Zaak C‑409/09
José Maria Ambrósio Lavrador
en
Maria Cândida Olival Ferreira Bonifácio
tegen
Companhia de Seguros Fidelidade-Mundial SA
(verzoek van het Supremo Tribunal de Justiça om een prejudiciële beslissing)
„Verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG en 90/232/EEG – Recht op vergoeding door verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Voorwaarden voor beperking – Bijdrage van slachtoffer tot eigen schade – Risicoaansprakelijkheid – Bepalingen toepasselijk op minderjarig derde slachtoffer van ongeval”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Richtlijnen 72/166, 84/5 en 90/323 – Vaststelling van regeling van wettelijke aansprakelijkheid van toepassing op ongevallen waartoe deelneming aan verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven
(Richtlijnen 72/166, 84/5 en 90/232 van de Raad)
Richtlijn 72/166 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, de Tweede richtlijn (84/5) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en de Derde richtlijn (90/232) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen inzake wettelijke aansprakelijkheid krachtens welke het recht van het slachtoffer van een ongeval om te worden vergoed door de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid van het bij het ongeval betrokken motorvoertuig kan worden uitgesloten of beperkt op basis van een individuele beoordeling van de uitsluitende of gedeeltelijke bijdrage van dit slachtoffer tot de eigen schade.
Dat is in het bijzonder het geval met een nationale wettelijke regeling die de risicoaansprakelijkheid van de bestuurder van het voertuig dat betrokken is bij een ongeval, slechts wil uitsluiten wanneer het ongeval uitsluitend aan het slachtoffer is te wijten, en volgens welke bovendien het slachtoffer, wiens eigen schuld tot het ontstaan of de verergering van de schade heeft bijgedragen, slechts een vergoeding krijgt die is verminderd naar evenredigheid van de ernst van deze schuld. Een dergelijke wettelijke regeling heeft namelijk niet tot gevolg dat ingeval het slachtoffer bijdraagt tot de eigen schade, zijn aanspraak om te worden vergoed door de verplichte wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering van de bestuurder van het bij het ongeval betrokken voertuig automatisch wordt uitgesloten of onevenredig wordt beperkt. Zij laat dus de in het recht van de Unie voorziene garantie van dekking van de naar nationaal recht toepasselijke wettelijke aansprakelijkheid door een verzekering overeenkomstig de drie bovengenoemde richtlijnen onverlet.
(cf. punten 33‑35 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
9 juni 2011 (*)
„Verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG en 90/232/EEG – Recht op vergoeding door verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Voorwaarden voor beperking – Bijdrage van slachtoffer tot eigen schade – Risicoaansprakelijkheid – Op minderjarig derde slachtoffer van ongeval toepasselijke bepalingen”
In zaak C‑409/09,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Supremo Tribunal de Justiça (Portugal) bij beslissing van 2 oktober 2009, ingekomen bij het Hof op 27 oktober 2009, in de procedure
José Maria Ambrósio Lavrador,
Maria Cândida Olival Ferreira Bonifácio
tegen
Companhia de Seguros Fidelidade-Mundial SA,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur), G. Arestis, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 januari 2011,
gelet op de opmerkingen van:
– J. M. Ambrósio Lavrador en M. C. Olival Ferreira Bonifácio, vertegenwoordigd door L. Saraiva, advogado,
– Companhia de Seguros Fidelidade-Mundial SA, vertegenwoordigd door J. M. Fonseca, advogado,
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en D. Marinho Pires als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en J. Kemper als gemachtigden,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door K. Drēviņa en M. Borkoveca als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Yerrell, M. Teles Romão en P. Guerra e Andrade als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1; hierna: „Eerste richtlijn”), van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: „Tweede richtlijn”) en van de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33; hierna: „Derde richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J. M. Ambrósio Lavrador en M. C. Olival Ferreira Bonifácio enerzijds en Companhia de Seguros Fidelidade-Mundial SA (hierna: „Fidelidade-Mundial”) anderzijds betreffende de vergoeding door deze laatste, op grond van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, van de schade die verzoekers in het hoofdgeding hebben geleden als gevolg van een verkeersongeval tussen hun minderjarige kind dat een fiets bestuurde, en een voertuig waarvan de wettelijke aansprakelijkheid is gedekt door Fidelidade-Mundial.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn luidt:
„Iedere lidstaat treft [...] de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld.”
4 Artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn, bepaalt:
„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis, afgegeven overeenkomstig artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn], op grond waarvan van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen:
– door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd zijn,
of
– door personen die geen rijbewijs hebben om het betrokken voertuig te besturen,
of
– door personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen,
voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn] geacht worden niet te gelden inzake aanspraken van derden die slachtoffer zijn van een ongeval.
De in het eerste streepje bedoelde bepaling of clausule kan echter worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.
De lidstaten hebben de mogelijkheid om voor ongevallen op hun grondgebied het bepaalde in de eerste alinea niet toe te passen indien en voor zover het slachtoffer schadevergoeding kan krijgen van een orgaan van de sociale zekerheid.”
5 Artikel 1 van de Derde richtlijn luidt:
„Onverminderd artikel 2, lid 1, tweede alinea, van [de Tweede richtlijn], dekt de in artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn] bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.
[...]”
6 Artikel 4 van richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 149, blz. 14) met het opschrift „Wijzigingen in richtlijn 90/232/EEG”, bepaalt:
„[...]
2) Het volgende artikel wordt ingevoegd:
‚Artikel 1 bis
De in artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn] bedoelde verzekering dekt lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade.’
[...]”
7 Punt 16 van de considerans van richtlijn 2005/14 luidt:
„Lichamelijk letstel en materiële schade die worden geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers, die gewoonlijk de zwakste partij zijn bij een ongeval, moeten door de verplichte verzekering van het bij het ongeval betrokken voertuig worden gedekt wanneer zij krachtens het nationale burgerlijk recht gerechtigd zijn tot schadeloosstelling. Deze bepaling laat de wettelijke aansprakelijkheid of het niveau van schadevergoeding naar aanleiding van een specifiek ongeval op grond van de nationale wetgeving onverlet.”
8 Artikel 12 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263, blz. 11), met het opschrift „Bijzondere slachtoffercategorieën”, luidt:
„1. Onverminderd artikel 13, lid 1, tweede alinea, dekt de in artikel 3 bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.
[...]
3. De in artikel 3 bedoelde verzekering dekt lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht.
Deze bepaling doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade.”
Nationaal recht
9 Artikel 503, lid 1, van het Portugese burgerlijk wetboek luidt:
„Wie de feitelijke controle over een landvoertuig heeft en dit voertuig voor eigen rekening gebruikt, zelfs indien het wordt bestuurd door een gemachtigde, is aansprakelijk voor de schade die door dit voertuig wordt veroorzaakt, ook al neemt het niet aan het verkeer deel.”
10 Artikel 504, lid 1, van dit wetboek bepaalt:
„De aansprakelijkheid voor door een voertuig veroorzaakte schade geldt jegens derden en inzittenden.”
11 Artikel 505 van dit wetboek bepaalt:
„Onverminderd de bepalingen van artikel 570 is de aansprakelijkheid in de zin van artikel 503, lid 1, slechts uitgesloten wanneer het ongeval aan het slachtoffer of aan een derde toerekenbaar is of wanneer het voortvloeit uit een geval van overmacht dat aan de werking van het voertuig vreemd is.”
12 Artikel 570 van dit wetboek bepaalt:
„1. Wanneer het slachtoffer door eigen schuld tot het ontstaan of de verergering van de schade heeft bijgedragen, kan de bevoegde rechter gelet op de ernst van de wederzijdse onrechtmatige handelingen van partijen en de eruit voortvloeiende gevolgen bepalen of de vergoeding volledig moet worden toegekend, verminderd of zelfs uitgesloten.
2. Indien de aansprakelijkheid is gebaseerd op een eenvoudig vermoeden van schuld, sluit de schuld van het slachtoffer, behoudens andersluidende bepalingen, de verplichting tot vergoeding uit.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13 Op 12 juli 2002 werd de minderjarige zoon van verzoekers in het hoofdgeding, die een fiets bestuurde, aangereden door een door Fidelidade-Mundial verzekerd voertuig. De jongen overleed als gevolg van dit ongeval.
14 De verwijzende rechter wijst erop dat dit ongeval volgens de vaststellingen in de vorige instanties om 20.20 uur in een bebouwde kom, in een straat met gebouwen, op het platteland plaatsvond en dat het kind in de verkeerde richting reed zonder de voorrangsregels in acht te nemen.
15 Verzoekers in het hoofdgeding stelden een vordering tot schadevergoeding in tegen Fidelidade-Mundial, de verzekeraar van het voertuig dat betrokken was bij het ongeval waarvan hun zoon het slachtoffer was, op grond van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven. De belanghebbenden vorderen een schadevergoeding van 207 080,78 EUR en dekking van de kosten van medische behandeling en van alle materiële schade als vermogensschade en andere schade als gevolg van dit ongeval.
16 Aangezien deze vordering zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is afgewezen, stelden verzoekers in het hoofdgeding cassatieberoep in bij het Supremo Tribunal de Justiça.
17 Inzake de omstandigheden van het ongeval waarvan de zoon van verzoekers in het hoofdgeding het slachtoffer is geworden, wijst de verwijzende rechter er onder verwijzing naar de beslissingen in eerste aanleg en in hoger beroep op dat het ongeval alleen is te wijten aan het minderjarige kind, dat in de verkeerde richting reed en de voorrangsregels niet in acht nam, en dat de bestuurder van het voertuig geen verkeersregels heeft geschonden en dus niet aansprakelijk kan worden gesteld, noch op grond van risicoaansprakelijkheid, noch op grond van schuldaansprakelijkheid.
18 De verwijzende rechter vermeldt in zijn beslissing evenwel het door verzoekers in het hoofdgeding gestelde, dat van de bestuurder van het motorvoertuig bijzondere aandacht en uiterste voorzichtigheid kon worden geëist daar hij de plaats van het ongeval kende, waar steeds kinderen waren. Voorts wordt gesteld dat nalatigheid van deze bestuurder een causale rol heeft gespeeld in het proces dat tot het schadegeval heeft geleid.
19 De verwijzende rechter merkt op dat het Hof weliswaar heeft erkend dat de wettelijke aansprakelijkheid tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, maar in zijn arrest van 30 juni 2005, Candolin e.a. (C‑537/03, Jurispr. blz. I‑5745), ook heeft verduidelijkt dat zij bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht in acht moeten nemen, en dus de bepalingen van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn niet hun nuttige werking mogen ontnemen. Deze bepalingen misten een dergelijke werking met name indien een nationale regeling louter op grond van het feit dat de schade aan het slachtoffer toerekenbaar is, het recht op vergoeding uitsloot of onevenredig beperkte.
20 Gelet op deze rechtspraak van het Hof twijfelt de verwijzende rechter aan de verenigbaarheid van het stelsel van wettelijke aansprakelijkheid dat op het hoofdgeding van toepassing is, met de in de punten 3, 4 en 5 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen van het Unierecht.
21 Daarop heeft het Supremo Tribunal de Justiça de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 1 van de Derde [richtlijn] aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat het Portugese burgerlijk recht – met name de artikelen 503, lid 1, 504, 505 en 570 van het burgerlijk wetboek – in het geval van een verkeersongeval, zoals zich dit in de onderhavige zaak op een bepaald tijdstip en op een bepaalde plaats en wijze heeft voorgedaan, het recht op schadevergoeding van de minderjarige die zelf slachtoffer is van het ongeval uitsluit of beperkt op de loutere grond dat deze minderjarige gedeeltelijk of zelfs geheel aansprakelijk wordt geacht voor het ontstaan van de schade?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
22 Om te beginnen dient, zoals de Duitse regering terecht opmerkt, te worden opgemerkt dat de gestelde vraag weliswaar slechts artikel 1 van de Derde richtlijn betreft, maar dat de verwijzende rechter met zijn vraag blijkens de verwijzingsbeslissing in haar geheel in wezen vraagt of de Eerste, de Tweede, en de Derde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, die het recht op vergoeding van het slachtoffer van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, beperkt of uitsluit wegens de gedeeltelijke of uitsluitende bijdrage van het slachtoffer tot het schadegeval.
23 In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de considerans van de Eerste en de Tweede richtlijn duidelijk blijkt dat deze richtlijnen enerzijds het vrije verkeer beogen te waarborgen, zowel van gewoonlijk op het grondgebied van de Europese Unie gestalde voertuigen als van de inzittenden, en anderzijds willen verzekeren dat de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan (arresten van 28 maart 1996, Ruiz Bernáldez, C‑129/94, Jurispr. blz. I‑1829, punt 13; 14 september 2000, Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira, C‑348/98, Jurispr. blz. I‑6711, punt 24, en 17 maart 2011, Carvalho Ferreira Santos, C‑484/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 24).
24 De Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede en de Derde richtlijn, verplicht de lidstaten dus ervoor te zorgen dat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering wordt gedekt en preciseert met name welke soorten schade en welke derden die het slachtoffer van een ongeval zijn geworden, door deze verzekering moeten worden gedekt (zie reeds aangehaalde arresten Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira, punt 27, en Carvalho Ferreira Santos, punt 27).
25 Evenwel zij eraan herinnerd dat de verplichting bij wege van een wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering de door motorrijtuigen aan derden veroorzaakte schade te dekken, moet worden onderscheiden van de omvang van de schadeloosstelling van deze derden op grond van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde. Terwijl de verplichte dekking is vastgesteld en gewaarborgd door de regeling van de Unie, wordt de omvang van de schadeloosstelling immers hoofdzakelijk door het nationale recht bepaald (arrest Carvalho Ferreira Santos, reeds aangehaald, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Het Hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat uit het doel en de bewoordingen van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn blijkt dat zij er niet toe strekken de wettelijkeaansprakelijkheidsregelingen van de lidstaten te harmoniseren en dat de lidstaten bij de huidige stand van het Unierecht bevoegd blijven om te bepalen welke regeling inzake wettelijke aansprakelijkheid geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen (arrest Carvalho Ferreira Santos, reeds aangehaald, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze analyse wordt, wat de door de niet-gemotoriseerde weggebruikers geleden schade betreft, bevestigd door de bepalingen van artikel 1bis van de Derde richtlijn, die in artikel 12, lid 3, van richtlijn 2009/103 zijn overgenomen.
27 De lidstaten zijn echter verplicht te garanderen dat de naar hun nationaal recht geldende wettelijke aansprakelijkheid wordt gedekt door een verzekering die in overeenstemming is met de bepalingen van de drie bovengenoemde richtlijnen (arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira, reeds aangehaald, punt 29; arrest van 19 april 2007, Farrell, C-356/05, Jurispr. blz. I-3067, punt 33, en arrest Carvalho Ferreira Santos, reeds aangehaald, punt 34).
28 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak dat de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden op dit gebied het Unierecht in acht dienen te nemen en dat de nationale bepalingen die de vergoeding regelen van schade veroorzaakt door ongevallen ten gevolge van de deelneming van voertuigen aan het verkeer de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn niet hun nuttige werking mogen ontnemen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Ruiz Bernáldez, punt 19; Candolin e.a., punten 27 en 28, en Farrell, punt 34).
29 Zoals het Hof heeft gepreciseerd, zouden deze richtlijnen een dergelijke werking missen indien een nationale regeling aan de hand van algemene en abstracte criteria, louter op grond van het feit dat het slachtoffer tot de schade heeft bijgedragen, hetzij hem het recht zou ontzeggen om door de verplichte motorrijtuigenverzekering te worden vergoed, hetzij dit recht op onevenredige wijze zou beperken (zie in die zin arrest Candolin e.a., reeds aangehaald, punt 29). Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan – op basis van een individuele beoordeling – de omvang van de schadevergoeding van het slachtoffer worden beperkt (arrest Candolin e.a., reeds aangehaald, punt 30).
30 Het Hof kwam dus tot de conclusie dat artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn en artikel 1 van de Derde richtlijn zich verzetten tegen een nationale regeling krachtens welke de door de verplichte motorrijtuigenverzekering te betalen schadevergoeding op onevenredige wijze kan worden geweigerd of beperkt op grond dat een inzittende heeft bijgedragen tot de door hem opgelopen schade (arrest Candolin e.a., reeds aangehaald, punt 35). Deze oplossing is bevestigd in het reeds aangehaalde arrest Farrell (punt 35).
31 In het hoofdgeding worden de slachtoffers van het ongeval, anders dan in de gevallen die hebben geleid tot de reeds aangehaalde arresten Candolin e.a. en Farrell, niet door een beperking van de dekking van de wettelijke aansprakelijkheid bij bepalingen inzake verzekering, maar door een beperking van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde bestuurder op grond van het geldende stelsel van wettelijke aansprakelijkheid, in hun recht op vergoeding geraakt.
32 De artikelen 503 en 504 van het Portugese burgerlijk wetboek voorzien dienaangaande blijkens de verwijzingsbeslissing in een objectieve aansprakelijkheid voor verkeersongevallen, maar artikel 505 van dit wetboek sluit de risicoaansprakelijkheid in de zin van artikel 503, lid 1, van dit wetboek uit wanneer het ongeval te wijten is aan het slachtoffer. Bovendien, aldus artikel 570 van het Portugese burgerlijk wetboek, verliest het slachtoffer, wiens eigen schuld tot het ontstaan of de verergering van de schade heeft bijgedragen, naargelang van de ernst daarvan geheel of gedeeltelijk het recht op schadevergoeding.
33 De in het hoofdgeding toepasselijke nationale wetgeving wil met andere woorden in een context als in de onderhavige zaak de risicoaansprakelijkheid van de bestuurder van het voertuig dat betrokken is bij het ongeval, slechts uitsluiten wanneer het ongeval alleen aan het slachtoffer is te wijten. Bovendien krijgt het slachtoffer, wiens eigen schuld tot het ontstaan of de verergering van de schade heeft bijgedragen, volgens deze wetgeving maar een vergoeding naar evenredigheid van de ernst van deze schuld.
34 Anders dan de respectievelijke juridische bepalingen in de zaken die tot de reeds aangehaalde arresten Candolin e.a. en Farrell hebben geleid, heeft deze rechtspraak dus niet tot gevolg dat ingeval het slachtoffer bijdraagt tot de eigen schade, zijn aanspraak – in casu die van de ouders van een bij een aanrijding met een motorvoertuig verongelukt minderjarig kind dat een fiets bestuurde – om te worden vergoed door de verplichte wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering van de bestuurder van het bij het ongeval betrokken voertuig automatisch wordt uitgesloten of onevenredig beperkt. Zij laat dus de Unierechtelijke garantie van dekking van de naar nationaal recht toepasselijke wettelijke aansprakelijkheid door een verzekering overeenkomstig voormelde drie richtlijnen onverlet (zie arrest Carvalho Ferreira Santos, reeds aangehaald, punten 43 en 44).
35 Gelet op het vooroverwogene dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat de Eerste, de Tweede, en de Derde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen inzake wettelijke aansprakelijkheid krachtens welke het recht van het slachtoffer van een ongeval om te worden vergoed door de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid van het bij het ongeval betrokken motorvoertuig kan worden uitgesloten of beperkt op basis van een individuele beoordeling van de uitsluitende of gedeeltelijke bijdrage van dit slachtoffer tot de eigen schade.
Kosten
36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen inzake wettelijke aansprakelijkheid krachtens welke het recht van het slachtoffer van een ongeval om te worden vergoed door de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid van het bij het ongeval betrokken motorvoertuig kan worden uitgesloten of beperkt op basis van een individuele beoordeling van de uitsluitende of gedeeltelijke bijdrage van dit slachtoffer tot de eigen schade.
ondertekeningen
* Procestaal: Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy