde van hun bijzondere bestemming met een verlaagd recht of met een nulrecht in het vrije verkeer worden gebracht en zij volgens de van kracht zijnde voorschriften overeenkomstig artikel 82 van het Wetboek onder douanetoezicht moeten blijven, is voor het douanetoezicht van de bijzondere bestemming een schriftelijke vergunning vereist.
2. De aanvraag voor een vergunning moet schriftelijk worden gedaan volgens het in bijlage 67 opgenomen model. De douaneautoriteiten kunnen verlenging of wijziging van de vergunning op eenvoudig schriftelijk verzoek toestaan.
3. In bijzondere omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten de schriftelijk of met systemen voor automatische gegevensverwerking volgens de normale procedure ingediende aangifte voor het vrije verkeer als aanvraag voor een vergunning aanvaarden, op voorwaarde dat:
– bij de aanvraag slechts één douaneadministratie is betrokken,
– de aanvrager de goederen in hun geheel de voorgeschreven bijzondere bestemming geeft, en
– het correcte verloop van de handelingen gewaarborgd is.
[...]
5. Voor een enkelvoudige vergunning is de voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist. De volgende procedure is van toepassing:
De aanvraag wordt ingediend bij de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor de plaats:
– waar zich ten behoeve van de administratieve controle de hoofdboekhouding van de aanvrager bevindt en waar minstens een gedeelte van de handelingen waarop de vergunning betrekking heeft, wordt verricht; of
– in andere gevallen, waar de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming volgen.
Deze douaneautoriteiten zenden de aanvraag en de ontwerpvergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten, die binnen 15 dagen kennis geven van de ontvangst daarvan.
De andere betrokken douaneautoriteiten geven binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van de ontwerpvergunning kennis van hun eventuele bezwaren. Wanneer van deze bezwaren binnen de genoemde termijn kennis is gegeven en geen overeenstemming wordt bereikt, wordt de aanvraag afgewezen ten aanzien van die elementen waarop de bezwaren betrekking hebben.
De douaneautoriteiten kunnen de vergunning verlenen indien zij binnen 30 dagen geen bezwaren ten aanzien van de ontwerpvergunning hebben ontvangen.
De douaneautoriteiten die de vergunning verlenen, zenden alle betrokken douaneautoriteiten daarvan een kopie.
6. Wanneer twee of meer douaneadministraties overeenstemming hebben bereikt over de criteria en voorwaarden voor de afgifte van een enkelvoudige vergunning, kunnen deze administraties ook overeenkomen de voorafgaande raadpleging door een eenvoudige kennisgeving te vervangen. Een dergelijke kennisgeving is in alle gevallen toereikend voor de verlenging of intrekking van een enkelvoudige vergunning.”
Nationaal recht
13 Overeenkomstig artikel 292, lid 3, van de uitvoeringsverordening is in het Verenigd Koninkrijk het gebruik van deze vereenvoudigde vergunning afhankelijk gesteld van aanvullende voorwaarden, die zijn neergelegd in het UK Tariff. Deel 3 van bijlage E2 hierbij luidt inzonderheid als volgt:
„940069
1. Goederen die zijn gedekt: goederen die zijn ingevoerd onder de vereenvoudigde procedure inzake de bijzondere bestemming, waarbij een verlaagd of een nulrecht aan douanerechten wordt geheven, afhankelijk van hun gebruik binnen de Europese Gemeenschap met het oog op een voorgeschreven bestemming [...]
[...]
9. Aantekeningen
[...]
9.2 Hebben alleen betrekking op de douane van het Verenigd Koninkrijk
[...]
9.5 Deze CPC [code van de centrale productenclassificatie] mag alleen worden gebruikt voor burgerluchtvaartuigen, vliegtuigmotoren en eenmalige situaties. Hij mag niet worden gebruikt als gangbare invoermethode.”
14 Het UK Tariff, dat verschillende malen per jaar wordt bijgewerkt, kan gratis worden geraadpleegd in de kantoren van de belasting- en douaneadministratie van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en in sommige openbare bibliotheken. Relevante passages worden door de administratie op verzoek gratis verstrekt. Het is niet gratis beschikbaar op internet, maar kan van de administratie worden verkregen door middel van een jaarabonnement.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 Isaac is een vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk, met een filiaal in Duitsland. Zij heeft een kantoor en een pakhuis in het Verenigd Koninkrijk en een pakhuis en een distributiecentrum in Duitsland. Zij heeft vijf werknemers in het Verenigd Koninkrijk, die zich bezighouden met de invoer, en aanvullend personeel in Duitsland, waar de vennootschap haar marketing- en verkoopactiviteiten verricht.
16 Isaac houdt zich vooral bezig met de invoer van rijwielonderdelen uit China. Al deze onderdelen worden eerst ingevoerd in het Verenigd Koninkrijk en vervolgens onmiddellijk verzonden naar haar distributiecentrum in Duitsland.
17 Alle door Isaac ingevoerde rijwielonderdelen waren „hoofdbestanddelen van rijwielen” in de zin van verordening nr. 2474/93 en van de verordening houdende vrijstelling van de bij verordening nr. 71/97 vastgestelde uitbreiding.
18 Tussen 18 november 2003 en 11 april 2005 heeft Isaac 33 maal rijwielframes ingevoerd, die zij voor het vrije verkeer heeft aangegeven krachtens de regeling van toezicht op de bijzondere bestemming. Daarbij maakte zij gebruik van CPC-code 940069 teneinde vrijstelling van antidumpingrechten te verkrijgen krachtens het bepaalde in artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening. Met het oog op de litigieuze 33 importen is van belang dat Isaac in het desbetreffende referentietijdvak minder dan 300 eenheden per maand invoerde.
19 In de periode waarin zij de 33 importen verrichtte, had Isaac de toepasselijke bepalingen van het douanewetboek, de uitvoeringsverordening en de vrijstellingsverordening noch gelezen, noch anderszins hiermee rekening gehouden. Isaac had een goed bekendstaande invoeragent opdracht gegeven de invoerformaliteiten af te handelen.
20 Isaac beschikte niet over een voorafgaande vergunning bijzondere bestemming om aanspraak te kunnen maken op toepassing van artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening, maar meende gebruik te kunnen maken van de vereenvoudigde vergunning bedoeld in artikel 292, lid 3, van de uitvoeringsverordening.
21 Isaac heeft in die periode geen informatie ingewonnen bij de belastingautoriteiten met betrekking tot het gebruik van de procedure vereenvoudigde vergunning.
22 Na te hebben vastgesteld dat Isaac niet over de vereiste vergunning beschikte om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het antidumpingrecht krachtens artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening, hebben de Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs 161 120,76 GBP aan douanerechten en 28 196,13 GBP aan belasting over de toegevoegde waarde nagevorderd.
23 Op 18 april 2006 heef Isaac een vergunning in de zin van artikel 292, lid 2, van de uitvoeringsverordening aangevraagd. Deze vergunning werd verleend met de maximale door artikel 294, lid 3, van de uitvoeringsverordening toegestane terugwerkende kracht van een jaar. Bijgevolg is niet overgegaan tot navordering met betrekking tot de importen die hadden plaatsgevonden na 18 april 2005.
24 In het kader van het door Isaac bij het VAT and Duties Tribunal ingestelde beroep heeft deze rechterlijke instantie beslist dat Isaac weliswaar niet beschikte over een geldige vergunning bijzondere bestemming en geen gebruik kon maken van de vereenvoudigde procedure, maar aanspraak kon maken op de vrijstelling van artikel 212 bis van het douanewetboek, daar zij, door ervan uit te gaan dat de vereenvoudigde procedure kon worden toegepast, niet klaarblijkelijk nalatig was geweest. De douaneautoriteiten hebben hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
25 In die omstandigheden heeft de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Is, in omstandigheden als die in de onderhavige zaak, waarin een importeur gevestigd en actief is in twee lidstaten en goederen die hij in één lidstaat invoert onmiddellijk naar een andere lidstaat vervoert, bij de vergunning bijzondere bestemming die wordt vereist voor het verkrijgen van vrijstelling van antidumpingrechten overeenkomstig artikel 14, sub c, van [de vrijstellingsverordening], meer dan één douaneadministratie betrokken, in de zin van artikel 292, lid 3, van [de uitvoeringsverordening]?
2) Kan, in omstandigheden als die in de onderhavige zaak, waarin een importeur niet de vereiste vergunning heeft verkregen voor het gebruik van de procedure inzake de bijzondere bestemming van artikel 14, sub c, van [de vrijstellingsverordening], niettemin vrijstelling van antidumpingrechten worden verkregen overeenkomstig artikel 212 bis van [het douanewetboek]?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn dan bij de beoordeling of een handelaar in een situatie als die van Isaac klaarblijkelijk nalatig is geweest,
a) de bepalingen van artikel 14, sub c, van [de vrijstellingsverordening] en artikel 292, lid 3, [de uitvoeringsverordening] voldoende duidelijk opdat een handelaar die zich er niet van heeft vergewist, door het Publicatieblad van de Europese Unie te raadplegen, dat hij niet in aanmerking kwam voor de vereenvoudigde vergunning wegens de betrokkenheid van meer dan één douaneadministratie, als klaarblijkelijk nalatig moet worden aangemerkt?
b) Subsidiair, indien de toepasselijke bepalingen als complex moeten worden aangemerkt, staat het aan een handelaar om aan de belastingautoriteiten om verduidelijking te vragen alvorens de importen te verrichten? Is voor de beantwoording van deze vraag van belang of de handelaar op subjectieve wijze, doch abusievelijk, tot de conclusie was gekomen dat de relevante bepalingen, wat hun toepassing betreft, duidelijk waren?
c) Hoe moet de ervaring van een handelaar in een situatie als die van Isaac, die zich hoofdzakelijk bezighoudt met de invoer van rijwielonderdelen uit China, die vijf personeelsleden in dienst heeft die zich met de invoer bezighouden, en die binnen een tijdvak van 16 maanden 33 gelijksoortige importen heeft verricht, worden gekwalificeerd? Meer bepaald, dient een dergelijke handelaar als ervaren te worden aangemerkt?
d) Kunnen de belastingautoriteiten van een lidstaat zich bij de beoordeling of een handelaar in een situatie als die van Isaac klaarblijkelijk nalatig is geweest, beroepen op bekendgemaakte wetgeving zoals het UK Tariff, dat op bepaalde kantoren van de belastingautoriteiten en in openbare bibliotheken weliswaar gratis kan worden geraadpleegd, doch op internet alleen beschikbaar is tegen betaling van een jaarabonnement?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
26 De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bewoordingen „bij de aanvraag slechts één douaneadministratie is betrokken” van artikel 292, lid 3, van de uitvoeringsverordening.
27 Met deze vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de procedure waarin deze bepaling voorziet, kan dienen om een importeur die in twee lidstaten is gevestigd en zijn activiteiten verricht en die goederen die hij in de ene lidstaat invoert onmiddellijk naar de andere lidstaat vervoert, een vergunning toe te kennen waardoor hij voor vrijstelling van de antidumpingrechten in aanmerking komt overeenkomstig artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening.
28 Artikel 292, lid 1, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening bepaalt dat de toekenning van een gunstige tariefbehandeling afhankelijk wordt gesteld van een schriftelijke vergunning wanneer goederen aan douanetoezicht zijn onderworpen uit hoofde van hun bijzondere bestemming.
29 In afwijking daarvan kunnen de douaneautoriteiten ingevolge lid 3 van voormeld artikel „in bijzondere omstandigheden” de aangifte voor het vrije verkeer aanvaarden als aanvraag voor een vergunning.
30 Daartoe is blijkens het eerste gedachtestreepje van deze bepaling onder meer vereist dat „bij de aanvraag slechts één douaneadministratie is betrokken”.
31 Om uit te maken of in omstandigheden als die in het hoofdgeding meer dan één douaneadministratie bij de aanvraag betrokken is in de zin van artikel 292, lid 3, eerste gedachtestreepje, van de uitvoeringsverordening, moet in de beschouwing worden betrokken in welke context de vergunning die krachtens deze bepaling kan worden verleend, een rol speelt.
32 In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat artikel 14 van de vrijstellingsverordening, dat voor bepaalde gevallen in vrijstelling van de antidumpingrechten voorziet, als opschrift heeft „Aan toezicht op [de bijzondere bestemming] onderworpen vrijstelling”.
33 Voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde de-minimisvrijstelling krachtens artikel 14, sub c, van voornoemde verordening is bovendien vereist dat het „per maand [om] minder dan 300 eenheden” gaat. Deze bepaling preciseert dat dit aantal „wordt berekend met verwijzing naar het aantal [rijwiel]bestanddelen dat is aangegeven door of is geleverd aan alle partijen die met die partij zijn geassocieerd of die met die partij compensatieovereenkomsten hebben”.
34 Volgens dit regelgevingskader dient de volgens artikel 292 van de uitvoeringsverordening te hanteren procedure te waarborgen dat daadwerkelijk wordt toegezien op de voorwaarden waaraan de vrijstelling overeenkomstig artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening is onderworpen. Dienaangaande moet met name worden benadrukt dat deze bepaling in een maandelijkse kwantitatieve limiet voorziet en voorschrijft dat het aantal eenheden wordt berekend met inaanmerkingneming van alle partijen die met de importeur of met de indiener van de aangifte zijn geassocieerd of compensatieovereenkomsten daarmee hebben.
35 In een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin een importeur in twee lidstaten is gevestigd en activiteiten verricht en goederen die hij in de eerste lidstaat invoert onmiddellijk naar de tweede lidstaat vervoert, wordt door de vereenvoudigde procedure, die slechts toepassing kan vinden indien één douaneadministratie bij de zaak betrokken is, niet gewaarborgd dat daadwerkelijk op de in artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening gestelde voorwaarden wordt toegezien.
36 Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betogen, kan de kwantitatieve limiet immers niet voldoende worden gecontroleerd door de douaneadministratie van het Verenigd Koninkrijk alleen. Om te beginnen zouden de kwantitatieve limieten gemakkelijk kunnen worden omzeild door zowel in te voeren in het Verenigd Koninkrijk als in Duitsland. Voorts moet het toezicht op de bijzondere bestemming overeenkomstig artikel 82, lid 1, van het douanewetboek worden gehandhaafd gedurende het volledige referentietijdvak, te weten een maand, teneinde te verifiëren of de kwantitatieve limiet, namelijk minder dan 300 eenheden per maand, niet is overschreden. Ingeval de goederen onmiddellijk naar een tweede lidstaat worden verzonden, zijn de douaneautoriteiten van de eerste lidstaat alleen evenwel niet in staat om te controleren of deze limiet in acht is genomen, maar zijn zij afhankelijk van de medewerking van de autoriteiten van de andere lidstaat, zodat daarbij noodzakelijkerwijs meer dan één douaneadministratie betrokken is.
37 Gelet op het voorgaande moet de eerste vraag aldus worden beantwoord dat de procedure waarin artikel 292, lid 3, van de uitvoeringsverordening voorziet, niet kan dienen om een importeur die in twee lidstaten is gevestigd en activiteiten verricht en die goederen die hij in de ene lidstaat invoert onmiddellijk naar de andere lidstaat vervoert, een vergunning toe te kennen waardoor hij voor vrijstelling van de antidumpingrechten in aanmerking komt overeenkomstig artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening.
Tweede en derde vraag
38 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen van het Hof te vernemen of op basis van artikel 212 bis van het douanewetboek vrijstelling van antidumpingrechten kan worden verleend aan een importeur waaraan niet eerst vergunning is verleend om krachtens artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening van deze rechten te worden vrijgesteld, maar die aan de materiële voorwaarden voldoet doordat hij de kwantitatieve limiet in acht heeft genomen.
39 Luidens artikel 212 bis van het douanewetboek is, wanneer de douanewetgeving in een gunstige tariefbehandeling voorziet, deze eveneens van toepassing in de gevallen waarin uit hoofde van de artikelen 202 tot en met 205 een douaneschuld ontstaat, indien het gedrag van de belanghebbende niet van frauduleus handelen of van manifeste nalatigheid getuigt en deze laatste aantoont dat is voldaan aan „de overige voorwaarden” voor de toekenning van de gunstige tariefbehandeling.
40 Aangezien de verwijzende rechterlijke instantie uitgaat van de premisse dat een douaneschuld – in casu antidumpingrechten – is ontstaan krachtens artikel 204 van het douanewetboek en dat de vrijstelling van dergelijke rechten als een „gunstige tariefbehandeling” in de zin van artikel 212 bis van het douanewetboek moet worden aangemerkt, dient dus te worden uitgemaakt of de omstandigheid dat Isaac de kwantitatieve limiet heeft geëerbiedigd volstaat om te concluderen dat „de overige voorwaarden” in de zin van laatstgenoemde bepaling waren vervuld.
41 Enerzijds verwijst artikel 14 van de vrijstellingsverordening, dat door de wetgever is vastgesteld kort na verordening nr. 82/97 houdende invoeging van artikel 212 bis in het douanewetboek, uitdrukkelijk naar de in de artikelen 291 tot en met 304 van de uitvoeringsverordening gestelde voorwaarden, door vrijstelling van de betrokken antidumpingrechten te verlenen onder voorbehoud van vervulling van die voorwaarden. Tot deze voorwaarden behoort de afgifte van een voorafgaande vergunning, bedoeld in artikel 292 van de uitvoeringsverordening.
42 In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat de wetgever het recht op vrijstelling uitdrukkelijk en specifiek aan de voorwaarde van afgifte van een dergelijke vergunning heeft onderworpen. Toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek in een geval als aan de orde in het hoofdgeding met de overweging dat de enkele omstandigheid dat de importeur de kwantitatieve limiet van artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening in acht heeft genomen volstaat om te concluderen dat „de overige voorwaarden” zijn vervuld, zou er evenwel op neerkomen dat het opleggen van bedoelde voorwaarde van een voorafgaande vergunning iedere betekenis verliest. Aangezien dit artikel in vrijstelling van de antidumpingrechten voorziet en derhalve strikt moet worden uitgelegd (zie naar analogie, met betrekking tot de uitlegging van artikel 239 van het douanewetboek, arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 52), dient bij de uitlegging van artikel 212 bis van het douanewetboek echter rekening te worden gehouden met deze voorwaarde.
43 Anderzijds moet erop worden gewezen dat deze voorafgaande vergunning van bijzonder belang is in het kader van de in de vrijstellingsverordening vastgestelde regeling, aangezien de douaneautoriteiten aan de hand daarvan op het tijdstip van de feiten kunnen verifiëren of aan alle vereisten betreffende de vrijstelling van de betrokken antidumpingrechten is voldaan.
44 Toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek kan er in die omstandigheden dan ook niet toe leiden dat een dergelijke vrijstelling van antidumpingrechten, die volgens artikel 14 van de vrijstellingsverordening juncto artikel 292 van de uitvoeringsverordening aan procedurele voorwaarden is onderworpen, ook kan worden toegekend wanneer deze voorwaarden niet in acht zijn genomen.
45 Gelet op een en ander moet de tweede vraag aldus worden beantwoord dat op basis van artikel 212 bis van het douanewetboek geen vrijstelling van antidumpingrechten kan worden verleend aan een importeur waaraan niet eerst vergunning is verleend om van deze rechten te worden vrijgesteld overeenkomstig artikel 14, sub c, van de vrijstellingsverordening.
46 Gelet op het antwoord op de tweede vraag hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) De procedure waarin is voorzien bij artikel 292, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1602/2000 van de Commissie van 24 juli 2000, kan niet dienen om een importeur die in twee lidstaten is gevestigd en activiteiten verricht en die goederen die hij in de ene lidstaat invoert onmiddellijk naar de andere lidstaat vervoert, een vergunning toe te kennen waardoor hij voor vrijstelling van de antidumpingrechten in aanmerking komt overeenkomstig artikel 14, sub c, van verordening nr. 88/97 van de Commissie van 20 januari 1997 tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van het bij verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad ingestelde antidumpingrecht.
2) Op basis van artikel 212 bis van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, kan geen vrijstelling van antidumpingrechten worden verleend aan een importeur waaraan niet eerst vergunning is verleend om van deze rechten te worden vrijgesteld overeenkomstig artikel 14, sub c, van verordening nr. 88/97.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy