ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
24 maart 2011 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 85/337/EEG – Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten – Selectiecriteria – Vaststelling van drempelwaarden – Omvang van project”
In zaak C‑435/09,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 4 november 2009,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek, J.‑B. Laignelot en C. ten Dam als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door T. Materne als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, E. Juhász, G. Arestis (rapporteur), J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de maatregelen te nemen die nodig zijn voor de correcte of volledige uitvoering van, wat het Vlaamse Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (PB L 156, blz. 17; hierna: „richtlijn 85/337”), gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn; wat het Waalse Gewest betreft, artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage I, punten 8, sub a, en 18, sub a, daarbij, en artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn, en, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III daarbij, en bijlage III als zodanig, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Rechtskader
Unierecht
2 Artikel 2 van richtlijn 85/337 bepaalt:
„1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.
[...]
3. Onverminderd de bepalingen van artikel 7, kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van de bepalingen van deze richtlijn.
[...]”
3 Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt dat bij de milieueffectbeoordeling rekening wordt gehouden met de directe en indirecte effecten van een project op mens, dier en plant, op bodem, water, lucht, klimaat en landschap, op materiële goederen en het culturele erfgoed en op de interactie tussen al deze factoren.
4 Artikel 4, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn luidt:
„1. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
2. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:
a) door middel van een onderzoek per geval, of
b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,
of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
De lidstaten kunnen besluiten om beide [sub] a en b genoemde procedures toe te passen.
3. Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moet met de relevante selectiecriteria van bijlage III rekening worden gehouden.”
5 De artikelen 5 tot en met 10 van richtlijn 85/337 bepalen met name de voorwaarden die voor het verrichten van een milieueffectbeoordeling moeten worden nageleefd, in het bijzonder de informatie die de aanvrager moet verstrekken en de mededeling van deze informatie aan het publiek.
6 Artikel 5, lid 3, vierde streepje, van richtlijn 85/337 schrijft voor dat de informatie die de opdrachtgever moet verstrekken, ten minste een schets van de voornaamste alternatieven die hij heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieueffecten, moet bevatten.
7 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:
„Wanneer een lidstaat constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat, of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden hierom verzoekt, doet de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren de andere lidstaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk wanneer hij zijn eigen publiek informeert, onder meer toekomen:
a) een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;
b) informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen,
[...]”
8 Richtlijn 85/337 bevat vier bijlagen. Bijlage I betreft de in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bedoelde projecten. Punt 8, sub a, van bijlage I noemt waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1 350 ton. Punt 18, sub a, van die bijlage heeft het over industriële installaties voor de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen. Bijlage II bij die richtlijn somt de in artikel 4, lid 2, van die richtlijn bedoelde projecten op. Bijlage III bij richtlijn 85/337 noemt de in artikel 4, lid 3, bedoelde selectiecriteria. Die bijlage bevat drie afzonderlijke punten die respectievelijk de kenmerken van de projecten, de plaats van deze projecten en de kenmerken van het potentiële effect ervan betreffen.
9 Meer specifiek schrijft bijlage III bij richtlijn 85/337 in de eerste plaats voor dat bij de kenmerken van de projecten in het bijzonder de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder alsook het risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën, in overweging moeten worden genomen. Bijlage III bepaalt in de tweede plaats dat rekening moet worden gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn en dat daarbij in het bijzonder het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied waarop het project betrekking heeft, en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu in overweging moeten worden genomen. Die bijlage preciseert in de derde plaats dat bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project in het bijzonder het bereik van het effect, het grensoverschrijdende karakter van het effect, de orde van grootte en de complexiteit van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect en de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect in overweging moeten worden genomen.
Nationaal recht
Regelgeving van het Vlaamse Gewest
10 Het Vlaamse Gewest heeft richtlijn 85/337 uitgevoerd bij het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals gewijzigd bij het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van dat eerste decreet met een titel betreffende de milieueffect‑ en veiligheidsrapportage (Belgisch Staatsblad van 13 februari 2003, blz. 7261; hierna: „Vlaams decreet”), en bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (Belgisch Staatsblad van 17 februari 2005, blz. 5556; hierna: „Vlaams besluit”).
11 Artikel 4.3.2 van het Vlaamse decreet, dat staat in titel IV, hoofdstuk III, betreffende de milieueffectrapportage over projecten, luidt:
„§ 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de categorieën van projecten aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage.
[...]
§ 2. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in § 1 bedoelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de administratie.
[...]
§ 4. De Vlaamse regering stelt, aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage II, de selectiecriteria vast op grond waarvan de administratie geval per geval beslist of voor de in §§ 2 en 3 bedoelde projecten overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze selectiecriteria moeten toelaten uit te maken of aan een bepaald project, dan wel aan een verandering daarvan, al dan niet aanzienlijke milieueffecten verbonden kunnen zijn.
[...]”
12 De inhoud van bijlage II bij het Vlaamse decreet, betreffende de in artikel 4.3.2, §§ 1 tot en met 4, en artikel 4.3.3, § 2, van dat decreet bedoelde selectiecriteria, stemt overeen met die van bijlage III bij richtlijn 85/337.
13 Bijlage II bij het Vlaamse besluit bevat de categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.2, §§ 2 en 3, van het Vlaamse decreet een milieueffectrapport vereist is, maar waarvoor een ontheffing kan worden verleend. In die bijlage heet het:
„[...]
3. Energiebedrijven
a) Industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water met uitzondering van kernenergiecentrales, met een warmtevermogen van 100 tot 300 megawatt.
[...]
4. Productie en verwerking van metalen
a) Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten, met een productiecapaciteit van 100 000 ton per jaar of meer.
[...]
g) Scheepswerven met een oppervlakte van 5 ha of meer.
[...]
i) Inrichtingen voor het vervaardigen van spoorwegmaterieel met een oppervlakte van 1 ha of meer, of voor het herstellen ervan met een oppervlakte van 5 ha of meer.
[...]
5. Minerale industrie
[...]
c) Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten:
– producten van asbestcement, met een productie van 10 000 tot 20 000 ton eindproducten per jaar,
– remvoeringen, met een productie van 25 tot 50 ton eindproducten per jaar,
– andere toepassingsmogelijkheden van asbest met een gebruik van 100 tot 200 ton per jaar.
[...]
10. Infrastructuurprojecten
[...]
e)
– Aanleg van wegen met 4 of meer rijstroken over een lengte van 1 km tot 10 km.
– Aanleg van wegen met 2 of meer rijstroken over een lengte van 10 km of meer.
– Aanleg van verharde wegen die over een ononderbroken lengte van 1 km of meer in een bijzonder beschermd gebied zijn gelegen.
[...]
j) Aanleg van infrastructuur voor trams, boven‑ en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd met een lengte van 1 km of meer.
[...]”
Regelgeving van het Waalse Gewest
14 Richtlijn 85/337 is in de Waalse regelgeving uitgevoerd bij onder meer het Waalse milieuwetboek (Belgisch Staatsblad van 9 juli 2004, blz. 54654; hierna: „Waals wetboek”), het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad van 8 juni 1999, blz. 21176), het decreet van 11 september 1985 houdende organisatie van de beoordeling van de effecten op het milieu in het Waalse Gewest, zoals gewijzigd bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, en het besluit van 4 juli 2002 van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten (Belgisch Staatsblad van 21 september 2002, blz. 42502; hierna: „Waals besluit”).
15 Bijlage I bij het Waalse besluit bevat een lijst van projecten, installaties en activiteiten die aan een effectstudie worden onderworpen. De rubrieken 21.1 en 61.20.01 van die bijlage luiden:
„21.1 Vervaardiging van papierpulp, papier en karton
21.11 Vervaardiging van papierpulp
21.11.01 Industriële installatie voor de vervaardiging van papierpulp vanaf hout of overige al dan niet vezelige stoffen als de geïnstalleerde productiecapaciteit
21.11.01.01 lager is dan 500 T/jaar: geen effectstudie
21.11.01.02 gelijk is aan 500 T/jaar of meer: effectstudie verplicht
[...]
61.20 Binnenvaart
61.20.01 Bouw van havens en haveninstallaties voor 25 schepen, met inbegrip van vissershavens: effectstudie verplicht”.
16 Artikel R. 41‑9 van het Waalse wetboek, dat sinds maart 2008 in de plaats is gekomen van artikel R. 83 van dat wetboek, bepaalt dat wanneer een in het Waalse Gewest liggend project niet te verwaarlozen milieueffecten zou kunnen hebben in een ander gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die het op 25 februari 1991 te Espoo (Finland) aangenomen Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband heeft ondertekend, de Waalse instantie die moet nagaan of de aanvraag volledig en ontvankelijk is, dit project doet toekomen aan de betrokken overheden van het gewest of de staat waarop het project van invloed kan zijn, en daarbij melding maakt van de bevoegde overheid en de termijn waarbinnen de beslissing moet worden genomen, de modaliteiten voor de organisatie van het openbaar onderzoek betreffende de behandeling van de vergunningaanvraag, meer bepaald de duur van het onderzoek, de vermoedelijke begindatum ervan en de overheid die de opmerkingen van het publiek in ontvangst zal nemen. Die bepaling preciseert bovendien dat deze instantie op het tijdstip waarop zij het dossier toestuurt, ook de Waalse regering en de bevoegde overheid kennis geeft van dat toesturen.
17 Artikel D. 66, § 2, van het Waalse wetboek schrijft voor dat de Waalse regering de lijst bepaalt van de projecten die vanwege de aard, omvang of ligging ervan aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen, rekening houdend met de in bijlage III bij richtlijn 85/337 genoemde selectiecriteria.
18 Artikel D. 68, § 1, van het Waalse wetboek luidt:
„Als een vergunningsaanvraag betreffende een project dat niet op de lijst bedoeld in artikel D. 66, § 2, eerste lid, voorkomt, niet vergezeld gaat van een effectonderzoek, onderzoekt de overheid die nagaat of het aanvraagdossier volledig of ontvankelijk is, op grond van de nota en rekening houdende met de relevante selectiecriteria bedoeld in artikel [D.] 66, § 2, of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben.”
Regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
19 Richtlijn 85/337 is in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest uitgevoerd bij het Brusselse wetboek van ruimtelijke ordening (hierna: „Brussels wetboek”), de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IA van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, en het besluit van 4 maart 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de ingedeelde inrichtingen van klasse IB, II en III met toepassing van artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 (hierna: „Brussels besluit”).
20 Artikel 142, § 1, van het Brusselse wetboek bepaalt dat de in bijlage B bij dit wetboek vermelde projecten worden onderworpen aan een effectenverslag.
21 De rubrieken 20 tot en met 26 van bijlage B luiden:
„20) aanleg van een beplante eigendom van meer dan 5 000 m2;
21) bouw van een kantoorgebouw waarvan de bovengrondse vloeroppervlakte tussen 5 000 en 20 000 m2 gelegen is;
22) hotelinrichting met meer dan 100 kamers;
23) scheppen van meer dan 1 000 m2 lokalen voor productieactiviteiten, handelszaken of opslagplaatsen in de hoofdzakelijk voor huisvesting bestemde gebieden;
24) scheppen van sport-, culturele, vrijetijds-, school‑ en sociale voorzieningen waarin meer dan 200 m2 toegankelijk is voor het gebruik van die voorzieningen;
25) parkeerplaatsen in open lucht voor motorvoertuigen, buiten de openbare weg, waarvan 50 tot 200 plaatsen zijn voor auto’s;
26) garages, overdekte plaatsen waar motorvoertuigen worden geparkeerd (overdekte parkings, tentoonstellingsruimten, enz.) die tussen 25 en 200 voertuigen of aanhangwagens tellen”.
22 Artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, in de op het onderhavige geschil toepasselijke versie, bepaalt onder het opschrift „Klassen van inrichtingen” dat de inrichtingen in vijf klassen worden ingedeeld naargelang de aard en de omvang van het gevaar en de hinder die zij zouden kunnen veroorzaken, te weten de klassen IA, IB, IC, II en III.
23 Artikel 7 van deze ordonnantie schrijft voor dat de daarin genoemde handelingen, wanneer zij betrekking hebben op de inrichtingen van klasse IA, IB en II, onderworpen zijn aan een milieuvergunning, en, wanneer zij inrichtingen betreffen van klasse IC of III, aan een voorafgaande aangifte.
24 Artikel 11 van deze ordonnantie („Technische en geografische uitbatingseenheid”) bepaalt dat wanneer verschillende inrichtingen een technische en geografische uitbatingseenheid vormen, zij het voorwerp dienen uit te maken van één enkele aangifte of één enkele aanvraag om een milieuattest of een milieuvergunning. Deze bepaling preciseert bovendien dat wanneer de inrichtingen tot verschillende klassen behoren, de aanvraag wordt ingediend en onderzocht volgens de regels die van toepassing zijn op de inrichting van de meest strikte klasse.
25 Het Brusselse besluit stelt in bijlage de lijst vast van de in artikel 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 bedoelde inrichtingen. Die lijst bevat meer dan 160 rubrieken, die voor elke daarin opgesomde inrichting vermelden tot welke klasse zij behoort. Zo vermeldt rubriek 68 dat garages en overdekte parkeerplaatsen waar motorvoertuigen worden geparkeerd voor 10 tot en met 24 wagens of aanhangwagens vallen onder klasse II, terwijl die voor 25 tot en met 200 wagens of aanhangwagens behoren tot klasse IB.
Precontentieuze procedure
26 Na een onderzoek naar de verenigbaarheid van de nationale maatregelen tot uitvoering van richtlijn 85/337 met de eisen van deze richtlijn heeft de Commissie de Belgische bevoegde autoriteiten verweten dat zij sommige bepalingen van deze richtlijn niet volledig en/of niet correct hadden uitgevoerd. Zij heeft dan ook een niet-nakomingsprocedure op basis van artikel 226 EG ingeleid en het Koninkrijk België op 4 juli 2006 een aanmaningsbrief gezonden, waarop alle bevoegde autoriteiten hebben geantwoord.
27 Na een onderzoek van het antwoord van het Koninkrijk België met betrekking tot de bevoegdheden die het als federale overheid uitoefent, heeft de Commissie beslist om de procedure niet voort te zetten ten aanzien van die overheid. De Commissie heeft haar standpunt echter gehandhaafd voor het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en op 17 oktober 2008 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij de autoriteiten van deze drie Gewesten verweet dat zij niet de nodige maatregelen hadden genomen om richtlijn 85/337 volledig uit te voeren. Het Koninkrijk België is dan ook verzocht om binnen twee maanden vanaf de kennisgeving ervan aan dat advies te voldoen.
28 Aangezien zij vond dat de antwoorden van die drie Gewesten op dat met redenen omkleed advies niet voldoende waren en dus van mening was dat het Koninkrijk België geen einde had gemaakt aan de verweten niet-nakoming, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
Grief inzake de regelgeving van het Vlaamse Gewest
Argumenten van partijen
29 De Commissie betoogt dat, wat het Vlaamse Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, niet correct is uitgevoerd omdat niet alle in bijlage III genoemde criteria in overweging zijn genomen bij de vaststelling van de drempelwaarden aan de hand waarvan kan worden bepaald of de in bijlage II bedoelde projecten al dan niet aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen.
30 De Commissie geeft weliswaar toe dat artikel 4.3.2, §§ 2 en 4, van het Vlaamse decreet en bijlage II bij dit decreet lijken te voldoen aan de verplichting om de in bijlage III bij richtlijn 85/337 genoemde criteria in aanmerking te nemen, maar zij is van mening dat het Vlaamse besluit lacunes vertoont waaruit blijkt dat bij de vaststelling van de in artikel 4.3.2, lid 2, bedoelde categorieën van projecten niet alle in bijlage II bij dit decreet – waarvan de inhoud overeenstemt met die van bijlage III bij deze richtlijn – genoemde relevante criteria zijn toegepast. Volgens de Commissie houden de vastgestelde drempelwaarden voor de meeste in bijlage II bij het Vlaamse besluit vermelde categorieën slechts rekening met het criterium betreffende de „omvang van het project”, zonder de overige in bijlage III genoemde criteria in aanmerking te nemen. Bij wijze van voorbeeld vermeldt zij de projecten van de categorieën 3, sub a, 4, sub a, en 5, sub c, van bijlage II bij het Vlaamse besluit.
31 De Commissie voert aan dat die werkwijze in strijd is met de in artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337 en in de bijlagen II en III bij deze richtlijn alsook in artikel 2, lid 1, van deze richtlijn opgezette regeling, volgens welke de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen alvorens de vergunning wordt verleend.
32 De Commissie betoogt dat de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten, gemakkelijk kan worden omzeild door de splitsing van de projecten. Door die benadering kan bovendien geen rekening worden gehouden met andere potentieel relevante kenmerken van een project, zoals het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder alsook het risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Evenmin worden de ligging van het project of het potentiële milieueffect ervan in overweging genomen.
33 De Commissie weerlegt het argument van het Koninkrijk België dat de in de Vlaamse regelgeving bepaalde drempelwaarden zo laag zijn dat er sprake is van een „relevant en algemeen” criterium op basis waarvan kan worden aangenomen dat een project dat de vastgestelde drempelwaarde niet overschrijdt, geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Ter onderbouwing van haar betoog beroept de Commissie zich op een reeks voorbeelden betreffende een bepaald aantal categorieën van bijlage II bij het Vlaamse besluit en in dit verband preciseert zij dat zij, om aan te tonen dat een richtlijn ontoereikend of onjuist is omgezet, niet de reële effecten van de nationale uitvoeringsregeling hoeft aan te tonen.
34 Zo merkt de Commissie, die met name het voorbeeld neemt van de in punt 4, sub i, van bijlage II bij het Vlaamse besluit bedoelde categorie van projecten, op dat alleen de inrichtingen voor het vervaardigen van spoorwegmaterieel met een oppervlakte van 1 hectare of meer, of voor het herstellen ervan met een oppervlakte van 5 hectare of meer, aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, behoudens wanneer een verzoek tot ontheffing is ingediend. De Commissie benadrukt in dit verband dat andere kenmerken dan louter de omvang van het project bepalend kunnen zijn voor de vraag of een project aanzienlijke milieueffecten kan hebben, te weten de cumulatie van een project met andere projecten, de productie van afvalstoffen of mogelijke verontreiniging en hinder of het risico van ongevallen. Tot slot blijkt niet uit de gehanteerde drempel dat ook rekening wordt gehouden met de ligging van de projecten en met de kenmerken van het potentiële effect ervan.
35 De Commissie merkt bij wijze van voorbeeld ook op dat wat de categorie van projecten van punt 10, sub e, van bijlage II bij het Vlaamse besluit betreft, alleen de aanleg van wegen met 2 of meer rijstroken over een lengte van 10 kilometer aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen. In dit verband voert de Commissie met name aan dat de lengte van een weg niet per definitie gelijk is aan de intensiteit van het gebruik ervan en op zich niet bepalend is voor de mogelijke milieueffecten.
36 De Commissie voegt toe dat de mogelijkheid waarover de lidstaten beschikken om rekening houdend met relevante selectiecriteria drempelwaarden vast te stellen, niet fictief is en dat de Vlaamse regelgeving daarvan overigens passend gebruik maakt voor bepaalde categorieën van projecten van bijlage II bij het Vlaamse besluit.
37 Met betrekking tot het bestaan van andere procedures dan het vereiste van een milieueffectbeoordeling, namelijk de procedures voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning, die volgens het Koninkrijk België de beoordeling van de milieueffecten voor alle in bijlage II bij het Vlaamse besluit genoemde categorieën van projecten waarborgen, stelt de Commissie vast dat die lidstaat niet aantoont dat alle in deze bijlage genoemde projecten worden gedekt door deze procedures en evenmin dat deze procedures voldoen aan de eisen van de artikelen 3 en 5 tot en met 10 van richtlijn 85/337, waaronder de eis van artikel 5, lid 3, vierde streepje, van deze richtlijn. In dit verband merkt de Commissie op dat uit de regelgeving van het Vlaamse Gewest niet kan worden opgemaakt dat bij de aanvraag voor een stedenbouwkundige of milieuvergunning de aanvrager gehouden is een schets van de voornaamste alternatieven te voegen, zoals laatstgenoemde bepaling vereist.
38 Het Koninkrijk België betoogt in zijn verweerschrift om te beginnen dat de Commissie niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan, aangezien zij niet heeft aangetoond dat elk van de projecten van bijlage II bij het Vlaamse besluit berust op een kennelijk onredelijke beoordeling.
39 Vervolgens voert die lidstaat aan dat het criterium betreffende de omvang van de voorgenomen projecten niet het enige criterium is dat bij de vaststelling van de drempelwaarden van bijlage II bij dat besluit in aanmerking is genomen, maar dat ook met de aard en de ligging van die projecten rekening is gehouden. Overigens legt de Vlaamse regelgeving de drempelwaarden op een bijzonder laag niveau vast, zodat kan worden aangenomen dat geen enkel project dat de bepaalde drempel niet overschrijdt en dat gelegen is in (de buurt van) een kwetsbaar gebied, aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
40 Die lidstaat is bovendien van mening dat op basis van artikel 4, lid 2, sub b, van richtlijn 85/337 bij de vaststelling van de drempelwaarden indirect rekening kan worden gehouden met de aard en de ligging van projecten, zonder dat deze criteria daarom bij elke aanvraag expliciet dienen te worden vermeld.
41 In dit verband herinnert het Koninkrijk België eraan dat de lidstaten kunnen kiezen om drempelwaarden of criteria vast te stellen en dat die drempelwaarden uit hun aard een kwantitatief karakter hebben, terwijl criteria daarentegen zowel kwantitatief als kwalitatief kunnen zijn. Daarbij komt dat artikel 4, lid 3, van die richtlijn gebiedt dat de lidstaten bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2, met de relevante selectiecriteria van bijlage III bij die richtlijn „rekening houden”. Uit die bepalingen moet dus worden afgeleid dat de selectiecriteria weliswaar bij de vaststelling van drempelwaarden in overweging moeten worden genomen, maar dat zij die drempelwaarden niet op gebiedende wijze bepalen.
42 Het Koninkrijk België zet verder uiteen dat de mogelijkheid voor de lidstaten om drempelwaarden te hanteren, tot pure fictie verwordt indien de bepaling van die waarden aan een precieze beschrijving van de activiteiten, gehanteerde materialen en producten, emissies enz. wordt gekoppeld.
43 Het betoogt dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken, waarbij zij de kenmerken van projecten op hun grondgebied in hun algemeenheid dienen te beoordelen, en dat de Vlaamse regelgeving niet als „kennelijk onredelijk” kan worden beschouwd, aangezien projecten van een categorie geenszins aan een milieueffectbeoordeling worden onttrokken en geen dusdanig hoge drempelwaarden zijn vastgesteld dat de meeste van de in bijlage II bij richtlijn 85/337 vervatte projecten van het toepassingsgebied van die beoordeling zijn uitgesloten.
44 Volgens het Koninkrijk België is het splitsen van projecten, binnen dezelfde categorie of tussen verschillende categorieën van projecten, zodat de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten wordt omzeild, uitgesloten omdat de verplichting om die beoordeling te verrichten overeenkomstig richtlijn 85/337 rust op de initiatiefnemer van het project.
45 Tot slot beroept die lidstaat zich op het bestaan van alternatieve procedures en betoogt dat de projecten van bijlage II bij het Vlaamse besluit niet op geldige wijze kunnen worden gerealiseerd zonder dat daarvoor voorafgaandelijk een milieuvergunning en/of een stedenbouwkundige vergunning is verkregen.
46 In dit verband preciseert hij dat die procedures voldoen aan de eisen van de artikelen 5 tot en met 10 van richtlijn 85/337. De in het kader van de milieuvergunning vastgelegde drempelwaarden zijn zeer laag en beogen slechts de inrichtingen uit te sluiten die onbeduidende milieueffecten genereren. Een stedenbouwkundige vergunning wordt onderworpen aan een toetsing aan de goede ruimtelijke ordening, waarbij ook een onderzoek naar de gevolgen voor het milieu plaatsvindt.
47 Bijgevolg is het Koninkrijk België van mening dat richtlijn 85/337 in het Vlaamse Gewest met de voor de rechtszekerheid vereiste specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid is uitgevoerd.
Beoordeling door het Hof
48 Met haar grief inzake de regelgeving van het Vlaamse Gewest betoogt de Commissie dat artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, niet correct en volledig is uitgevoerd, aangezien het Vlaamse besluit met betrekking tot de in bijlage II bij dit besluit bedoelde categorieën van projecten bepaalt dat de bevoegde autoriteit per geval moet beslissen of een milieueffectbeoordeling moet worden verricht, maar enkel voor projecten die bepaalde drempelwaarden overschrijden. Op dit punt stelt de Commissie vast dat deze drempelwaarden in die regeling niet zijn vastgesteld met inaanmerkingneming van alle in bijlage III bij die richtlijn genoemde criteria, maar alleen met inaanmerkingneming van het criterium betreffende de omvang van het project.
49 De lidstaten dienen richtlijn 85/337 uit te voeren op een wijze die volledig in overeenstemming is met de eisen die zij stelt, gelet op haar hoofddoel, dat, zoals blijkt uit artikel 2, lid 1, ervan, erin bestaat dat projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien de aard, omvang of ligging ervan, vóór de verlening van een vergunning worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten (arresten van 19 september 2000, Linster, C‑287/98, Jurispr. blz. I‑6917, punt 52, en 23 november 2006, Commissie/Italië, C‑486/04, Jurispr. blz. I‑11025, punt 36).
50 Zelfs een project van beperkte omvang kan namelijk een aanzienlijk milieueffect hebben, en uit vaste rechtspraak blijkt dat de wettelijke bepalingen van de lidstaat die voorzien in een milieueffectbeoordeling voor bepaalde soorten projecten, ook de in artikel 3 van richtlijn 85/337 geformuleerde eisen moeten naleven en rekening moeten houden met het effect van het project op mens, dier en plant, bodem, water, lucht of het culturele erfgoed (zie arresten van 13 juni 2002, Commissie/Spanje, C‑474/99, Jurispr. blz. I‑5293, punt 32, en 15 oktober 2009, Commissie/Nederland, C‑255/08, punt 30).
51 Overigens schrijft artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 85/337 voor dat de lidstaten voor de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde projecten door middel van een onderzoek per geval of aan de hand van door de betrokken lidstaat vastgestelde drempelwaarden of criteria bepalen of deze projecten al dan niet moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van deze richtlijn. Volgens de tweede alinea van die bepaling kunnen de lidstaten ook beslissen om beide in de eerste alinea genoemde procedures toe te passen.
52 Uit vaste rechtspraak volgt ook dat wanneer de lidstaten hebben beslist om drempelwaarden en/of criteria vast te stellen, de hun aldus toegekende beoordelingsmarge haar beperkingen vindt in de in artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 neergelegde verplichting om, vóórdat een vergunning wordt verleend, de projecten die met name wegens de aard, omvang of ligging ervan, een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen (arrest van 20 november 2008, Commissie/Ierland, C‑66/06, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 32).
53 Tevens dient te worden benadrukt dat de lidstaten op grond van artikel 4, lid 3, van richtlijn 85/337 de verplichting hebben om bij het vaststellen van die drempelwaarden of criteria rekening te houden met de in bijlage III bij deze richtlijn genoemde relevante selectiecriteria (reeds aangehaalde arresten Commissie/Ierland, punt 62, en Commissie/Nederland, punt 33).
54 Wat deze laatste criteria betreft onderscheidt die bijlage in de eerste plaats de kenmerken van de projecten, waarbij in het bijzonder de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder alsook het risico van ongevallen in overweging moeten worden genomen, in de tweede plaats de ligging van de projecten, zodat de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn in overweging wordt genomen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, en in de derde plaats de kenmerken van het potentiële effect, met name ten aanzien van de geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking.
55 Hieruit volgt dat een lidstaat die op basis van artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 drempelwaarden en/of criteria vaststelt en daarbij alleen rekening houdt met de omvang van de projecten zonder de in het voorgaande punt vermelde criteria in aanmerking te nemen, de grenzen overschrijdt van de beoordelingsmarge waarover hij krachtens de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 2, van deze richtlijn beschikt (reeds aangehaalde arresten Commissie/Ierland, punt 64, en Commissie/Nederland, punt 35).
56 Om te bepalen of de grief van de Commissie inzake de regelgeving van het Vlaamse Gewest gegrond is, moet dan ook worden onderzocht of de verplichtingen van de artikelen 2, lid 1, en 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, zoals gepreciseerd in de punten 52 tot en met 54 van het onderhavige arrest, zijn nageleefd.
57 De Commissie dient derhalve het bewijs te leveren dat de regelgeving van het Vlaamse Gewest tot uitvoering van artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337 niet kan waarborgen dat de in bijlage III bij deze richtlijn genoemde selectiecriteria in aanmerking worden genomen om uit te maken of een project al dan niet aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen.
58 Zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft de Commissie daartoe vastgesteld dat in bijlage II bij het Vlaamse besluit bedoelde categorieën van projecten, zoals die van de punten 3, sub a, 4, sub a, en 5, sub c, van deze bijlage, waarvoor de omvang van het project het enige criterium is dat in aanmerking wordt genomen, behoren tot de in bijlage II bij richtlijn 85/337 opgesomde categorieën. Voor deze categorieën van projecten moeten de lidstaten artikel 4, leden 2 en 3, van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III daarbij, naleven.
59 Anders dan het Koninkrijk België inzake de ontoereikendheid van het door de Commissie geleverde bewijs betoogt, dient in dit verband te worden benadrukt dat voor zover de onderhavige grief betrekking heeft op de wijze waarop richtlijn 85/337 in de regelgeving van het Vlaamse Gewest is uitgevoerd, en niet op het concrete resultaat van de toepassing van de uitvoeringsregeling, niet de reële effecten van de regelgeving van het Vlaamse Gewest tot uitvoering van deze richtlijn hoeven te worden aangetoond om te bewijzen dat deze richtlijn ontoereikend of onjuist ten uitvoer is gelegd. De ontoereikende of gebrekkige uitvoering ligt immers in de bepalingen zelf van die regelgeving besloten (zie in die zin arrest van 21 september 1999, Commissie/Ierland, C‑392/96, Jurispr. blz. I‑5901, punten 59 en 60, en arrest van 20 november 2008, Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 59).
60 Bijgevolg voldoet het Koninkrijk België, voor zover de regelgeving van het Vlaamse Gewest drempelwaarden en selectiecriteria vaststelt die enkel met de omvang van het betrokken project rekening houden, niet aan de eisen van artikel 4, leden 2 en 3, van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III daarbij. Die lidstaat heeft derhalve de grenzen overschreden van de beoordelingsmarge waarover hij bij de vaststelling van die drempelwaarden en criteria beschikt.
61 Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan door het betoog van het Koninkrijk België dat de Vlaamse regelgeving dusdanig lage drempelwaarden vaststelt dat kan worden aangenomen dat geen enkel project dat de bepaalde drempel niet overschrijdt en dat gelegen is in (de buurt van) een kwetsbaar gebied, aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Zoals uit punt 50 van het onderhavige arrest blijkt, kan zelfs een project van beperkte omvang namelijk een aanzienlijk milieueffect hebben, met name wegens de aard of de ligging ervan. De Commissie heeft dit voldoende aangetoond, zonder ernstig door die lidstaat te zijn tegengesproken, met betrekking tot een reeks in bijlage II bij het Vlaamse besluit bedoelde categorieën van projecten, zoals de categorieën van de punten 4, sub i, en 10, sub e, daarvan, zoals in de punten 34 en 35 van het onderhavige arrest is uiteengezet.
62 Wat bovendien het betoog van het Koninkrijk België betreft dat het bestaan van alternatieve procedures, zoals de procedures voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige en/of een milieuvergunning, de milieueffectbeoordeling waarborgt voor alle projecten die vallen onder de categorieën van bijlage II bij het Vlaamse besluit, dient te worden opgemerkt dat het Hof heeft geoordeeld dat in het geval van een project dat overeenkomstig richtlijn 85/337 moet worden beoordeeld, artikel 2, leden 1 en 2, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat toestaat een andere dan de bij deze richtlijn ingevoerde beoordelingsprocedure te gebruiken, wanneer die alternatieve procedure is geïntegreerd in een bestaande of in te stellen nationale procedure in de zin van artikel 2, lid 2, van deze richtlijn. Die alternatieve procedure moet echter voldoen aan de eisen van de artikelen 3 en 5 tot en met 10 van deze richtlijn (arrest van 16 september 1999, WWF e.a., C‑435/97, Jurispr. blz. I‑5613, punt 54).
63 Het Koninkrijk België, dat op dit punt de bewijslast draagt, heeft niet voldoende aangetoond dat de alternatieve procedures waarop het zich ter onderbouwing van dat betoog beroept, voldoen aan de eisen van de artikelen 3 en 5 tot en met 10 van richtlijn 85/337. In het bijzonder heeft het niet aangetoond dat die procedures voldoen aan de eisen van artikel 5, lid 3, vierde streepje, van die richtlijn, althans niet uitvoerig het in dit verband door de Commissie opgeworpen bezwaar bestreden dat uit de regelgeving van het Vlaamse Gewest inzake de procedures voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige of milieuvergunning niet kan worden opgemaakt dat de aanvrager bij de aanvraag gehouden is een schets van de voornaamste alternatieven te voegen, zoals deze laatste bepaling van die richtlijn vereist.
64 Zoals het Koninkrijk België erkent, kan bovendien, niettegenstaande het feit dat de in het kader van de milieuvergunning vastgestelde drempelwaarden zeer laag zijn en slechts beogen de inrichtingen uit te sluiten die onbeduidende milieueffecten genereren, niet worden uitgesloten dat bepaalde onder de in bijlage II bij die richtlijn bedoelde categorieën vallende projecten kunnen worden vrijgesteld van een voorafgaande vergunning, hetgeen in beginsel eraan in de weg staat dat voor deze projecten de bij artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 ingevoerde procedure voor het aanvragen van een vergunning en milieueffectbeoordeling steeds in acht wordt genomen.
65 Hoe dan ook heeft het Koninkrijk België rechtens niet afdoende aangetoond dat de alternatieve procedures waarop het zich beroept, van toepassing zijn op alle onder de categorieën van bijlage II bij die richtlijn vallende projecten, zodat geen afbreuk kan worden gedaan aan de in punt 60 van het onderhavige arrest gedane vaststelling.
66 De grief van de Commissie inzake de regelgeving van het Vlaamse Gewest is dan ook gegrond.
67 Bijgevolg is het Koninkrijk België de krachtens richtlijn 85/337 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen doordat niet de nodige maatregelen zijn genomen om, met betrekking tot de regelgeving van het Vlaamse Gewest, artikel 4, leden 2 en 3, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III daarbij, correct of volledig uit te voeren.
Grieven inzake de regelgeving van het Waalse Gewest
Argumenten van partijen
68 De Commissie betoogt dat, wat het Waalse Gewest betreft, artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met bijlage I, punten 8, sub a, en 18, sub a, bij deze richtlijn, en artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn niet correct en volledig zijn uitgevoerd.
69 Wat in de eerste plaats het niet correct uitvoeren in de regelgeving van het Waalse Gewest van artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met bijlage I, punten 8, sub a, en 18, sub a, bij deze richtlijn, betreft, herinnert de Commissie eraan dat de projecten van bijlage I bij deze richtlijn, onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, van deze richtlijn, moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling en dat de lidstaten niet over een beoordelingsmarge beschikken, anders dan het geval is voor de in bijlage II bij deze richtlijn bedoelde projecten, waarvoor de lidstaten bevoegd zijn om door middel van een onderzoek per geval te bepalen of het project al dan niet aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen.
70 De Commissie stelt vast dat het Waalse Gewest punt 8, sub a, van bijlage I bij richtlijn 85/337, dat waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart betreft, niet correct heeft uitgevoerd, aangezien bijlage I bij het Waalse besluit onder rubriek 61.20.01 een drempelwaarde hanteert die is uitgedrukt in aantal schepen, in casu 25, en niet in termen van tonnages, zoals punt 8 doet door schepen van meer dan 1 350 ton te vermelden.
71 Voorts merkt de Commissie op dat het Waalse Gewest punt 18, sub a, van bijlage I bij richtlijn 85/337 niet correct heeft uitgevoerd, aangezien bijlage I bij het Waalse besluit onder rubriek 21.1, betreffende industriële installaties voor de vervaardiging van papierpulp, papier en karton, een drempel van 500 ton per jaar vermeldt waaronder een effectbeoordeling niet verplicht is, terwijl punt 18 geen drempel bepaalt.
72 In dit verband benadrukt de Commissie dat elke industriële productie van papierpulp, ongeacht het productieproces, aanzienlijke milieueffecten kan hebben, met name wegens emissies in de lucht, emissies in het water en het energieverbruik.
73 Subsidiair merkt de Commissie op dat zelfs indien de lidstaten al een beoordelingsmarge in de vorm van een productiedrempel zou zijn gelaten om het woord „industrieel” te definiëren, een drempel van 500 ton per jaar te hoog is. Indien de productiedrempel al een geschikt element zou zijn ter invulling van het woord „industrieel”, dan zijn er volgens de Commissie ook nog andere elementen die bepalen of een installatie al dan niet als industrieel moet worden aangemerkt, zoals het al dan niet commerciële karakter van het project.
74 In de tweede plaats meent de Commissie dat artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 85/337 niet correct in de regelgeving van het Waalse Gewest is uitgevoerd, aangezien artikel R. 41‑9 van het Waalse wetboek, dat in de plaats is gekomen van artikel R. 83, § 1, van dat wetboek, niet bepaalt dat informatie moet worden verschaft over de aard van de beslissing die kan worden genomen, zodat het voor de bevoegde nationale autoriteit niet duidelijk is aan welke verplichtingen zij moet voldoen in de in artikel 7, lid 1, omschreven situatie.
75 Het Koninkrijk België betoogt met betrekking tot artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met bijlage I, punt 8, sub a, bij deze richtlijn, dat het Waalse Gewest niet betwist dat zijn regelgeving onvolledig is en dat een procedure tot wijziging van het Waalse besluit is ingeleid om aan de grief van de Commissie tegemoet te komen.
76 Daarentegen is die lidstaat van mening dat het Waalse Gewest artikel 4, lid 1, gelezen in samenhang met bijlage I, punt 18, sub a, correct heeft uitgevoerd door een drempelwaarde vast te stellen, uitgedrukt in tonnages, in casu 500 ton per jaar, waaronder een milieueffectbeoordeling niet verplicht is.
77 In dit verband beweert het Koninkrijk België dat de beperking van het toepassingsgebied van artikel 4 van richtlijn 85/337 tot industriële installaties, zoals punt 18 van bijlage I bij deze richtlijn vermeldt, inhoudt dat onder een bepaalde drempel een installatie geen industriële installatie is, waardoor de milieueffectbeoordeling voor die installatie niet verplicht is.
78 Bovendien betoogt die lidstaat dat de Commissie niet aantoont waarom een productie van minder dan 500 ton per jaar een reden zou kunnen zijn om een installatie als industrieel te kwalificeren. Die instelling geeft niet aan vanaf welke productiegrens of enige andere eenvoudig te toetsen technische parameter installaties voor de vervaardiging van papierpulp moeten worden beschouwd als een industriële installatie en dus aan een verplichte milieueffectstudie moeten worden onderworpen.
79 Het Koninkrijk België voegt toe dat de regelgeving van het Waalse Gewest verder gaat dan richtlijn 85/337. Artikel D. 68 van het Waalse wetboek bepaalt namelijk dat de projecten die niet automatisch aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen, het voorwerp worden van een onderzoek per geval om vast te stellen of, in overeenstemming met de criteria van bijlage III bij deze richtlijn, het bedoelde project aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
80 Wat tot slot de grief inzake artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 85/337 betreft, is die lidstaat van mening dat het Waalse Gewest deze bepaling niet hoefde uit te voeren omdat zij een verplichting van samenwerking tussen een lidstaat en een andere lidstaat oplegt en een omzetting van die verplichting geen rechten voor particulieren zou creëren.
Beoordeling door het Hof
81 Met haar grieven inzake de regelgeving van het Waalse Gewest betoogt de Commissie dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met bijlage I, punten 8, sub a, en 18, sub a, bij deze richtlijn, en artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn niet correct en volledig zijn uitgevoerd in die regelgeving.
82 Wat in de eerste plaats de grief betreft dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met punt 8, sub a, van bijlage I bij deze richtlijn, dat waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart betreft, niet correct is uitgevoerd in de regelgeving van het Waalse Gewest, betoogt de Commissie dat bijlage I bij het Waalse besluit onder rubriek 61.20.01 een drempelwaarde hanteert die is uitgedrukt in aantal schepen, in casu 25, en niet in tonnages, zoals punt 8 doet door schepen van meer dan 1 350 ton te vermelden.
83 In dit verband dient te worden vastgesteld dat, zoals duidelijk uit de stukken van het Koninkrijk België blijkt, deze lidstaat niet betwist dat de regelgeving van het Waalse Gewest niet overeenstemt met artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met bijlage I, punt 8, sub a, bij deze richtlijn. Die lidstaat geeft bovendien te kennen dat een procedure tot wijziging van het Waalse besluit is ingeleid om aan de grief van de Commissie tegemoet te komen. Dat wordt gepreciseerd dat aan de vaststelling van een nieuwe regeling wordt gewerkt om ervoor te zorgen dat dit besluit die bepalingen van die richtlijn correct uitvoert, bevestigt de stelling dat de van kracht zijnde regelgeving van het Waalse Gewest op dit punt onvolledig is (zie in die zin arrest van 9 december 2010, Commissie/Spanje, C‑340/09, punt 42). Bijgevolg is de grief inzake die bepalingen gegrond.
84 Wat voorts de grief betreft dat punt 18, sub a, van bijlage I bij die richtlijn, inzake industriële installaties voor de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen, niet correct in de regelgeving van het Waalse Gewest is uitgevoerd, betoogt de Commissie dat bijlage I bij het Waalse besluit onder rubriek 21.1, betreffende industriële installaties voor de vervaardiging van papierpulp, een drempel van 500 ton per jaar vermeldt waaronder een effectstudie niet verplicht is, terwijl punt 18, sub a, geen drempel bepaalt.
85 In dit verband dient te worden opgemerkt dat artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben en dat de effecten ervan worden beoordeeld alvorens een vergunning wordt verleend, welke projecten worden omschreven in artikel 4 van deze richtlijn. Bovendien schrijft artikel 4, lid 1, van deze richtlijn voor dat, onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde projecten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van deze richtlijn.
86 Bijgevolg moeten overeenkomstig de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van richtlijn 85/337, afgezien van de uitzonderlijke gevallen van artikel 2, lid 3, van deze richtlijn, de in bijlage I bij deze richtlijn bedoelde projecten als zodanig, vóór de afgifte van een vergunning, systematisch aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen (zie in die zin arresten van 23 november 2006, Commissie/Ierland, C‑486/04, Jurispr. blz. I‑11025, punt 45, en 5 juli 2007, Commissie/Italië, C‑255/05, Jurispr. blz. I‑5767, punt 52). De lidstaten beschikken op dit punt dan ook niet over een beoordelingsmarge.
87 In casu dienen de projecten betreffende industriële installaties voor de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen, die uitdrukkelijk in punt 18, sub a, van bijlage I bij richtlijn 85/337 zijn vermeld en dus kennelijk onder deze bijlage vallen, als zodanig systematisch te worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, zonder dat de lidstaten deze aan die procedure kunnen onttrekken, met name door een drempel vast te stellen waaronder een effectstudie niet verplicht is, terwijl deze bijlage in dit verband geen drempel bepaalt. Uit die uitdrukkelijke vermelding in die bepaling volgt immers dat reeds de aard van de activiteit van dergelijke installaties rechtvaardigt dat een beoordelingsprocedure wordt ingeleid, ongeacht de omvang van deze installaties.
88 Door onder rubriek 21.1 van bijlage I bij het Waalse besluit, die industriële installaties voor de vervaardiging van papierpulp betreft, een drempel van 500 ton per jaar in te voeren waaronder een effectstudie niet verplicht is, terwijl bijlage I bij richtlijn 85/337 in dit verband geen drempel bepaalt, is punt 18, sub a, van deze laatste bijlage niet correct in de regelgeving van het Waalse Gewest uitgevoerd. De grief inzake artikel 4, lid 1, van die richtlijn, gelezen in samenhang met punt 18, sub a, van bijlage I daarbij, is dan ook gegrond.
89 Wat in de tweede plaats de grief betreft dat artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 85/337 niet correct is uitgevoerd, betoogt de Commissie dat deze bepaling niet correct in de regelgeving van het Waalse Gewest is uitgevoerd, aangezien artikel R. 41‑9 van het Waalse wetboek, dat in de plaats is gekomen van artikel R. 83, § 1, van dat wetboek, niet voorschrijft dat informatie moet worden verschaft over de aard van de beslissing die kan worden genomen, zodat het voor de bevoegde nationale autoriteit niet duidelijk is aan welke verplichtingen zij moet voldoen in de in artikel 7, lid 1, omschreven situatie.
90 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 85/337 bepaalt dat wanneer een lidstaat constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat, of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden hierom verzoekt, de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren de andere lidstaat zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk wanneer hij zijn eigen publiek informeert, onder meer informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen, doet toekomen. Die bepaling is dwingend geformuleerd en laat de lidstaten geen beoordelingsmarge.
91 Anders dan artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 85/337 vereist, bepaalt artikel R. 41‑9 van het Waalse wetboek niet dat informatie moet worden verschaft over de aard van de beslissing die kan worden genomen.
92 In dit verband betoogt het Koninkrijk België echter dat het Waalse Gewest artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 85/337 niet hoefde uit te voeren omdat deze bepaling enkel een verplichting van samenwerking tussen de lidstaten en geen rechten voor particulieren creëert. Uit de punten 49 tot en met 55 van het arrest van 2 mei 1996, Commissie/België (C‑133/94, Jurispr. blz. I‑2323), volgt evenwel dat de artikelen 7 en 9 van deze richtlijn moeten worden uitgevoerd. Evenzo volgt uit de punten 61 tot en met 66 van het arrest van 16 juli 2009, Commissie/Ierland (C‑427/07, Jurispr. blz. I‑6277), dat artikel 7, lid 1, van die richtlijn volledig moet worden uitgevoerd. Het betoog van het Koninkrijk België kan dan ook niet worden aanvaard.
93 Daaruit volgt dat aangezien artikel R. 41‑9 van het Waalse wetboek niet voorschrijft dat informatie moet worden verschaft over de aard van de beslissing die kan worden genomen, artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 85/337 niet correct in de regelgeving van het Waalse Gewest is uitgevoerd. De grief die de Commissie dienaangaande heeft geformuleerd, is dan ook gegrond.
94 Derhalve is het Koninkrijk België de krachtens richtlijn 85/337 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen doordat niet de nodige maatregelen zijn genomen om, met betrekking tot de regelgeving van het Waalse Gewest, artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met bijlage I, punten 8, sub a, en 18, sub a, bij deze richtlijn, en artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn correct of volledig uit te voeren.
Grieven inzake de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Argumenten van partijen
95 De Commissie betoogt dat, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, en bijlage III als zodanig, niet correct zijn uitgevoerd.
96 Met betrekking tot in de eerste plaats de grief inzake artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, is de Commissie van mening dat in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, net als in de Vlaamse regelgeving, geen rekening wordt gehouden met de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de uitvoering van artikel 4, lid 3, van deze richtlijn. Deze lacune is zowel in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op het gebied van de stedenbouwkundige vergunning of de verkavelingsvergunning als in de regelgeving op het gebied van de milieuvergunning te vinden.
97 De Commissie meent dat voor de categorieën 20 tot en met 26 van bijlage B bij het Brusselse wetboek vrijwel alleen het criterium „omvang van het project” van bijlage III bij deze richtlijn in aanmerking is genomen om de drempelwaarde vast te stellen aan de hand waarvan kan worden bepaald of het project aan een effectverslag moet worden onderworpen overeenkomstig artikel 142 van dat wetboek.
98 De Commissie benadrukt tevens dat ook in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de milieuvergunning of het milieuattest drempels zijn vastgesteld die enkel betrekking hebben op de omvang van de projecten. Bij wijze van voorbeeld leidt de Commissie uit rubriek 68 van de bijlage bij het Brusselse besluit af dat voor een project inzake meerdere kleine garages die elk bestemd zijn voor minder dan tien wagens, geen effectrapport of effectstudie verplicht is, terwijl het cumulatieve effect van dat project aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu, welk risico des te groter is indien die inrichtingen zich in een dichtbebouwde omgeving bevinden.
99 Met betrekking tot artikel 11 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betoogt de Commissie dat deze bepaling niet waarborgt dat altijd rekening wordt gehouden met de gezamenlijke effecten van meerdere inrichtingen, aangezien zij alleen van toepassing is indien er sprake is van voldoende technische verwevenheid van de verschillende onderdelen van de uitbatingseenheid.
100 Overigens constateert de Commissie dat het Koninkrijk België met betrekking tot het Brussels Hoofdstedelijk Gewest evenmin heeft aangetoond dat de genoemde alternatieve beoordelingswijzen de milieueffectbeoordeling als bedoeld in artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 vervangen.
101 Wat in de tweede plaats de grief betreft dat bijlage III bij richtlijn 85/337 als zodanig niet in acht is genomen, merkt de Commissie op dat deze bijlage niet in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is uitgevoerd en dat het Koninkrijk België met betrekking tot dit Gewest niet kan aantonen dat in deze regelgeving met de in die bijlage genoemde criteria rekening is gehouden bij de vaststelling van de lijst van inrichtingen van de klassen IA, IB, II en III, evenals bij de beoordeling van geval tot geval.
102 Het Koninkrijk België voert aan dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werkt aan de vaststelling van maatregelen tot aanvulling van de onvolledige uitvoering van richtlijn 85/337 waarbij duidelijk het beginsel in acht wordt genomen dat de drempelwaarden dienen te worden vastgesteld rekening houdend met het geheel van de criteria die zijn opgesomd in bijlage III bij deze richtlijn.
Beoordeling door het Hof
103 Met haar grieven inzake de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stelt de Commissie dat artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, en bijlage III als zodanig, niet correct in deze regelgeving zijn uitgevoerd.
104 Zoals uit de in de punten 95 tot en met 101 van het onderhavige arrest samengevatte stukken van de Commissie blijkt, heeft de Commissie de gegrondheid van die grieven rechtens afdoende aangetoond, zonder dat het Koninkrijk België deze grieven heeft weerlegd.
105 Zoals duidelijk uit de stukken van het Koninkrijk België blijkt, betwist deze lidstaat bovendien niet dat de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet overeenstemt met artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, en ook in strijd is met bijlage III als zodanig. Die lidstaat geeft overigens te kennen dat een procedure tot wijziging van die regelgeving is ingeleid om aan de grieven van de Commissie tegemoet te komen. Dat wordt beweerd dat aan de vaststelling van een nieuwe regeling wordt gewerkt om ervoor te zorgen dat in de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest al deze bepalingen correct worden uitgevoerd, bevestigt de stelling dat deze regelgeving op dit punt onvolledig is (zie in die zin arrest van 9 december 2010, Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 42).
106 Derhalve is het Koninkrijk België de krachtens richtlijn 85/337 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen doordat niet de nodige maatregelen zijn genomen om, met betrekking tot de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, en bijlage III als zodanig, correct of volledig uit te voeren.
107 Bijgevolg is het Koninkrijk België, doordat niet de maatregelen zijn vastgesteld die nodig zijn voor de correcte of volledige uitvoering van:
– wat de regelgeving van het Vlaamse Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn;
– wat de regelgeving van het Waalse Gewest betreft, artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met bijlage I, punten 8, sub a, en 18, sub a, bij deze richtlijn, en artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn, en,
– wat de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, en bijlage III als zodanig,
de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
Kosten
108 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie verwijzing van het Koninkrijk België in de kosten heeft gevorderd en het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) Doordat niet de maatregelen zijn vastgesteld die nodig zijn voor de correcte of volledige uitvoering van:
– wat de regelgeving van het Vlaamse Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn;
– wat de regelgeving van het Waalse Gewest betreft, artikel 4, lid 1, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, gelezen in samenhang met bijlage I, punten 8, sub a, en 18, sub a, bij deze richtlijn, en artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn, en,
– wat de regelgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, gelezen in samenhang met de bijlagen II en III bij deze richtlijn, en bijlage III als zodanig,
is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy